Robbert Roodhaar

Part 29

Chapter 293,971 wordsPublic domain

»Ja, dat is maar zoo en niet anders!" zei de lange Hooglander, die Steedart heette: »men zou ons zoo onmanierlijk niet plagen en ons hier niet bijeen doen komen om Robbert Roodhaar te vangen, als de Cawmil's hem geene bescherming verleenden. Wij waren eens met ons dertigen en joegen het volkje van den stam Mac-Gregor als hazen voor ons uit, tot wij in den omtrek van Glenfollich kwamen. Daar stonden de Cawmil's op en beletten ons om hen verder te vervolgen: vergeefs was toen al onze aangewende moeite! Doch ik zou er, ik weet niet wat om geven, als ik dien Robbert weder zoo dicht op de hielen kon komen, als op dien bewusten dag!"

Ongelukkig vond mijn vriend Jarvie in elke uitdrukking van den Hooglander iets dat hem mishaagde.

»Neem het mij niet kwalijk," zeide hij, »dat ik spreek zoo als ik denk, mijn beste Heer: maar gij zoudt er zeker, wie weet wat om gegeven hebben, als gij dan zoo ver van Robbert verwijderd kondet zijn, als thans. Mijn gloeiend ploegijzer zou, in vergelijking met zijn zwaard, niets geweest zijn."

»Ik raad u, welmeenend, geen woord meer van uw vervloekt ploegijzer te reppen! Gij zult en moet daarover zwijgen, dat eisch ik of ik zal mij, om u daartoe te noodzaken, van een middeltje bedienen, dat nog nooit gefaald heeft!"--Dit zeggende, greep hij met een dreigenden blik naar zijn dolk.

»Halt! Geene vechtpartij meer, Allan!" riep de kleine Hooglander. »Is die mijnheer uit Glasgow zulk een boezemvriend van Robbert, welnu, dan kan hij hem misschien nog heden nacht in boeien en morgen aan de galg zien. Lang genoeg heeft hij het land geplaagd, en nu delft zijn stam eindelijk het onderspit: dat behoort zoo.--Maar het wordt tijd: wij moeten ons naar onze lieden begeven."

»Toch niet, Inverashalloch!" riep Galbraith. »Zouden wij nu voor eene enkele flesch opdraaien! Gekheid! Toon u een man!"

»Alles goed en wel. Gij weet, dat ik mijne flesch sta en, als het er op aan komt, geen kniesoor ben. Maar de duivel hale elken droppel, dien ik te veel drink, als ik 's morgens iets van belang te doen heb. En naar mijne domme meening zoudt gij, Galbraith, veel beter doen, als gij uwe ruiters vóór het aanbreken van den dag hierheen bracht."

»Waarvoor die haast?" antwoordde Galbraith. »Met eten en drinken moet men lichaam en ziel bij elkander houden: met vasten komen wij er waarachtig niet! En had ik iets te zeggen gehad, dan zou ik u zeker niet met uw volk te hulp geroepen hebben. Het garnizoen en onze ruiters zouden best alleen in staat zijn geweest, om Robbert te knippen. Hier is de hand, die hem in het gras zal doen bijten en die geen hulp van een uwer Hooglanders behoeft."

»Welnu, dan hadt gij ons maar moeten laten blijven, waar wij waren!" hernam Inverashalloch. »Ik ga waarlijk geen twintig uren ver, als men mij niet oproept. Wil ik u eens zeggen, hoe ik over u denk. Gij zijt een groote babbelaar, en als gij wat minder in den mond en wat meer in het hoofd hadt, zou het met uwe onderneming veel beter gelukken. Wie nog een steun heeft, kan zich lang staande houden, en zoo is het geval met onzen man. Wil men een vogel vangen, dan moet men niet met de muts naar hem smijten. En die lieden daar ginder hebben ook het een en ander gehoord, wat zij niet zouden gehoord hebben, als gij den brandewijn niet zoo druk aangesproken hadt, majoor Galbraith. Nu, nu! gij behoeft uw hoed niet zoo uitdagend op het ééne oor te zetten, en den menschenvreter uit te hangen. Ik ken u immers, vriendje: gij zijt zoo gevaarlijk niet!"

»Ik heb het reeds gezegd," hernam de beschonken Galbraith met belachelijke deftigheid; »ik twist heden nacht met niemand, hij moge laken of tartan dragen. Maar buiten den dienst twist ik met u en met ieder uit het Hoogland en uit de Laaglanden. Zoo lang ik mij in dienst bevind, gebeurt dit echter niet!--Neen, zeg ik u, neen! Ik wenschte wel, dat de roodrokken er reeds waren. Was er iets tegen koning Jakobus te ondernemen, dan zouden zij wel bij de hand zijn; maar om de rust in het land te bewaren, zijn zij even traag als hunne buren."

Terwijl hij dit zeide, hoorden wij de regelmatige stappen van eene bende voetvolk, en kort daarop trad een officier met eenige soldaten de kamer binnen. Zijn Engelsch luidde als aangename muziek in mijne ooren, die reeds zoo lang niets dan het Schotsche dialekt gehoord hadden.

»Waarschijnlijk zijt gij de majoor Galbraith van de ruiterij uit Lennox,"--vroeg hij--»en deze heeren zullen, denkelijk, de Hooglanders zijn, die ik hier zou vinden?"

De gasten beantwoordden deze vragen toestemmend en noodigden den officier eenige ververschingen te gebruiken. Hij weigerde echter, en ging voort: »Ik ben wat te lang opgehouden, mijne heeren, en wensch nu den verloren tijd weder in te halen. Onder anderen luiden mijne bevelen om twee personen te arresteeren, die van verraderlijke aanslagen beschuldigd worden."

»Ja, wat dat betreft, daarmede hebben wij niets te maken, en kunnen er ons dus ook niet mede bemoeien," zeide Inverashalloch. »Ik ben met mijne lieden herwaarts gekomen, om tegen den roover Mac-Gregor, die mijn neef in den zevenden graad vermoord heeft, te vechten. Maar mij raakt het volstrekt niet, wat brave lieden, die voor hunne zaken reizen, doen of laten willen."

»Neen, dat raakt mij ook niet!" zeide Iverach, de andere Hooglander.

Galbraith nam de zaak ernstiger op en begon dadelijk: »Ten nadeele van koning George wil ik geen enkel woord zeggen, kapitein, want het kan zeer wel wezen dat ik van hem mijne aanstelling heb. Maar wanneer de eene aanstelling goed is, is de andere daarom niet slecht, en voor sommige lieden klinkt de naam Jakobus even goed als de naam George. De een is koning, de ander behoorde het te zijn. Naar mijn oordeel kan een eerlijk man het goed met beiden meenen. Ik verklaar mij voor de bestaande machten, zoo als het een officier betaamt. Maar om verder van verraad en dergelijke dingen te spreken, dat is slechts tijd verspillen!"

»Met leedwezen bespeur ik, hoe gij uw tijd hier hebt doorgebracht!" zei de Engelsche officier, die begreep hoe sterk Galbraith's argumenten den genoten brandewijn verrieden. »Ik wenschte wel, dat zoo iets bij zulk eene gewichtige gelegenheid niet gebeurd ware! Ik raad u welmeenend, uw roes een uurtje uit te slapen. Behooren deze heeren tot uw gezelschap?" vervolgde hij, op Jarvie en mij wijzende, die beiden nog met ons avondmaal bezig waren en weinig op den officier gelet hadden.

»Reizigers," zeide Galbraith, »eerzame reizigers te water en te land, zoo als in het kerkboek staat."

»Ik heb bevel," hernam de kapitein, terwijl hij ons bijlichtte, »een bejaard en een jong man te arresteeren en het signalement komt met deze beide heeren vrij goed overeen."

»Bedenk wel wat gij zegt, mijnheer!" zeide Jarvie: »noch uw roode rok, noch uw gegaloneerde hoed kan u beschermen, zoo gij mij zelfs de geringste beleediging aandoet. Ik ben een gezeten burger, en bovendien een overheidspersoon uit Glasgow. Nikolaas Jarvie is mijn naam, en zoo heette ook mijn vader zaliger. Ik ben lid van den stedelijken raad--een groote eer voor mij--en mijn vader was wijkmeester."

»Hij was een oude schoelje!" viel Galbraith hem in de rede; »en vocht bij de Bothwell-brug tegen zijn wettigen koning."

»Wat hij kocht betaalde hij eerlijk, mijnheer Galbraith!" zeide Jarvie; »en hij was een veel braver man dan op uwe been en staat."

»Ik heb geen tijd om mij hiermede verder in te laten," hernam de officier. »Kunt gij, heeren, geene genoegzame bewijzen geven, dat gij getrouwe onderdanen zijt, dan moet ik u in hechtenis nemen."

»Ik verlang voor den burgerlijken rechter gebracht te worden," hernam Jarvie; »want ik ben niet verplicht, iederen roodrok te antwoorden, die mij met zijne onbescheidene vragen lastig valt."

»Goed, mijnheer! wilt gij mij niet antwoorden, dan zal ik wel weten wat ik met u te doen heb. En gij," aldus sprak officier mijn aan; »uw naam!"

Toen ik mijn naam genoemd had, vervolgde hij: »hoe, een zoon van Hildebrand Osbaldistone in Northumberland?"

»Neen," viel Jarvie hem in de rede, »een zoon van den beroemden Willem Osbaldistone, van het vermaarde kantoor Osbaldistone en Tresham in Londen."

»Ik vrees, dat uw naam de verdenking tegen u slechts vermeerderen moet," hernam de officier. »Ik moet u verzoeken, mij al de papieren, welke gij bij u hebt, ter hand te stellen."

Toen hij dit verzocht, bemerkte ik dat de Hooglanders elkander angstig aanzagen.

»Ik heb u niets ter hand te stellen!" was mijn antwoord.

De officier beval mij te ontwapenen en te onderzoeken. Tegenstand zou razernij zijn geweest. Ik gaf mijne wapens over, en onderwierp mij aan dat onderzoek, dat met alle mogelijke kiesheid geschiedde. Men vond echter niets dan den brief, dien ik van de waardin had ontvangen.

»Ik had iets anders verwacht," zei de officier, »maar ook dit is voor mij reden genoeg om u gevangen te houden. Ik vind u in briefwisseling met den gebannen en voor vogelvrij verklaarden roover Robbert Mac-Gregor Campbell, die zoo lang eene plaag van deze streken is geweest. Wat moet ik daarvan denken?"

»Spionnen van Robbert!" riep Inverashalloch; »kort en goed recht over hen! Men hange hen op aan den eersten den besten boom!"

»Wij zijn van huis gegaan om eenige goederen terug te halen, die ons behooren, en toevallig in zijne handen zijn geraakt," zeide Jarvie. »Mij dunkt toch, dat er geen wet bestaat, die ons verbiedt voor het behoud van ons eigendom te zorgen."

»Hoe zijt gij aan dezen brief gekomen?" vroeg mij de officier.

Ik wilde de waardin niet verraden en zweeg.--»Weet gij er niets van?" vroeg de officier thans aan Andries, die, zoodra hij het vonnis had gehoord, dat de Hooglander over ons velde, van schrik klappertandde.--»O ja, ja, ik weet er alles van--het was--het was een slungel uit het Hoogland--die gaf den brief aan de vrouw van dezen huize. Mijnheer wist er echter niets van, daarop wil ik des noods een eed doen! Maar hij wil zich naar het gebergte begeven en met Robbert spreken. Ach, mijnheer! verricht hier eens een werk van barmhartigheid en laat een paar van uwe roodrokken hem veilig naar Glasgow terugbrengen: hij moge willen of niet. De heer Jarvie kunt gij bij u houden, zoo lang gij verkiest: die man is goed voor iedere geldboete, welke gij hem zoudt willen opleggen. Mijnheer is het trouwens ook, wat dat betreft--en ik--ik ben een arm tuinier en niet waardig dat gij u een enkel oogenblik om mij bekommert."

»Het zal wel 't best zijn deze lieden onder bedekking naar het fort te zenden," zei de officier. »Zij schijnen met den vijand in verstandhouding te zijn, en ik durf het niet op mij nemen, hen in vrijheid te laten.--Gij zijt mijne gevangenen. Met het aanbreken van den dag wordt gij van hier vervoerd. Zijt gij inderdaad degenen welke gij zegt te zijn, dan zal dat spoedig blijken, en een paar dagen oponthoud zal u juist zooveel schade niet veroorzaken. Verschoon mij van alle tegenbedenkingen," vervolgde hij, zich van Jarvie afwendende, die hem wilde aanspreken: »de dienst duldt niet dat ik mij met een nutteloos onderzoek inlate."

»Zeer wel, zeer wel!" hernam Jarvie. »Wij zullen dan eens naar uwe pijpen dansen. Maar pas op. Ik zal, als mijne beurt komt, u een nog moeielijker dansje voorspelen en dan zult gij dansen dat gij omvalt."

Nu had er eene ernstige beraadslaging tusschen den officier en de Hooglanders plaats, maar zoo zacht en geheimzinnig, dat men er volstrekt niets van kon verstaan.--Eindelijk gingen zij allen naar buiten.--»Deze Hooglanders," zeide Jarvie tot mij, »zijn van de westelijke stammen. Zij hebben, zooals men zegt, even lange vingers als hunne naburen. Maar gij ziet, dat zij herwaarts zijn gekomen om den ongelukkigen Robbert te vervolgen, omdat zij een ouden haat tegen hem en zijn stam voeden, en nu komen zij uit alle oorden gewapend opdagen. Men weet eigenlijk wel waarom zij vechten, en ik kan het hun niet kwalijk nemen; want wie wil gaarne zijn vee verliezen. En dan zijn er ook nog soldaten uit de vesting bij! Ja, de arme Robbert zal morgen de handen vol hebben, dat voorzie ik! Het is waar, een overheidspersoon, een lid van den stedelijken raad van Glasgow mag niets wenschen, wat tegen den gang der gerechtigheid indruischt. Maar toch zeg ik u, dat ik mij de haren niet uit het hoofd rukken zou, als ik hoorde, dat Robbert zijne vijanden eens aardig om den tuin had geleid."

HOOFDSTUK XXX.

Hoor mij! Kapitein, zie, bid ik, mij aan, Zie mij in 't gelaat, het gelaat eener vrouwe, Zie of iets anders dan vrees of dan schrik, En bleekheid en angst zich vertoont in mijn blik, Ik smeek u genade in rouwe....

Bonduca.

De overige uren van den nacht liet men ons slapen, zoo goed als dit bij den armzaligen toestand der herberg mogelijk was. Jarvie was door de vermoeienissen van de reis en de daarop gevolgde gebeurtenissen zeer afgemat. Onze gevangenneming, die trouwens voor hem slechts eene voorbijgaande onaangenaamheid kon zijn, deerde hem niet veel. Hij was misschien ook minder verwend dan ik, minder aan zindelijkheid gewoon, en ging dus in eene der langs den wand zich bevindende kribben liggen en begon spoedig geducht te snurken, terwijl ik, met het hoofd op de tafel liggende, slechts weinige oogenblikken een zeer onrustigen slaap genoot. Gedurende den nacht had ik gelegenheid den twijfel en besluiteloosheid der soldaten op te merken, door de maatregelen welke zij namen. Er werden enkele soldaten uitgezonden, alsof zij op verkenning gingen. Doch telkens kwamen zij terug, zonder, naar het scheen, hun officier geruststellende berichten te brengen. Duidelijk was het zichtbaar, dat de aanvoerder in angstige verwachting verkeerde. Van tijd tot tijd zond hij twee of drie man uit, van wie sommigen, zoo als ik uit het gefluister der overigen vernam, in het geheel niet terugkwamen.

Toen de dag aanbrak, kwamen een korporaal en twee soldaten juichende binnen met een gevangen Hooglander, in wien ik op het eerste gezicht den ontvluchten cipiersknecht uit Glasgow, Dugald, herkende. Jarvie, die door dit gejuich ontwaakt was, begreep dit ook al spoedig en riep uit: »de Hemel ontferme zich! daar hebben zij den armen Dugald gekregen! Kapitein, ik blijf borg voor hem, ik blijf borg voor dezen Dugald!"

Op die betuiging, welke de dankbare herinnering aan de laatste dienstbetooning van den Hooglander hem ingaf, antwoordde de kapitein, »dat Jarvie liever aan zijne eigene belangen moest denken, en niet moest vergeten, dat hij zelf een gevangene was."

»Mijnheer Osbaldistone, ik roep u op als getuige," zeide Jarvie, die zeer waarschijnlijk de burgerlijke rechtspleging beter kende dan de krijgswetten: »gij kunt verklaren, dat deze officier een goeden borgtocht geweigerd heeft. Dugald kan eene aanklacht tegen hem inleveren wegens onwettige gevangenneming, en dan nog een eisch tot schadevergoeding doen. Ik zal den braven man voor het gerecht bijstaan."

De officier, dien ik Thornton hoorde noemen, sloeg geen acht op Jarvie's bedreigingen. Hij begon Dugald streng te verhooren en bracht hem daardoor zoo zeer in het nauw, dat de gevangene ten laatste, ofschoon met zichtbaren tegenzin, langzamerhand bekende, dat hij wel wist wie Robbert Mac-Gregor was. Ja, dat hij hem nog geen jaar geleden--nog geen half jaar--nog geen maand--nog geen week geleden--had gezien--en eindelijk, dat hij hem pas voor een uur verlaten had. Alle deze bekentenissen werden den gevangene als bloeddruppels door Thornton afgeperst, die telkens dreigde, hem aan den eersten den besten boom te zullen ophangen, als hij zich maar eene enkele logen veroorloofde.

»En nu," vervolgde de kapitein, »moet gij mij ook zeggen, hoe veel man die Robbert thans bij zich heeft."

Dugald keek angstig rond zonder den vrager aan te zien, en zeide met eene flauwe stem: »dat weet ik niet juist."

»Zie mij aan," hernam Thornton, »en bedenk, gij Hooglandsche hond, dat uw leven van uw antwoord afhangt. Hoe vele schelmen had de vogelvrij verklaarde schurk bij zich, toen gij hem verliet?"

»Niet meer dan zes schelmen," antwoordde Dugald.

»En waar waren de overige roovers?"

»Met den luitenant tegen de kerels in het Westland opgetrokken."

»Tegen de westelijke clans? Hm! zeer waarschijnlijk. En op welke schurkachtige expeditie waart gij uitgezonden?"

»Ik moest eens zien, wat gij, mijnheer, en de overige heeren roodrokken hier in het dorp uitvoerdet."

»Weet ge wel dat die kerel, op de keper beschouwd, een gemeene verrader is," fluisterde Jarvie, die dicht achter mij stond, mij toe. »Het is maar goed, dat men mij, toen ik borg voor hem wilde blijven, niet bij mijn woord heeft gehouden; hij is, waarachtig! geen knip voor den neus waard!"

»En nu, mijn goede vriend," hernam de kapitein, »zullen wij eens zien, wat wij met u te doen hebben. Gij hebt bekend, dat gij een spion zijt, en moest dus van rechtswege aan den eersten den besten boom opgeknoopt worden. Maar luister! wilt gij mij een dienst bewijzen, dan bewijs ik u wederkeerig een dienst. Breng mij en eenige van mijne manschappen naar de plaats, waar gij Robbert verlaten hebt; want ik moet hem over zeer gewichtige zaken spreken. Doet gij dit, dan stel ik u in vrijheid, en geef u nog vijf guinjes op den koop toe."

»Neen, dat niet! Ach neen!" riep Dugald in de uiterste vrees en verwarring; »dat kan ik niet doen, dat kan ik, waarachtig, niet doen! Hang mij liever op!"

»Nu, dat kan terstond geschieden! Korporaal Cramp, vervul hier de taak van beul, laat dezen spion dadelijk aan den een of anderen boom opknoopen."

De korporaal stond tegenover den armen Dugald en maakte met vrij wat vertoon en heel langzaam een strop gereed, dien hij den veroordeelde om den hals wierp en hem toen, met behulp van twee soldaten, naar de deur sleurde, waar Dugald, door doodsangst overmand, uitschreeuwde: »houdt op! mijne heeren, houdt op, laat mij los! Ik wil den kapitein den gevraagden dienst bewijzen! Laat mij los!"

»Ellendige kerel!" riep Jarvie. »Hij verdient thans de galg meer dan ooit. Weg met hem, korporaal! Waarom gaat gij niet?"

»Ik geloof, mijn beste heer," antwoordde de korporaal, »dat, zoo gij zelf moest opgehangen worden, gij zooveel haast niet zoudt maken."

Dit tusschengesprek belette mij, alles te hooren, wat er tusschen den kapitein en den gevangene verhandeld werd; maar ik verstond zeer duidelijk, dat deze den officier snikkende vroeg: »Maar gij zult toch niet begeeren, dat ik één voetstap verder ga, als ik u eens gewezen heb, waar Mac-Gregor zich bevindt?"

»Mijn woord daarop," hernam de kapitein, »schei nu uit met uw gehuil! Korporaal, laat de manschappen voor het huis aantreden en de paarden van onze beide gevangenen voorbrengen. Wij moeten de heeren medenemen, want ik heb geen volk genoeg bij mij, om hen hier te laten bewaken. Allen dadelijk marsch-klaar!"

De soldaten spoedden zich naar buiten, en waren weldra marschvaardig. Wij werden met Dugald als gevangenen uitgeleid, en terwijl wij de herberg verlieten, hoorde ik, dat Dugald den kapitein aan de vijf guinjes herinnerde.

»Daar zijn ze!" zei de officier. »Maar waagt gij het mij te bedriegen, door mij op een verkeerden weg te brengen, dan jaag ik u zelf een kogel door den kop!"

»De kerel is nog sluwer en slechter dan ik gedacht had!" zeide Jarvie. »Hij is een verrader, die alleen om geld geeft! Ja mijn vader zaliger, de wijkmeester had wel gelijk, als hij zeide--en dat zeide hij dikwijls--dat het geld meer zielen doodde, dan het zwaard lichamen."

Nu verscheen de waardin en vroeg om betaling van het gelag, daaronder begrepen al wat Galbraith en zijne vrienden, de Hooglanders, verteerd hadden. De kapitein maakte tegenwerpingen. Doch de waardin verklaarde, dat, zoo zij geen krediet had gegeven voor den naam van den edelen heer, op wien het gezelschap zich beriep, zij geen enkelen droppel brandewijn zou geschonken hebben; en dat, of zij den majoor Galbraith wederzag of niet, zij van hem toch nooit een penning zou krijgen.

Kapitein Thornton gaf eindelijk toe en betaalde met eenige shillings het kleine gelag, dat slechts in Schotsche munt zoo geweldig hoog scheen te zijn. Edelmoedig wilde hij ook voor Jarvie en mij voldoen; doch niettegenstaande de waardin ons toefluisterde, van die Engelschen maar zooveel te halen als wij krijgen konden, omdat zij ons toch genoeg kwelden en vilden, vroeg Jarvie eene afzonderlijke rekening van hetgeen wij verteerd hadden en betaalde die. Bij deze gelegenheid bood de kapitein ons zijne verontschuldigingen aan over onze gevangenneming. Hij herhaalde zijne verzekering, dat wij als getrouwe en vreedzame onderdanen, geen berouw over een kort oponthoud zouden hebben, wanneer dit voor 's konings dienst noodzakelijk was. Had hij zich echter in deze veronderstelling omtrent ons vergist, dan vervulde hij slechts zijn plicht. Met deze verontschuldiging moesten wij ons tevreden stellen. En zoo moesten wij met hem op weg.

Nooit vergeet ik de aangename gewaarwording, toen ik uit de sombere, berookte, morsige Hooglandsche kroeg, waar wij den nacht doorgebracht hadden, in de frissche morgenlucht kwam. De stralen der opgaande zon schoten uit zacht roode wolken met goud omzoomd, terwijl zij een landschap verlichtten, bekoorlijker dan mijn oog ooit vroeger gezien had. Links lag het dal, waarin de Forth in eene oostelijke richting neerstroomde, aan den voet van den zacht rijzenden heuvel, welks hellingen door bosschen bedekt werden. Reeds strekte zich, midden tusschen bosschaadje, heuvels en rotsen, het bed van een groot bergmeer uit, op welks oppervlakte de morgenwind lichte golfjes krulde, schitterend in de zonnestralen. Hooge heuvels en rotsachtige oevers, met berken- en eikenbosschen gekroond, omkransten deze bekoorlijke watervlakte. Het loof dat in den wind ruischte en in de zon schitterde, schonk aan de eenzaamheid leven en beweging. De eenigen, die te midden van dit landschap, waar de gansche natuur zoo grootsch, zoo verheven was, storend werkten, waren de menschen. De schamele hutten, wier aantal in het dorpje Aberfoil een dozijn zal bedragen hebben, bestonden uit losse, met klei aaneengevoegde steenen, en waren met zoden gedekt, die op balken van ruwe boomstammen rustten. De daken waren zoo laag bij den grond, dat Andries opmerkte, dat wij den vorigen nacht, zonder het te bespeuren, over het dorp heen zouden hebben kunnen rijden, tot de voeten onzer paarden door de daken gedrongen waren.

Voor zoover wij zien konden, was de herberg, die wij pas verlaten hadden, het fraaiste gebouw van het gehucht. Als ge heden ten dage het dorp bezocht, zoudt ge het weinig veranderd vinden. Dit denk ik tenminste. Want de Schotten houden niet van nieuwigheden, ook al zijn het verbeteringen.

Het gedruisch van onzen afmarsch wekte de bewoners der hutten uit hun slaap. Terwijl de soldaten, twintig in getal, zich vóór den aftocht in het gelid plaatsten, werden wij door verscheidene oude vrouwen door de half geopende deuren begluurd. Toen die grijze hoofden, met nauw sluitende flanellen nachtmutsen bedekt, vooruit staken, die rimpelige voorhoofden, die lange, magere armen met allerlei gebaren en schouderophalen zich vertoonden, en die oude wijven met elkander in de Gaelische taal mompelden, was het waarlijk als zag ik Macbeths heksen voor mij, terwijl hare gelaatstrekken de boosaardigheid der tooverkollen verried. De kleine kinderen, die nog nauwelijks gaan konden, kwamen insgelijks te voorschijn, deels geheel naakt, deels uiterst armoedig met eenige lompen bedekt. Zij klapten in de handjes en lieten den Engelsche soldaten de tanden zien, met eene uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, die hun leeftijd ver te boven ging. Wat mij zeer verwonderde, was, dat ik geen volwassen man, zelfs geen knapen van tien tot twaalf jaren, onder de bewoners van het dorp zag. Toch scheen het, naar evenredigheid van zijne grootte, vrij bevolkt te zijn. Ik begon te vreezen, dat wij op onzen tocht nog veel duidelijker bewijzen van die vijandige gezindheid zouden ontvangen, die op het gelaat der vrouwen en kinderen te lezen en uit hun gemompel duidelijk te hooren was.