Robbert Roodhaar

Part 28

Chapter 284,057 wordsPublic domain

En nu ging hij met het ontbloote zwaard op mij los. Ik had mijn degen getrokken en op het overwicht van mijn wapen vertrouwende, vreesde ik de uitkomst van het gevecht niet. Jarvie betoonde meer moed dan ik verwacht had. Toen hij den reusachtigen Hooglander met het blanke zwaard tegenover zich zag, trok hij eenige oogenblikken aan zijne spies, zoo als hij het noemde; maar de verroeste kling wilde uit zuivere getrouwheid, de scheede niet verlaten, en nu greep hij met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest het gloeiende ploegijzer, dat men in plaats van een pook gebruikte, en zwaaide het met zulk een goed gevolg, dat hij dadelijk den plaid van den Hooglander vuur deed vatten, waarop deze retireeren moest, ten einde zijn brandend gewaad te blusschen.

Andries, die met den Laaglander had moeten kampen, was, tot mijn leedwezen moet ik zeggen, reeds terstond bij den aanvang van het gevecht heimelijk weggeslopen.--»Eerlijk spel! eerlijk spel!" riep zijne tegenpartij en scheen ongeneigd om thans deel aan den strijd te nemen. Wij waren dus weder twee tegen twee. Mijn oogmerk was, mijne tegenpartij, indien ik het kon, te ontwapenen; maar ik waagde het niet hem te na te komen, uit vrees voor zijn dolk, dien hij in de linkerhand hield, en waarmede hij de stooten van mijn degen afweerde.

Intusschen geraakte Jarvie, in weerwil van zijn in het begin behaald voordeel, spoedig deerlijk in het nauw. De zwaarte van zijn wapen en het opbruisen van zijne drift, putten de krachten van den zwaarlijvigen man genoegzaam geheel uit, en hij zou zeker voor zijn vijand bezweken zijn, toen de slaper plotseling van den grond opsprong en zich met het bloote zwaard tusschen de strijders wierp.--»In Glasgow heb ik zijn brood gegeten, en ik vecht voor den Glasgower Jarvie--ja, dat doe ik!"

En dit deed hij ook zonder dralen; want in hetzelfde oogenblik suisde zijn zwaard zoo duchtig om de ooren van zijn landsman, dat die moeite genoeg had om zich tegen dezen ongeroepen kampioen te verdedigen, hoewel hij--dit zij te zijner eere gezegd,--hem volstrekt niets schuldig bleef. Maar beiden hadden ronde, houten, met koperen spijkers beslagen en met leer overdekte schilden, waarmede zij de slagen behendig afweerden, en aldus veroorzaakte het gevecht eigenlijk veel meer rumoer dan wezenlijk gevaar. En inderdaad scheen men het er meer op toegelegd te hebben, om ons schrik aan te jagen, dan wel om ons eenig leed toe te brengen; want de Laaglander, die een tijdlang werkeloos getuige van het gevecht was geweest, nam al spoedig de taak van vredestichter op zich: »houdt op! houdt op!" riep hij; »al genoeg! al genoeg! het gaat hier immers niet op leven en dood! De vreemde heeren hebben getoond, dat zij moed hebben, en ons genoegzame voldoening gegeven. Als het er op aankomt, en men mij beleedigt, ben ik, zoo als gij weet, gansch niet gemakkelijk; maar nutteloos bloedvergieten haat ik."

Natuurlijk had ik geen lust om het gevecht nog langer te doen voortduren; ook scheen mijne tegenpartij niet ongeneigd, om zijn zwaard in de schede te steken. Jarvie, die naar adem hijgde, was reeds als overwonnen te beschouwen, en de beide Hooglandsche kampioenen met de beide schilden, staakten hun gevecht even onverschillig, als zij het aangevangen hadden.

»En nu, mijne Heeren," hernam onze vredemaker, »laat ons als brave kerels thans eens met elkander drinken en elkander leeren verdragen. Dit huis is groot genoeg voor ons allen. Hoort dus mijn voorstel. Deze kleine, dikke heer, die bij het gevecht wel het meest geleden heeft, laat eene kan brandewijn komen; ik betaal eene tweede kan om den vrede te bevestigen, en zoo verdrinken wij, als broeders, ons zakgeld."

»En wie betaalt mij mijn nieuwen plaid?" vroeg de lange Hooglander. »Er is een gat in gebrand, zoo groot, dat men er een emmer doorheen kan steken. Heeft men ooit een fatsoenlijk man met een gloeiend ploegijzer zien vechten!"

»Wees daaromtrent onbezorgd, vriend!" zeide Jarvie, die nu weder bij adem was, en wien het verheugde zooveel moed betoond te hebben, en niet genoodzaakt te zijn, nog eens een gevaarlijken en alleszins twijfelachtigen strijd te wagen;--»voor die wond zullen wij wel eene pleister vinden. Gij zult een nieuwen plaid hebben, en wel een allerbesten, van de kleuren van uwen clan. Zeg mij maar, waar ik het u uit Glasgow moet toezenden."

»Ik behoef mijn clan niet te noemen," antwoordde de Hooglander: »ik ben van een konings-clan, en die is bekend genoeg. Maar gij kunt tot staal een stukje van mijn plaid krijgen; een mijner neven, een edelman, die eieren ter markt brengt, uit Glencroe, komt binnen kort te Glasgow, en die zal het dan wel bij u afhalen, als gij mij maar uwe woonplaats opgeeft. Maar goede man, als gij ooit weder vechten wilt, vecht dan toch met uw zwaard, want gij hebt er een, maar niet met ploegijzers of brandhouten, als een wilde Indiaan."

»Nu ja," hernam Jarvie; »men moet in deze wereld wel eens van den nood eene deugd maken. Sedert den slag aan de Bothwel-brug heeft mijn degen het daglicht niet gezien; toen had mijn overleden vader hem op zijde; en zelfs weet ik niet recht, of hij bij die gelegenheid wel eens uit de scheede is geweest, want het gevecht duurde niet lang. Kortom, hoe het daarmede ook zij, thans zit die zoo onmanierlijk vast in de scheede, dat ik er hem maar volstrekt niet uit kan krijgen, en toen ik dat bemerkte, nam ik het eerste het beste ding, dat mij voor de hand kwam, en behielp mij daarmede zoo goed ik kon. Eigenlijk wil ik wel gelooven, dat vechten mijne zaak niet is, maar in elk geval laat ik mij niet ongestraft op de teenen trappen. Maar, eer ik het vergeet, waar is de dappere man, die mij zoo moedig verdedigde? Ik geef hem eene kan brandewijn; al zou het mij ook mijn laatsten stuiver kosten."

Maar den kampioen, naar wien men rondzag, kon men nergens vinden. Terstond na den afloop van het gevecht was hij weggeslopen, maar aan zijne woeste gelaatstrekken en haveloos rood haar had ik in hem dadelijk onzen Dugald herkend, den vluchteling uit de gevangenis te Glasgow. Deze ontdekking deelde ik mijn reisgenoot fluisterend mede, en op dezelfde wijze antwoordde hij mij: »ja, ja, ik zie het wel, die bewuste vriend van ons had wel gelijk: Dugald is zoo dom niet. Ik moet er intusschen over denken, hoe ik hem dezen gewichtigen dienst vergelden kan."

Met deze woorden ging hij zitten en riep, toen hij weder geheel op adem was gekomen, de waardin.--»Moedertje," zeide hij, »met genoegen bespeur ik, dat mijn lichaam gaaf en ongedeerd is gebleven, wat ik, bij het zoo even hier gebeurde, schier als een wonder beschouw--nu zal het, dunkt mij, het best zijn, de ledige ruimte daarin met iets smakelijks aan te vullen."

De waardin, die zich, zoodra de storm voorbij was, ongemeen dienstvaardig betoonde, maakte terstond toebereidselen, om ons met een avondmaal te verkwikken. Niets was mij echter gedurende het gevecht zonderlinger voorgekomen, dan de buitengewone koelbloedigheid, waarmede zij en hare huisgenooten ons hadden zien vechten. »De deur dicht! de deur dicht!" riep zij uit al hare macht tegen de haren: »zij mogen doodslaan, of doodgeslagen worden, niemand komt er uit, voordat het gelag betaald is."--De kinderen, die in de kribben langs den wand sliepen, richtten zich even onverschillig op, wreven zich bedaard de oogen, riepen, terwijl zij hunne naakte lichamen over den rand der kribben bogen, half grijnzende uit: »oho! oho!" en waren geloof ik, eer wij den vrede gesloten hadden, ook weder ingesluimerd.

Terwijl de waardin tot mijne verbazing een smakelijk gerecht van wildbraad voor ons gereed maakte, liet zij ons den brandewijn brengen, dien de Hooglanders, in weerwil van hunne vooringenomenheid met hunne sterke inheemsche dranken, geenszins versmaadden. Toen de eerste beker de ronde had gedaan, vroeg de gast uit de Laaglanden naar ons bedrijf en het doel van onze reis.

»Wij zijn uit Glasgow," antwoordde Jarvie met geveinsde nederigheid, »en begeven ons naar Stirling, om daar eenige gelden te innen, die men ons schuldig is."

Ik moet bekennen, dat ik dom genoeg was, om mij door de bescheidenheid waarmede Jarvie van ons sprak, min of meer boos te laten maken; maar ik herinnerde mij mijne belofte van te zwijgen en mijn reisgenoot de zorg over te laten, om onze aangelegenheden op zijne wijze te beredderen. Kon ik den braven man deze inschikkelijkheid weigeren? Immers, mij ten gevalle, had hij den langen tocht ondernomen. Dat hij zeer vermoeid was, zag ik aan de pijnlijke houding, waarmede hij zich nederzette en opstond. Bovendien was hij zelfs in levensgevaar geweest.

De spreker der andere partij haalde snuivende den adem in en zeide op hoonenden toon: »gij, kooplieden uit Glasgow, hebt niets anders te doen, dan West-Schotland van het eene einde tot het andere door te trekken om brave lieden te plagen, dien het even als mij juist aan het noodige geld ontbreekt."

»Hoor eens, wanneer onze schuldenaars zulke eerlijke lieden waren als gij, vriend Garschattachin," antwoordde Jarvie, »dan zouden wij ons de moeite van rond te reizen wel kunnen besparen; want zij zouden zelven tot ons komen."

»Ei, ei, wat hoor ik daar!" riep de aangesprokene. »Ja, zoo waar ik van brood en water leef--onder dien verstande, dat ik er ook wat rundvleesch en brandewijn bij gebruik--gij zijt mijn oude vriend Nikolaas Jarvie, de beste vent dien ik ken, en die geen eerlijk man geld ter leen weigert op zijn woord. Denkelijk komt gij mijn kant uit,--de Endrick op naar Garschattachin?"

»Waarlijk niet!" hernam Jarvie. »Ik heb heel iets anders te doen. Maar ik dacht wel dat gij meenen zoudt, dat ik wegens de verschenen renten van het bewuste kapitaaltje kwam."

»De duivel hale de renten!" zei de laird, naar het scheen uit den grond van zijn hart. »Geen enkel woord meer over geldzaken tusschen ons beiden, daar gij thans zoo dicht bij mijne woning zijt. Het kleed maakt den man! dat is maar niet anders. Wie zou u, in deze reiskleeding herkend hebben! Wie zou vermoed hebben, dat in dien mallen rok de wijkmeester Jarvie zat!"

»Lid van den raad, als ik u verzoeken mag!" hernam mijn reisgenoot. »Maar ik merk al waaruit dit misverstand zijn oorsprong heeft. De schuldbekentenis werd bij mijns vaders leven door u gepasseerd, en de brave man, zijne ziel zij bij God in den hemel, was wijkmeester: en voor zoo ver ik mij herinneren kan, zijn er na zijn dood geen renten betaald--ja, ja, daaruit ontstaat dit misverstand!"

»De duivel hale het misverstand en alles, waaruit het ontstaan is!" zeide Duncan Galbraith van Garschattachin. »Evenwel, het verheugt mij, dat gij lid van den raad zijt; dat is nog al iets, niet waar? ten minste houdt gij het daarvoor. Kom aan, heeren, eens ingeschonken! Op de gezondheid van mijn voortreffelijken vriend, den heer Nikolaas Jarvie, lid van den stedelijken raad van Glasgow! Hem en zijnen zaligen vader ken ik reeds sedert twintig jaren! Nog eens, op den aanstaanden hoofdschout, Nikolaas Jarvie. Niemand in geheel Glasgow is beter tot dien post geschikt dan hij, en wie hierover anders denkt, die heeft met mij te doen," voegde hij er op hoogen toon bij, en zette met vrij wat fierheid den hoed op.

De brandewijn was hoogst waarschijnlijk bij de Hooglanders de beste aanbeveling voor deze vleiende toosten; zij deden dan ook gaarne bescheid, zonder zich eenigszins om den eigenlijken inhoud daarvan te bekommeren.

Terwijl zij zich met Galbraith in hunne landtaal onderhielden, die de man uit het Laagland, als hun nabuur, zeer vlug sprak, fluisterde Jarvie mij toe: »Ik herkende dien knaap al terstond op het eerste gezicht. Maar met zijn verhit bloed en ontbloot zwaard, dacht ik, wie weet, op welke wijze hij mij zijne schuld zou hebben kunnen betalen! Want het zal, vrees ik, vrij lang duren, eer hij ze mij op de gewone manier betaalt. Toch is hij overigens een eerlijke kerel en hij heeft ook een goed hart. Zelden komt hij te Glasgow, maar dikwerf zendt hij een ree of korhoen uit het gebergte. Ook kan ik het geld nog wel missen, en mijn vader, de wijkmeester, had steeds zeer veel op met de familie Garschattachin."

Toen wij ons avondmaal geëindigd hadden, vroeg ik naar Andries; maar mijn getrouwe volgeling was, sinds den aanvang van het gevecht, nergens te vinden. De waardin meende, dat hij zich in den stal had verscholen, en bood aan, mij derwaarts te geleiden en mij voor te lichten. Noch door hare kinderen, noch door haar zelve, zeide zij, was hij te bewegen geweest, om op hare vragen te antwoorden, en zij had waarlijk ook niet veel lust, om zich op dit ongelegen uur nog eenmaal in den stal te begeven; want het spookte er geweldig en dat was dan ook de reden, waarom zij geen stalknecht in haar dienst kon houden.

Terwijl zij mij naar de armzalige schuur voorlichtte, waar onze paarden zich met een weinig grof hooi moesten vergenoegen, verried zij duidelijk genoeg, dat zij mij met een geheel ander doel dan zij eigenlijk voorgaf, van de overige gasten had afgetroond.--»Lees dit!" zeide zij, en stopte mij, toen wij ons voor den stal bevonden, een papier in de hand. »God dank, dat ik het kwijt ben! Onder soldaten en Saksers, roovers en veedieven, onder plunderen en moorden te leven--waarachtig! eene eerlijke vrouw geniet meer rust in de hel dan op de grenzen van het Hoogland!"

Dit zeggende gaf zij mij haar brandende spaander over en keerde naar de gelagkamer terug.

HOOFDSTUK XXIX.

Wat hoort ge in het Hoogland? Den horen Mac-Gregor's, Mac-Lean's krijgsgetier, Een groven doedelzak, nooit tonen eener lier.

John Cooper's Bescheid aan Allan Ramsay.

Ik bleef eenige oogenblikken stilstaan voor den stal. Die naam was te fraai voor een ruimte, waar zich paarden met geiten, pluimgedierte, varkens en koeien onder één dak met het woonhuis bevonden, toch was het een zekere mate van beschaving, waarmede de overige dorpelingen nog niet bekend waren, doch dien men, zoo als ik naderhand hoorde, aan den overdreven trots van onze waardin Jeany Mac-Alpine toeschreef, die haar bewogen had dezen stal een anderen ingang te geven dan die, welke voor hare tweebeenige klanten bestemd was. Bij het licht van mijn fakkel las ik met moeite den brief, die op een vochtig, verfrommeld en morsig blad papier geschreven en van den volgenden inhoud was:

Mijnheer!

»Er zweven nachtuilen buiten. Daarom kan ik u en mijn waarden neef N. J. heden niet, zoo als mijn voornemen was, in de herberg van Aberfoil spreken. Wacht u vooral, om u noodeloos met de lieden, welke gij daar vinden zult, op eenige wijze in te laten; want daaruit zouden in het vervolg vele onaangenaamheden kunnen ontstaan. De persoon die u dezen ter hand stelt, is mij toegedaan, en gij kunt u veilig aan haar vertrouwen. Zij zal u naar eene plaats brengen, waar ik u, als het God behaagt, veilig zien kan, zoo gij en mijn neef mijne schamele woning wilt bezoeken, waarin ik, mijne vijanden ten spijt, mijne vrienden als een echt Hooglander onthalen kan. Daar zullen wij dan plechtig op de gezondheid van zekere D. V. drinken en over de zaak spreken, waarin ik u waarschijnlijk van dienst zal kunnen zijn. In afwachting blijf ik, zoo als het onder fatsoenlijke lieden heet:

Uw dienstvaardige R. M. C."

De inhoud van dezen brief maakte mij knorrig. Het kwam mij voor, dat die Campbell den dienst, welke ik van hem verwacht had, min of meer op de lange baan wilde schuiven. Toch deed het mij goed, te vernemen, dat hij zich aan mij voortdurend liet gelegen zijn, daar ik toch zonder hem volstrekt geen hoop kon koesteren, mijns vaders papieren weder machtig te worden. Ik besloot dus zijne wenken te volgen en ten opzichte van de overige gasten alle mogelijke omzichtigheid en terughouding in acht nemende, van de eerste gunstige gelegenheid gebruik te maken, om van de waardin te hooren waar ik den geheimzinnigen man kon aantreffen.

Nu was mijne eerste bezigheid, den vermisten Andries op te zoeken. Ik riep hem herhaalde malen bij zijn naam, zonder eenig antwoord te ontvangen. Ik ging toen den stal in, waar een menigte nat stroo en modder mij voor het gevaar waarborgde, van hier soms met mijne spaanfakkel onwillekeurig brand te stichten. Eindelijk volgde op mijn geroep een klagend: »hier!" en wel op een even akeligen toon, alsof het uit den mond van een spook kwam. Op dit geluid afgaande, kwam ik in een hoek van de schuur, waar ik den dapperen Andries achter eene groote kuip vond, die de vederen van misschien al het gevogelte bevatte, dat sedert eene maand aan het algemeen welzijn was geofferd. Deels door geweld, deels door bevelen en vermaningen, deed ik hem uit zijn schuilhoek te voorschijn komen, en zijne eerste woorden waren: »Waarde heer, ik ben een eerlijke kerel!"

»Wie drommel vraagt thans naar uwe eerlijkheid!" hernam ik. »Denk liever aan uw plicht en kom ons aan tafel bedienen."

»Ja, ja," antwoordde Andries, zonder, naar ik geloof, mijne woorden goed verstaan te hebben. »Ik ben een eerlijke kerel, wat mijnheer Jarvie daartegen in te brengen heeft. Het is waar, mijne ziel hangt zeer aan het wereldsche, maar lieve hemel! dat heb ik immers met zoo vele, veel verstandiger lieden gemeen. Maar ik ben een eerlijke kerel, en al heb ik u ook eens gezegd, dat ik u verlaten wilde, was het slechts mijne tong die dat zeide, en waarlijk niet mijn hart. Ach, het was zoo bij wijze van spreken, zoo als men wel meer doet, wanneer men op een voordeeligen handel bedacht is. Neen, u, mijn braven jongenheer, u, dien ik zoo innig liefheb, zal ik niet verlaten, neen nooit!"

»Maar voor den duivel wat wilt gij toch?" vroeg ik half boos. »Die zaak is reeds vereffend. Wat praat gij toch elk oogenblik van dat wegloopen?"

»Ja, ja, tot nu toe was het ook maar een praatje," antwoordde Andries; »maar thans zou het wel ernstige ernst kunnen worden. Ik moge er bij verliezen of winnen, dat is mij onverschillig; maar verder ga ik niet met u. En wilt gij naar mijn eenvoudigen, welgemeenden raad luisteren, dan breekt gij liever uw woord, dan dat gij verder gaat. Ik houd machtig veel van u, en er is, dunkt mij, volstrekt geen twijfel aan, of gij zult een man van hooge eer worden, als ge de wilde haren maar eerst kwijt zijt en wat bedaarder en verstandiger geworden zijt. Maar zoo als ik zeg, verder ga ik niet met u, al moest gij ook zonder leidsman en raadgever onder weg verzinken, of op eene andere wijs omkomen. Wie zich in het land waagt waar Robbert Roodhaar heer en meester is, die spot met onzen lieven Heer, en berokkent zich niets dan kwaad."

»Robbert Roodhaar?" vroeg ik verwonderd; »dien ken ik niet. Wat zijn dat weer voor grappen, Andries?"

»Kijk nu eens, het is toch hard," antwoordde Andries, »dat men een mensch niet gelooven wil, wanneer hij de zuivere waarheid spreekt, omdat hij zich soms met een enkel logentje behelpt, als hij zich niet anders weet te redden. Gij behoeft niet te vragen, wie Robbert Roodhaar is--die aartsroover--die.... God vergeve mij de zonde! Ik hoop toch, dat niemand ons hooren kan. Gij hebt immers zelf een brief van hem op zak. Ik hoorde, dat een van zijne bende de oude waardin verzocht, u dien ter hand te stellen. Zij dachten, dat ik hunne gauwdieventaal niet verstond. Maar ofschoon ik die taal wel niet spreken kan, is het niet heelemaal Spaansch voor me, en ik weet er, als ze gesproken wordt, nog al het een en ander van op te vangen en aaneen te knoopen. Eigenlijk had ik u dit niet moeten zeggen, maar als men in angst is, ontvalt ons wel eens iets, dat, op de keper beschouwd, veel beter verzwegen ware. Ach, beste mijnheer Frans, al de dwaasheden van uw oom en al de dolle streken van uwe neven zijn hier volstrekt niets bij. Drink een vollen beker als ridder Hildebrand; begin uw ochtend met brood en brandewijn, als jonker Percival; bluf, als jonker Thorncliff; loop de meisjes na, als jonker John; ga weddingschappen aan, als jonker Richard; kaap den paus en den duivel zieltjes weg, als jonker Rashleigh. Maak alarm, raas, tier, ontheilig den Sabbath of gehoorzaam den paus, zooals zij allen onder elkander doen.--Maar bij den barmhartigen hemel! spaar uw jeugdig leven en kom Robbert Roodhaar niet te na!"

De angst van den goeden Andries was te ongeveinsd, dan dat ik eenig wantrouwen daarin zou hebben mogen stellen. Ik liet het echter daarbij blijven, dat ik hem zeide, voornemens te zijn dien nacht in de herberg door te brengen, en ik gelastte hem tevens, voor onze paarden te zorgen. Voor het overige beval ik hem ten ernstigste, omtrent de oorzaak van zijne vrees het diepste stilzwijgen in acht te nemen. Ik verzekerde hem ook, dat hij er zich op kon verlaten, dat ik mij niet noodeloos aan gevaar zou blootstellen. Hij volgde mij met een bedrukt gelaat en mompelde bij zich zelven: »Redelijke menschen behooren toch eerder verzorgd te worden, dan het redelooze vee. Den ganschen dag heb ik niets te eten gekregen, dan een paar afgekloven vleugels van een taai korhoen."

De goede verstandhouding tusschen de gasten in de herberg scheen, sedert ik hen verlaten had, min of meer gestoord te zijn. Althans Galbraith en mijn vriend Jarvie waren in eene vrij luidruchtige woordenwisseling met elkander gewikkeld.

»Zulke taal over den hertog van Argyle en den naam Campbell duld ik volstrekt niet!" zeide Jarvie, toen ik binnentrad. »Hij is een braaf edelman, die het wel met ons land meent; ook is hij een man van aanzien en gewicht, en beschermt Glasgow's handel op alle mogelijke wijzen."

»Ik zeg immers niets ten nadeele van Mac-Callumore noch van den Sliochnan Diarmid!" antwoordde de kleine Hooglander glimlachende. »Ik woon te dicht bij Glencroe om met den heer van het land, tot Inverrary toe, twist te zoeken."

»Ons meer zag nooit de galei [11] der Campbell's," zei de lange Hooglander. »Ik spreek ronduit en vrees niemand. Een Cawmil [12] acht ik volstrekt niet hooger dan een ander mensch, en gij moogt het Mac-Callumore vrij verhalen, dat Allan-Iverech dat gezegd heeft. Men heeft ver te schreeuwen van hier tot Lochow [13]."

Galbraith, bij wien de brandewijn, dien hij in ruime teugen gebruikt had, begon te werken, sloeg driftig en heftig met zijne hand op de tafel en riep met schorre stem: »dat geslacht heeft eene bloedschuld op zich geladen en zal die vroeg of laat moeten betalen. De beenderen van een dappere Grahame rammelen sedert lang in de kist en eischen wraak op de hertogen van Argyle en de heeren van Lorn. Nooit werd er in Schotland verraad gesmeed, of een der Campbell's speelde daarin eene hoofdrol, en nu het onrecht den boventoon heeft, zijn het alweder de Campbell's die de stem van het recht weten te smoren. Maar die vervloekte onzin zal niet lang meer duren; het wordt tijd, dat men den bijl scherpt en hier en daar eenige van de belhamels een kop kleiner maakt. Ik hoop het ten minste nog te beleven, dat de oude roestige bijl eens weder aan het maaien komt en een bloedigen oogst maakt!"

»Schaam u, Galbraith!" riep Jarvie; »foei, schaam u, zoo iets te zeggen in de tegenwoordigheid van een overheidspersoon, en u zelven in ongelegenheid te brengen! Hoe zult gij de uwen kunnen onderhouden en uwe schuldeischers voldoen--mij en anderen--als gij steeds op dezen onbesuisden toon voortgaat? Gij zult de straf der wet op den hals halen op u en op allen, die met u in betrekking staan!"

»De Satan hale mijne schuldeischers en u er bij, als ge er toe behoort!" hernam Galbraith. »Ja, zeg ik u nog eens: de poppen gaan spoedig aan het dansen; het zal dan anders in de wereld toegaan. Dan zal geen Campbell den neus zoo trotsch in den wind steken, noch zijne honden op menschen aanhitsen, met wie hij zich zelf niet durft meten, noch dieven en moordenaars beschermen, noch brave lieden uitplunderen en van hun wettig eigendom berooven."

Jarvie zou misschien dezen woordentwist voortgezet hebben. Maar de welriekende geuren van het door de waardin opgedischte wildbraad werd zulk een veelvermogenden bemiddelaar, dat hij zich tegenover den uitlokkenden schotel plaatste, en den anderen gasten het veld ruimde.