Part 27
Ik wilde het gesprek weder op den man brengen, dien wij bezoeken wilden. Maar Jarvie was ook aan dat oor doof, misschien wel voornamelijk daarom, omdat Andries zoo dicht bij ons was, dat hij elk woord kon opvangen en zich ook de vrijheid veroorloofde, telkens deel aan ons gesprek te nemen. Eindelijk begon dit Jarvie te vervelen, die hem toeriep: »Blijf achter ons kerel, zoo al u betaamt. Ge wilt u overal mee bemoeien. Blijf dáár, waar ge t'huis behoort, zeg ik!" Toen nu Andries niet meer hooren kon, wendde Jarvie zich weder tot mij en zeide: »Het staat u zeker vrij mij zooveel te vragen als gij verkiest, mijnheer Osbaldistone, maar mij staat het evenzeer vrij u al of niet te antwoorden. Veel goeds kan ik van Robbert niet zeggen, en kwaad wil ik van hem niet spreken. Hij is nu eenmaal mijn neef; daarbij zijn wij thans dicht bij zijn landstreek, en achter elken struik kon een van zijne lieden op den loer liggen. Laat u door mij raden; hoe minder gij over hem spreekt, hoe minder gij laat blijken, waarheen wij gaan, of wat wij doen willen, des te meer hoop mogen wij koesteren, onze zaken spoedig in orde te brengen. Want het zou ook wel kunnen gebeuren, dat wij onder vijanden van hem vielen--hij heeft vele vijanden. Toch zit zijn hoofd nog vrij vast op zijne schouders, hoewel ik bijna begin te gelooven, dat zij het hem eindelijk te benauwd zullen maken en hij voor hen zal moeten zwichten; de rat loopt eens in den val, is het niet vroeg, dan laat."
»Ik zal mij geheel door uwe meerdere ondervinding laten leiden," antwoordde ik.
»Daaraan zult gij zeer verstandig doen, mijnheer Osbaldistone. Doch dien babbelaar daar moet ik den mond snoeren. Andries! Andries! hoe heet ge ook? Kom eens hier!"
Maar Andries, die sedert de laatste ernstige vermaning ver achtergebleven was, kwam slechts stapvoets en brommende bij ons.
»Andries! Schelm! Hier!" riep weêr de heer Jarvie.
»Hier!" zeide hij. »Zoo roept men een hond!"
»Ik zal je als een hond behandelen, als je niet let op hetgeen ik je zeg!--We gaan nu naar de Hooglanden...."
»Dat dacht ik al...."
»Zwijg, zeg ik! We gaan naar de Hooglanden...."
»Dat hebt ge al gezegd," hernam Andries.
»Houd je mond, zeg ik, of...."
»Mond houden?" herhaalde Andries. »Ge hebt...." Hier kwam ik tusschenbeide en gebood hem te zwijgen.
»Ik zwijg immers al lang," hernam Andries. »Wat gij mij beveelt doe ik zonder tegenspreken. Mijne lieve overledene moeder zeide altijd: »kind, wie geld heeft, kan bevelen, en dan gehoorzaamt men gaarne het geld." Dus praat maar toe, alle beide!"
»Hoor eens, Andries," viel Jarvie hem in de rede. »Is uw leven u lief--hoewel het misschien niet veel waard is--denk dan aan hetgeen ik u thans zeg! De herberg, waarheen wij thans gaan, en waar wij waarschijnlijk den nacht zullen doorbrengen, wordt vrij druk door lieden van al de clans bezocht, uit het Hoogland en uit de Laaglanden. Daar ziet men meer bloote dolken dan open bijbels; vooral als de drank de hoofden warm maakt. Bemoei u met niets. Beleedig niemand met uwe veel te vlugge tong. Houd u stil en laat elk zijn twist zelf beslechten."
»Nu, was dat de moeite waard, mij dat onder het oog te brengen!" antwoordde Andries minachtend. »Alsof ik nog nooit Hooglanders gezien had, en niet wist hoe men met hen moet omgaan! Wees maar gerust: ik ken hen beter dan gij. Ik heb van hen gekocht, aan hen verkocht, met hen gegeten, met hen gedronken...."
»Misschien ook met hen gevochten?" vroeg Jarvie.
»Dat niet! Waarachtig niet!" antwoordde Andries. »Daarvoor heb ik mij wel gewacht. Bovendien, daar ik een kunstkenner, een halve geleerde in mijn vak ben, past het niet, met lieden te vechten, die geen enkele plant of bloem in het Schotsch weten te noemen, veel minder in het Latijn."
»Best, maar hoor eens, wilt gij de tong in uw mond en de ooren aan uw hoofd behouden,--want gij zoudt onder dat woeste volk zeer licht het een en het ander kwijt kunnen raken--spreek dan geen enkel woord, hetzij ten goede, hetzij ten kwade, met iemand, dien gij in de herberg mocht aantreffen. En wees vooral bedacht, dat gij daar noch mijn naam, noch dien van uw meester noemt. Het kon u eens invallen te gaan pochen en te roepen: die daar is de heer Nikolaas Jarvie, lid van den stedelijken raad van Glasgow, zoon van den ouden Nikolaas Jarvie, voorheen wijkmeester en ook lid van den stedelijken raad, een man bij oud en jong met roem bekend en bij allen bemind; die andere heer is de heer Frans Osbaldistone, zoon van het hoofd van het beroemde kantoor Osbaldistone en Tresham in Londen."
»Houd maar op! Al genoeg!" riep Andries. »Denkt ge dat ik uwe namen noemen zal, zoo lang het niet noodig is? Ik heb wel over wat anders, van veel meer belang te spreken."
»Daar hebt ge 't al--weergaasche snapper! Gij hebt over niets, noch over het een, noch over het ander te spreken, maar u stil te houden, stil als eene muis, hoort gij!"
»Wel mijnheer, als gij meent, dat ik niet in staat ben om te spreken of te zwijgen, waar ik spreken of zwijgen moet," hernam Andries, »geef mij dan mijn loon en kostgeld, en ik keer naar Glasgow terug. Het scheiden zal mij niet moeilijk vallen, zei de oude merrie tegen den gebroken wagen."
Ik vreesde dat de lastige onhandelbaarheid van den tuinman aanleiding tot nieuwe onaangenaamheden zou geven. Ik zeide dus, dat hij, als hij het goedvond, terug kon keeren, maar dan geen enkelen duit voor zijn dienst ontvangen zoude. Zulke geldbeurs-argumenten, hebben bij de meeste menschen nog al invloed en gewicht. Onze Andries maakte in dit opzicht geen uitzondering op de meeste menschen. Hij begon terstond op een anderen toon te praten, betuigde, dat hij geenszins voornemens was, mijn misnoegen tegen zich op te wekken, maar integendeel in alles aan mijne bevelen te gehoorzamen.
Zoo was de vrede weer hersteld. Wij vervolgden onzen weg, bergaf, door een oord, dat noch vruchtbaarder, noch bekoorlijker was dan dat, hetwelk reeds achter ons lag. Slechts nu en dan bracht het gezicht van een uit den achtergrond oprijzenden bergtop eenige afwisseling. Zonder stoornis reden wij verder, maar toen de avond begon te vallen en deze woeste streken in schaduw begon te hullen, bevonden wij ons, volgens de verzekering van den heer Jarvie, nog meer dan een uur gaans van onze herberg.
HOOFDSTUK XXVIII.
O, gij, baron van Kalen! Jou zal de drommel halen, En jou tot korrels malen! Jij hebt hier een mooi kasteel in de stad? Geen mensch en geen beest vreet er ooit zich zat, En men vindt er niet eens een stoel voor zijn g....
Schotsch liedje.
De avond was wezenlijk mooi. Bij het heldere maanlicht deed de streek zich veel gunstiger voor dan bij dag. Het ineensmelten van licht en schaduw gaf aan de woestenij iets bekoorlijks, wat ze anders eigenlijk geheel miste. Even als een sluier, over een alledaagsch vrouwengelaat, wekte het nieuwsgierigheid naar iets, dat op zich zelf niet belangwekkend was.
De weg liep nog steeds naar beneden, en voerde ons van de heivlakte af naar kloven met steile randen en, na vele krommingen, naar den oever eener rivier, die veel meer naar de stroomen van mijn vaderland geleek, dan naar die, welke ik tot dusver in Schotland gezien had. Het was een smal, diep, stil water, ofschoon het flauwe licht, dat over de kale oppervlakte scheen, ons tegelijk aan beide zijden de hooge gebergten, waaruit het ontstond, deed bemerken.
»Dat is de Forth!" zeide Jarvie op den eerbiedigen toon, waarop de Schotten doorgaans van hunne voornaamste rivieren spreken. De Clyde, de Tweed, de Forth, de Spey worden door hen, die aan de oevers daarvan wonen, steeds met zekeren trots en fierheid genoemd. Zelfs heb ik gezien, dat een enkel woord van minachting tweegevechten ten gevolge had. Wie zou deze onschuldige geestdrift willen afkeuren! Gaarne beantwoordde ik dus den uitroep van mijn vriend met dezelfde levendige belangstelling, die hij had laten blijken. Inderdaad was ik ook blij, na zulk een vervelenden tocht, eindelijk in een streek te komen, die afwisseling bood en den geest bezig hield.
Mijn getrouwe schildknaap Andries scheen geenszins van dat gevoelen te zijn. De plechtige aankondiging: »dat is de Forth!" beantwoordde hij met een tamelijk onverschillig »hm!" als wilde hij te kennen geven, dat het gezicht van de herberg hem oneindig meer welkom zou geweest zijn.
Inderdaad, de rivier verdiende, voor zoo ver ik bij het flauwe licht dat over haar gespreid lag, het kon beoordeelen, die bewondering, die haar geschonken werd. Een schoone, ronde heuvel, bekleed met kreupelhout van hazelnootboomen, esschen, dwergeiken, waartusschen eenige statige boomen met hunne trotsche kruinen in het maanlicht uitstaken, beschermde als het ware de bron der rivier. Volgens het verhaal van mijn reismakker, dat hij met gedempte stem deed, hoewel hij verklaarde niets te gelooven van hetgeen hij vertelde, bevatte deze bekoorlijke heuvel in zijne onzichtbare holen de paleizen der toovergodinnen, die weliswaar niet bepaald vijandinnen van het menschelijk geslacht zijn, doch wegens haar grilligen, wraakzuchtigen aard vermeden en gevreesd zijn.
»Die toovergodinnen," zeide hij fluisterend, »heeten hier: »Daoine Schie". Naar ik mij herinner, beteekent dit: »vrouwen des vredes." Men meent, haar door dezen titel zich genegen te maken. En waarom zouden ook wij haar zoo niet noemen? Het is toch nooit raadzaam, van den heer des huizes binnen zijne eigen muren kwaad te spreken. Op de keper beschouwd, is dat, wat ik u daar vertel, natuurlijk een sprookje.--Dit durf ik wel ronduit verklaren," voegde hij er met eenigen nadruk bij, toen wij op een kleinen afstand van ons in een huis licht zagen schemeren.--»Wij zijn thans dicht bij de herberg van Aberfoil," vervolgde hij: »daar ginder, waar dat licht brandt."
Met veel genoegen vernam ik dit, niet zoozeer omdat mijn reisgenoot-zich nu vrijmoediger over de toovergodinnen kon uiten, als wel, omdat ik mij thans eenige uren rust mocht beloven, die wij, niet minder dan onze paarden, na zulk eene moeielijke dagreis, meer dan noodig hadden.
Eene oude, zeer hooge, smalle steenen brug bracht ons over de Forth, dicht bij den oorsprong der rivier. De gewone weg uit het Hoogland naar Zuid-Schotland liep echter, zoo als ik van mijn reisgenoot hoorde, door de Forth van Firth, waar de stroom steeds zeer diep en moeielijk over te trekken, ja niet zelden volstrekt ondoorwaadbaar is. Van deze plaats tot verder oostwaarts naar de brug van Stirling, bevindt zich nergens een overgang. Zoo vormt dan de Forth, van hare bron tot aan de Firth--dat is de zeearm die haar omvangt,--eene gemakkelijk te verdedigen grensscheiding tusschen het Hoogland en Zuid-Schotland. De gebeurtenissen, waarvan ik naderhand getuige was, herinnerden mij vaak de aanmerking, die Jarvie, volgens zijne gewoonte, in den vorm van een spreekwoord maakte: »de Forth is voor de woeste Hooglanders, een toom, die hen in bedwang houdt."
Na een korten rit aan gene zijde van de brug, bevonden wij ons eindelijk voor een herberg, waar wij den nacht zouden doorbrengen. Haar voorkomen was nog veel armzaliger dan van die, waar wij des middags gegeten hadden. Door de kleine vensters zagen wij echter veel licht en hoorden weldra ook verscheidene stemmen, wat een gul onthaal scheen te beloven, waaraan wij ook groote behoefte gevoelden. Intusschen had Andries al spoedig ontdekt, dat een dikke, afgeschilde wilgentak dwars vóór de half geopende deur lag. Hij bleef dralende staan en ried ons aan niet binnen te treden.--»Buiten twijfel zijn daar eenige van hunne hoofden bijeen, die in hun drinkgelag niet willen gestoord worden," zeide hij. »Stappen wij nu maar zoo zonder komplimenten binnen, dan zullen zij ons zeer zeker met een geducht pak stokslagen verwelkomen, of ons met hunne scherpgepunte dolken een prikje geven, dat ons dergelijke onwellevendheid voor altijd zou afleeren."
Ik keek vragend mijn reisgenoot aan, die mij toefluisterde: »de ezel heeft daar een verstandig woord gesproken!"
Nu kwamen er op het hooren van den hoefslag onzer paarden, eenige half gekleede meiden uit de herberg en de omliggende hutten. Maar niemand heette ons welkom; niemand gaf zich de moeite, toen wij afgestegen waren, om onze paarden vast te houden, en op alle onze vragen ontvingen wij slechts het troostelooze antwoord: »ha niel Sassenach!" (»kan geen Saksisch!") [10].
Jarvie wist hun echter de tong los te maken en Engelsch te doen spreken.
»Als ik u," zeide hij tegen een tienjarigen knaap in een haveloozen plaid, »een stuiver geef, wilt gij dan Saksisch verstaan?"
»Ja, ja, dat wil ik!" antwoordde de knaap in redelijk goed Engelsch.
»Nu ga dan heen, en zeg uwe moeder," vervolgde Jarvie, »dat hier een paar vreemde heeren zijn, die haar wenschen te spreken."
Terstond daarop verscheen de waardin met een brandenden spaander in de hand, dien de Hooglanders van het in de turfmoerassen gevonden pijnboomhout snijden, en niet zelden in plaats van eene kaars of lamp gebruiken. De heldere vlam verlichtte de woeste gelaatstrekken eener bleeke, magere vrouw van buitengewone grootte, wier slordige en gescheurde kleeding haar ternauwernood naar behooren bedekte. Haar zwart haar, dat in ongekamde lokken uit hare morsige muts nederhing, en de zonderling verlegen blik waarmede zij ons beschouwde, gaven haar geheel het voorkomen eener tooverkol, die in hare werken der duisternis gestoord wordt. Zij weigerde bepaald ons in de herberg toe te laten. Vruchteloos waren al onze vertoogen. Te vergeefs verzekerden wij haar, dat wij en onze paarden te veel afgemat waren om de naastvolgende, omtrent zeven Schotsche mijlen verwijderde herberg nog vóór den nacht te bereiken.--»Beter verder gegaan, dan hier de pot verteerd!" antwoordde de onverbiddelijke waardin in het Nederschotsch. »Binnen zijn lieden, die niet gestoord willen worden door vreemdelingen. Wie zij zijn, weet ik niet. Misschien wel roodrokken van het garnizoen," voegde zij er zachter, doch met een bijzonderen nadruk bij. »Het is goed weer; laat de heide ditmaal uw bed zijn, dat zal uw bloed verkoelen. Slaap in uwe kleederen," voegde zij er bij, »zooals een goed zwaard in de scheede. De hei is niet al te vochtig, als ge maar een geschikt plekje uitzoekt, en ge kunt gerust de paarden op den heuvel laten grazen; geen mensch zal het je kwalijk nemen."
Terwijl Jarvie besluiteloos zuchtte, betuigde ik de waardin, dat ik sinds zes uren niets gegeten had, en den nacht niet hongerend in het gebergte kon doorbrengen. »Ik moet volstrekt onder dak,"--voegde ik er bij. »Zie het met uwe gasten voor ons zoo wat ten goede te schikken.--Beduid hun, dat twee vermoeide vreemdelingen de eer van hun gezelschap wenschen te genieten. Andries, zorg voor de paarden!"
De oude heks staarde mij met verbazing aan.--»Nu, het zij dan zoo!" zeide zij eindelijk; »maar ik vrees, ik vrees, dat het u berouwen zal, met mijne gasten kennis gemaakt te hebben. Evenwel, wie niet naar goeden raad wil hooren, moet zijn eigen zin volgen! Intusschen kan ik wel zien, dat gij echte Engelschen zijt. De buik is uw afgod. Gij hebt heden eenmaal gegeten. En toch wilt gij nog liever vrijheid en leven wagen, dan een avondmaal missen. Maar ik wasch de handen in onschuld. Kom," zeide zij tegen Andries, »ik zal de plaats voor de paarden wijzen."
Over deze uitdrukkingen der waardin, die mij een dreigend gevaar schenen aan te duiden, was ik min of meer onthutst. Evenwel, ik had haar nu eenmaal mijn besluit te kennen gegeven. Ik wilde nu niet angstvallig terugtreden, maar stapte moedig het huis binnen. Toen wij een smallen gang, waar ik mijne schenen tegen een hoop turf en eene vleeschkuip bijna stuk stiet, doorgegaan waren, opende ik eene gebrekkig uit wilgentwijgen gevlochten deur, en trad nu met Jarvie in de gelagkamer van deze Schotsche herberg.
Hier zag het er, voor de oogen van een Engelschman, al zeer zonderling uit. Het vuur, dat uit turf en dorre takken bestond, brandde helder in het midden van het vertrek; maar de rook, die geen anderen uitweg had dan door een gat in het dak, bleef grootendeels in donkere wolken vijf of zes voet van den bodem aan de zoldering hangen. Beneden deze rookwolken was het echter tamelijk licht, dewijl de tocht, die door het jammerlijk gehavende vlechtwerk der deur en door eenige met lompen behangen gaten, die tot vensters dienden, als ook door tallooze scheuren en spleten der van steenen en turf opgetrokken wanden rijkelijk henendrong, de vlam van het vuur wakker aanblies.
Aan eene oude eikenhouten tafel nabij het vuur zaten drie mannen. Het waren gasten, die men onmogelijk met een onverschillig oog beschouwen kon. Twee van hen waren als Hooglanders gekleed. Maar de een, een klein, zwartachtig mannetje, met levendige, min of meer driftige uitdrukking op zijne gelaatstrekken, droeg eene eng sluitende lange broek, »trews" genaamd, van eene fijne, wolachtige stof. Jarvie fluisterde mij in, dat deze man zeer zeker een persoon van eenigen rang moest zijn, want dat alleen aanzienlijke lieden zulke broeken droegen, die, naar de mode der Hooglanders, zeer moeielijk te weven waren.
De andere gast was bijzonder groot en sterk gespierd, met dik rood haar, een gezicht vol zomersproeten, bolle wangen en eene lange kin, eene soort van karikatuur der eigenaardige Schotsche physionomie. Zijne tartan was rijk met rood gekleurd, terwijl in het gewaad van den anderen, zwart en donkergroen de heerschende kleuren waren. De derde gast, in Nederschotsch costuum, was een man van een onversaagd, ja, vermetel voorkomen; zijn oog en zijne houding teekenden den krijgsman. Sierlijk en rijk met koorden en galon was zijn reisrok bezet, en zijn opgetoomde hoed was van eene vervaarlijke grootte. Zijn kort zijdgeweer en een paar pistolen lagen voor hem op de tafel. Elk der beide Hooglanders had zijn ontblooten dolk naast zich in de tafel gestoken, wat, zoo als ik naderhand vernam, een teeken was, dat hun drinkgelag door geen twist mocht gestoord worden. Voor de drie gasten stond eene groote tinnen kan met Usquebaugh, een sterken, geestrijken drank, dien de Hooglanders van mout brouwen en onverdund in onmatige hoeveelheid zwelgen. Een gebroken glas met een houten voet, het eenige drinkgereedschap, waarvan zij zich gemeenschappelijk bedienden, ging zoo vaak rond, dat het mij, met het oog op den krachtigen drank, inderdaad verbaasde. Zij spraken luid en vrij levendig met elkander, dan eens in het Engelsch, dan weder in het Gaelisch. Een andere, in zijn plaid gewikkelde, Hooglander, lag uitgestrekt te slapen, zonder zijn hoofd op een bos stroo, en sliep, of scheen ten minste te slapen, zonder op hetgeen rondom hem gebeurde in het minst acht te slaan. Intusschen scheen hij insgelijks een der gasten te zijn, want hij was geheel gekleed, met zijn zwaard en schild, de gewone wapens der Hooglanders, wanneer zij zich op reis bevinden, naast hem. Kribben van onderscheidene grootte bevonden zich op eenige hoogte langs de wanden, sommige van oude planken, andere van slordig ineengevlochten wilgentwijgen, die den huisgenooten, mannen, vrouwen en kinderen, tot slaapplaatsen dienden, maar door de donkere rookwolken, die haar omringden, genoegzaam onzichtbaar waren.
Wij traden het vertrek zoo stil binnen, dat de drie in hun gesprek geheel verdiepte drinkebroers ons gedurende eenige minuten volstrekt niet bemerkten. Het ontsnapte mij echter niet, dat de Hooglander, die op den grond, niet ver van het vuur lag, zich, toen wij binnenkwamen, een weinig oprichtte, op zijn elleboog leunende en het gezicht met zijn plaid half bedekkende, ons eenige oogenblikken aanzag en daarna zich weder te slapen legde.
Wij begaven ons naar het vuur, dat ons, na een zoo laten rit in een kouden herfstavond, eene aangename verkwikking beloofde, en trokken nu eindelijk de opmerkzaamheid der gasten tot ons, toen wij de waardin riepen. Zij kwam, zag weifelend en vreesachtig dan ons dan de andere gasten aan, en maakte, toen wij haar verzochten ons het een en ander voor ons avondmaal te brengen, allerlei nietsbeduidende verontschuldigingen. In het eerst betuigde zij volstrekt niets eetbaars in huis te hebben. Toen verzekerde zij ons weder, dat zij, ja, wel iets had, maar dat het geenszins aan lieden van onzen stand kon voorgezet worden.
Ik antwoordde haar, dat wij met elk gerecht, hoe gering ook, tevreden zouden zijn. En nadat ik naar stoelen voor ons had rondgezien, die echter nergens te vinden waren, bood ik Jarvie een ouden hoenderkorf tot zitplaats aan, en ging zelf op een gebroken tobbe zitten. Nu trad Andries insgelijks binnen, en plaatste zich zwijgend achter ons. De gasten staarden ons onafgewend aan, als had onze vrijmoedigheid hen min of meer in verlegenheid gebracht; en--ik ten minste--trachtte, zoo goed als het gelukken wilde, onder den schijn van onverschilligheid de heimelijke vrees te verbergen, dat wij van deze onbekende heeren juist niet de aangenaamste ontvangst te wachten hadden.
Eindelijk keerde de kleine Hooglander zich naar mij en zeide op trotschen toon in zeer goed Engelsch: »naar ik merk, gedraagt gij u hier als of gij te huis waart."
»Dat doe ik gewoonlijk als ik mij in eene herberg bevind," antwoordde ik.
»En hebt gij dan aan den dwars voor de deur liggende wilgentak niet gezien, dat de herberg reeds door andere gasten bezet was?" vroeg de lange Hooglander.
»Ik ken de gewoonten van dit land niet," hernam ik; »maar ik zou toch wel eens willen weten, hoe drie menschen het recht zouden hebben, om ieder ander reiziger van eene herberg, die de eenige binnen den omtrek van verscheidene mijlen is, uit te sluiten.
»Daartoe heeft niemand het recht, mijne Heeren!" zeide Jarvie. »Wij willen niemand beleedigen. Doch niemand, wie hij ook zij, mag ons verdrijven. Evenwel, is eene flesch goede brandewijn in staat, om een einde aan deze onaangename ontvangst te maken--wij zijn vredelievend, en......"
»Naar den Satan met uw brandewijn!" zei de Laaglander en zette zijn ontzaggelijk grooten hoed met eene zekere fierheid op het hoofd. »Wij hebben uw brandewijn evenmin noodig, als uw gezelschap."
Met deze woorden sprong hij op. Zijne metgezellen volgden zijn. voorbeeld, mompelden tegen elkander, trokken hunne plaids op en snoven en bliezen, zoo als zij gewoonlijk doen, wanneer zij zich driftig willen maken.
»Heb ik het u niet gezegd?" riep de waardin. »Weg met u uit mijn huis! Ik wil hier geen twist, en niemand moet ten mijnent gestoord worden, ten minste, zoo lang ik het beletten kan. Het zou waarlijk wat fraais zijn, als bij nacht en ontij de rondzwervende Engelschen zoo maar tegen wil en dank in de huizen mochten indringen en ordentelijke, vreedzame lieden storen, die in rust hun glaasje drinken!"
Op een anderen tijd, zou ik mij het oude Latijnsche spreekwoord herinnerd hebben:
Dat veniam corvis, vexat censura columbas.
(De kleine dieven hangt men, de groote laat men loopen.) Maar ik had geen tijd, om mijne geleerdheid uit te kramen, want alles scheen hier op een gevecht te zullen uitloopen. Verontwaardigd over de ongastvrije ruwheid, waarmede men mij behandelde, was mij dit volmaakt onverschillig, hoewel ik medelijden met den goeden Jarvie had, die bij zulk eene gelegenheid zeer zeker eene zeer slechte figuur zou maken. Toen ik dus de andere gasten zag opstaan, sprong ik insgelijks op en sloeg mijn mantel terug om ter verdediging bereid te zijn.
»Drie tegen drie," zei de kleine Hooglander. »Als gij dappere kerels zijt, trekt dan van leer!"