Robbert Roodhaar

Part 26

Chapter 263,904 wordsPublic domain

Na deze uitboezeming van onzen gastheer, vroeg ik hem, welken invloed Campbell op mijn vaders zaken hebben kon?--»Gij moet weten." vervolgde Jarvie op half fluisterenden toon, »dat de Hooglanders--ik spreek hier immers tot vrienden en in vertrouwen op uwe geheimhouding--sedert het jaar negen en tachtig, toen zij bij Killiekranckie geslagen werden, zich stil hebben gehouden. Maar hoe heeft men hen daartoe gebracht? Door geld zeg ik u, door geld! Koning Willem liet twintig duizend pond sterling onder hen uitdeelen en de overleden koningin Anna gaf den hoofden insgelijks kleine jaargelden, waarmede zij hunne onderhoorigen, die volstrekt niets doen, konden onderhouden. Zoo hielden zij zich vrij rustig. Natuurlijk, men mag hierbij niet in rekening brengen, dat zij soms, naar gewoonte, in de Laaglanden rooverijen pleegden, of elkander dood sloegen, wat geen mensch schelen kon. Maar nu zijn er met de regeering van koning George andere tijden gekomen--doch evenwel, God zegene den koning! Nu krijgen zij in het Hoogland geld noch ondersteuning; zij kunnen hunne benden niet meer onderhouden, en hunne clans zuigen hen geheel uit, zoo als gij best begrijpen zult. Hun crediet is in de Laaglanden geheel weg, en een Hooglander, die duizend of vijftienhonderd wakkere knapen samenfluiten kan, welke allen zijn wil volbrengen--waarachtig, zoo iemand zou in Glasgow nauwelijks vijftig pond op zijne manschap ter leen kunnen krijgen. Intusschen, lang kan het zoo niet duren. Er moet een opstand volgen ten gunste der Stuarts; zij zullen de Laaglanden, even als voor zestig jaren onder Montrose, overstroomen, en dat gebeurt eer er nog één jaar verloopen is.

»Maar ik zie nog niet in wat Campbell, en nog minder wat mijns vaders zaak daarmede te maken heeft."

»Robbert kan vijfhonderd man op de been brengen," vervolgde Jarvie. »De oorlog moet hem dus even welkom zijn, als aan de meeste Hooglanders--want in vredestijd hebben zij weinig of geen nut van hunne benden. Om u de waarheid te zeggen, geloof ik ook, dat hij de voornaamste onderhandelaar is geweest tusschen eenige hoofden en de edellieden van Noord-Engeland. Ons allen is bekend, dat men dien Morris niet ver van het Cheviot-gebergte rijksgelden heeft ontroofd. Openlijk vertelde men, dat de roovers Robbert en een jonge Osbaldistone waren geweest--ja, het gerucht noemde zelfs u, mijnheer Frans, en toen ik het hoorde, speet het mij wel zeer, dat de zoon van mijn ouden correspondent zich aan zulke streken schuldig maakte. Nu, nu, ik zwijg er van; want ik zie thans dat het eene dwaling was. Maar ik hield u voor een comediant en dus zeer goed in staat tot zulk een handwerk. Thans twijfel ik geen oogenblik langer, of het is Rashleigh zelf geweest, of ten minste een van uwe neven--die zijn toch allen van hetzelfde allooi, allen Jakobieten en Papisten. Geld, dat de regeering toebehoort, verklaren zij voor goeden prijs. Die Morris is echter zulk een ellendige lafaard, dat hij zelfs thans niet waagt, tegen Robbert te getuigen. Trouwens, men kan hem dit juist zoo kwalijk niet nemen. Want dat duivelsche volk verstaat geen gekscheren. En Robbert zou hem zijne moeite betaald zetten, eer men Morris bijstaan en redden kon door den arm der justitie."

»Dat heb ik reeds lang vermoed, mijnheer Jarvie," zeide ik. »Ik ben dan ook volkomen van uw gevoelen. Maar mijns vaders zaken..."

»Gij hebt het vermoed?" hernam Jarvie, »hier is geen vermoeden, maar het is zeker, zeer zeker! Ik ken lieden, die papieren gezien hebben, welke men Morris ontnomen heeft; waar, dat doet er niet toe. Maar wat uw vader betreft, zegt gij? Gij moet weten, dat de laatste twintig jaren eenige heeren en opperhoofden in het Hoogland hun eigen voordeel beter hebben leeren inzien. Uw vader en eenige andere lieden kochten van hen uitgestrekte bosschen, en uws vaders kantoor gaf hun daarvoor wissels tot aanzienlijke bedragen. Osbaldistone en Tresham hadden overal een schier onbepaald crediet. Want--ik zeg het den heer Owen, zoo wel hier, nu hij het hooren kan, als achter zijn rug--geen kantoor was in den handel billijker, braver, eerlijker. Dat bleef dan ook zoo, tot de ramp kwam, welke God daarover beschoren heeft. De Hooglandsche heeren vonden met hunne wissels in Glasgow en Edinburg licht crediet, maar vooral in Glasgow, omdat die trotsche lui in Edinburg zich weinig op zaken verstaan. Ze konden gemakkelijk de meeste hunner wissels disconteeren. Op deze wijze.... merkt gij dan niet, waar ik heen wil?"

Ik verzekerde hem, dat ik zijne meening nog niet volkomen vatte.

»Welnu," vervolgde hij, »worden de wissels niet betaald, dan vallen de Glasgowsche kooplieden de Hooglandsche heeren op het lijf. Maar die hebben geen geld, en kunnen ook niet teruggeven wat reeds sinds lang doorgebracht is. Ja, die zaak zal treurig afloopen; ik voorspel het u en al dengenen, die er belang bij hebben. Vijf honderd onversaagde kerels, die anders stil te huis zouden gebleven zijn, vatten de wapens op, en wat er dan meer zal volgen. Ziet gij nu wel, dat, zoo uws vaders kantoor ophoudt met betalen, een opstand onvermijdelijk is?"

Deze zonderlinge wijze van de zaak te beschouwen verraste mij.--»Gelooft gij dan," zeide ik, »dat Rashleigh mijn vader dit ongeluk berokkend heeft, alleen om daardoor een opstand der Hooglanders te bespoedigen?"

»Zeker is dit een van zijne beweegredenen geweest," hernam Jarvie. »Maar het contante geld, dat hij medegenomen heeft, is nog eene andere. Voor uw vader is dit, trouwens, slechts een weinig beteekenend verlies, maar voor Rashleigh zou het misschien ten laatste wel de voornaamste winst kunnen worden. De papieren, welke hij heeft medegenomen, zijn voor hem van geene hoogere waarde, dan dat hij zijne pijp er aan opsteken kan. Hij beproefde of Mac-Vittie en Comp. hem er contanten voor wilden geven--ik heb dat uit de derde hand. Maar die sluwe vossen wilden er volstrekt niets van weten, en betuigden hem hun innig leedwezen, dat zij in zijn overigens zeer aannemelijk voorstel om honderd gewichtige redenen niet treden konden. Men kent Rashleigh in Glasgow zeer goed, en daarom vertrouwt niemand hem. Reeds eenmaal was hij hier, in het jaar 1707, bij eene gelegenheid van een nog gelukkig gedempten opstand der Jakobieten en Papisten. Toen liet hij hier vrij wat schulden achter. Neen, neen! hier kon hij zijne papieren niet aan den man brengen. Niemand vertrouwt, dat hij er eerlijk aan gekomen is. Maar in het Hoogland zal hij ze wel geborgen hebben. Ik geloof zelfs, dat neef Robbert, zoo hij wilde, ze wel zou weten te vinden."

»Maar zou diens vriendschap jegens ons zoo ver gaan?" vroeg ik. »Is hij in de aanslagen der Jakobieten gewikkeld, dan zal hij niet licht om mij, als uit gevoel van recht, genegen zijn tot eene teruggave, die de ontwerpen van zijne partij zou schaden."

»Daarover kan ik u niets stelligs zeggen," hernam Jarvie. »De grooten in het Hoogland vertrouwen Robbert niet. Hij zal hen denkelijk ook niet vertrouwen. Met het geslacht van Argyle staat hij op goeden voet. Bevond hij zich niet in behoeftige omstandigheden, dan zou hij zich liever aan Argyle, dan aan den graaf van Breadalbane aansluiten. Want gij moet weten, dat er van oudsher eene veete tusschen het geslacht van Breadalbane en zijn stam bestond. Maar op de keper beschouwd, staat Robbert geheel op zich zelven: de partij, die hem het voordeeligst toeschijnt, kiest hij zeker. Als de duivel landheer was, zou Robbert zijn pachter worden, en dit kunt gij den armen kerel, in zijne benarde omstandigheden, niet kwalijk nemen. Maar er is toch iets, wat u bij hem niet zeer behagen zal: op zijn stal staat een boos dier."

»Een boos dier?" vroeg ik verrast. »Wat gaat mij dat aan?"

»Robberts vrouw," hernam Jarvie; »een grimmig wijf! Het gezicht van een Schot, wanneer hij uit de Laaglanden komt, kan zij volstrekt niet verdragen, en nog veel minder dat van een Engelschman. Voor koning Jakobus vecht zij op leven en dood; koning George zou zij willen ophangen."

»Vreemd," merkte ik op, »dat de handelsondernemingen van Londensche burgers met staatsomwentelingen en volksopstanden in betrekking moeten staan."

»Niet vreemd, beste vriend, volstrekt niet vreemd!" hernam Jarvie. »Dat zijn vooroordeelen. Ik heb eens in Bakers Kroniek gelezen, dat deze Londensche kooplieden de bank van Genua dwongen, om den koning van Spanje eene aanzienlijke som, welke zij hem toegezegd had, niet uit te betalen. Daardoor werd het uitzeilen van de zoogenaamde onverwinnelijke vloot een jaar lang vertraagd. Wat zegt gij daarvan?"

»Dat de kooplieden hun vaderland een onberekenbaar grooten dienst bewezen, die de geschiedenis met roem vermelden moest."

»Dat zou ik denken!" zeide Jarvie. »Maar men zou ook iets goeds verrichten en zich bij staat en menschheid verdienstelijk maken, als men die drie of vier brave Hooglandsche landheeren belette, zich hals over kop met hunne ongelukkige aanhangers in den afgrond des verderfs te storten, ja als men uws vaders crediet, en mijn eigen geld, dat ik van Osbaldistone en Tresham te vorderen heb, wilde redden. Wie dit alles in het reine kon brengen, dien moest men, al ware hij ook slechts een eenvoudige wever, eeren en prijzen en als een zeldzaam kleinood in onze dagen in waarde houden."

»Ik weet niet hoe ver de openlijke dankbaarheid in dat opzicht behoorde te gaan," hernam ik; »maar onze dankbaarheid, mijnheer Jarvie zou, dit durf ik u stellig verzekeren, aan de grootte van onze verplichting geëvenredigd zijn."

»En wij zullen ons best doen, om het door een per contra weder te vereffenen, zoodra onze patroon Osbaldistone uit Holland teruggekomen is," zeide Owen.

»Dat weet ik; hij is een braaf man, een man van zijn woord. Met mijne hulp zou hij in Schotland vrij goede zaken kunnen doen. Maar beste mijnheer Owen, als men slechts die papieren uit de klauwen der Filistijnen kon krijgen! Want ze zijn echte waar, als ze in de rechte handen zijn, zooals in de uwe, mijnheer Owen. Ik weet, dat gij hier in Glasgow drie mannen kunt vinden, zooals ge thans noodig hebt. Ja, ja, dat is waar, hoe geringen dunk gij ook van ons moogt hebben--en die mannen zijn: Sandie Steenson in Trade's-Land; John Pirie in Candleriggs, en dan nog een ander, dien ik nu nog niet noemen zal. Zij zullen het geld voorschieten en wel zooveel als noodig zal zijn, om het crediet van uw kantoor te redden, en ook geene verdere zekerheid verlangen."

Owens oogen schitterden bij het schoone vooruitzicht, dat die woorden hem schenen te openen; maar weldra betrok weder zijn gelaat, toen hij zich herinnerde, hoe onwaarschijnlijk het was, dat wij de papieren terugkrijgen zouden.

»Wanhoop niet, mijn goede man!" vervolgde Jarvie. »Ik heb al zoo veel deel aan uwe zaken genomen, dat ik er mij nu wezenlijk met lijf en ziel op toeleggen moet. Ik ben in zulke gevallen juist als mijn overleden vader. Bemoei ik mij eens met de zaak van een vriend, dan wordt die zaak spoedig geheel de mijne. Morgen met den dag stijg ik te paard en rijd met mijnheer Frans over de Drymenheî naar het gebergte, en kan ik Robbert en diens vrouw niet tot rede brengen, dan weet ik niet, wie dat zou kunnen doen. Meer dan eens heb ik mij jegens hem en haar vriendelijk en dienstvaardig betoond. Zelfs heden nacht heb ik hem niet eens willen zien, en het zou hem het leven hebben gekost, al ik hem slechts genoemd had. In onze raadsvergadering zal er zeker wel over gesproken worden. Grahame en Mac-Vittie en anderen hebben mij mijne verwantschap met Robbert al meer verweten, en den neus er voor opgetrokken. Ik zeide hun, dat ik niemands gebreken en ondeugden wilde verontschuldigen, noch iets verontschuldigen dat hij tegen de wet gedaan had, maar dat hij, in allen geval, zoo eerlijk was als een van hen allen. En waarom zou ik mij aan praatjes storen? Is Robbert gebannen--ik wil hun dat in het gezicht zeggen--welnu, dan bestaan er thans toch geene wetten meer, die verbieden, met gebannenen gemeenschap te hebben, even als in de tijden der leelijke Stuarts. Ja, ik heb eene Schotsche tong; dat zullen zij ondervinden, als zij mij te na komen!"

Met innige blijdschap bemerkte ik, dat Jarvie vuur vatte. Vaderlandsliefde, deelneming in onzen toestand, de wensch, om verliezen te vermijden en winst te maken, en ook wel een weinigje vergeeflijke ijdelheid werkten samen op hem. Zoo kwam hij eindelijk tot het heldhaftige besluit om in eigen persoon te velde te trekken en tot herkrijging van mijns vaders eigendom behulpzaam te zijn. Al, wat hij mij gezegd had, versterkte mij in de meening, dat de Hooglandsche avonturier, indien die papieren in zijne handen waren, wel zou zijn over te halen, om dat terug te geven, wat hem toch geen voordeel kon aanbrengen. Ik besefte ook zeer goed, dat de tegenwoordigheid van zijn neef zeer veel invloed op hem zou uitoefenen.

Gretig nam ik dus Jarvie's aanbod aan, om hem den volgenden morgen te vergezellen. De wakkere man was nu bereidvaardig en opgewekt, om zijn voornemen uit te voeren, al was hij langzaam en bedachtzaam geweest om tot een stellig besluit te komen. Hij riep Matje toe, om zijn reisjas te luchten te hangen, zijne rijlaarzen schoon te maken, ze den ganschen nacht bij den haard te zetten, voor zijn paard te laten zorgen, en al wat verder noodig was, gereed te maken. Wij besloten met het aanbreken van den dag te vertrekken. Toen wij afgesproken hadden dat Owen, die ons op onzen tocht van geen dienst kon zijn, onze terugkomst in mijne herberg te Glasgow zou verbeiden, namen wij hartelijk afscheid van den ijverigen vriend, dien wij hier zoo onverwachts gevonden hadden. Ik gaf Andries last, om des morgens vroeg op het bepaalde uur bij mij te zijn, en legde me toen ter ruste met de hoop op de toekomst. In de laatste dagen had ik innerlijk aan alles gewanhoopt. Nu kwam er licht.

HOOFDSTUK XXVII.

Geen struik, geen plant. Slechts roestig bruin, is d'aarde. Geen bij, die 'k honig zaam'len zag; Geen duif, die ik ontwaarde. Geen stroom, die lieflijk ruischt, Geen wind, die door 't geboomte suist.

(Voorspelling van hongersnood.)

Koel was het op dien herfstmorgen, toen ik Andries, zoo als ik hem gelast had, met de paarden voor Jarvie's woning vond, vlak in de nabijheid van mijn logement. Op het eerste gezicht bemerkte ik, dat Andries zijn slecht paard, het edelmoedige geschenk van zijn rechtsgeleerden vriend, voor een nog veel ellendiger knol verruild had, die slechts op drie beenen liep, en het vierde in de hoogte hield.

»Wat moet dat beduiden?" vroeg ik misnoegd. »Waar is het andere paard?"

»Ik heb het verkocht, mijnheer; het was zulk een vraatzuchtig dier, dat het zich in de herberg zelf zou opgevreten hebben. Dit heb ik voor uwe rekening gekocht, en het is een koopje. Elke poot kost een pond sterling, dat is, sumarum sumorum, netto vier pond. Weliswaar een beetje stijf als het van stal komt;--dat zal echter gauw slijten en het is een bekende harddraver."

»Waarlijk," zei ik, »gij zult niet rusten tot ik u een flink pak slaag gegeven heb. Ga dadelijk het andere paard halen, of het zal je berouwen!" Maar Andries stoorde zich noch aan mijn bevel, noch aan mijne bedreigingen. Hij beweerde, dat hij den kooper van zijn paard ten minste eene guinje rouwkoop zou moeten geven. Ik merkte weer, dat ik met een bedrieger te doen had. Ik besloot echter als een echt Engelschman, geen tijd te verliezen, maar het geld te betalen. Daar zag ik Jarvie uit zijne woning treden. Hij was in zijn reismantel gebakerd, als of het een tocht naar Siberië gold. Onder geleide van zijne Mathilde brachten twee leerjongens het flinke paard voor, dat bij zulke gelegenheden gewoon was, den eerzamen heer te dragen. Vóór dat hij zich in den zadel zette, vroeg hij naar de oorzaak van den twist tusschen mij en mijn knecht. Toen ik hem de zaak had verteld, riep hij den weerspannigen Andries toe, het paard onverwijld terug te bezorgen, onder bedreiging, als hij zich langer verzette, hem in de gevangenis te zetten, en de helft van zijn loon als boete te doen betalen. »Mijnheer Osbaldistone," zeide hij, »heeft u en uw paard gehuurd, twee beesten tegelijk. Vooruit, ik zal u onderweg op de vingers zien! Gauw wat, mannetje!"

»Hoe! gij wilt mij beboeten?" zeide Andries stoutmoedig. »Ik bezit immers geen duit. Ge zoudt even goed een Hooglander zijn broek kunnen ontnemen."

»Genoeg, praatjes! Zoo gemakkelijk laat de justitie zich niet afschepen. Wie geen geld heeft, betaalt met zijn rug: dat staat vast," hernam Jarvie. »Op de eene of andere wijze zullen wij met u wel afrekenen."

Er bleef voor Andries niets over dan te gehoorzamen. Hij mompelde slechts tusschen de tanden; »al te veel heeren! al te veel heeren! zei het veld tot de egge, toen al de pennen haar staken."

Hij had blijkbaar weinig moeite, om weder in het bezit van zijn verkocht paard te geraken, want een paar minuten daarna keerde hij op zijn ouden Bucephaal terug. Van den rouwkoop werd zelfs geen enkel woord gerept.

Wij begaven ons nu op weg, maar nauwelijks waren wij aan den hoek van de straat, of wij hoorden achter ons luidkeels: »halt! halt!" roepen. Jarvie's beide leerjongens haalden ons in. De een stelde zijn heer, uit naam van Matje, een zijden doek ter hand, met hare aanbeveling, dien toch vooral om den hals te slaan, terwijl de ander hem, ook uit naam van Matje, onder een schalkschen glimlach, waarschuwde, toch met water drinken voorzichtig te zijn.--»Ei wat!" zeide Jarvie, »laat zij daaromtrent maar gerust wezen." Maar zich tot mij wendend zeide hij: »het is toch een bewijs van een goed hart, van eene hartelijke zorg voor haar heer, niet waar? Ja, ja, mijn Matje is een best meisje, zoo zorgzaam en trouw!"

Met die woorden gaf hij zijn paard de sporen, en zonder verder opgehouden te worden, geraakten wij buiten de stad. Terwijl wij langs den straatweg in matigen draf voortreden, had ik gelegenheid, de voortreffelijke eigenschappen van mijn nieuwen vriend nog nader te leeren kennen en waardeeren. Weliswaar beschouwde hij, even als mijn vader, den handel als de gewichtigste bestemming van den mensch, maar hij was tevens onbevooroordeeld genoeg, om ook de waarde van andere algemeene kennis op prijs te stellen. Niettegenstaande zijne zonderlinge grillen, zijn ongemanierd gedrag, zijne ijdelheid, die juist dan het grappigst was, wanneer hij ze onder den sluier der nederigheid verborg, ja, ondanks zijn volslagen gebrek aan wetenschappelijke vorming, liet Jarvie in den loop van het gesprek helder oordeel, juiste inzichten en vlug begrip blijken, meer dan men van hem verwacht zou hebben.

Met de oudheden van het land was hij goed bekend. Hij wist mij aangenaam bezig te houden met het verhalen van gebeurtenissen, die in de oorden, welke wij doortrokken, voorgevallen waren. Ook in de oudere geschiedenis van zijne geboorteplaats was hij vrij goed te huis. En hij zag met het vooruitziend oog van een schranderen vaderlander reeds zeer vele voordeelen in kiemen, die later tot bloei en rijpheid gekomen zijn. Ofschoon een echt Schot en uiterst bezorgd voor den roem en de eer van zijn vaderland, koesterde hij toch geen bekrompen denkbeelden en kinderachtige vooroordeelen omtrent het naburige land. Dit merkte ik met genoegen; toen Andries dan ook het verlies van een hoefijzer aan den alles bedervenden invloed der Unie toeschreef, kreeg hij een scherpe vermaning.

»Zwijg!" riep hij; »wie zoo spreekt, lastert en hitst buren tegen buren, volken tegen volken op. Niets ter wereld is volmaakt, dat geldt ook van de Unie. Niemand was sterker tegen de Unie, dan onze Glasgowers. Hun razen en tieren was toen misschien goed. Maar ik zou wel eens willen weten, of er, sinds den tijd, toen St. Mungo haringen in de Clyde ving, wel iets geweest is, dat ons zoo veel voordeel heeft aangebracht als de handel in suiker en tabak? En heb ik gelijk, dan heeft ieder ongelijk, die het verdrag afkeurt, dat ons den weg naar West-Indië geopend heeft."

Andries Fairservice, wilde dit niet toestemmen. Ja, hij waagde het grommend daartegen te protesteeren. »Het was een groote verandering voor Schotland," zeide hij, »dat 's lands wetten nu in Engeland gemaakt werden. Wat hem betrof, hij zou om alle haringen in Glasgow en om alle tabaksvaten bovendien, nooit zijne toestemming verleend hebben tot het afschaffen van het Schotsche Parlement, of het zenden van de Schotsche kroon en schepter naar Engeland, om bewaakt te worden door die Engelsche kerels in den Tower te Londen ... Wat zouden Sir William Wallace, of de oude David Lindsay wel van die mooie Unie gezegd hebben?" vroeg hij. Jarvie gaf geen verder antwoord. Hij hield niet van Andries.

Wij kwamen op eene uitgestrekte vlakte, die steeds woester werd, naarmate wij ons van Glasgow verwijderden. Eindelijk zagen wij rondom ons niets dan groote, eenzame, hopeloos kale heiden, die nu en dan afgewisseld door moerassen, met een bedriegelijk groen overdekt, uit zwarte veengronden bestaande, of door kleine eentoonige hoogten, die den naam van heuvel niet verdienden. Geen boom, geen struikgewas gaf eenige afwisseling. Het oog werd moede door het eenvormige van dezen onvruchtbaren bodem, waar slechts hier en daar een enkel heidebloempje opschoot. Wij zagen geen ander levend schepsel, dan somwijlen eenige ronddolende schapen van eene bonte kleur, meestal met pikzwarten kop en pooten. Zelfs de vogels schenen deze woestenij te vermijden, trouwens, geen wonder, daar zij ze zoo gemakkelijk ontvluchten konden. Ik hoorde niets dan het eentonig geluid van den kemphaan en den kievit. Toch bleek bij ons middagmaal, dat wij in eene armzalige kroeg namen, dat hier en daar andere dieren rondzwierven. De waardin dischte ons de opbrengst der laatste jacht van haar man op, en deze bestond uit eenige korhoenders en ander soortgelijk wild. Daarbij kregen wij schapenkaas, gedroogden zalm, haverbrood, slecht bier en uitmuntenden brandewijn, terwijl onze paarden goed verzorgd werden.

Een korte poos bleven wij daar. Toen vervolgden wij onze reis. De versterking, welke ons middagmaal mij gaf, diende ook een weinig, om een aanval van neerslachtigheid af te wenden, die mij ongemerkt bekroop, toen ik de zonderlinge onzekerheid van mijn avontuur en het woeste oord naging, waardoor heen het mij voerde. Onze weg werd al akeliger. De weinige ellendige hutten, die nog eenige sporen van menschelijke bewoning verrieden, werden zeldzamer, en verdwenen eindelijk geheel en al, naarmate het terrein zacht hellend opwaarts liep. Gedachteloos reed ik voort, toen opeens een bocht van den weg ons eene reeks donkerblauwe bergen deed aanschouwen, die zich noordwestelijk in de verte uitstrekten. De toppen dezer bergen waren schilderachtiger dan de kale en wanstaltige heuvels, welke wij tot dusver gezien hadden. Ik deed mijn geleider verscheidene vragen omtrent de namen en de ligging van die zonderlinge bergen; maar hij scheen er òf niets van te weten, òf geen lust te hebben, om mij er veel van mede te deelen.

»Ja, kort gezegd, dat zijn de Hooglandsche bergen," antwoordde hij; »ge zult nog genoeg daarvan zien en hooren, eer gij weder te Glasgow komt. Ik wil er niet naar zien. Ik ril als ik ze zie. Vrees is dat niet--neen, geene vrees, maar medelijden met de arme, verblinde, half verhongerende menschen, die daar wonen. En vraag mij nu niets meer. Het is niet goed over de Hooglanders te spreken, als men zoo dicht bij hunne grenzen is. Menigen eerlijken kerel heb ik gekend, die zulk een reisje niet zou ondernomen hebben, zonder vooraf zijn testament te maken. Mijn Matje had er ook vrij wat tegen, dat ik mij zoo noodeloos ging wagen. Zij schreide zelfs; maar aan dat oor ben ik doof, want vrouwen hebben hare tranen altijd gereed."