Robbert Roodhaar

Part 23

Chapter 233,937 wordsPublic domain

»Spreek mij toch niet meer van uw edel bloed," zeide Jarvie. »Breng uw edel bloed eens op de markt, en zie wat men er voor biedt. Maar als ik nu aan uw verzoek voldeed en ten uwent kwam, zoudt gij mij dan werkelijk betalen?"

»Dat zweer ik u!" zeide de Hooglander, »ja, dat zweer ik u bij het heilige gebeente van hem, die onder den grauwen steen te Juch-Calleach sluimert!"

»Al wel, Robbert, al wel! Wij zullen zien wat wij doen kunnen. Verbeeld u evenwel niet, dat ik de grenzen van het Hoogland zal overschrijden. Neen, waarachtig niet! Geen enkelen stap doe ik verder! Gij moet mij te Bucklivie, of in de herberg te Aberfoil wachten, en vooral het noodige niet vergeten."

»Wees onbezorgd!" hernam Campbell: »gij kent mij immers? Mijn woord is mij heilig. Maar het wordt tijd dat ik ga, neefje. Want de lucht eener gevangenis is voor een Hooglander zeer ongezond."

»Waarachtig!" zeide Jarvie, »als ik mijn plicht deed, dan zoudt gij nooit meer eene andere lucht inademen. O, dat ik een booswicht behulpzaam moet zijn, om aan de gerechtigheid te ontsnappen! Welk eene schande voor mij en de mijnen en voor mijns vaders nagedachtenis voor altijd!"

»Stil toch, stil toch, mannetje!" hernam de Hooglander. »Laat de dooden rusten! Uw vader wist bij zijn leven voor de fouten en gebreken van een goed vriend even knap een oog toe te drukken, als een ander."

»Nu ja, daarin hebt gij gelijk, Robbert," antwoordde Jarvie. »Mijn vader was een verstandig, inschikkelijk man. Hij wist dat wij allen arme zondaren, zwakke vaten zijn, en hield steeds zeer veel van zijne vrienden. Gij herinnert u hem toch nog wel, Robbert?"--Deze vraag deed hij op een zachten toon, die misschien iets belachelijks, maar zeker iets aandoenlijks had.

»En waarom zou ik mij hem niet herinneren?" vroeg Robbert. »Waarom niet? Hij was een fiksche wever, en heeft mij mijne eerste kousen geweven. Maar laat mij gaan, neef!"

Een glas nog maar, Dan zijn we klaar. En dan naar huis, de tijd is daar.

»Stil, stil, vriendje!" zeide Jarvie ernstig. »Nauwelijks is de dag des Heeren voorbij, en nu reeds liedjes te zingen! Het zou wel kunnen gebeuren, dat men u hier naar eene geheel andere wijs leerde zingen. Maar genoeg! Wij struikelen allen, en een mensch is juist geen engel; dus--Stanchells, doe de deur open!"

De gevangenbewaarder gehoorzaamde, en wij gingen allen heen. Met eenige verwondering keek nog de eerstgenoemde beide vreemdelingen na. Hij scheen maar niet te kunnen begrijpen, hoe zij buiten zijn weten in de gevangenis gekomen waren. Jarvie's verzekering: »Een paar goede vrienden van mij, Stanchells! een paar goede vrienden van mij!" voorkwam de nieuwsgierige vraag, die reeds op zijne lippen zweefde. Wij stegen den trap af en riepen, in het voorportaal gekomen, herhaalde malen Dugald's naam, zonder eenig antwoord te ontvangen. Met een spotachtig glimlachje merkte Campbell op, dat Dugald, zoo hij zich in dien knaap niet bedrogen had, hoogst waarschijnlijk zou blijken verkozen te hebben naar de belooning, voor den door hem dezen nacht bewezen dienst, te wachten, dat hij zeker reeds in vollen ren naar de grenzen van het Hoogland was.

»En nu heeft hij ons, en zelfs mij, mij zelven in de gevangenis opgesloten gelaten!" riep Jarvie toornig en ontsteld uit. »Schielijk, hamers en beitels, mokers en dommekrachten! Roep den smid. Zeg hem, dat het lid van den raad Jarvie in de gevangenis is opgesloten door een Hooglandschen schurk, dien hij zal doen ophangen, zoo hoog als Haman eens gehangen heeft!"

»Wel te verstaan, als gij hem eerst gevangen hebt!" zeide Campbell. »Maar wacht eens! De deur is zeker niet gesloten."

En zoo bevonden wij het ook. De deur was niet alleen open, maar Dugald had tevens bij zijne vlucht de sleutels medegenomen, opdat niet deze of gene hem te spoedig in zijn ambt van sleutelbewaarder zou kunnen opvolgen.

»Die Dugald is zoo gek niet!" zeide Campbell. »Hij wist zeer goed, dat eene opene deur mij, als ik in de klem zat, van nut zou kunnen zijn."

»Hoor eens Robbert," zeide Jarvie, toen wij op straat waren; »wilt gij op dezen voet voortleven, dan moest gij, naar mijne bescheiden meening, in elke gevangenis van Schotland een van uwe vertrouwelingen tot portier hebben, voor het geval dat de nood aan den man kwam."

»Och neef Nicolaas, een van mijne bloedverwanten, als regeeringslid in iedere plaats, zal ook wel goed zijn! En nu: goeden nacht of goeden morgen! Vergeet de herberg te Aberfoil niet."

Met die woorden sprong Campbell, zonder het antwoord af te wachten, naar de overzijde der straat en verdween in de duisternis. Terstond daarna hoorden wij hem zachtjes, maar op eene geheel bijzondere wijze fluiten, waarop ook dadelijk geantwoord werd.

»Kijk me nu eens die Hooglandsche duivels aan!" zeide Jarvie. »Zij denken dat zij reeds aan den voet van den Ben-Lomond zijn, waar zij vrij fluiten kunnen, zonder zich aan den Zondag of Zaterdag te storen."

Hij werd gestoord door iets, dat ratelend voor onze voeten nederviel. »Wat is dat?" riep Jarvie. »Mathilde, licht eens! Waarachtig, het zijn de sleutels! Nu, dat is wel, dat is goed! Zij hebben onze stad toch geld gekost, en waren ze verloren geraakt, dan zou er heel veel praats over geweest zijn. En zoo men in onze raadsvergadering iets van het gebeurde van heden nacht vernam, zou ik al vrij wat gehaspel hebben."

Voordat wij verder gingen, brachten wij de sleutels naar de gevangenis terug, waarvan we slechts eenige schreden verwijderd waren. Wij stelden ze den gevangenbewaarder ter hand, die nog in het voorportaal op en neer wandelde, en op iemand wachtte die den ontvluchten Dugald vervangen moest.

Daar ik denzelfden weg als Jarvie ging, kon ik mij ook van zijn lantaren bedienen. Ik gaf hem mijn arm, om hem alzoo des te gemakkelijker door de donkere en slecht bestrate stad te geleiden. Oude lieden zijn meestal erkentelijk voor de oplettendheden van jonge lieden. Jarvie betuigde mij zijne deelneming in mijne onaangename omstandigheden, en voegde er bij, daar ik toch niet tot het comediantenvolk behoorde, waarvan hij een verklaarden afschuw had, het hem aangenaam zou zijn als ik, in gezelschap van mijn vriend Owen, die den volgenden ochtend vroeg in vrijheid zou wezen, ten zijnent ontbijten wilde.

Deze uitnoodiging nam ik dankbaar aan, maar vroeg hem tevens hoe hij aan het denkbeeld was gekomen, dat ik tot het tooneel behoorde?

»Dat zal ik u zeggen," hernam Jarvie. »Gisteren avond kwam er een praatzieke kerel bij mij--Andries Fairservice, heette hij, naar ik mij herinner--die mij verzocht, den openbaren omroeper bevel te geven, om morgen vroeg naar u te zoeken. Hij zeide mij wie gij waart, en hoe men u uit uws vaders huis had weggezonden, omdat gij geen koopman wildet worden, en nu moest men trachten te voorkomen, dat gij uwe familie de schande aandeed, van comediant te worden. Onze voorzanger Hammorgan bracht dien knaap bij mij, en zeide mij dat hij, namelijk die Andries, een oud bekende van hem was. Maar ik wilde hun volstrekt niet te woord staan en las hun nog daarenboven geducht de les, dat zij mij op Zondagavond met zulke dingen lastig vielen. Maar nu zie ik wel, dat die Andries een groote gek en ten uwen opzichte het spoor geheel bijster is. Gij bevalt mij, vriend," vervolgde Jarvie. »Wie zijn vrienden in nood bijstaat, is mijn man. Ik doe dat ook, en mijn overleden vader deed insgelijks. God schenke hem daarvoor de eeuwige rust en zijn besten zegen! Maar gij moet u vooral niet met die woeste Hooglanders inlaten. Wie met pek omgaat, wordt er door besmet. Denk daaraan. Ja, de braafste, de verstandigste menschen kunnen dwalen. Een-, twee-, driemaal ben ik zelf gestruikeld, waarde vriend. Heden nacht bijvoorbeeld heb ik drie erge dingen gedaan--waarachtig! Had mijn vader hiervan getuige kunnen wezen, hij zou zijne eigen oogen niet vertrouwd hebben."

Juist waren wij aan Jarvie's woning gekomen. Hij bleef op den drempel en zei op berouwvollen toon: »Ten eerste heb ik mij op den dag des Heeren met wereldsche zaken bemoeid. Ten tweede ben ik voor een Engelschman borg gebleven, en ten derde heb ik, helaas! een misdadiger uit de gevangenis laten ontsnappen. Maar voor alles bestaat balsem! Mathilde, ik kan den weg wel vinden, licht gij dus mijnheer naar de herberg, daar op den hoek.--Mijnheer Osbaldistone," fluisterde hij mij in: »laat het meisje ongemoeid. Het is een zedig kind van brave ouders en een eigen nichtje van den heer van Limmerfield."

HOOFDSTUK XXIV.

Zoo ik u eenigen dienst kan bewijzen, beschik over uw nederigen dienaar. O, een zaak bid ik slechts, dat het mij vergund zij, om uw brood te eten, ook al ware het zwart, en uw drank te drinken, ook al ware die dun. Kijk, voor veertig shillings zal ik u even vele diensten bewijzen, als anderen voor drie pond.

Greene's "Tu Quoque."

Wel nam ik de opmerking, bij het afscheid door den heer Jarvie gemaakt, dankbaar aan, maar ik meende toch, dat het geenszins iets onbetamelijks zijn zou, wanneer ik bij het geldstuk, waarmede ik Mathilde's voorlichten beloonde, een kus voegde. En haar zacht: »foei, schaam u, mijnheer!" scheen juist geen erg misnoegen over mijne vrijpostigheid te kennen te geven. Mijn herhaald kloppen aan de deur der herberg maakte eerst een paar rondzwervende honden gaande, die allergeweldigst begonnen te blaffen. Eenige hoofden met nachtmutsen kwamen uit de naburige vensters te voorschijn en riepen mij wegens mijn onchristelijk geweld op Zondagnacht--zoo als zij het noemden--allerlei onchristelijke scheldwoorden toe. Toen eindelijk de kasteleines ook ontwaakte, vreesde ik, dat dit onweder van woorden, door een stortregen als die van Xantippe's hand zou gevolgd worden. Maar--overigens op een toon, die de lieve wederhelft van den wijzen Socrates zeer goed zou gestaan hebben--kwam de bui op een paar lieden in de gelagkamer neder, omdat zij zich niet spoedig genoeg gehaast hadden de deur te openen en dus de herhaling van mijne gewelddadigheid te voorkomen.

Die menschen in de gelagkamer, wier traagheid aldus bestraft werd, waren geene andere dan de getrouwe Andries, zijn vriend de voorzanger, en een derde, de stadsomroeper, zoo als ik naderhand vernam. Zij zaten bij een glas bier, trouwens op mijne kosten, zooals mij bij het betalen mijner rekening overtuigend bleek, en zij overlegden met elkander de bewoordingen, waarin de omroeper den volgenden dag door de straten der stad den ongelukkigen jongeling, zoo als zij mij geliefden te noemen, zouden oproepen, om zonder verder dralen naar zijne bekommerde vrienden terug te keeren. Natuurlijk kon ik mijn toorn over deze onbescheiden bemoeiing met mijne aangelegenheden niet onderdrukken. Maar het baatte mij niets. Want Andries gaf zich bij mijne komst aan zulke luide ontboezemingen van vreugde over, dat hetgeen ik zeide om hem en de zijnen mijne ontevredenheid te kennen te geven, door hem als het ware overschreeuwd werd. Het spreekt van zelf, deze uitbundige vreugde was maar geveinsd, en zijne tranen ontsprongen uit geene andere bron dan uit de bierkan. Voorloopig beveiligde de luide vroolijkheid, welke hij over mijne terugkomst gevoelde, of ten minste voorwendde te gevoelen, hem nagenoeg voor de tuchtiging, welke ik hem reeds eenmaal had toegedacht; eerst voor zijn gesprek met den voorzanger over mijne zaken, en dan voor zijn ongerijmd vertelseltje bij den heer Jarvie. Thans kwam hij er zoo genadig af, dat ik hem slechts de deur voor den neus dicht wierp, toen hij mij naar mijne kamer volgde, brutaal genoeg mij de vermaning toevoegde, om in het vervolg voorzichtiger te zijn, als ik alleen uitgaan wilde.

Den volgenden morgen was mijne eerste zorg mij van den lastigen, eigenwijzen man te ontslaan, die eigenlijk meer mijn meester dan mijn knecht trachtte te zijn. Toen ik hem op mijne kamer had laten roepen, en hij binnentrad, vroeg ik hem wat ik hem voor zijn geleide naar Glasgow schuldig was. Deze vraag deed hem verbleeken: want hij beschouwde ze niet zonder reden, als de voorbode van zijn ontslag.

»Gij zult toch"--zeide hij stamelende--»gij zult toch, hoop ik, mij niet...."

»Antwoord mij!" riep ik driftig, »of ik sla je de hersens in!"

Andries aarzelde tusschen het dubbele gevaar, om òf alles te verliezen, als hij te veel, òf een gedeelte kwijt te raken, als hij minder eischte dan ik hem waarschijnlijk zou geven, en gaapte mij zwijgend aan. Eindelijk echter stiet hij uit, alsof hij plotseling een slag op den rug had gehad: »achttien stuivers daags--dat zal toch niet te veel wezen!"

»Tweemaal zoo veel als men gewoonlijk betaalt, en driemaal meer dan gij verdient!" hernam ik. »Maar ziedaar een guinje, en ga nu waarheen gij verkiest. Ik kan u verder missen."

»Maar goede Hemel! Zijt gij wel bij uw zinnen, beste mijnheer?" riep Andries.

»Kerel! ge zoudt mij waarlijk zoover kunnen brengen!" viel ik hem in de rede. »Nu wat wilt ge nog? Ik geef u een derde meer dan gij eischt. En gij staat daar nog en kijkt mij aan, of meen je, dat ik je te kort heb gedaan. Neem uw geld en maak dat je weg komt."

»O, goede Hemel!" hervatte Andries. »Waardoor heb ik u dan beleedigd, mijnheer? Zeker, alle vleesch is gelijk de bloemen des velds. En even als een handvol kamillen voor den geneesheer zijne waarde heeft, zoo kan ook Andries u van nut zijn. Dat ik bij u blijve, moet u wat waard zijn, ja veel waard, zooals u uw leven waard is."

»Waarlijk? Nu, het is inderdaad moeielijk te beslissen, of gij grooter schurk dan gek zijt. Gij wilt dus bij mij blijven, of ik wil of niet!"

»Juist, zoo dacht ik er over!" antwoordde Andries op vrij stelligen toon. »Weet gij al niet, dat gij in mij een braven knecht hebt, dan weet ik ten minste, dat ik in u een braven meester heb. Nooit zou ik rust of duur kunnen hebben, als ik u zoo aan uw lot overliet. En om u nu maar ronduit te zeggen, waar het op staat: mijn dienst is mij niet behoorlijk opgezegd."

»Uw dienst?" vroeg ik. »Ik heb u slechts als gids medegenomen en, dat wil ik erkennen, tot mijn genoegen ondervonden, dat gij daartoe bruikbaar zijt."

»Zeker, het is waar, ik ben geen gewone dienstbode," hernam Andries. »Maar gij weet toch wel, dat ik om uwentwil, alleen op uw dringend aanzoek, een goeden dienst opgeofferd heb, en dat ik het slechts één uur te voren wist. Als tuinman van het kasteel Osbaldistone, kon ik het eerlijk en met een zuiver geweten jaarlijks tot twintig pond brengen. Zou ik dat inkomen voor eene enkele guinje weggeworpen hebben! Ik rekende er op, dat ik tenminste het kwartaal uit bij u zou blijven. Tot zoo lang zou ik toch meenen wettige aanspraak op loon, kost en drinkgeld te kunnen hebben. Dat is toch duidelijk."

»Kom, kom! Uwe onbeschaamdheid zal u niet baten," riep ik. »Verstout u niet, daarmede voort te gaan, of gij zult ondervinden, dat Thorncliff Osbaldistone de eenige niet is van de familie, die zijne handen weet te gebruiken!"

De gansche zaak kwam mij, toen ik dit zeide, zoo bespottelijk voor, dat ik, in weerwil van mijn billijk misnoegen, mij echter nauwelijks bedwingen kon, om over den ernst, waarmede Andries zijn vermeend recht op mijne beurs verdedigde, in een luid lachen uit te barsten. De schelm bemerkte den indruk, dien hij op mijne lachspieren gemaakt had. Hij liet nu nog minder los, hoewel hij het toch raadzaam oordeelde zijn overdreven eisch een weinig te matigen, om mijn geduld niet te tergen, en ook misschien langs dien weg zijn doel te bereiken.

»Ik erken gaarne, dat gij het in uwe macht hebt, mijnheer,"--zoo begon hij weder--»een ouden getrouwen dienstknecht, die u en de uwen twintig jaren lang bij dag en bij nacht ijverig gediend heeft, plotseling uit uw dienst te ontslaan. Maar ik ben ook verzekerd, dat gij, evenmin als ieder ander braaf en weldenkend man, het over u zult kunnen verkrijgen, om een armen drommel als ik, die veertig, vijftig, ja honderd mijlen ver is gereisd, alleen om u gezelschap te houden, en die niets dan zijn dagloon bezit, in den uitersten nood weg te zenden."

Waarde Tresham, als ik mij wel herinner, hebt gij eens de opmerking gemaakt, dat ik, ondanks mijne eigenzinnigheid, toch in zekere gevallen veel lichter dan eenig ander mensch te bepraten en om den tuin te leiden was. Tegenspraak alleen maakt mij halsstarrig. Maar zoodra ik niet gesard en daardoor opgewekt word om een voorstel te bestrijden, ben ik steeds meer geneigd om toe te stemmen. Inderdaad, ik heb mij daardoor soms veel moeite en kwelling veroorzaakt. Ik kende mijn gids als een hebzuchtigen, lastigen gek. Maar alles wel overwogen, had ik behoefte aan iemand als wegwijzer en bediende. Daarenboven was ik aan de luimen en grillen van dezen Andries zoo gewoon, dat ik er wel eens pleizier in vond. Nog besluiteloos, vroeg ik hem, of de wegen en steden in het noorden van Schotland hem bekend waren, daar mijns vaders handelsbetrekkingen met de Hooglandsche boscheigenaars mij waarschijnlijk noodzaken zouden, mij derwaarts te begeven. Gaarne geloof ik, dat, als ik hem naar den weg had gevraagd, die naar het Paradijs leidt, hij evenzeer op zich zou genomen hebben, om mij dien te wijzen en er mij heen te brengen. Ook had ik naderhand alle reden om verheugd te zijn, dat zijne wezenlijke kennis van den weg niet te ver beneden het peil was, waarop hij zich beroemde. Ik bepaalde zijn loon, mij voorbehoudende, hem, zoodra ik het verkiezen mocht, met eene week extra-betaling zijn ontslag te geven, en las hem nu ook eens geducht, de les over zijne houding van den vorigen dag. Dit stemde zijn zoo even nog vrij hoogen toon merkelijk lager, hoewel hij overigens betuigde met mijne schikking volkomen tevreden te zijn. Met een opgeruimd hart ging hij heen. Ik kon echter hooren, dat hij zijn vriend, den voorzanger, die in de gelagkamer bij zijn morgenslokje zat, vertelde, hoe hij den dwazen jongen Engelschman eens goed de waarheid had gezegd en tot rede gebracht.

Ik verliet de herberg en begaf mij naar het huis van Jarvie, waar mij in het spreekvertrek, dat voor allerlei gebruik diende, een flink ontbijt wachtte. De welwillende man had stipt woord gehouden. Ik vond mijn vriend Owen in vrijheid. En na zich behoorlijk gewasschen, zijne pruik gekamd en zijne kleederen afgeborsteld te hebben, was hij thans weder een geheel ander man geworden, dan de onzindelijke, neêrslachtige, schier wanhopende gevangene. Maar het besef van zijne dringende geldverlegenheid had hem geheel moedeloos gemaakt, en de bijna vaderlijke omhelzing, waarmede hij mij ontving, werd door een diepen, smartelijken zucht verbitterd. Toen hij weder was gaan zitten, verried mij zijn somber oog en peinzend gelaat, zoo verschillend van zijne gewone kalmte en innige tevredenheid, dat hij in zijne gedachten de dagen, de uren, ja de minuten berekende, na verloop waarvan bij niet-betaling der geaccepteerde wissels, het zoo beroemde huis Osbaldistone en Tresham vallen moest. Het bleef dus alleen mij overgelaten, mijne dankbaarheid voor het onthaal van onzen gastheer te betuigen, en zijne thee, die hij rechtstreeks uit ons China had ontvangen, als ook zijne koffie, die op zijne eigen plantaadje in Jamaica, Salt-Market-Grove genaamd, gegroeid was, zoo als hij met een knipoogje te kennen gaf--zijne heerlijke »ale", zijne gerookte Schotschen zalm, en zelfs zijn damasten tafellaken, dat niemand anders dan zijn overleden vader, het voormalig lid van den raad der stad, had geweven, naar behooren te prijzen.

Toen ik door deze en dergelijke kleine attenties, die voor veel menschen van hoog gewicht zijn, onzen gastheer tot welwillendheid gestemd had, poogde ik van hem eenige berichten te erlangen, die mij op mijn verderen weg van nut konden zijn, of ten minste mijne nieuwsgierigheid bevredigen konden. Nog hadden wij geen enkel woord over het gebeurde van den vorigen nacht gesproken, en dus was mijne vraag zoo tamelijk onverwacht, toen ik van het zwijgen, dat na de geschiedenis van het tafellaken volgde, partij trekkende, plotseling aldus begon: »Maar zeg mij toch eens, mijnheer Jarvie, wie is die Robbert Campbell, dien wij dezen nacht ontmoetten?"

Deze vraag scheen den goeden man geheel van zijn stuk te brengen.--»Wie Robbert Campbell is?" zeide hij, en herhaalde, na een zeer verlegen hm! hm!--»wie hij is?"

»Dat veroorloof ik mij, u te vragen, wie en wat hij is?" hernam ik.

»Hij is.... Maar waar hebt gij dan dezen Robbert Campbell, zoo als gij hem noemt, ontmoet?"

»Bij toeval in het noorden van Engeland, nu eenige maanden geleden," was mijn antwoord.

»Welnu, mijnheer Osbaldistone," hernam Jarvie, min of meer gemelijk; »dan weet gij even veel van hem, als ik."

»Ik vraag u verschooning. Dit schijnt toch geenszins het geval te zijn, mijnheer Jarvie!" antwoordde ik. »Gij zijt immers, zoo als hij ten minste beweerde en gij niet ontkendet, zijn bloedverwant, zijn neef."

»Nu ja, er bestaat tusschen ons zoo wat neefschap," zeide Jarvie met zichtbaren tegenzin. »Maar sedert Robbert den handel in vee heeft gedreven, hebben wij elkander zelden gezien. Die arme drommel! door menigeen, die hem voor gewichtige diensten grooten dank schuldig was, is hij allerondankbaarst behandeld. Zijn geld heeft men hem listig ontstolen. Ja, ja, menigeen wenschte nu wel, dat men hem nooit uit Glasgow gejaagd had, en men zou hem thans veel liever weder achter drie honderd ossen, dan aan het hoofd van dertig wezens zien, die nog veel erger dan dieren zijn."

»Maar, mijnheer Jarvie, dit alles geeft mij nog niet de minste inlichting omtrent zijn rang en stand en zijne middelen van bestaan," hernam ik.

»Zijn rang?" antwoordde Jarvie. »Wel, hij is een Hooglandsch gentleman; welken stand zou hij meer behoeven? Zijne middelen van bestaan? Wat is ons daaraan gelegen, zoo lang hij niets van ons begeert? Maar ik heb thans geen tijd om langer over hem te praten. Er is hier iets anders te doen, wat voor u, of ten minste voor uw vader, van meer belang moet zijn."

Na dit gezegd te hebben, zette hij zijn bril op en ging zitten, om den staat van mijns vaders zaken te onderzoeken, dien Owen noodig achtte hem zonder eenige achterhoudendheid mede te deelen. Ik verstond intusschen genoeg van den handel, om te kunnen opmerken met hoeveel scherpzinnigheid Jarvie elke zaak beoordeelde, die aan zijn oordeel onderworpen werd. En ik ben hem tevens de volle eerlijke erkentenis schuldig, dat hij zich in alles niet alleen zeer billijk, maar zelfs zeer edelmoedig betoonde. Wel krabde hij zich achter het oor, toen hij bevond, dat Osbaldistone en Tresham per saldo nog zeer hoog bij hem in debet stonden.--

»Nu, in 's Hemels naam!" zeide hij eindelijk; »ik moet het dan maar voor een verloren post rekenen. Intusschen, wat uwe goudmakers in Londen er ook van zeggen mogen, bij ons in Glasgow is dit geene kleinigheid. Het zal een geweldig groot gat in mijn kas maken; dat is niet anders. Evenwel, uw kantoor zal er niet door vallen, hoe veel dan ook reeds weg moge zijn:--en moet het wezen, welnu, in 's Hemels naam. Ik denk er in elk geval zoo onbarmhartig niet over als die roofvogels daar ginder in de Hoogstraat. Moet ik thans door u een verlies lijden, dan zal ik toch nooit ontkennen, dat ik door u menig aardig pondje sterling gewonnen heb. Loopt het dus heel erg, dan leg ik den kop van het zwijn bij den staart van het varken, en zal wel zien uit te komen."

Wel begreep ik den eigenlijken zin van dit zonderlinge spreekwoord, waarmede Jarvie zich troostte, niet best. Maar dit begreep ik wel, dat hij met welwillende deelneming mijns vaders aangelegenheden behandelde, ja, dat hij zulken welgemeenden en verstandigen raad gaf, dat de rimpels op Owen's voorhoofd van lieverlede nagenoeg verdwenen.