Robbert Roodhaar

Part 22

Chapter 223,952 wordsPublic domain

Bemoedigend was die toespraak niet. Zij werd met eene bijzondere vlugheid van tong, en bij de herinnering aan zijne waarschuwingen en voorspellingen met zichtbaar zelfbehagen voorgedragen en gaf ons luttel hoop, om van Jarvie eenige hulp te erlangen. Maar spoedig bleek het, dat niet zoo zeer gebrek aan welwillendheid, dan wel aan kieschheid hem deze harde woorden deed spreken. Toen Owen zijne gevoeligheid daarover te kennen gaf, dat men hem in zijn ongelukkigen toestand dergelijke dingen herinnerde, vatte Jarvie hem bij de hand en zeide op gullen, vertrouwen inboezemenden toon: »Wees goeds moeds! Denkt gij dan, dat ik te middernacht herwaarts gekomen ben en bijna den Sabbath zou geschonden hebben, om een gevallen medemensen zijn val te verwijten en hem zijne misstappen onder den neus te wrijven? Neen, dat doet Nikolaas Jarvie niet. Zoo handelde ook nooit zijn overleden vader, die brave, nu godzalige, man! Luister eens vriend, het is bij mij een stalen regel, op den Sabbath nooit aan wereldsche zaken of bezigheden te denken. Ik heb mij alle mogelijke moeite gegeven, om mij uw brief, dien ik heden morgen ontving, uit het hoofd te zetten. Toch heb ik er den ganschen dag meer aan gedacht dan aan de preek, die ik in de kerk gehoord heb. Verder is het bij mij een niet minder vaste regel precies te tien ure in mijn bed met de gele gordijnen te stappen, tenzij ik eens een schelvischje met een buurman eet, of een buurman bij mij soupeert. Vraag het maar dat meisje daar, of dat mijne gewone manier van doen niet is. En denk nu eens, daar heb ik te huis gezeten met een stichtelijk boek in de hand en intusschen geluisterd en naar buiten gezien, en weer geluisterd, en weer naar buiten gezien, en gegaapt, alsof ik den kerktoren wilde verslinden, tot het eindelijk twaalf ure sloeg. Toen was het mij geoorloofd, mijn grootboek eens in te zien, om te weten, hoe de zaken tusschen ons stonden. En toen moest het meisje de lantaarn opsteken, en zoo begaf ik mij herwaarts, om te overleggen, wat er in uwe zaak kon gedaan worden. Nicolaas Jarvie kan als lid van den stedelijken raad, elk uur de gevangenis bezoeken, en datzelfde voorrecht had ook mijn vader, die insgelijks in zijn tijd lid van den stedelijken raad was. Die brave man--ach, hij is nu dood, maar zijne nagedachtenis blijft eeuwig in eere."

Een diepe zucht, welken Owen bij het noemen van het grootboek slaakte, deed mij vermoeden en vreezen, dat het ook hier met de rekening niet zeer voordeelig stond. Bovendien, de woorden van het achtbare regeeringslid gaven zeer veel zelfbehagen en min of meer trotschheid op het overwicht van zijn oordeel te kennen. Doch aan den anderen kant spraken daaruit tevens eene gulheid en ongeveinsde goedhartigheid, die mij weder met nieuwe hoop bezielden. Hij verlangde eenige papieren te zien, welke hij opnoemde. Owen gaf ze hem; schielijk rukte hij ze hem uit de hand, ging op den rand der krib zitten, om, zoo als hij zeide, wat uit te rusten, liet zich door het meisje met de lantaren bijlichten, en terwijl hij nu eens over het flauwe licht, dan weder over het slechte, onleesbare schrift klaagde, las hij toch de papieren met zeer veel ijver en aandacht door.

Van dit gunstige oogenblik scheen mijn geleider partij te willen trekken om te ontsnappen. Hij gaf mij een wenk om mij stil te houden, en begon langzaam van plaats te veranderen. Zijn voornemen was natuurlijk om onopgemerkt naar de deur te sluipen. Maar de waakzame Jarvie,--geheel anders dan mijn vroegere kennis de vrederechter Inglewood,--werd het oogenblikkelijk gewaar. Hij riep terstond: »Kommandant Stanchells! pas op de deur! Toegesloten, zeg ik u. Buiten wachthouden!"

De onbekende fronste de wenkbrauwen. Een oogenblik scheen hij op gewelddadige middelen tot zijne bevrijding te denken. Maar eer hij een besluit had genomen, was de voordeur gesloten en de zware grendel daar voor geschoven. Hij mompelde een paar driftige woorden in zijne moedertaal, deed eenige stappen heen en weder, ging toen, als ware hij volkomen bereid om het gevolg af te wachten, met wrevelige vastberadenheid op de eikenhouten tafel zitten en floot een liedje.

Jarvie, die in handelszaken vrij vlug van bevatting scheen te zijn, had den inhoud der papieren spoedig begrepen.

»Ja, mijnheer Owen," zeide hij, »ik zie hoe de zaken staan. Uw kantoor is aan dat van Mac-Vittie en Mac-Fin en Co. eene zekere som schuldig. Waarachtig! zij moesten zich schamen, die zoogenaamde wellevende en vriendelijke heeren! Immers, zij hebben zoo veel, ja vrij wat meer, bij die negotie met het eikenhout uit de bosschen van Clen-Cailziechat gewonnen, die zij mij door den neus hebben geboord. Dat was toch voornamelijk door uw lieve voorspraak, mijnheer Owen. Maar daarover zullen wij thans niet haspelen. Gedane zaken hebben geen keer, placht mijn overleden vader Nicolaas Jarvie te zeggen. Dus kort en goed, uw kantoor is hun die som schuldig, en voor eene andere som, welke zij voor uwe firma overgenomen hebben, heeft men u hier achter de traliën gezet. Gij zijt hun schuldig man, en misschien ook nog wel iets aan iemand anders schuldig--misschien nog wel iets aan mij."

»Ik kan het niet ontkennen, mijnheer Jarvie," antwoordde Owen; »de balans zou tegen ons kunnen zijn; maar bedenk toch...."

»Hoor eens, mijn goede vriend, ik heb thans weinig tijd om te bedenken. Het is nog zoo kort na den Sabbath en op een tijd van de nacht, waarop iemand, als ik, zoo gaarne in zijn bed ligt! En als men zich dan nog daarenboven aan de ongezonde nachtlucht moet blootstellen--neen, dan is er geen tijd noch lust om zich lang te bedenken! Maar, zoo als ik zeg, gij zijt mijn schuldenaar--dat is niet te loochenen--gij zijt mijn schuldenaar; of de schuld groot of klein is, zie, dat moet nader blijken. Maar mijnheer Owen, hoe knap gij ook zijt, hoe volkomen gij u op den handel verstaat, de zaak, waarvoor gij hier zijt gekomen, zult gij nooit in orde krijgen, als gij hier in de gevangenis moet blijven. Derhalve, manlief, kunt gij nu iemand vinden, die borg voor u wil spreken, dat gij het land niet verlaten, maar voor ons gerecht verschijnen en alzoo behoorlijk uw borg ontslaan zult--dat is dan, zoo als de rechtsgeleerden het noemen, judicio sisti--zie, dan komt gij morgenochtend weder op vrije voeten."

»Ach, mijnheer Jarvie! Was er maar een braaf mensch, die op deze wijs borg voor mij wilde blijven, dan zou ik zeker mijne herkregen vrijheid thans zeer nuttig kunnen besteden, niet alleen voor onze firma, maar ook voor al de vrienden, met wie wij in handelsbetrekkingen staan."

»Juist, dat geloof ik gaarne! En zulk een goed mensch zou dan ook buiten twijfel zeker moeten zijn, dat gij op de eerste dagvaarding behoorlijk verschijnen zoudt om hem van zijne op zich genomen verplichting te ontheffen."

»Zeer zeker zou ik dat doen, zoo zeker als tweemaal twee vier is, wel te verstaan, met uitzondering van onverhoopt tusschenkomende ziekte of dood."

»Nu ja, dat spreekt van zelf. Hoor eens, mijnheer Owen, ik voed volstrekt geen wantrouwen omtrent u. Dat zal ik u bewijzen--ja, bewijzen zal ik het u! Ik ben een voorzichtig man, dat is bekend. Ik schuw geen arbeid en laat het mij om mijn stukje brood zuur genoeg worden, dat kan de gansche stad getuigen. Ik weet mijn geld te winnen, mijn geld te tellen en mijn geld te bewaren, even goed als de beste financier van geheel Glasgow.--Ook durf ik zeggen, dat ik mij niet spoedig tot het een of ander laat bepraten of overhalen, maar doorgaans mijne eigen meening volg, van welke ik dan ook geen haarbreed afwijk, even als mijn vader, die op dat punt ook onverzettelijk was.--Maar een braaf man, die den handel verstaat, door en door, die gaarne als eerlijk man ieder het zijne wil geven, hier in de gevangenis te laten versmachten, buiten staat om zich zelven of anderen te helpen--neen, dat kan ik niet van mij verkrijgen! Kortom vriend Owen, ik zelf zal uw borg zijn. Maar neem het wel in aanmerking, het is een borgtocht judicio sisti, zoo als onze rechtsgeleerde stadssecretaris zegt, en geen judicatum solvi, want dat is heel iets anders."

Owen verzekerde, dat hij in de tegenwoordige omstandigheden natuurlijk niet hopen kon een borg voor de werkelijke betaling te zullen vinden, maar dat niemand behoefde te vreezen, dat hij in gebreke zou blijven om op de eerste dagvaarding te verschijnen.

»Ik geloof u, ik geloof u, en daarmede basta! Morgen, of eigenlijk heden ochtend, tegen den tijd van het ontbijt zijt gij weêr op vrije voeten. Maar nu zullen we eens onderzoeken wat uw gezelschap hier doet, en hoe het tegen alle orde en regel des nachts in de gevangenis is gekomen?"

HOOFDSTUK XXIII.

De man kwam bij nachttijd, Bij nachttijd te huis; Dáár vond hij zoo'n heerschap, Dat leek hem niet pluis. "Zeg! vrouwtje, hoe 's dat zoo? Hoe 's dat zoo?" Zeg vrouw, Wat hier toch die kerel Die kerel hier woû?

Oud liedje.

Met de meest mogelijke bedaardheid nam Nikolaas Jarvie zijne dienstmaagd de lantaren af. Hij begon zijn onderzoek zooals Diogenes in de straten van Athene; vermoedelijk met even geringe verwachting als deze, om iets te vinden, wat de moeite van het navorschen waard zou zijn. De eerste, welke hij naderde, was mijn geheimzinnigen geleider. Deze zat nog steeds op de tafel, de oogen onafgewend op den muur gevestigd, terwijl zijne gelaatstrekken eene halsstarrige onverschilligheid teekenden, en zijn gansche voorkomen zorgeloosheid en trots verried. Met de hakken zijner schoenen sloeg hij tegen de tafel de maat van het liedje, hetwelk hij onafgebroken bleef fluiten, en onderwierp zich aan Jarvie's onderzoek met zooveel vermetele onbeschaamdheid, dat het achtbaar lid van den stedelijken raad voor eenige oogenblikken min of meer van zijn stuk geraakte.

»Wat zie ik! Wat zie ik?" riep Jarvie nu. »Waarachtig het is onmogelijk!--En toch--Neen, het kan niet zijn--en toch--Neen, het kan niet zijn--en toch! Wat drommel--Ja! gij zijt het! Gij roover, gij gevleeschte satan--gij, voor alle kwaad en tot niets goeds geschikt--zijt gij het waarlijk?"

»Zoo als gij ziet, mijnheer Jarvie!" was het droge antwoord.

»Waarachtig--het schemert mij voor de oogen, zoo ben ik ontsteld. Spreek, aartsschelm! Durft gij u in de gevangenis van Glasgow wagen? Wat meent gij wel, dat uw rooverskop waard is?"

»Wel! laat eens zien!" hernam de onbekende; »eerlijk gewogen en met goed geijkt gewicht, zal hij, dunkt mij, wel tegen een burgemeesterskop, vier schepenskoppen, één secretariskop en zes vroedmanskoppen kunnen opwegen."

»O, gij satanskind," begon Jarvie weder. »Maar beken uwe zonden en bereid u voor om te sterven. Want ik behoef slechts een enkel woord te spreken ..."

»Dat is waar," antwoordde de onbekende en legde de handen achteloos op zijn rug. »Maar dat woord zult gij toch wel nooit spreken!"

»En waarom zou ik niet?" riep Jarvie. »Waarom zou ik niet? Antwoord mij, waarom niet?"

»Om drie gegronde redenen, mijnheer Jarvie! Vooreerst om den wille van vroegere dagen, ons beiden zeer goed bekend. Ten tweede om de oude vrouw daar ginder in Stuckavrallachan, door wie wij, God zij het geklaagd! min of meer met elkander verwant zijn, en die een zekeren neef heeft, welke van zijn ambacht slechts een eenvoudig handwerksman is. En eindelijk, mijn waarde neef Jarvie, wanneer ik slechts het minste teeken bespeurde, dat gij mij zoudt willen verraden, zouden uwe hersens dadelijk aan dezen muur kleven,--lang eer eene menschenhand u redden kon."

»Weet ge wat gij zijt? Een vermetele, onbeschaamde galgebrok!" hernam Jarvie onverschrokken. »Ge weet ook zeer goed, dat ik u als zoodanig ken, ja, dat ik, voor mij zelf geen enkel oogenblik aarzelen zou om ..."

»Wel zeker, ik weet wel," hernam de onbekende, »dat er bloed van ons bloed door uwe aderen vliet. Het zou mij waarachtig leed doen, mijn eigen vleeschelijken neef voor den kop te moeten schieten. Maar in elk geval zal en wil ik zoo vrij en ongehinderd van hier vertrekken, als ik gekomen ben, of anders zeg ik u, dat de muren van deze gevangenis nog jaren ervan zouden weten te vertellen."

»Nu ja, nu ja!" zeide Jarvie: »bloed is dikker dan water. En bloedverwanten behoeven den splinter in elkanders oogen niet zoo scherp aan te zien en te openbaren, wanneer vreemde oogen daarvoor blind zijn. Het zou voor de oude vrouw in Stuckavrallachan een treurig nieuws zijn, als zij vernam, dat gij mij de hersens ingeslagen, of ik u aan de galg geholpen had. Maar was dit het geval niet, dan zou ik den stoutsten schurk in het Hoogland best aandurven:--dat zult gij toch zelf wel inzien."

»Gij zoudt wel durven neefje, dat weet ik;" antwoordde mijn geleider; »maar de vangst zou u zoo licht niet gelukken! Wij Hooglanders zijn een onhandelbaar volkje, wanneer men tegen ons van boeien en stroppen spreekt. Wij, die niet eens een stuk linnen om onze lendenen begeeren, willen vooral van geene ijzeren kousebanden weten."

»Maar die ijzeren kousebanden zullen toch vroeg of laat uw lot worden, en dan krijgt ge nog wat hennepdraad op den koop toe!" hernam Jarvie. »Nooit heeft iemand zich in een beschaafd land aan zulke schandelijke en strafwaardige streken schuldig gemaakt als gij! Wees op uwe hoede, ik heb u gewaarschuwd."

»Dank u neef! Intusschen zult gij bij mijne begrafenis, als lid van de familie, den rouw moeten dragen."

»Vlei u daar niet mede, Robert," hernam Jarvie. »Alleen uwe wettige erfgenamen, dat zijn de kraaien en de raven, zullen de rouwdragers wezen. Maar waar zijn mijn duizend pond Schotsch, die ik u geleend heb, en wanneer zal ik ze wederzien?"

»Waar dié zijn?" antwoordde mijn geleider, nadat hij zich eenige oogenblikken gehouden had, alsof hij daarover nadacht; »waar die zijn?--ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen; vermoedelijk waar de laatste sneeuw is."

»Die ligt op den top van den Schehallion, schurk!" riep Jarvie toornig; »maar ik verlang mijn geld, hier op deze plaats!"

»Ik heb geen sneeuw en ik heb geen geld bij mij!" hernam de Hooglander. »Gij vraagt mij wanneer gij het zult wederzien? Wel, zoodra ik mijn algemeenen betaaldag aankondig."

»En het ergste van alles is, Robert, dat gij, trouwelooze landverrader, die ge zijt, ons het afschuwelijke pausdom weder op den hals wilt halen, dat ge ons onder het juk van een eigenmachtige heerschappij wilt doen bukken, met al den aankleve van die vervloekte papisterij, die misboeken, koorhemden, wierrookvaten en wijwaterbakjes! Loop dan liever weder naar uwe dievenbenden. Steel en bedrieg, dat het hagelt en kraakt. Beter te stelen, dan een land ongelukkig te maken!"

»Hoor eens neefje, schei uit met zulke beuzelpraatjes. Laat die dingen voor de heeren van Whigs over," antwoordde Robert; »wij kennen elkander immers sedert lang. Ik zal wel zorg dragen, dat uw kantoor door onze Hooglanders onaangeroerd blijft, als zij eenmaal bezig zijn met de Glasgowsche winkels en magazijnen schoon te vegen. En als uw beroepsplicht het niet volstrekt van u vordert, moet gij mij niet vaker zien, Nikolaas, dan ik gezien wil wezen."

»Je bent een uitgeslapen schelm, Robert," hernam Jarvie; »de galg heeft reeds te lang op u gewacht. Hangen zult ge, hangen moet ge, dat is niet anders! Maar ik voor mij zal mij maar aan de oude spreuk houden: wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Als ik u zie, zal ik blind zijn, tenzij de noodzakelijkheid mij dwingt, of de plicht gebiedt, dien kan niemand ongehoorzaam zijn.--Maar voor den weerga! wie is die knaap?" vervolgde hij, zich naar mij keerende. »Hebt gij een rekruut voor uw eerlijk handwerk opgedaan? Hij schijnt mij moed genoeg voor de straatrooverij te hebben, en een langen hals voor den strop."

»Ach neen, waarde mijnheer Jarvie!" riep Owen, wien de vreemde herkenning en het even vreemde gesprek tusschen de zonderlinge neven evenzeer bevreemdde als mij,--»dat is de jongeheer Frans Osbaldistone, de eenige zoon van mijn patroon. Hij was eigenlijk bestemd om op ons kantoor te komen, eer zijn neef Rashleigh Osbaldistone zoo gelukkig was, om in zijne plaats aangenomen te worden," voegde hij er met een diepen zucht bij--»maar desniettemin...."

»O ja, ik heb van dien jongenheer gehoord. Hij is dan zeker dezelfde, dien uw patroon in zijne eigenzinnigheid tot koopman wilde maken; maar die toen een rondreizende komediant geworden is, omdat hij het handwerk schuwde, waarvan een eerlijk man leven moet. Wel vriendje, wat dunkt u van de zaak? Zal de Deensche prins Hamlet, of misschien wel de geest van Hamlet voor den heer Owen borg blijven?"

»Ik verdien uw spot niet," hernam ik; »maar eerbiedig uwe handelwijze. Ik ben te oprecht dankbaar voor de hulp, welke gij den heer Owen bewezen hebt, om gevoeligheid te toonen over uwe onwillekeurig scherpe uitdrukkingen. De eenige reden van mijne komst hierheen was, om dat weinige te doen wat ik kon, ten einde mijn vriend Owen in de zorg voor mijns vaders belangen behulpzaam te zijn. Mijn tegenzin in den koophandel is echter eene zaak, waarover ik zelf 't best meen te kunnen oordeelen."

»Waarachtig," hernam de Hooglander, »ik achtte dezen jongen al, eer ik recht wist hoe hij dacht; maar nu rijst hij bij mij niet weinig in waarde, nu ik zie, dat hij wevers en spinners en al zulk volkje veracht."

»Praat niet als een gek, Robbert!" zeide Jarvie. »Gij spreekt van wevers? De duivel zelf kan u immers niet uit het weefsel ontwarren, waarin gij u verstrikt hebt. En spinners? Gij hebt u zelf al een fraai web gesponnen! En deze jongeling, dien gij regelrecht naar de galg, en dus naar de hel leidt--met al zijne theatergrappen en zijn rijmelarijen kan hij evenmin hulp bewijzen, als gij met uwe vloeken en dolken? Zal hij zijn Tityre te patulae zingen, waar zich een Rashleigh Osbaldistone bevindt? Kan Macbeth met al zijne krijgshelden, en gij Robbert er bij, hem de vijf duizend pond bezorgen, welke hij behoeft, om de wissels te betalen, die binnen tien dagen vervallen zijn?"

»Binnen tien dagen?" viel ik hem in de rede en haalde onwillekeurig Diana's pakketje te voorschijn. De tijd, gedurende welken ik het zegel moest eerbiedigen, was verloopen. Ik brak het dus dadelijk open. Een verzegelde brief viel uit den omslag, toen ik dien met bevende hand ontvouwde. Een tochtwind, die door eene gebroken vensterruit drong, woei den brief voor Nikolaas Jarvie's voeten. Hij nam hem terstond op, en gaf hem, toen hij, zonder eenige komplimenten, het opschrift nieuwsgierig gelezen had, tot mijne groote verbazing aan zijn Hooglandschen neef over. »De wind heeft den brief juist aan het adres besteld!" zeide hij, »ofschoon het duizend tegen één was, dat hij in uwe handen zou komen."

De Hooglander las het opschrift en brak den brief haastig open. Ik wilde hem dit beletten, en zeide: »ik moet overtuigd zijn, dat de brief aan u gericht is, voordat ik u vergunnen kan, hem te lezen."

»Wees onbezorgd, mijnheer Osbaldistone!" antwoordde hij. »Denk aan den vrederechter Inglewood, aan den griffier Jobson, aan Morris, en vooral aan uw gehoorzamen dienaar Robbert Campbell, die hier voor u staat, als ook aan de schoone Diana Vernon. Herinner u dit alles, en twijfel niet langer of de brief aan mij is gericht."

Ik zou mij wel voor het hoofd hebben willen slaan om mijne onnoozelheid! De stem, zelfs de gelaatstrekken van dezen man, hoe onvolkomen ik ze ook bij het flauwe licht kon onderscheiden, hadden gedurende den ganschen nacht vermoedens en herinneringen in mij opgewekt, die ik vruchteloos met plaatselijke of persoonlijke omstandigheden trachtte te verbinden. Nu werd mij eensklaps alles zonneklaar. Campbell stond vóór mij met alle zijne eigenaardigheden. De diepe, krachtige stem, het gelaat, waaruit strengheid naast sluwe bedachtzaamheid sprak, de Schotsche tongval, zijn beeldrijke stijl, die hij echter, wanneer hij wilde, zeer wel vermijden kon, maar, die zich in onbewaakte oogenblikken terstond weder verried en aan zijne spotternij een zekeren klem, aan zijne redenen eene bijzondere levendigheid bijzette--het kwam mij alles helder voor den geest. Zijne gestalte was eerder beneden dan boven middelbare grootte. Maar zijne leden waren zoo krachtig mogelijk, zonder dat de vlugheid daardoor eenigszins benadeeld werd. En vlug was hij, naar de losheid zijner bewegingen te oordeelen, in hoogen graad. Eene minder volkomen evenredigheid heerschte echter in zijne gestalte, want zijne schouders waren eigenlijk te breed en maakten hem daardoor min of meer vierkant. Zijne armen, ofschoon rond en goed gespierd, waren veel te lang; hoewel ik naderhand vernam, dat hij zich op die lengte vrij wat liet voorstaan, daar zij hem, wanneer hij zijn Hooglandsch kostuum droeg, bij het aangespen der kousenbanden--wat hij zonder te bukken doen kon--en ook bij het hanteeren van de sabel, waarmede hij behendig wist om te gaan, van wezenlijk voordeel was. Dit gebrek aan evenredigheid, hetwelk hem alle aanspraak op den naam van mannelijk schoon benam, gaf aan zijn uiterlijk iets woests, iets onregelmatigs. Het herinnerde mij onwillekeurig aan de sprookjes onzer kindermeid. Daarin waren de Pieten, die in vroegere tijden Northumberland verwoestten, als wezens afgeschilderd, die half spook half mensch waren, en zich, even als deze Hooglander, door moed, list, woestheid, lange armen en breede schouders onderscheidden.

Ik riep de omstandigheden in mijn geheugen terug, waaronder wij elkander vroeger gezien hadden. Ik kon er niet aan twijfelen, dat de brief hem toebehoorde. Hij was een van de belangrijkste onder de geheimzinnige wezens, op welke Diana invloed scheen te hebben, en die wederkeerig op haar invloed hadden. Het denkbeeld smartte mij, dat het lot van zulk een beminnelijk meisje aan dat van zulk een gevaarlijk mensch verbonden was; en dit was toch ontwijfelbaar. Maar van welk nut kon deze man voor mijns vaders zaken en belangen zijn? Ik zag slechts één voordeel. Zooals Rashleigh, op Diana's aansporing, den Hooglander had doen optreden, toen diens tegenwoordigheid noodzakelijk was om mij te rechtvaardigen, zoo was het zeker nu mogelijk, dat zij door haren invloed op gelijke wijze Campbell wist te bewegen, Rashleigh thans evenzoo te voorschijn te doen komen. In deze onderstelling verlangde ik van hem te weten, waar mijn gevaarlijke neef zich bevond, en wanneer Campbell hem gezien had.

De Hooglander antwoordde niet stellig, maar in algemeene uitdrukkingen. »Het is eene netelige zaak, welke zij mij opdraagt," zeide hij; »maar eene eerlijke zaak, en daarom wil ik haar ook haar zin geven. Mijnheer Osbaldistone, ik woon niet ver van hier. Mijn neef zal u den weg wijzen. Intusschen moet mijnheer Owen hier in Glasgow doen, wat hij kan. Maar gij moet mij in het dal bezoeken. Waarschijnlijk kan ik u van dienst zijn, en uw vader in zijn benarden toestand hulp verleenen. Ik ben trouwens slechts een arm man, maar verstand is beter dan rijkdom. En wanneer gij, neef,"--vervolgde hij, zich tot Jarvie richtende--»het wagen durft, een eenvoudig Schotsch middagmaal bij mij te gebruiken, dan vergezelt gij dezen jongenheer naar Drymen of Bucklivie, of liever naar de herberg van Aberfoil. Daar laat ik u door iemand afhalen, die u den weg naar de plaats zal wijzen, waar ik mij bevinden zal. Wat zegt gij hiervan, Nicolaas? ziedaar mijne hand; ik zal u niet bedriegen, gij kunt mij vertrouwen...."

»Dat kan ik niet doen, neen, Robbert, neen," zei de voorzichtige Jarvie. »Het past mij niet, mij in uwe woeste gebergten onder uwe kortrokken te begeven; dat duldt de waardigheid van mijn ambt in geenen deele."

»De duivel hale uw ambt en u daarbij!" hernam Campbell. »De eenige droppel edel bloed, dien gij in de aderen hebt, is van onzen oudoom, die te Dumbarton opgehangen werd, en gij durft zeggen, dat uw ambt u niet toelaat dat gij mij bezoeken zoudt? Hoor eens, vriendje, in den herfst moet ik u betalen, dat weet ik. Welnu, ik zal uwe duizend pond, tot den laatsten stuiver toe eerlijk betalen, zoo gij thans eens handelt gelijk het behoort, en dezen jongen man begeleidt."