Robbert Roodhaar

Part 19

Chapter 193,728 wordsPublic domain

Langzamer dan in den aanvang, gingen wij nu verder, in eene noord-westelijke richting voort. Toen eenige kale, woeste heuvels achter ons lagen, opende zich voor ons het vruchtbare dal van de Clyde. En weldra bereikten wij Glasgow, dat, naar ik hoor, in de laatste tijden den naam van groote stad, die mijn gids, als door een profetischen geest bezield, haar gaf, volkomen waardig is geworden. Een uitgebreide, steeds toenemende koophandel met de West-Indische en Amerikaansche koloniën heeft den grond tot rijkdom en welvaart gelegd. Als men nu dien grond goed bevestigt en verstandig daarop voortbouwt, dan kan zich hier eenmaal een hecht en schoon gebouw van handelswelvaart verheffen. In de tijden, van welke ik spreek, was het morgenrood van dien luister nog niet aangebroken. De Unie heeft den Schotten trouwens den handel met de Engelsche koloniën geopend; doch deels was aan gebrek aan geld, deels aan de ijverzucht der Engelschen te wijten, dat de Schotsche kooplieden voor het grootste gedeelte nog van het genot dier voorrechten verstoken waren, door dat gedenkwaardig verdrag hun verleend. Glasgow's ligging begunstigde geenszins de deelneming aan den handel op het vasteland. Toch heeft de Unie den weinig beduidenden handel, welke toenmaals in Schotland gedreven werd, dadelijk verlevendigd. Hoe weinig hoop intusschen Glasgow destijds gaf, om die hoogte in den handel te bereiken, waartoe het zich thans schijnt te kunnen verheffen,--het was toch als hoofdplaats in het midden van het westelijke Schotland, reeds aanzienlijk en gewichtig. De breede Clyde, wier golven de muren der stad bespoelen, bevorderde een vrij levendige binnenlandsche scheepvaart. Men zag dat hier de hoofdstad was, zoowel van de omliggende vruchtbare vlakte, als van de districten van Ayr en Dumfries. De bewoners der omstreken brachten hunne voortbrengselen en kochten hier hunne benoodigdheden en allerlei voorwerpen.

De sombere gebergten van het westelijke Hoogland zonden dikwerf hunne woeste stammen naar de markten dier stad. Kudden van wilde, ruigharige, kleine runderen en paarden, door Hooglanders geleid, die even wild en afzichtelijk waren als hunne dieren, zag men in talrijke menigte op straat. Met verrassing zagen vreemdelingen de ouderwetsche, zonderlinge dracht der bergbewoners, luisterden naar de ruwe, onbekende tonen dier taal, terwijl de Hooglanders--zelfs onder hunne vreedzame handelsbetrekkingen, met geweer, pistool, dolk en schild gewapend--met verbazing de voorwerpen van weelde aanstaarden, welker gebruik hun onbekend was, en met een schier verontrustende hebzucht naar die dingen keken, die zij nauwelijks kenden, noch wisten te waardeeren. De Hooglander verlaat ongaarne zijne woeste geboorteplaats, en in die vroegere tijden zou men eerder een pijnboom uit zijne rots kunnen rukken, dan hem overplanten. Doch reeds toen waren de dalen van het Hoogland, die later nu en dan door hongersnood en oorlog bezocht werden, zoo dicht bevolkt, dat zij zeer vele van hunne bewoners aan Glasgow konden afleveren, die zich daar met der woon nederzetten en door hunne nijverheid niet weinig tot vermeerdering van de welvaart der stad bijdroegen.

Het uitwendige voorkomen der stad beantwoordde vrij wel aan deze veel belovende omstandigheden. De breede, aanzienlijke hoofdstraat had verscheidene openbare gebouwen. Maar de bouwtrant was eerder zonderling, dan gekenmerkt door goeden smaak. Men zag twee rijen hooge, steenen huizen, welker voorzijde somwijlen prachtig met metselwerk was versierd. Dit gaf aan de straat een edel en grootsch aanzien, dat men in de meeste Engelsche steden, wegens de broosheid der baksteenen waarvan zij gebouwd zijn, niet licht zal vinden.

Het was op een Zondagmorgen, dat ik met mijn gids de stad binnenreed. Al de klokken der kerktorens luidden. De menigte menschen, die ter kerk gingen, getuigde van de plechtigheid van den dag. Wij stegen voor eene herberg af, waar men ons zeer minzaam en wellevend ontving. Mijne eerste gedachte was, Owen op te zoeken; maar op mijne navraag vernam ik, dat vóór het einde van de godsdienstoefening elke poging daartoe vruchteloos zou zijn. De kasteleines en mijn gids verzekerden mij eenparig, dat er ten huize van de heeren Mac-Vittie, Mac-Fin en Co, aan wien ik geadresseerd was, geen levende ziel zou te vinden wezen. De heeren waren daar, waar het goede Christenen op Zondag betaamt te zijn.

Andries, wiens afkeer van de rechtspleging in zijn vaderland zich gelukkig niet tot de andere instellingen van zijn geboortegrond uitstrekte, hield nu een lofrede op den predikant, die thans in de hoofdkerk den dienst waarnam, welke lofrede de kasteleines met de luidste verzekeringen bekrachtigde. Het gevolg daarvan was, dat ik besloot de beroemde kerk te bezoeken, meer in de hoop om iets omtrent Owen te vernemen dan omdat ik bijzonder veel stichting verwachtte. Mijne hoop werd verhoogd door de mededeeling, dat de heer Ephraim Mac-Vittie, een zeer vroom man, niet alleen zelf in de kerk zou zijn, maar dat hij ook zekeren vreemdeling, die zijn gast was, daarheen moest medegenomen hebben.

Onder het geleide van den tuinman begaf ik me dus weldra op weg. Ik zou zijn geleide ditmaal wel hebben kunnen ontberen, daar de dichte drommen menschen, die de steile, oneffene straat optrokken, om den beminden predikant te hooren, mij den weg reeds aanwezen. Toen wij den top van den heuvel bereikt hadden, kwamen wij met de overige kerkgangers door eene poort op het ruime kerkhof, dat de hoofdkerk van Glasgow omgeeft. De kerk zelve is een somber en juist niet zeer fraai gebouw van Gothische bouworde. Maar haar eigenaardig karakter is over het geheel zoo goed bewaard gebleven en past ook zoo volkomen bij hare omgeving, dat de indruk, dien ze bij het eerste gezicht maakt, in den hoogsten graad ernstig en plechtig is. Ja, ik was zoo sterk getroffen, dat ik de pogingen van mijn gids Andries, die mij in de kerk wilde trekken, eenige minuten weerstond, ten einde ze van den buitenkant met aandacht te beschouwen.

Het gebouw ligt zeer afgezonderd. Hooge muren scheiden de kerk van den eenen kant van de gebouwen der volkrijke stad, terwijl zij aan den anderen kant door een hollen weg wordt begrensd, door welks bijna onzichtbare diepte een beekje murmelt. Dit gedruisch draagt bij om de verhevene uitwerking van het geheel nog te vermeerderen. Aan gene zijde van den hollen weg verheft zich eene steile hoogte, die met pijnboomen bedekt is, welker donkere schaduwen somber op het kerkhof vallen. Het kerkhof levert weder een ander eigenaardig gezicht op. De talrijke graven zijn met zerken bedekt. Nergens is ruimte voor het woekerende gras, dat gewoonlijk dergelijke plaatsen bekleedt. De zeer breede, vlakke gedenksteenen liggen dicht naast elkander en ofschoon aan den invloed van het weer blootgesteld, gelijken zij den met grafschriften bedekten bodem van sommige oude Engelsche kerken. De inhoud van deze sombere gedenkteekenen der vergankelijkheid; de vruchtelooze droefheid, welke zij verkondigen; de ernstige les, welke zij omtrent de nietigheid van al het aardsche geven; de wijde vlakte, welke zij dekken--alles herinnerde mij die rol van den heiligen Profeet, die van binnen en van buiten beschreven was, en er stond echter niets anders in dan klachten, rouw en wee!

Ik zeide reeds dat de hoofdkerk zelve in hare statige verhevenheid met al hetgene wat haar omringt volmaakt overeenstemt; een log gebouw. Doch men gevoelt, dat het karakter van het geheel bedorven zou zijn, indien het lichter en sierlijker ware. Zij is, met uitzondering van de kerk Kirkwall op de Orkadische eilanden, de eenige kerk in Schotland, die onaangerand de tijden der hervorming overleefd heeft. Andries, die met zichtbaren trots bemerkte welken diepen indruk het gebouw op mij maakte, bleef niet in gebreke mij alles te verhalen, wat hem bekend was van de omstandigheden dezer gelukkige ontsnapping aan het lot, dat toenmaals alle andere kerken getroffen had.--»Ja," zeide hij, »het is een fraaie kerk, dat moet men toestemmen. Geen krullen, geen Paapsche pronkerij, maar alles hecht en sterk. Als dit gebouw vrij blijft van verwoestende menschenhanden en van het verwoestende buskruit, dan kan het dáár staan, zoo lang de wereld staat. Bijna zou het haar gegaan zijn, als het de kerken van St. Andreas, Perth en andere steden is gegaan, in de tijden der hervorming. Men wilde ze zuiveren van den Paapschen inboedel, koorhemden en andere lorren van de Papisterij, die op de zeven heuvels van Rome zit, alsof één heuvel niet groot genoeg voor haar ware. Op een mooien morgen kwamen ze uit de gemeente van Renfrew en andere plaatsen, en wilden deze kerk insgelijks van al dat ellendige tuig schoon vegen. Maar de burgers van Glasgow waren van meening, dat zulk eene sterke opruiming hunne oude kerk misschien kwalijk zou bekomen. Toen luidden zij de stormklok, roerden de trommen, riepen alles te wapen, en trokken uit, om liever met die schoonmakende gemeenten te plukharen, dan hunne dierbare kerk te laten verwoesten. Het was echter niet uit liefde voor de Papisterij--neen, dat kan niemand Glasgow's burgers nageven. Ten slotte kwamen zij overeen, dat de afgodische beelden der zoogenaamde Heiligen--God behoede er ons voor!--er uit zouden gehaald worden. Die steenen afgoden werden in stukken geslagen, gelijk de Schrift uitdrukkelijk beveelt, en in het water geworpen. En de oude eerwaardige kerk stond daar, zoo glad en zuiver als een kat, wanneer haar de vlooien uitgekamd zijn. En elk braaf Christenmensen was volkomen tevreden. Vele verstandige lieden heb ik hooren zeggen dat, als men met de andere kerken in Schotland ook zoo gehandeld had, de hervorming even onbesmet zou gebleven zijn, als ze thans is, en wij alsdan meer kerken van een echt Christelijk aanzien zouden hebben. Ja, ik ben lang genoeg in Engeland geweest en ik vergeet het zeker niet, dat de hondenstal in het kasteel Osbaldistone veel beter is dan menig Godshuis in Schotland."

En met die woorden was Andries de kerk binnengetreden.

HOOFDSTUK XX.

...... Mijn ziel ontroert, Van schrik verbijsterd. Want graven zie 'k en lijkgesteenten, Koud en doodsch. Mij huivert het gemoed.

De treurende Bruid.

Ik liet den braven, vromen Andries nog maar even ongeduldig wachten. Ik bleef nog een paar oogenblikken toeven, om het uitwendige van het gebouw te beschouwen. Nu scheen het mij in de eenzaamheid, die het omgaf, nog veel eerwaardiger. De deuren waren namelijk gesloten, zoodra de talrijke gemeente, die thans in plechtige aandacht vereenigd was, zooals de stemmen van een zwaar koorgezang ons verkondigden, zich in het binnenste van het heiligdom bevond. De toon van zoo vele stemmen, die, op een afstand, in eene enkele harmonie samenvloeiden, vrij van de ruwe wanklanken, die het oor in de nabijheid kwetsen, samensmeltende met het murmelen der beek en met den zachten wind, die door de oude pijnboomen ruischte, scheen mij iets verhevens te hebben. De gansche natuur, zoo als de Psalmist, wiens liederen zij zongen, haar aanriep, scheen den plechtigen lofzang te zingen, waarin diepe eerbied en reine vreugde samensmelten, terwijl zij zich tot haren Schepper verheffen. In Frankrijk had ik het hoogambt zien bedienen met al den luister, dien toonkunst, kleederpracht en den sterksten indruk makende plechtigheden konden te weeg brengen. Maar de uitwerking daarvan op mij was veel flauwer dan die van de eenvoudige Schotsche godsdienstoefening. Hier werd ze, in den eigenlijken zin, door al de aanwezigen verricht. Daar bestond zij slechts in eene van buiten geleerde les, die kunstmatig opgezegd werd. Hier was het reine edele natuur....

»Kom, mijnheer, kom toch!" riep de ongeduldige Andries mij toe en trok mij aan den roksmouw. »Geloof mij, als wij zoo laat binnentreden, veroorzaken wij storing in den godsdienst. Blijven wij hier staan, dan loopen wij gevaar om, als godsdienstlooze lediggangers onder kerktijd, naar de wacht gebracht te worden."

Op deze vermaning volgde ik mijn geleider, maar niet, zoo als ik gemeend had, naar de hoofddeur.--»Hierheen! hierheen!" riep hij, mij naar zich toetrekkende. »Daar zoudt gij slechts ijdele praat, alledaagsche zedenprekerij hooren: hier wordt de zuivere leer verkondigd."

En nu trad hij met mij door een laag poortje, dat een deftig man juist wilde sluiten, en wij stegen verscheidene trappen af, als naar een grafgewelf onder de kerk. Zoo was het ook. In deze onderaardsche kerk--om welke reden is mij onbekend,--werd eene zonderlinge godsdienstoefening gehouden.

Wij kwamen in een ruim, laag gewelf, zooals doorgaans tot begraafplaats gebruikt wordt, en ook lang daartoe gediend had. Thans was het echter gedeeltelijk in eene kerk herschapen en tot dat einde van zitbanken voorzien. Dit gedeelte kon verscheidene honderden menschen bevatten, maar was toch nog kleiner dan de donkere gangen en gewelven, die ons rondom aangaapten. Sombere banieren en vermolmde wapenborden wezen in dit eenzame rijk der vergetelheid de graven van lang geleden ontslapene edelen aan. Opschriften, slechts voor den onvermoeid vlijtigen oudheidkenner leesbaar, in eene taal die even verouderd was als de vrome milddadigheid, welke zij inriepen, noodigden de levenden uit, om voor de zielen dergenen, die hier rustten, te bidden. Omringd door deze oude graven, was eene talrijke vergadering juist in haar gebed. De Schotten doen dit niet knielende, maar staande, misschien meer met het oogmerk om zoo veel mogelijk van de Roomsche kerkgebruiken af te wijken, dan om eenige andere reden.

Want ik heb opgemerkt, dat zij bij hunne huiselijke godsdienstoefeningen, en waarschijnlijk ook bij hunne stille gebeden, de knielende houding van andere Christenen wel aannemen. Zoo stonden dan daar honderden menschen van beide geslachten, jong en oud, de mannen met ongedekt hoofd. Zij hoorden eerbiedig en aandachtig naar het gebed, dat een hoogbejaard, zeer bemind geestelijke voor de vuist uitsprak, althans niet voorlas. In hetzelfde geloof opgevoed, nam ik in hoog ernstige stemming terstond deel aan deze godsdienstoefening, en niet voor dat de gansche vergadering weder was gaan zitten, vestigde ik mijne opmerkzaamheid op al wat mij omringde.

Na het gebed zetten de meeste mannen den hoed of de muts op. Andries en ik stonden tusschen vele anderen, die even als wij te laat waren gekomen en geene zitplaatsen hadden kunnen vinden, en een kring rondom de zittenden vormden. Achter ons waren de donkere gewelven, voor ons de vergadering der vromen. Het flauwe licht viel door een klein Gothisch venster, zooals men wel in knekelhuizen vindt, en bescheen hunne gezichten. Allen hadden, zooals de Schotten bij het verrichten van hun godsdienst gewoon zijn, op den prediker de oogen gevestigd. Bijna allen waren zeer aandachtig. Soms was hier of daar een vader of eene moeder, die de afdwalende blikken van een te levendig kind berispte, of werd een onder de predikatie zachtkens ingesluimerde toehoorder door een elleboogstoot onzacht gewekt. De grove gelaatstrekken der Schotten met de uitdrukking van verstand en sluwheid, die niet zelden daarop te lezen is, onderscheiden zich veel gunstiger bij hunne godsdienstoefeningen of wanneer zij als militairen in rij en gelid staan, dan in de gezellige bijeenkomsten van het dagelijksch leven.

De voordracht van den prediker was zeer geschikt om de verschillende gevoelens en gewaarwordingen van zijne toehoorders op te wekken. Wel is waar hadden ouderdom en ziekelijkheid zijne oorspronkelijke sterkte en volle stem merkelijk verzwakt. Hij las zijn tekst niet zeer duidelijk af. Maar zoodra hij den Bijbel gesloten en zijne leerrede begonnen had, werd de toon zijner stem van lieverlede krachtiger, vooral dan wanneer hij met veel levendigheid bewijzen toelichtte, die meest op de hoogere, voor het menschelijke begrip niet vatbare, zeer diepzinnige beschouwingen en stellingen van den Christelijken godsdienst betrekking hadden, maar door hem zeer gepast door talrijke bijbelplaatsen opgehelderd werden. Wel was ik niet genoeg voorbereid, om hem in al zijne redeneeringen te volgen; ook wist ik soms niet of ik zijne stellingen wel goed begrepen had, maar niets kon treffender zijn, dan het, als door een hooger licht bestraald gelaat van den braven grijsaard; niets schranderder en meer overtuigend, dan de uiteenzetting zijner gronden. Bekend is het dat de Schotten zich meer door de oefening van hunne geestvermogens dan door de levendigheid van hun gevoel onderscheiden. Zij verkiezen logische gevolgtrekkingen boven fijne redeneerkunst, scherpzinnig betoog van leerstelsels boven die bloemrijke, tot het hart en de zinnen sprekende taal, waardoor elders godsdienstleeraars zoo veel op hunne toehoorders vermogen.

Onder de aandachtige toehoorders die ik opmerkte, zag ik verscheidene gezichten vol uitdrukking, die mij aan Raphaëls beeld: "de prediking van den apostel Paulus te Athene" herinnerden. Hier zat een ijverig, verstandig calvinist, wiens saamgetrokken wenkbrauwen diepe aandacht verrieden. Zijne lippen waren half gesloten, zijne oogen op den leeraar gevestigd met eene uitdrukking van fierheid, alsof hij zich over de zegepralende kracht der ontwikkelde bewijsgronden verheugde, terwijl de wijsvinger van zijne rechterhand nu en dan de vingers der linkerhand aanraakte, naarmate de leeraar van bewijsgrond tot bewijsgrond, en zoo tot de daaruit afgeleide gevolgtrekking overging. Een ander, wiens oog fierder en somberder was, verried zijne minachting jegens allen, die aan 's predikers betoog schenen te twijfelen, en tevens zijne vreugde over de strafbedreigingen, die tegen de twijfelaars uitgesproken werden. Een derde, die misschien tot eene andere gemeente behoorde, en zich toevallig of uit nieuwsgierigheid hier bevond, scheen het een en ander gedeelte der rede te bestrijden; vrij duidelijk verried zijn hoofdschudden, dat hij de bewijzen van den leeraar geenszins voor geldend hield. Maar de meesten luisterden met een bedaard, tevreden gelaat, waarvan de uitdrukking te kennen gaf, hoeveel zij er zich op lieten voorstaan zulk eene krachtige leerrede te hooren, ofschoon zij ze ook misschien niet volkomen begrepen. Tot deze laatsten behoorden meestal de vrouwen. De meer bejaarde vooral schenen op de verklaring der leerstellingen nauwkeuriger acht te geven. De jongere keken nu en dan bescheiden in de vergadering rond. Ja, bedroog mij mijne ijdelheid niet, dan vielen ook op mij hier en daar eenige blikken. Wat de rest betreft--sommigen geeuwden of sliepen; dit waren de onverschilligen, de luiaards en ook zij, wier bevattingsvermogen veel te beperkt was om uit de leerrede eenig nut te trekken. Vaak werden ze door hen, die naast hen zaten, op den voet getrapt, of door een elleboogstoot tot aandacht opgewekt. Slechts zeer weinigen lieten hunne verveling door hinderlijke teekenen blijken. Naast de gewone dracht der Laaglanders, uit een rok en een mantel bestaande, zag ik hier en daar menig Hooglander in zijn nationaal kostuum, steunend op het gevest van zijn zwaard, met vrijmoedige nieuwsgierigheid in de vergadering rondziende, terwijl hij op den leeraar, wiens taal hij niet verstond, volstrekt geen acht gaf. Het woeste, krijgshaftige voorkomen van deze lieden zette aan de gansche vergadering iets eigenaardigs bij, wat zij anders niet zou gehad hebben. De Hooglanders waren heden vrij talrijk, omdat er, zoo als Andries mij zeide, in de buurt beestenmarkt werd gehouden.

Het was een schilderachtige aanblik, wanneer door de nauwe vensters heldere zonnestralen vielen, die de aandachtige vergadering beschenen, zich dan in de achterste gewelven verloren, terwijl vooraan eene flauwe schemering heerschte, maar de diepe achtergrond in het duister lag en zich eindeloos scheen uit te strekken.

Ik stond in den buitensten kring, waar ik, met mijn gelaat naar den leeraar gewend, den rug naar de donkere gewelven keerde. Daardoor echter was ik aan herhaalde stoornissen blootgesteld; elk zacht geruisch in die gewelven werd door den weerklank duizendvoudig herhaald. Dikwijls keerde ik mij om, als regendroppels, door de scheuren van het bouwvallige dak op den bodem vielen. En hadden dan mijne oogen eenmaal die richting genomen, dan kon ik ze zoo terstond niet weder afwenden. Zij werden meer en meer aan den donkeren achtergrond gewoon. Ja allengs bekroop mij de nieuwsgierigheid, om in die geheimzinnige doolgangen ontdekkingen te doen, zoodat ik schier geheel vergat, mijne aandacht op de zinrijke preek van den leeraar te vestigen.

Dit verstrooid afdwalen was eene hebbelijkheid, waarover ik van mijn vader vaak verwijtingen had moeten hooren. Ze ontstond misschien uit eene al te groote prikkelbaarheid der verbeelding, die hij zelf niet kende. Op dat oogenblik, herinnerde ik mij op eenmaal den tijd, toen ik aan zijne hand ter kerk ging en zijne ernstige vermaningen hoorde. Deze herinnering benam mij mijne aandacht geheel en al. Want zij riep mij zijn gevaarvollen toestand in het geheugen. Zacht fluisterend verzocht ik Andries, te onderzoeken, of zich ook iemand van het kantoor van Mac-Vittie in deze vergadering bevond. Al zijn aandacht wijdend aan den leeraar, beantwoordde Andries mijn verzoek slechts met een elleboogstoot, om mij te kennen te geven dat ik zwijgen moest. Met even weinig gevolg overzag ik de vele, naar den kansel gewende gezichten. Ik zocht of ook onder hen Owens mij zoo goed bekende trekken met hun uitdrukking van godvruchtige kalmte en slimmen koopmansgeest te vinden was. Maar noch onder de breede vilten hoeden der stedelingen, noch onder de mutsen met breede randen der landlieden kon ik iets ontdekken, wat naar de deftige pruik, den lichtbruinen rok en de stijve das van onzen eersten boekhouder geleek. Intusschen pijnigde mijn ongeduld mij zoo zeer, dat de nieuwheid der mij omringende dingen alle bekoring voor mij verloor. Ik trok mijn leidsman vrij onzacht bij den mouw en gaf hem mijn wensch te kennen om de kerk te verlaten en mijne nasporingen voort te zetten. Andries, even halsstarrig als op onzen tocht over het Cheviot-gebergte, verwaardigde zich in het eerst niet eens mij te antwoorden. Maar eindelijk, toen hij zag dat ik mij zoo niet liet afschepen, zeide hij dat wij vóór het eindigen der godsdienstoefening niet konden wegkomen, omdat de deuren sedert het begin van het gebed gesloten waren. Toen hij mij dit met korte woorden vrij knorrig toegefluisterd had, keerde hij zich weder naar den leeraar en nam opnieuw de houding van een diepdenkenden, scherpbeoordeelenden toehoorder aan.

Ik moest van den nood eene deugd maken, en ook mijne opmerkzaamheid weder op de leerrede trachten te vestigen. Maar eene nieuwe zonderlinge gebeurtenis kwam mij op eenmaal daarin storen. Eene stem achter mij fluisterde mij zeer verstaanbaar in het oor: »gij zijt in deze stad in gevaar!"

Onwillekeurig keerde ik mij om. Twee eenvoudige handwerkslieden stonden naast en achter mij. Even als wij, waren zij te laat in de kerk gekomen. Een enkele blik, dien ik op hunne gezichten wierp, overtuigde mij, zonder dat ik mij daarover eigenlijk eene bepaalde reden kon geven, dat geen van beiden tot mij gesproken had, en zeer opmerkzaam naar den leeraar luisterende, beantwoordde geen van beiden mijn vorschenden blik. Een dikke ronde pilaar dicht achter ons kon den geheimen waarschuwer, zoodra hij gesproken had, licht aan mijne oogen onttrokken hebben; maar waarom hij die waarschuwing op deze plaats gedaan had, en welk gevaar hij bedoelde en wie hij wezen mocht,--dit waren vragen, waaromtrent ik mij in gissingen verdiepte en mijne verbeeldingskracht te vergeefs inspande. Ik verwachtte dat men de waarschuwing herhalen zou en vestigde mijne oogen onafgewend op den leeraar, ten einde den onbekenden vriend er toe te brengen, zijne mededeeling te herhalen, in de meening dat ik hem de eerste maal niet goed gehoord of begrepen had.