Part 15
»Natuurlijk heeft hij het vernomen, mijn neef heeft zijne reis omtrent eene week expres opgeschoven, omdat het zijn klanten zeer aangenaam zou zijn, dat nieuws te vernemen. Het liep met een sisser af. Laat ik u maar zeggen dat degeen, die het historietje 't eerst op het tapijt bracht, weder spoedig in zijne schelp kroop. De man, zeide hij, kon ook wel wezenlijk in handen van roovers gevallen zijn; maar omtrent de eigenlijke omstandigheden was men nog in het onzekere. Toen stond de andere vent weer op, en zeide, dat het hem zeer onverschillig was of men dien Morris beroofd had of niet. Maar men moest om zoo iets geen brave lieden van hunne eer en hun goeden naam berooven, inzonderheid in het noorden van Engeland, want hij was er zelf van daan, en daar behoefde hij zich niet over te schamen. En dat noemt men een zaak uitmaken! De een geeft iets toe en de andere geeft iets toe en dan zijn ze weer goede vrienden. En toen zij nu in het Lagerhuis lang en breed over dat geval gewauweld hadden, zoo dat zij er eindelijk misselijk van waren, wilden de heeren in het Hoogerhuis er ook nog iets van hebben. In het lieve oude Schotsche Parlement, ja, waarde mijnheer, daar zaten zij allen bij elkander, en behoefden een ding niet tweemaal te bepraten, maar daar in Londen kauwen en herkauwen zij elk ding zoo lang, tot er volstrekt niets van overblijft. Ook heeft men er van een zekeren Campbell gesproken; die moet bij dat plunderen en rooven ook eene hand in het spel gehad hebben, maar tot zijn geluk had hij een flink getuigschrift van den hertog van Argyle. En toen dit openlijk gezegd werd, geraakte de hertog in vuur en vlam--nu daarin had hij, mijns insziens, wel gelijk!--Hij maakte vrij wat spektakel, terwijl hij ieder overtuigend wilde bewijzen, ja schier instampen, dat iedere Campbell steeds een braaf, dapper en verstandig man was geweest. Als gij echter zeker zijt, dat er geen druppel bloed van het geslacht van Campbell door uwe aderen vloeit, wat, voor zoo verre ik weet, bij mij insgelijks het geval is, dan wil ik u wel zeggen wat ik van de zaak denk."
Ik verzekerde dat ik rechtstreeks noch zijdelings tot dat geslacht behoorde.
»Nu, dan kunnen wij immers gerust onder ons zeggen wat wij weten. Van de Campbells valt goed en kwaad te zeggen, even als van alle andere menschen. Maar van Mac-Callumore, van dien Argyle--van hem zijn er zeer zonderlinge praatjes in omloop onder de voorname lui van Londen. Maar hij heeft er veel in te brengen. Men kan eigenlijk niet recht zeggen, welke partij hij gekozen heeft. Niemand durft hem aan. En het einde van het lied was, dat zij verklaarden, dat de gansche historie enkel laster was. En als die Morris zich niet bij tijds uit de voeten gemaakt had, zou hij nog leelijk te pas zijn gekomen."
Bij die woorden pakte Andries zijn tuinmansgereedschap bijeen en wierp het dood kalm, stuk voor stuk in een kruiwagen. Hij gaf mij blijkbaar, eer hij heenging, den tijd, nog eenige vragen te doen. Ik oordeelde het best, alles dadelijk te zeggen, opdat de man mijn zwijgen niet aan verkeerde redenen zou toeschrijven en een al te groot gewicht er aan hechten zou.
»Andries," zeide ik, »ik zou uw landsman wel eens willen spreken, om al dat nieuws uit zijn eigen mond te vernemen. Gij hebt waarschijnlijk gehoord, dat ik door de onbeschaamde zotheid van dien Morris eenigen last heb gehad." Andries meesmuilde. »Gaarne zou ik uw neef nu vragen, wat hij dan eigenlijk te Londen gehoord heeft; ten minste wanneer het hem niet al te moeilijk is, met mij eenige oogenblikken te komen praten."
Andries antwoordde dat dit geen bezwaar zou opleveren. Als hij zijn neef een wenk gaf, dat ik een paar kousen noodig had, dan zou die niet in gebreke blijven, terstond bij mij te komen.
»Ja, gij kunt hem zeggen, dat hij in mij een goeden klant zal vinden, en daar de avond heden bijzonder mooi is, zal ik zoo lang in den tuin blijven wandelen tot hij komt. De maan zal spoedig opkomen. Breng uw neef aan het achterpoortje. Ik zal mij intusschen met het gezicht van de struiken en heesters bij het heldere maanlicht amuseeren."
»Best! heel goed!" hernam Andries; »dat zeg ik ook altijd: koolbladen en bloemkool schitteren in den maneschijn even prachtig als eene mooie vrouw in diamanten."
En Andries ging blijkbaar welgemoed weg. Hij scheen den vrij langen weg met het grootste genoegen af te leggen, om zijn neef een klein voordeeltje te bezorgen, ofschoon hij er niets voor over had gehad, om hem op eene kan bier te onthalen. De wellevendheid van een Engelschman zou zich op eene geheel andere wijze geuit hebben, dacht ik, toen ik wandelde langs de pas geschoren heggen van hooge taxis en steekpalm, waarmede de gansche tuin doorsneden was.
Toen ik omkeerde, keek ik onwillekeurig naar de smalle vensters van de oude boekenkamer op de tweede verdieping. Dat dáár licht brandde, verraste mij niet; want ik wist, dat Diana zeer dikwijls de avonden in die kamer doorbracht. Maar ik had uit een zeker gevoel van kieschheid, het mij tot vaste wet gemaakt, haar daar niet op te zoeken op een tijd, waarop ik wist, dat de overige leden der familie in het huisvertrek bijeen waren, en onze bijeenkomst dus noodzakelijk onder vier oogen zou hebben moeten zijn. In de morgenuren zaten wij gewoonlijk samen in de boekenkamer te lezen, en dan gebeurde het niet zelden, dat een van onze neven binnen kwam om een perkamenten bandje te halen, en dat dan ondanks het kostbaar verguldsel en de geschilderde versieringen, tot een zakboekje van vischhengels werd gebezigd. Soms ook om ons van eene afgesproken jachtpartij te verhalen, of ook wel uit loutere verveling. In de avonduren echter werd de boekenkamer nooit als gemeenschappelijk terrein beschouwd. In een land opgevoed, waar men, ten minste in dien tijd, aan de wetten der wellevendheid zeer hechtte, gevoelde ik den plicht, om jegens Diana dubbel te letten op het in acht nemen van die wetten, juist omdat zij ze, uit gebrek aan ervaring, wel eens vergat. Zoo kiesch mogelijk gaf ik haar te kennen, dat telkens, wanneer wij des avonds lezen wilden, de tegenwoordigheid van een derden persoon passend, ja, betamelijk was.
In het eerst lachte Diana, daarna bloosde zij, en was op het punt boos te worden, tot zij zich plotseling bedwong en mij antwoordde: »Ik geloof, dat gij volkomen gelijk hebt. Wanneer ik eens lust krijg, om heel vlijtig te leeren, zal ik onze oude Martha met een kopje thee omkoopen, om bij ons te zitten en om mij onder haar vleugels te nemen."
Martha, de oude huishoudster, was met de heerschende neiging van al de huisgenooten besmet, en een glas brandewijn was haar meer welkom geweest dan al de thee uit China. Maar het streelde hare ijdelheid, dat men haar een drank aanbood, welke in dien tijd alleen door groote lui gebruikt werd. Een ruime portie suiker, en eenige niet minder zoete woorden, alsook een overvloed van geroosterd brood en boter--door dit alles te zamen liet zij zich nu en dan bewegen om ons gezelschap te houden. Anders vermeden de dienstboden, zoodra slechts de avond begon te vallen, deze boekenkamer, daar ze zich in een vleugel van het kasteel bevond, waar het, volgens hunne dwaze verbeelding, spookte. Eenige der vreesachtigsten wilden daar zelfs spoken gezien, ja, allerlei geluiden gehoord hebben, als al de overige huisgenooten sliepen. Zelfs mijne neven hadden, nadat het donker was geworden, niet veel lust, als zij het eenigszins vermijden konden, om zich in dat verschrikkelijke gedeelte hunner woning te wagen.
De omstandigheid, dat de boekenkamer eens Rashleighs geliefkoosd verblijf was geweest, en dat eene zijdeur daaruit naar dat eenzaam gedeelte van het kasteel leidde, waar hij steeds gewoond had, vermeerderde nog de vrees der huisgenooten voor die angstwekkende zaal. Zijne uitgebreide kunde in alle vakken, zijne groote kennis van de wetenschappen en eenige natuurkundige proeven, welke hij nu en dan in hunne tegenwoordigheid genomen had, waren voor de domme en bijgeloovige bewoners van het kasteel voldoende redenen, om hem macht over de geestenwereld toe te schrijven. Hij verstond immers Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en behoefde alzoo, zoo als zijn broeder Wilfred zeide, noch geesten, noch spoken, noch duivels, noch kabouters te vreezen. Ja, de dienstboden beweerden, dat zij hem in de boekenkamer hadden hooren spreken op een tijd, dat ieder in het kasteel reeds te bed was, en hij had den ganschen nacht met allerlei spoken doorwaakt en toen een gat in den dag geslapen, in plaats van, zoo als een echten Osbaldistone betaamde, met het krieken van den dag de honden naar buiten te volgen.
Al die ongerijmde geruchten had ik uit halve wenken en afgebroken uitdrukkingen vernomen. Natuurlijk had ik ze slechts met een spottenden glimlach aangehoord. Maar de eenzaamheid waarin die zoo beruchte kamer 's avonds was, was voor mij een reden te meer, om Diana niet te storen, als zij daar den avond doorbracht.
Ik behoefde mij dus niet te verwonderen, toen ik licht in die kamer zag. Maar sterk was ik verrast, toen ik mijne oogen op de vensters vestigende, duidelijk de schaduw van twee gestalten zag, die zich voor het eerste venster bewogen en het voor eenige oogenblikken geheel verduisterden. Het moet de oude Martha zijn, dacht ik. Misschien heeft Diana haar bij zich geroepen. Of zou ik mij vergist hebben en Diana's gestalte voor eene tweede gestalte aangezien hebben? Neen, bij den hemel! nu ook aan het tweede venster! Zeer duidelijk twee gestalten! Nu verdwenen zij--nu weder aan het derde--eindelijk ook aan het vierde! De beweging der gestalten tusschen het licht en de vensters werd tweemaal herhaald, alsof ik mij volkomen moest overtuigen dat ik goed gezien had: toen werd het licht uitgedoofd.
Deze onbeduidende omstandigheid hield mij vrij lang bezig. Ik waagde niet mij zelven te bekennen, dat mijne vriendschap voor Diana met een egoïstisch oogmerk gepaard ging. Maar ik kan niet zeggen, hoe onaangenaam mij de gedachte was, dat zij iemand anders heimelijke bijeenkomsten toestond op een tijd en eene plaats, waar ik het onvoegzaam oordeelde haar te bezoeken; te meer omdat ik ook, om haar zelfs wil, getracht had haar dat onder het oog te brengen. »Dwaas, lichtzinnig meisje!" zeide ik tot mij zelf. »Zij stoort zich aan geen welgemeenden raad, aan geene welvoegelijkheid. Ik heb mij door hare ongekunstelde houding laten misleiden. Zulk een houding schijnt zij even gemakkelijk te kunnen aannemen, als of zij een stroohoed opzet, door eene nieuwe mode ingevoerd; ondanks al hare groote geestvermogens, zal misschien het gezelschap van een dommen gek, met wien zij haar kaartje kon leggen, haar meer genoegen kunnen verschaffen, dan Ariosto zelf, wanneer hij uit het graf verrees."
Deze gedachte kwam levendig in mij op, daar ik haar juist dienzelfden dag mijne vertaling van Ariosto's eersten zang getoond, en haar verzocht had, de oude Martha op de thee uit te noodigen, terwijl zij onder een voorwendsel, dat ik voor volstrekt nietig hield, dit bepaald geweigerd had.
Nog niet lang had ik mij in deze onaangename overdenkingen verdiept, toen het achterpoortje van den tuin openging, en Andries en zijn neef, die met een zwaar pak koopwaren beladen was, in den maneschijn de laan opkwamen. De sluwe Macready was een Schot, dien zijne neiging en zijn koophandel tot eene wandelende krant hadden gemaakt. Hij kon mij omtrent het voorgevallene in het Parlement eenigszins uitvoeriger en grondiger berichten geven, dan de tuinman. De beide Staatspartijen hadden naar het scheen, het avontuur van Morris als een toetssteen gebezigd, om de gezindheid van het Parlement uit te vorschen. Waarschijnlijk echter waren de opstokers van het vuurtje niet in staat geweest, om de waarheid van eene geschiedenis te staven, vooral omdat zeer aanzienlijke en zeer invloedrijke personen in die zaak gewikkeld waren, en alles zich slechts op de getuigenis van een man van slechten naam grondde, die zich zelven bovendien tegengesproken had en in zijne verklaringen over het geheel zeer onduidelijk was geweest. Ook kon de koopman mij een nieuwsblad ter hand stellen met een uittreksel der verhandelingen van het Parlement--in dien tijd eene zeldzaamheid buiten den omtrek der hoofdstad--en de gedrukte redevoering van den hertog van Argyle op een groot vel papier. Verscheidene exemplaren had hij van de uitventsters gekocht, om ze in Schotland met voordeel aan den man te brengen. Het uittreksel der verhandelingen was slechts eene zeer magere opgave met veel gapingen en sterretjes, waaruit ik niet veel meer licht kon erlangen dan de Schot voor mij had ontstoken. En de zeer fraaie en bij uitstek welsprekende redevoering des hertogs was grootendeels eene lofrede op zijn vaderland, zijn geslacht en zijn stam, met eenige, misschien even oprechte, hoewel niet zoo vurige vleierijen, welke hij, bij eene zoo gunstige gelegenheid, zich zelve wilde zeggen. Of zijn goede naam inderdaad verdacht was gemaakt, kon ik niet te weten komen, maar zooveel zag ik duidelijk genoeg, dat men de eer der naastbestaanden van mijn oom aangerand had; ja, dat Morris het had voorgesteld, als zou Campbell een eerste rol bij die straatrooverij hebben gespeeld en door zijn invloed op den al te zachtzinnigen vrederechter een Osbaldistone de vrijheid hebben verschaft. In zekeren zin kwam die voorstelling van het gebeurde met het vermoeden overeen, dat ik zelf ten opzichte van Campbell gevoed had, van het oogenblik af, dat ik hem bij den vrederechter zag. Ten hoogste misnoegd en tevens verwonderd over deze zonderlinge geschiedenis, verliet ik de beide Schotten, nadat ik van den koopman iets gekocht en Andries een fooi gegeven had. Ik spoedde mij naar mijne eenzame kamer, om te overwegen wat mij thans te doen stond. Mijn goede naam was openlijk aangerand. Ik meende, dat het plicht voor mij was, naar herstel van eer te streven.
HOOFDSTUK XV.
Van waar komt gij? wie zijt gij?
Milton.
Ik kon den ganschen nacht niet slapen. Het vernomen nieuws hield mij aanhoudend bezig. Mijne eerste aandrift was, zoo spoedig mogelijk naar Londen terug te keeren, en in persoon den laster te logenstraffen, waarmede men mijn goeden naam beklad had. Maar ik kwam spoedig hiervan terug. Geen ongehoorzaamheid mocht ik jegens mijn vader, integendeel, zijn hulp inroepen. Mijn vader was in zijne beslissingen, vooral waar het de zijnen betrof, onbuigzaam streng maar rechtvaardig. Zijne ervaring maakte hem alleszins geschikt, om alle noodige stappen ten behoeve mijner vrijspreking te doen. Daar hij tevens met de voornaamste Whig-ministers bekend was, behoefde het hem weinig moeite te kosten, wegens mijne zaak gehoor te erlangen. Ik oordeelde het dus 't veiligst, mijne geheele geschiedenis in een aan hem gericht verhaal bloot te leggen. Van het kasteel werden slechts zeer zelden brieven behoorlijk op de post bezorgd. Ik besloot dus mij later naar de naburige stad te begeven en mijn brief daar zelf te bezorgen.
Het had me reeds bevreemd dat ik, na eene afwezigheid van verscheidene weken, te vergeefs op brieven van mijn vader of Owen gewacht had, ofschoon Rashleigh zijn vader reeds zijne behouden aankomst in Londen en het vriendelijk onthaal ten huize van zijn oom gemeld had. Ofschoon ik nu ook gaarne wilde toestemmen dat ik mij mijns vaders ontevredenheid berokkend had, meende ik toch geenszins te verdienen, zoo geheel door hem vergeten te worden. Toen ik hem in mijn brief het avontuur met Morris getrouw verhaald had, betuigde ik in hartelijke bewoordingen mijne hoop en mijn wensch, om door eenige regels schrift van hem verblijd te worden, al ware het slechts om in eene zoo pijnlijke en moeilijke zaak, waarin mijne eigen geringe ondervinding mij niet met voldoende zekerheid leiden kon, zijn raad en leiding te genieten. Ik kon het niet over mij verkrijgen, er op aan te dringen dat hij mij vergunnen zou, weer voor goed naar Londen terug te keeren. Maar ik verborg dien tegenzin onder eene voorgewende onderwerping aan mijns vaders wil. Toen ik mij zelven die gehoorzaamheid als grondige reden voorstelde, om niet op mijn vertrek uit het kasteel aan te dringen, geloofde ik dat mijn vader het insgelijks daarvoor zou houden. Voor korten tijd zou ik wel wenschen naar Londen terug te mogen komen, schreef ik echter mijn vader om den schandelijken laster te wederleggen, dien men zoo onverdiend te mijnen opzichte verspreid had.
Dezen brief, waarin ik den ernstigen wensch om mijn goeden naam te redden zoo zonderling in overeenstemming bracht met mijn verlangen hier te blijven, maakte ik gereed, vervolgens reed ik naar het postkantoor van het naaste stadje. Daar vond ik een schrijven van mijn vriend Owen, dat ik anders veel later ontvangen zou hebben. Het luidde:
Waarde mijnheer Frans!
»Ik heb uwe minzame regels door de goedheid van den heer R. Osbaldistone in orde ontvangen en den inhoud vernomen. Wij zullen gaarne den heer R. Osbaldistone alle beleefdheden bewijzen, die in ons vermogen zijn, en hebben Zijn Ed. reeds de Bank en het Tolkantoor laten zien. Zijn Ed. schijnt een verstandig, werkzaam jongmensch te zijn. Met veel ijver wijdt hij zich aan de zaken en zal dus de firma van veel dienst zijn. Wij hadden trouwens wel gewenscht dat zeker iemand dezen weg had willen bewandelen. Maar Gods wil geschiede! Uit hoofde a costi cassa misschien zeldzaam mocht zijn, gelieve UEd. wel te verontschuldigen, dat ik u inliggende wissel zend, betaalbaar zes dagen na zicht, op de Heeren Hooper en Girder te Newcastle, waarde 100 pd., die, twijfel ik niet, behoorlijk zal gehonoreerd worden.
»Verblijve waarde mijnheer Frans, met verschuldigde hoogachting
UEds. dw. dienaar, Joseph Owen.
P.S. »Ik hoop, dat UEd. de richtige ontvangst dezes mij zult gelieven te melden. Wij betreuren, dat wij van UEd. zoo weinig te hooren krijgen. Mijnheer uw vader beweert steeds heel wel te zijn, maar ziet er niet best uit."
Het bevreemdde mij, dat Owen volstrekt geen melding maakte van den vertrouwelijken brief, dien ik hem geschreven had, om hem met Rashleigh's karakter voorloopig bekend te maken. Hij moest dien toch wel ontvangen hebben. Weliswaar had ik den brief met de gewone gelegenheid dadelijk van het kasteel afgezonden; maar er was voor mij geen reden, te vermoeden, dat hij onder weg zou kunnen verloren raken. In het postkantoor schreef ik dadelijk eenige regels aan Owen, waarin ik den voor mijn vader en mij zoo gewichtigen inhoud van mijn vroegeren brief herhaalde, en mijn braven vriend dringend verzocht, mij ten spoedigste te berichten, of hij dien ontvangen had. Terwijl ik er een paar woorden over de ontvangst van den wissel bijvoegde, dacht ik bij mij zelven hoe zonderling het was, dat mijn vader zijn boekhouder in mijne behoeften liet voorzien; maar, dacht ik tevens, misschien hebben zij dit met elkander afgesproken. In elk geval was Owen ongehuwd, voor zijn stand bemiddeld en mij zoo hartelijk genegen, dat ik geene zwarigheid maakte, hem eene kleine som schuldig te zijn. Ik besloot, ze hem zoo spoedig mogelijk in dank terug te geven, zoo dit niet reeds door mijn vader mocht geschied zijn. In dezen zin schreef ik aan Owen over de zaak. Een koopman in het stadje, dien de postmeester mij aanwees, betaalde mij gaarne het bedrag van den wissel in goud. Veel rijker dan ik vertrokken was, kwam ik op het kasteel terug. Dit was mij lang niet onverschillig, want de inhoud van mijne beurs, door de reiskosten reeds sterk verminderd, was bijna geheel uitgeput.
Bij mijne terugkomst was mijn oom met al zijne zonen naar het dorpje Trinlay-Knowes vertrokken, ten einde, zooals de tuinman zich uitdrukte, het vermaak te genieten, een paar hanen op dood en leven te zien vechten.
»Een wreed vermaak!" zeide ik. »In Schotland kent gij het, meen ik, niet!"
»Neen, neen!" hernam Andries, maar hij trok zijne ontkenning terstond weder in, toen hij er bijvoegde: »behalve op de Paaschdagen. Wel beschouwd, is er ook niet veel aan gelegen, wat de lui met hunne hanen doen. Want dat vee giert en krabt in de tuinen, dat men bijna niets in den grond kan houden. Hm! ik zou wel eens willen weten, waarom dat torenpoortje daar ginds open staat. Rashleigh is immers vertrokken; die kan er dus niet zijn."
Het torenpoortje, door den tuinman bedoeld, kwam in den tuin uit aan den voet van een wenteltrap, die naar Rashleigh's kamers leidde, terwijl deze weder met de overige gedeelten van het kasteel door een donkere gewelfde gang, even als de boekenkamer door eene zijdeur, vereenigd waren. Een lang, smal graspad leidde tusschen twee hooge steekpalm-heggen, van dat torenpoortje naar een achterdeurtje in den tuinmuur. Langs dezen weg kon Rashleigh, van wiens doen en laten zijne nabestaanden niets wisten, naar welgevallen het kasteel verlaten of terugkeeren, zonder dat het opgemerkt werd. Sedert zijn vertrek werd van die trap en dat poortje volstrekt geen gebruik meer gemaakt, en deze omstandigheid zette niet weinig belangrijkheid aan des tuinmans aanmerking bij.
»Hebt gij dat poortje dikwijls open gevonden?" vroeg ik.
»Niet dikwijls," antwoordde Andries, »maar toch reeds een paar maal. Ik geloof dat de priester het geopend heeft, die pater Vaughan, zoo als zij hem noemen. Van de dienstboden betreedt niemand die trap: die arme sukkels zijn bang voor spoken en hansworsten uit de andere wereld. Maar vader Vaughan meent, dat de spoken hem geen kwaad zullen doen. Maar weet u wat ik zeg, de armzaligste predikant bij ons in Schotland verbant een spook tweemaal zoo gauw als de priester met zijn wijwater en zijne afgodische kluchten. Ik geloof ook niet, dat hij ver in het Latijn is. Want hij verstaat mij nauwelijks, als ik hem de geleerde namen der planten noem."
Van pater Vaughan, die in het kasteel Osbaldistone en in de woningen van eenige Katholieke edellieden in den omtrek voor het heil der zielen zorgde, heb ik nog niets gezegd, daar ik hem nog slechts zelden gezien had. Hij was ongeveer zestig jaren oud, en naar ik meen, uit een voornaam geslacht in Schotland afkomstig. Van een alleszins onbesproken gedrag, werd hij door de Katholieken van Northumberland als een braaf en waardig man geëerd. Ook bezat hij al het eigenaardige, waardoor zijn stand zich onderscheidt. Er lag op zijn gelaat iets geheimzinnigs, wat in de oogen van een Protestant naar priesterbedrog geleek. De bewoners van het kasteel Osbaldistone koesterden veel meer vrees, of ten minste eerbied, dan genegenheid voor hem.
Het was bekend, dat hij hunne drinkpartijen ten sterkste afkeurde: want zoolang als hij zich op het kasteel bevond, leefde men daar veel matiger. Ja bij zulke gelegenheden deed zelfs mijn oom zich ten opzichte van zijn gedrag bepaald dwang aan; daarom was dan ook het bezoek van den priester hem eer lastig dan aangenaam. Pater Vaughan toonde in zijn gedrag dat fijne innemende en vleiende, hetwelk den leeraars van zijn geloof, bijzonder in Engeland, zoo eigen is. Immers de Katholieke leek, door strafwetten, door de beperking van zijn geloof, door de vermaningen van zijn geestelijke belemmerd, is in het verkeer met Protestanten dikwerf achterhoudend, ja bijna vreesachtig. De priester daarentegen, wien zijn stand vergunt, met lieden van alle geloofsbelijdenis te verkeeren, is gul, vroolijk en vrij in den omgang. Hij tracht zich aangenaam te maken, wat hem door zijne slimheid ook meestal gelukt.