Robbert Roodhaar

Part 14

Chapter 143,702 wordsPublic domain

Toen ik met Rashleigh samenkwam, merkte ik terstond dat hij even gereserveerd was geworden als ik, en alle aanleiding tot twist vermijden wilde. Hij vermoedde waarschijnlijk, dat hetgeen Diana mij verhaald had in zijn nadeel was, al kon hij niet weten, dat ik zelfs de laaghartigheid kende, welke hij tegen haar in den zin had gehad. Onze omgang was van dien tijd af, van beide kanten ten hoogste omzichtig. Wij spraken slechts over niets beduidende onderwerpen. Zijn verblijf in het kasteel duurde ook nog maar eenige weinige dagen. Maar in dien korten tijd bevreemdden mij twee omstandigheden. De eerste was de groote vlugheid, waarmede hij de tot zijn nieuw beroep vereischte kundigheden zich had eigen gemaakt. Soms liet hij mij dit duidelijk bemerken, wilde hij mij toonen, hoe gemakkelijk het hem was een last op zich te nemen, dien ik uit vermoeidheid en onbekwaamheid had neergeworpen. Maar ten tweede bevreemdde mij de omstandigheid, dat Diana met Rashleigh, dien zij van zulke zware beleedigingen beschuldigde, verscheidene vrij lange gesprekken onder vier oogen had, ofschoon beiden zich vooral niet hartelijker dan te voren jegens elkander gedroegen.

Toen de dag van zijn vertrek verschenen was, zeide zijn vader hem zeer onverschillig vaarwel. Zijne broeders deden hem uitgeleide, maar slecht verborgen zij daarbij hun vreugde. Ze waren als woeste schooljongens, die den meester voor eenigen tijd zien vertrekken, en niet recht wagen het genoegen dat zij gevoelen, te laten blijken. Ik nam met koele hoffelijkheid afscheid van hem. Eindelijk trad hij naar Diana toe. Doch toen hij haar wilde omhelzen, boog zij, met een blik van trotsche verachting achterwaarts, en zeide, terwijl zij hem de hand toereikte: »Vaarwel, Rashleigh! God beloone u het goede, dat gij mij bewezen hebt, en vergeve u het kwade, dat gij voornemens waart te doen!"

»Amen! lieve nicht!" antwoordde hij met een schijnvroom gelaat, hetwelk hij, naar het mij scheen, nog van het Instituut te St. Omer had behouden.--»Zalig hij, wiens goede oogmerken de vrucht van goede daden droegen, en wiens booze gedachten in den bloeitijd vergaan!"

Dit waren zijne afscheidswoorden.--

»Die volleerde huichelaar!" zeide Diana tegen mij, toen hij de deur achter zich toetrok. »Hoe sterk kan hetgeen wij het meest haten en verachten, uitwendig gelijken op dat, wat wij het hoogst vereeren en eerbiedigen."

Ik had Rashleigh een brief aan mijn vader en eenige regels aan Owen medegegeven, behalve den reeds vermelden vertrouwelijken brief, dien ik langs een anderen weg had verzonden. Niets zou natuurlijker geweest zijn, dan dat ik in deze brieven mijn vader en mijn vriend bericht had, dat ik mij in een toestand bevond, waarin ik mij in geen opzicht, dan alleen in de geheimen van de valkenjacht kon vormen; ja, dat ik, in het gezelschap van ruwe stalknechts en roskammers, waarschijnlijk alle nuttige kundigheden die ik verworven had, spoedig zou vergeten. Het zou even natuurlijk zijn geweest, mijn tegenzin uit te drukken, om onder menschen te leven, die slechts in jagen en in onteerende tijdkortingen hun genoegen vonden. Ik zou eindelijk hebben moeten klagen over de dagelijksche onmatigheid der mannen, wier gast ik was, over den last, ja, over de onaangename aanmerkingen, die ik van mijn oom te wachten was, wanneer ik mij onder hoffelijke verontschuldigingen aan den dienst van den wijngod wilde onttrekken. Deze laatste omstandigheid was van dien aard, dat mijn vader, een streng, matig man, waarschijnlijk zich ongerust over mij gemaakt zou hebben. Had ik deze snaar wat sterk aangeroerd, dan zou de deur van mijn kerker zich zeer spoedig hebben geopend, òf de tijd van mijne verbanning zou verkort, òf een ander verblijf mij tot ballingschap aangewezen zijn geworden.

Voor een jongeling van mijne jaren en neigingen moest een langer verblijf op het kasteel Osbaldistone zoo weinig mogelijk aangenaam wezen. Men zou redelijker wijze moeten gelooven, dat het mijn eerste werk had moeten zijn, mijn vader al die bezwaren te schetsen, ten einde met zijne toestemming mijns ooms huis te kunnen verlaten. En toch moet ik naar waarheid verzekeren, dat ik in mijne brieven niet een enkel woord van dit alles repte. Ware het kasteel Osbaldistone een Athene in den ouden luister van zijne beschaving; ware het door wijzen, helden en dichters bewoond, mijn verlangen, om er te blijven, had ik niet sterker kunnen toonen.

Mijn stilzwijgen over een voor mij zoo belangrijk punt zult gij, waarde Tresham, licht kunnen verklaren, zoo gij slechts nog een enkel vonkje van het vuur der jeugd in u hebt. Diana's buitengewone schoonheid, waarvan zij zelve zoo weinig scheen te weten; haar romantische en geheimzinnige toestand; het lijden, waaraan zij was blootgesteld; de moed, waarmede zij het scheen te gemoet te zien; haar gedrag, veel vrijer dan het haar betaamde, maar, zoo als het mij toescheen, slechts een gevolg van het bewustzijn harer onschuld, en eindelijk en vooral de zichtbare en vleiende onderscheiding, welke zij mij boven ieder ander betoonde--dit alles nam mij geheel voor haar in. Mijne nieuwsgierigheid was levendig gewekt, mijne verbeelding geprikkeld, mijne ijdelheid gestreeld. Ik waagde het niet, mij zelven te bekennen, welke innige deelneming Diana mij inboezemde, en hoezeer zij mijne gedachten vervulde. Wij lazen met elkander, wandelden met elkander, reden samen uit, en zaten bij elkander. De beoefening der letteren, welke zij, naar hare twist met Rashleigh, had afgebroken, zette zij thans onder mijne leiding voort. Ik was een leermeester, die wel geringer kennis, maar veel rechtschapener bedoelingen had.

Eigenlijk was ik geenszins geschikt, om haar bij de voortzetting van eenige diep geleerde studiën behulpzaam te zijn, die zij met Rashleigh had begonnen. Het waren studiën, wel voor een geestelijke, maar niet voor een bevallig meisje geschikt. Ik kan niet begrijpen, met welk oogmerk hij Diana in den somberen doolhof van onvruchtbare schoolsche geleerdheid inleidde, of in de even moeielijke, ofschoon op zekere, vaste grondslagen rustende wetenschappen als wiskunde en sterrekunde. Misschien had hij heimelijk het voornemen, om haar te verleiden, zoo het maatschappelijk verschil der beide geslachten te verloochenen en te verwarren. Misschien wilde hij haar aan spitsvondigheden gewennen, opdat hij te zijner tijd des te gemakkelijker aan het valsche de kleur van het ware zou kunnen geven.

Nog zonderlinger was het schandelijk doel, waarmede Rashleigh, naar den verderfelijken geest zijner leer, haar aanmoedigde, den eng begrensden kring, door het maatschappelijke gebruik om de vrouwen getrokken, te veronachtzamen en te verachten. Zij was trouwens van allen omgang met vrouwen geheel verstoken. Zij kon de gewone regels der welvoegelijkheid noch door voorbeeld noch door voorschrift leeren. Maar toch was zij met zoo veel aangeboren zedigheid en met zulk een fijn gevoel voor recht en onrecht begaafd, dat zij dat vrije, min of meer vrijpostige gedrag, dat mij bij onze eerste kennismaking zoozeer bevreemdde, nooit uit eigen neiging zou aangenomen hebben. Maar men had haar in de meening gebracht, dat verachting van de gewoonten en gebruiken der maatschappij zoowel van verstandig overleg, als van vertrouwen op de bewustheid van onschuld het bewijs kon zijn.

Haar sluwe leermeester had zeker zijn geheim doel gehad, toen hij die bolwerken sloopte, door ingetogenheid, en voorzichtigheid om de deugd opgetrokken. Overigens daarvoor, en ook nog voor andere misdaden, is hij reeds lang voor een hoogeren rechterstoel ter verantwoording geroepen.

Diana, wier heldere geest zoo vatbaar voor elk middel tot beschaving was, had niet alleen in de zoogenaamde positieve wetenschappen belangrijke vorderingen gemaakt, maar was ook met verscheidene talen bekend en met de schriften van oude en nieuwe tijden vrij goed vertrouwd. Menschen van uitstekende geestvermogens komen dikwijls 't verste, daar, waar zij den minsten bijstand hebben. Als men dit niet in 't oog hield, zouden Diana's snelle vorderingen in verscheidene takken van wetenschap bijna ongeloofelijk schijnen. Dit alles trof mij des te sterker, als ik den voorraad van die kundigheden, uit boeken verworven, met hare volstrekte onbekendheid met het werkelijke leven vergeleek. Zij scheen ieder ding te zien en te kennen, behalve dat, wat rondom haar gebeurde. Juist deze onkunde en deze kinderlijke beschouwing van gewone voorwerpen, waarmede hare overige kundigheden zulk een scherpe tegenstelling opleverden, maakten vermoedelijk den omgang met haar onwederstaanbaar betooverend, en deed met aandacht letten op al wat zij zeide of deed. Men kon volstrekt nooit vooruit weten, of haar eerstvolgend woord, haar eerstvolgende daad, de scherpzinnigste waarneming of de zonderlingste onnoozelheid zou aanduiden. Wie zich zijne eigen aandoeningen uit den bloeitijd van zijn leven herinnert, zal inzien, hoe gevaarlijk het voor een jongeling van mijne jaren en van mijn gemoedsleven moest zijn, met zulk een beminnenswaardig, zeldzaam bekoorlijk wezen steeds vertrouwelijk om te gaan.

HOOFDSTUK XIV.

Uit 't slaapvertrek van hartelief Schijnt licht. Wat straalt het fel! Waarom toch brandt mijns liefjes lamp In 't nachtelijk uur zoo hel?

Uit eene oude Ballade.

Wij leidden in het kasteel Osbaldistone een leven, zoo eenvoudig, ja zoo eentonig, dat er weinig aan te beschrijven valt. Diana en ik brachten verscheidene uren van den dag met lezen door. De overige bewoners doodden den tijd met uitspanningen en vermaken, al naar gelang van het seizoen. Nu en dan namen wij beiden er ook deel aan. Mijn oom was de slaaf van zijne gewoonten. Uit gewoonte werd hij met mijne tegenwoordigheid en mijne levenswijze zoo zeer vertrouwd, dat hij mij over het geheel vrij goed mocht lijden. Als ik gewild had, zou ik nog hooger in zijne gunst gestegen zijn. Daartoe zou ik dezelfde middelen kunnen aanwenden, waarvan Rashleigh zich bediende. Van zijns vaders afkeer van werkzaamheden partij trekkende, had hij zich van lieverlede het oppertoezicht over diens vermogen toegeëigend. Ik verleende mijn oom trouwens gaarne mijn hulp, met pen en rekenkunde, zoo dikwijls, hij aan een buurman brieven te schrijven of met een pachter eene rekening te vereffenen had. In zooverre was ik hem inderdaad van meer dienst, dan één van zijne zonen. Ik gevoelde evenwel geen lust, om hem den last zijner zaken geheel en al af te nemen. Wel placht dan de goede oude heer te zeggen: »neef Frans is een knappe, vlijtige jongen!" Maar zelden vergat hij, er in één adem bij te voegen: »Ik had niet gedacht, dat ik Rashleigh zoo zou missen."

Het is bepaald een onaangenaam gevoel in den kring van een huisgezin te leven, waar men niet met al de leden ervan op een goeden en vertrouwelijken voet staat. Ik wendde daarom pogingen aan, den tegenzin te overwinnen, dien mijne neven jegens mij vaak vrij duidelijk lieten blijken. In plaats van mijn opgetoomden hoed, ging ik een jagersmuts dragen. En wezenlijk begonnen zij gunstiger over mij te denken. Toen ik kort daarna een jong paard gedresseerd had, steeg ik nog hooger in hunne gunst. Een paar weddingschappen, welke ik bij zekere gelegenheden aan Richard verloor, en een volle beker, dien ik boven het gewone getal met mijn neef Percival ledigde, bracht mij in de beste verstandhouding met allen,--behalve met Thorncliff.

Ik heb vroeger reeds aangestipt, dat deze jonge man mij niet lijden mocht. Hij had wat meer verstand dan zijne broeders, maar tevens een veel slechteren aard. Twistziek, norsch en lichtgeraakt, beschouwde hij mij als een overtollig en lastig wezen op het kasteel. Met nijdige, jaloersche oogen zag hij mijne vriendschapsbetrekking tot Diana, die, volgens de familieovereenkomst, tot zijne bruid was bestemd. Dat hij haar beminde, kan ik trouwens niet zeggen, ten minste als ik dat woord niet in een soort van minder juisten zin wil misbruiken. Maar hij beschouwde haar als iets, dat hem toebehoorde. Het ergerde hem, dat men hem in den weg trad, terwijl hij geen middel wist, dit te voorkomen of te verhinderen. Bij verscheidene gelegenheden beproefde ik een verzoenenden toon jegens hem. Maar hij beantwoordde mijne minzame vriendelijkheid ongeveer als een knorrige hofhond, wanneer een vreemdeling hem liefkozen wil. Sedert dien tijd liet ik hem geheel aan zijne kwade luim over. Aan zijn zuur gezicht en zijne norsche manieren stoorde ik mij eenvoudig niet.

Zoo stond ik met de bewoners van het kasteel. Ik moet echter nog een anderen huisgenoot noemen, met wien ik mij nu en dan onderhield.

Het was de tuinman Andries, die, sedert hij wist dat ik Protestant was, mij zelden liet voorbijgaan, zonder mij een snuifje aan te bieden. Deze wellevendheid had voor hem intusschen menig voordeel. Vooreerst was ze goedkoop, daar ik nooit snuif gebruikte, en ten tweede verschafte zij den goeden Andries, die juist geen vriend van aanhoudend arbeiden was, eene schoone gelegenheid, om eenige minuten op zijne spade te rusten. Maar bovenal trok Andries van deze korte samenkomsten partij, om eene menigte nieuwigheden uit te kramen, of met echt-Schotschen humor zijne spotachtige praatjes en opmerkingen te luchten.

»Ja, ja, mijn beste mijnheer," zeide hij op zekeren avond met bijzonderen nadruk, »van daag ben ik in het dorp geweest."

»Zoo! wat nieuws was er in de dorpskroeg?" vroeg ik.

»Neen, neen, mijnheer, in de kroeg kom ik nooit, of de een of andere goede vriend moest mij vrij houden. Maar voor zijn eigen geld de kroeg te bezoeken, zie, dat noem ik den tijd en zijne zuur verdiende penningskens liederlijk verkwisten. Neen, mijnheer, ik had eigenlijk iets met de oude Grietje Simpson te vereffenen. Die had een paar manden peren noodig. Op het kasteel komt het op een paar zakken vol niet aan. Toen wij nu met elkander over den prijs handelden, denk eens, wie er toen bij ons binnen trad? Macready, de reizende koopman..."

»Den marskramer, meent gij?" viel ik hem in de rede.

»Nu ja, als gij hem zoo noemen wilt, mij is het wel! Maar zijne zaakjes gaan zoo slecht niet. Hij is eigenlijk mijn neef, en wij waren recht blijde, elkaar eindelijk weder eens te ontmoeten."

»En toen zijt ge met elkander in de kroeg gegaan, om een glas bier te drinken. Maar om 's Hemels wil, vertel me nu uwe geschiedenis, en zoo kort mogelijk, als ik u verzoeken mag."

»Maar mijn goede heer! heb toch geduld, geduld! Gij heeren uit Engeland zijt altijd zoo haastig gebakerd. En deze geschiedenis betreft nog wel u zelf. Bier, zegt u, zou ik gedronken hebben? Gelooft u dat? Nou, vergif moge elke droppel worden, dien mijn neef mij gaf. Neen, Grietje gaf ons beiden een slokje afgeroomde melk en een van hare dikke haverkoeken, die evenwel zoo taai als zoolleder was. Neen, dan heilig onze lekkere koeken in Schotland!--Maar hoe het zij, wij gingen dan zitten en praatten een beetje over koetjes en kalfjes."

»Maar kom dan toch eindelijk met het nieuws dat ge hebt, zoo het ten minste de moeite waard is!" riep ik ongeduldig, »want ik kan den ganschen dag niet hier blijven."

»Nu, als gij het dan volstrekt weten moet en weten wilt; in Londen maken zij vrij wat alarm over dat laatste stukje."

»Welk stukje? Wat bedoelt gij?"

»Hm! dat gevalletje met dat weergaasche valies!" hernam Andries met een sluwen blik.

»Welk valies? Wat wilt gij toch zeggen?"

»Die Morris, of hoe hij heeten mag, moet het immers verloren hebben. Maar u gaat het zeker evenmin aan, als mij. Ik zal er den kostbaren tijd niet om verspillen."

Na dit gezegd te hebben, begon hij met alle kracht te werken, alsof hij een vlaag van hevigen werklust gekregen had.

De sluwe kerel wist wel, dat hij mijne opmerkzaamheid en nieuwsgierigheid ten sterkste gespannen had. Door eene directe vraag wilde ik echter niet te veel belangstelling in de zaak verraden. Ik wachtte zwijgend, of de geest van mededeelzaamheid hem nog eens aansporen zou, den draad van zijne geschiedenis weder op te vatten. Maar Andries bleef ijverig aan 't spitten en sprak nu en dan een woord, maar over geheel andere onderwerpen. Innerlijk boos, hoorde ik hem toch aan. Ik wilde toch eens zien, hoe lang zijne halsstarrigheid zijn verlangen zou bedwingen om over eene zaak te spreken, waarmede hij blijkbaar geheel vervuld was.

»Zie zoo!" begon hij; »dat aspergie-bed is omgespit; nu nog een paar staken bij de snijboonen gezet. Die moeten zij bij het varkensvleesch hebben;--wel bekome het hun!... Wat is dat toch slechte mest, zoo hard als een steen! Ja, ja, de jager speelt den baas in de stallen, heeft zeker al de goede mest verkocht... daar sta ik u borg voor... Ja, ik moet maar doorwerken op zoo'n schoonen Zaterdag-avond, want met het weer wil het ook niet te best. Van de zeven dagen der week, hebt ge op zijn hoogst een paar, die men goed kan noemen, en daaronder is één steeds een Zondag. Maar het kan toch weêr goed worden tegen Maandag.--Ik weet niet waarom ik me lam zou werken. Ik ga maar naar het kasteel, want daar hoor ik de avondklok, zooals zij dat oude ding noemen."

En met die woorden stiet hij zijne spade in den grond en zag mij terzij heel leuk aan, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij mij wel iets gewichtigs kon ontdekken, maar ook wel verzwijgen. Eindelijk stroopte hij zijne hemdsmouwen neer en ging langzaam naar de tuinbank, waar zijn rok zorgvuldig opgevouwen lag. Ik zag nu wel, dat ik den stijfkop moest toegeven, en geduld hebben, tot het hem zou behagen, mij alles op zijne wijze te verhalen. Op zeer minzamen toon vroeg ik: »Maar Andries, wat zijn het dan voor nieuwigheden die uw neef, de reizende koopman van Londen, voor u heeft medegebracht?"

»O, u bedoelt den marskramer. Och! noem u hem maar zoo als u verkiest; zoo'n man is een onmisbaar wezen in een land, waar zoo weinig steden zijn als hier in Northumberland. In Schotland is het veel beter. Daar hebt ge het koninkrijk [8] Fife, van het eene einde tot het andere bijna één enkele groote stad: en dan nog zoo vele heerlijke vlekken met fraaie straten, schoone winkels, steenen huizen met breede stoepen. Kircaldy is grooter dan eenige stad in Engeland."

»Zeer zeker, Andries, daar is het zeer fraai, schoon en heerlijk! Maar om weder op het nieuws van Londen terug te komen..."

»Ach ja, dat is ook zoo, ziet u, ik dacht dat er u juist niet veel aan gelegen was," hernam de tuinman meesmuilende. »Mijn neef heeft mij gezegd dat zij in het Parlement vinnig boos zijn geweest over dat historietje met dien Morris, of zoo als die knaap heeten mag."

»In het Parlement?" vroeg ik; »maar hoe kwam die zaak dan daar ter sprake?"

»Ja, dat zeide ik ook al tegen mijn neef. Ik zal u woord voor woord zeggen, wat ik tegen hem zeide; want het is de moeite niet waard, er om te liegen. Neef, zeide ik tegen hem, wat hebben toch de Lords en Heeren in Londen met dien kerel en zijn valies te maken? Toen wij in Schotland nog een Parlement hadden, neefje--de duivel hale hen, die het ons ontnomen hebben! zaten de leden van dat Parlement bedaard wetten voor het land en het rijk te maken en bemoeiden zich met geen zaken, die door den gewonen rechter behoorden afgedaan te worden. Maar ik geloof, zeide ik, dat wanneer een oud wijf ergens in Engeland hare buurvrouw de muts van het hoofd scheurt, dat ze dan beiden voor het Parlement van Londen moeten komen. Het is daar bijna net zoo erg als hier, met den ouden heer en zijne zonen en jagers: die jagen geheele dagen na elkander een ongelukkig dier na en als zij dan dat dier gevangen hebben, blijkt het, dat het, waarachtig! geen zes pond zwaar is!"

»Volkomen juist aangemerkt, Andries, zeer juist! Maar wat zeide toch uw neef?"

»O, hij zeide dat men het niet anders van de Engelschen--die poddingeters,--verwachten kon. En de geschiedenis van dien Morris--nu ja, toen hebben zij weder eene kijfpartij gehouden, en toen is een onder hen opgestaan en heeft gezegd, dat het in het Noorden van Engeland wemelt van Jakobieten--nu, hij kan wel gelijk hebben--en dat zij een oorlog wilden beginnen, dat ze een koningsbode op den publieken weg hadden aangerand; dat de aanzienlijkste lieden van Northumberland daarbij waren geweest; dat zij hem veel geld en vele belangrijke papieren hadden afgenomen; dat hij geen recht had kunnen krijgen, want dat de vrederechter de beide knapen, die den diefstal gepleegd hadden, bij zich te gast had genoodigd; dat die daar ook dapper gegeten en gedronken hebben, en dat hij den een voor den ander heeft laten getuigen, en borgtocht van hen aangenomen heeft, terwijl de eerlijke man, die zijn geld had verloren, ten slotte maar blij was, nog heelhuids uit dat land weg te komen."

»Zou dat wezenlijk waar zijn?" vroeg ik verwonderd.

»Mijn neef zweert, dat het zoo waar is, als hij een goedgeijkte el heeft, en aan zijn el ontbreekt toch maar een enkel zestiende. En toen die man daar in dat Parlement uitgepraat was, begon er plotseling zulk een vreeselijk geschreeuw te ontstaan, dat hij namen noemen moest. Toen kwam hij in den nood. Hij noemde namen, eerst dien vent Morris, en ook uw oom en den rechter Inglewood en nog vele andere lieden bovendien," voegde Andries er bij, terwijl hij een sluwen blik op mij wierp. »Maar toen stond er ook aan den anderen kant van het Parlement iemand op, en zeide, dat men de braafste menschen van het land niet mocht aanklagen op den eed van een ellendigen lafaard, als deze Morris, die in den oorlog in Vlaanderen de kanonnenkoorts gekregen en schandelijk de plaat gepoetst had. Het gansche historietje was zeker met den minister reeds afgesproken en in orde gebracht, eer de kerel nog een voet buiten Londen had gezet. Zoo men huiszoeking wilde doen, zou men het geld, dat men hem ontnomen had, misschien niet ver van het koninklijk paleis vinden. En wat gebeurde er toen? Die Morris werd voor het Parlement gebracht, en hij moest zeggen, hoe de vork eigenlijk in den steel stak. Maar de menschen, die tegen hem waren, somden al zijn gauwdievenstreken, die hij in zijn vroeger leven gepleegd had, zoo breed en duidelijk op, dat de lafaard eer op een lijk dan op een levend wezen geleek, zei mijn neef. Geen enkel verstandig woord konden zij uit hem krijgen, zoo bitter was hij door dat geschreeuw en dat uitschelden in de war gemaakt. Bij mijne zondige ziel, de kerel moet een kop hebben als een bevroren raap! Zij hadden lang kunnen schreeuwen eer zij mij in de war zouden gebracht hebben!"

»En waarop liep dat alles dan uit? Heeft uw neef dat ook niet vernomen, vriend Andries?"