Robbert Roodhaar

Part 12

Chapter 123,781 wordsPublic domain

»Waar gij schipbreuk hebt geleden?" viel Rashleigh mij in de rede. »Zou dat de moeite waard zijn? Het is geen eiland van Calypso, vol lommerrijke boomen en boschachtige doolhoven; niets dan eene nare, dorre, eenzame heide, waar volstrekt niets de nieuwsgierigheid aantrekt of het oog boeit. Ge behoeft ze maar even te overzien en dan zult gij ze in hare naaktheid even goed kunnen beschrijven, als of ik, volgens alle regels der kunst, u een teekening ervan gegeven had."

»Maar er is daar toch iets, dat een nauwkeurig onderzoek alleszins verdient!" hernam ik. »Wat zegt gij van Diana Vernon? Is zij niet een bekoorlijk voorwerp in het landschap, al ware dan ook alles rondom haar zoo akelig en onbehagelijk, als de kust van IJsland?"

Rashleigh had niet veel lust in het gesprek, dat ik trachtte aan te knoopen, dat zag ik wel. Maar ik had door mijne openhartige mededeeling het recht verkregen, om nu ook van mijn kant vragen tot hem te richten. Hij gevoelde dit, en zag zich genoodzaakt aan mijne uitnoodiging te voldoen, hoe moeielijk het hem ook viel, zijne rol hier goed te spelen.

»Sinds eenigen tijd ben ik met freule Diana minder van nabij bekend dan voorheen het geval was," begon hij. »In hare jeugd was ik haar leermeester; toen zij echter tot zekere jaren kwam, werd door mijne vele bezigheden, door de eischen van het ambt, waartoe ik bestemd was, door hare geheel bijzondere betrekkingen--kortom, onze wederzijdsche omstandigheden maakten eene innige vertrouwelijkheid gevaarlijk en onvoegzaam. Ik geloof wel, dat Diana mijne koelheid voor gebrek aan toegenegenheid houdt. Maar het was mijn plicht mij terug te trekken. Het griefde mij evenzeer als het haar schijnt te grieven, dat ik mij genoodzaakt zag, voorzichtig voor mij zelf te zijn. Maar zoo ik eene vertrouwelijke verkeering wilde voortzetten met een schoon en gevoelvol meisje, wier hart zich òf aan het klooster, òf aan een bruidegom moet wijden, liep ik immers gevaar."

»Het klooster of een bruidegom?" herhaalde ik. »Moet Diana tusschen deze beide uitersten kiezen?"

»Ja!" antwoordde Rashleigh zuchtend. »Ik behoef u dus niet te zeggen, hoe gevaarlijk het is, als men de vriendschap voor Diana tot vertrouwelijkheid liet overgaan. Gij zijt met de wereld bekend. Gij zult wel weten, hoe ver gij in den omgang met haar gaan kunt, zonder uwe veiligheid in gevaar te stellen of onbillijk jegens haar te worden. Laat u echter waarschuwen en vergeet niet, dat gij met uw onstuimig karakter alle redenen hebt, om uwe ervaring zoowel over haar, als over u zelven een wakend oog te laten houden. Want het voorval van gisteren heeft u getoond, hoe groot hare onbezonnenheid is, en hoe zij soms over alle gepaste grenzen heenspringt."

Ik gevoelde dat er iets waars en verstandigs in deze aanmerking lag, die mij vriendelijk scheen te waarschuwen. Ik had dus geen recht, ze hem kwalijk te nemen. Maar ik gevoelde tevens, dat ik Rashleigh, terwijl hij sprak, met zeer veel genoegen zou hebben kunnen doorsteken. »Welk eene onbeschaamdheid!" dacht ik bij mij zelven. »Mij wijs te maken, dat Diana op zijn leelijke tronie verliefd geworden is, ja, zoo diep, dat koelheid van zijne zijde jegens haar noodig was, om haar van een onbedachtzamen hartstocht te genezen?" Ik nam mij voor, zijne onbewimpelde meening daarover te hooren, al zou ik ze hem ook met geweld afpersen.

Daarom trachtte ik mijne drift zoo veel mogelijk te bedwingen. Ik zeide kalm dat het mij innig speet, dat een meisje met zooveel gezond verstand en zulke uitstekende talenten in hare houding eenigszins onbezonnen en ruw was.

»Zij is, op zijn zachtst genomen, zeer vrij en zonder de geringste voorzichtigheid," antwoordde Rashleigh. »Maar geloof mij, zij heeft een voortreffelijk hart. Om u de waarheid te zeggen, mocht zij in haar tegenzin in het klooster en in den voor haar bestemden bruidegom volharden, en als dan mijne werkzaamheden in de goudmijnen van Plutus mij eene goede onafhankelijkheid verschaffen, dan zal ik er zeer ernstig aan denken, de afgebroken verbintenis weder aan te knoopen en wat ik bezit, met Diana te deelen."

»O, Rashleigh! akelige kerel!" dacht ik bij mij zelven. »Ondanks uwe lieve, zachte woordjes en uwe fraai gesponnen rede, zijt ge toch de hatelijkste en ingebeeldste gek, dien ik in mijn leven heb ontmoet."

»Maar aan de andere zijde," vervolgde Rashleigh, als sprak hij tot zich zelven; »ongaarne zou ik Thorncliff verdringen."

»Thorncliff verdringen?" herhaalde ik ten uiterste verrast. »Is uw broeder Thorncliff de voor Diana bestemde bruidegom?"

»Wel zeker! zoo is het; tenminste volgens de voorloopige bepaling. Haars vaders uiterste wil en eene familie-overeenkomst hebben haar voor een van mijns vaders zonen bestemd. In de vergunning welke men met dat oogmerk te Rome verkregen heeft, staat slechts de geslachtsnaam Osbaldistone, zoon van Hildebrand Osbaldistone, enz.; maar voor den doopnaam is de plaats opengelaten, en nu is de vraag wie de gelukkige zijn moet, wiens naam die opengelaten plaats moet aanvullen. Daar nu mijn broeder Percival zelden nuchteren is, zoo heeft mijn vader zijn oog op den tweeden telg geworpen, die het best geschikt is, om den stam voort te planten."

»Ha, ha!" lachte ik. Ik dwong mij, een schertsenden toon aan te nemen, maar het ging mij slecht af.--»Diana zou misschien liever wat lager langs den stamboom een tak zoeken, waaraan zij zich zou kunnen verbinden."

»Dat kan ik juist niet zeggen!" antwoordde hij. »In onze familie is de keuze vrij beperkt. Richard is een speler, John een boer en Wilfred een ezel; en ik geloof dus wezenlijk, dat mijn vader voor de arme Diana zeer doelmatig gekozen heeft."

»Neef Rashleigh altijd uitgezonderd, dat spreekt van zelf!" viel ik hem in de rede.

»Ik kon toch waarlijk, als voor den geestelijken stand bestemd, niet in aanmerking komen. Overigens wil ik niet tegenspreken, dat men anders in mij een betere keus zou gedaan hebben dan in een van mijn oudere broeders, daar mijne opvoeding mij in staat zou gesteld hebben, om Diana te onderwijzen en te leiden."

»En ik mag zeker wel vermoeden, dat Diana er zelve ook zoo over denkt....?"

»Dat moogt gij nog zoo gaaf niet onderstellen," hernam Rashleigh, maar met een dubbelzinnigen glimlach, die, in plaats van hetgeen ik gezegd had te wederleggen, de sterkste bevestiging daarvan scheen. »Vriendschap, alleen, niets dan vriendschap knoopte den band tusschen ons. Ja, er was toegenegenheid van het jeugdig, zich gul ontsluitend hart jegens den eenigen leermeester. Maar de liefde heeft ons nooit hare macht doen gevoelen. Ik heb u immers gezegd, dat ik bijtijds verstandig was."

Ik had geen lust, om het gesprek verder voort te zetten. Ik maakte mij met een paar woorden van Rashleigh af en spoedde mij naar mijne kamer. Ik liep driftig op en neer, en herhaalde luid de uitdrukkingen, die mij het meest beleedigd hadden. »Toegenegenheid! Liefde! Diana Vernon, het schoonste meisje dat ik ooit gezien had, verliefd op zulk een leelijken, in alle opzichten hatelijken kerel! Volkomen Richard de derde, behalve dat hij niet gebocheld is! Maar hoe veel gelegenheid moet hij gehad hebben haar te bepraten, terwijl hij haar les gaf! En dan met zijne gave, om zijne gedachten schoon en vloeiend uit te drukken! En daarbij was zij afgesloten van andere verstandig sprekende menschen! Ja, haar openlijke afkeer van hem, gepaard aan hare bewondering van zijne geestvermogens, gelijkt zeer sterk op de gevolgen van eene verwaarloosde toegenegenheid. Maar wat gaat mij dit aan? Moet ik daarover verdrietig zijn? Is Diana Vernon het eerste aardige meisje, dat een leelijken kerel bemind of gehuwd heeft? Of het wel een Osbaldistone is, die aanspraak op haar heeft of niet? En wie van het geslacht dat zijn zal? Waarover zou ik mij daarover bekommeren? Ze is Katholiek--ze is eene Jacobietin....--Ja! ze is een woest schepsel daarenboven--ik zou wel dol moeten zijn om er aan te denken!"

Door deze beschouwingen wilde ik de vlam van mijn wrevel smoren. Maar ze bleef smeulen in mijn hart. Het was niet in eene erg opgeruimde stemming, dat ik aan tafel verscheen.

HOOFDSTUK XII.

Zuipen--zwetsen--kijven--vloeken! Met d' eigen schaduw ruzie zoeken!

Othello.

Mijn waarde Tresham, het was zeker niets nieuws voor u, toen ik u eens zeide, dat mijn voornaamste gebrek van ouds eene ontembare hooghartigheid was, die mij tallooze onaangenaamheden heeft berokkend. Zelfs niet half luid, zelfs niet in mijne gedachten had ik tot dusver durven wagen te bekennen, dat ik Diana beminde. Maar nauwelijks had Rashleigh van haar gesproken, als van een prooi, die hij nog wel eens kon medenemen of die hij, als hij er lust in had, ook naar welgevallen, kon laten liggen, zie! toen blies mijn trots mij in, dat elke stap door het lieve meisje in alle onschuld en openhartigheid gedaan, om een vriendschappelijken band met mij aan te knoopen, niets dan beleedigende coquetterie was. »Ha! zij zou zich dan maar met mij behelpen, als het den heer Rashleigh niet behaagt zich over haar te ontfermen? Maar ik zal haar toonen, dat ik de man niet ben, die zich zoo in den val laat lokken. Zij moet begrijpen, dat ik haar spel doorzie en veracht!"

Ik dacht er aan, dat die ergernis die ik zonder het minste recht voedde, juist duidelijk bewees, dat Diana mij minder dan ooit onverschillig was....Innig vergramd op haar en alle dochters van moeder Eva, zette ik mij naast haar neder.

Diana was verrast, toen ik op eenige plagerijen en spottende uitvallen, welke zij met hare gewone vrijmoedigheid waagde, onvriendelijke antwoorden gaf. Maar zonder in het minst vermoeden, dat het van mijne zijde kwaad gemeend was, beantwoordde zij mijne vrij ruwe woorden met scherts, die door hare vroolijke luim wel getemperd, maar tevens gescherpt werd. Eindelijk merkte zij, dat ik wezenlijk niet goed gemutst was. »Men is gewoon te zeggen, mijnheer Osbaldistone," zeide zij op eenigszins spijtigen toon, »dat men zelfs van gekken iets verstandigs leeren kan. Onlangs wilde neef Wilfred niet langer »handjeklap" met neef Thorncliff spelen, omdat neef Thorncliff veel harder toesloeg, dan de wetten van een vriendschappelijk spel veroorloofden. Wilde ik ook zoo toeslaan, zei de goede Wilfred, dan zou het mij weinig moeite kosten uwe hand in weinige oogenblikken verschrikkelijk te doen opzwellen. Maar dat wil ik niet; en nu vraag ik, of het niet heel onbillijk van u is, mij zulke harde slagen toe te brengen, terwijl ik slechts in den wind sla? Kunt gij de toepassing hiervan vinden, mijnheer Frans?"

»Dank u, freule. Ik zie de noodzakelijkheid niet om mij in het weinigje vernuft, waarmede men hier het gezellige onderhoud tracht te kruiden, nader te verdiepen."

»Noodzakelijkheid? Gij verbaast mij, mijnheer Osbaldistone!"

»Dat spijt mij zeer!" gaf ik ten antwoord.

»Moet ik dezen stijven toon als ernst beschouwen? Of neemt gij dien slechts aan, om uwe goede luim des te meer waarde bij te zetten?"

»Gij hebt op de opmerkzaamheid van zoo vele heeren in dit huis eene rechtmatige aanspraak, freule Vernon, dat het voor u wezenlijk niet de moeite waard kan zijn, u om mijne onbevattelijkheid of sombere gemoedsstemming verder te bekommeren."

»Hoe? ik moet dus gelooven, dat gij mijne partij verlaten hebt en tot den vijand zijt overgeloopen?"

Dit zeggende, keek zij over de tafel heen. Op eens bemerkte zij, dat Rashleigh, die tegenover ons zat, met eene geheel eigenaardige uitdrukking van belangstelling op zijne leelijke trekken ons aankeek. Half schertsend, alsof zij een versje reciteerde, ging zij voort:

O, aaklige gedachte! Ik zie het, het is waar! Rashleigh de leelijke, hij knikt mij lachend toe, En wijst op u, als waart gij....

»Maar neen! Goddank! Mijn weerlooze toestand heeft mijn geduld geoefend. Ik word niet zoo licht boos. Maar tot twisten wil ik ook niet gedwongen worden. Ik heb dus de eer u, vroeger dan gewoonlijk, goeden avond en een spoedig herstel van uw kwade luim toe te wenschen."

Zij verliet de kamer. Toen zij vertrokken was, deed ik mij al spoedig verwijten over mijn gedrag. Ik had de welwillendheid, die mij te gemoet kwam, en welker gulle oprechtheid ik eerst kort geleden had leeren kennen, moedwillig teruggestooten. Ik was zelfs op het punt geweest, het lieve meisje te beleedigen. Niet zonder eenigen nadruk had zij mij aan haar weerloozen toestand herinnerd. Om de grievende gewaarwordingen, welke het berouw over mijn ruw gedrag mij veroorzaakte, te bestrijden, of wel om ze te vergeten, sprak ik vaker dan gewoonlijk de flesch aan, die rondging.

Ik verkeerde in eene opgewonden stemming. Bovendien, ik was geen wijndrinker. Des te spoediger ondervond ik de uitwerking van den drank. Geoefende drinkers mogen in staat zijn een zee van bedwelmende dranken naar binnen te gieten, zonder daarvan eenige bedwelming te gevoelen. Wie nuchteren reeds opgewonden is, wachte zich voor dergelijke gevaarvolle proef, en vooral iemand, die de dronkenschap slechts bij naam kent. Toen die geesten eenmaal opgewekt waren, liet ik mij spoedig door de bedwelming meesleepen. Ik praatte onophoudelijk door, twistte over dingen waarvan ik volstrekt niets wist, verhaalde historietjes, welker einde ik er vergat bij te voegen, lachte om mijne eigen vergeetachtigheid, wedde, zonder de minste kennis van het voorwerp der weddingschap te hebben, en waagde het zelfs, den reusachtigen John tot eene vechtpartij uit te dagen. Mijn oom was zoo verstandig, om deze dolheid te voorkomen, die anders hoogst waarschijnlijk vrij erg voor mij zou afgeloopen zijn. Lastertongen beweerden zelfs, dat ik in dien toestand een liedje had gezongen. Maar omdat ik mij in het geheel niets daarvan herinner, en noch voor, noch na dien tijd ooit een enkele zangnoot uit mijne keel gehaald heb, zal deze laster, vertrouw en hoop ik, wel van allen grond ontbloot zijn: Trouwens vrees ik, dat mijn gedrag, ook zonder deze overdrijving, onbehoorlijk genoeg zal zijn geweest. Ik verloor mijne bewustheid niet, maar wel alle zelfbeheersching; mijne onstuimige driften sleurden mij heen en weder. Onvergenoegd, gemelijk, boos en met het vaste voornemen om een diep stilzwijgen te bewaren, was ik gaan zitten; maar in de praatzieke, twistachtige stemming, waarin mijn roes mij gebracht had, sprak ik ieder tegen, die zich liet hooren, en, zonder eenig ontzag voor den persoon, verschoonde ik zelfs mijns ooms beginselen en geloofsmeeningen niet. Ik werd woedend door Rashleigh's gemaakte ingetogenheid. Zijne bedaarde tergende spot prikkelde en ergerde mij veel meer dan de woeste en bulderende taal van zijne broeders. Mijn oom wendde--dit bemerkte ik, en moet het hier tot zijn eer getuigen--zijn beste pogingen aan, om ons tot bedaren te brengen, maar zijn gezag vermocht niets tegen de bedwelming van den roes en de hitte der driften. Woedend over eene wezenlijke of ingebeelde beleedigende uitdrukking, lichtte ik eindelijk mijne hand tegen Rashleigh op. Geen stoïcijn, boven eigen en vreemde hartstochten verheven, zou zulk eene beleediging met een hoogeren graad van verachting hebben kunnen beantwoorden, dan hij deed. Het scheen alsof hij het niet de moeite waard achtte zich eenigszins gevoelig te toonen, maar zijn broeder Thorncliff nam terstond den handschoen voor hem op. De degens werden getrokken en wij hadden reeds een paar stooten gewisseld, toen de andere broeders ons met geweld scheidden. Nooit vergeet ik den duivelschen grijns, die Rashleigh's hatelijk gelaat vertrok, toen ik door de vereenigde kracht van twee jonge reuzen uit de zaal werd gesleept. Zij brachten mij op mijne kamer, welker deur zij dicht sloten, en ik werd razend om het luide gelach, waarmede zij de trap afgingen. In mijne machtelooze woede trachtte ik hen na te snellen, de traliën van de vensters uit te rukken, de vast gegrendelde deur open te breken; maar te vergeefs. Eindelijk wierp ik mij op het bed en sliep in onder het stellige voornemen, om mij den volgenden dag vreeselijk te wreken.

Maar met den volgenden morgen kwam een innig berouw over mij en keerde mijne bezinning terug. Met smart gevoelde ik het onwelvoegelijke en belachelijke van mijn gedrag. Ik moest aan mij zelven de bekentenis afleggen, dat de roes en mijne driften mij vernederd hadden, diep beneden Wilfred Osbaldistone, dien ik zoo zeer verachtte. Bij mijne troostelooze overdenkingen kwam een nederdrukkend gevoel, toen ik de noodzakelijkheid overwoog, mijn gedrag te verontschuldigen, toen ik bedacht, dat Diana de getuige van mijne vernedering moest zijn. De door mij tegenover haar aangenomen houding en gebezigde uitdrukkingen droegen niet weinig bij, om de kwellingen van mijn toestand te vermeerderen. En daarvoor kon ik niet eens de armzalige verontschuldiging van een roes aanvoeren!

Zoo gepijnigd door schaamte en vernedering, ging ik naar beneden ontbijten, als een misdadiger naar zijne rechters om zijn vonnis te hooren uitspreken. Eene harde vorst maakte het juist ondoenlijk de honden buiten te laten. Ik ondervond ook nu nog de vernedering, de gansche familie, Rashleigh en Diana uitgezonderd, vergaderd te vinden rondom eene koude wildpastei en een stuk rundvleesch. Toen ik binnentrad waren allen aan het lachen, en ik kon licht bemerken dat zij zich ten mijnen koste vroolijk maakten. Maar boos gemeend was het niet. Wat mij een zelfvernedering scheen, beschouwden mijn oom en de meeste mijner neven als een heel aardig grapje. Hij schertste over het gebeurde van den vorigen avond, en beweerde, dat het veel beter was dat een jongeling zich driemaal daags een roes dronk, dan dat hij, als een Presbyteriaan, nuchter naar bed sloop en een gezelschap vroolijke gasten bij de volle flesch verliet. Tot bevestiging dezer troostvolle woorden, vulde hij een grooten beker met brandewijn, en ried mij aan »een haar in te slikken, van den hond die mij gebeten had."

»Laat de jongens maar lachen, neefje!" vervolgde hij; »zij zouden juist zulke melkbaarden zijn als gij, zoo ik hen niet met de flesch in de hand tot stevige drinkers gevormd had."

Over het algemeen ontbrak het mijn neven niet aan goedhartigheid. Toen zij zagen, dat de herinnering aan den vorigen avond mij lastig, ja pijnlijk was, poogden zij met eene lompe vriendelijkheid den onaangenamen indruk uit te wisschen. Thorncliff alleen zag er knorrig en onverzoenlijk uit. Reeds dadelijk na mijne komst op het kasteel kon hij mij niet verdragen. Aan de bewijzen van welwillendheid, welke ik nu en dan van zijne broeders ontving, hoe ruw en ongemanierd die dan ook waren, had hij nooit deel genomen. Werd hij wezenlijk, waaraan ik echter begon te twijfelen, door de overigen als Diana's bruidegom beschouwd? Of hield hij zich zelven daarvoor? In ieder geval kon er licht eene opwelling van jaloezie in hem ontstaan zijn, toen hij hare bijzondere vriendelijkheid jegens mij bemerkte. Een gevaarlijken medeminnaar vreesde hij zeker in mij.

Eindelijk trad Rashleigh binnen. Zijn gelaat was somber als een rouwkleed. Ik kon er niet aan twijfelen, dat hij over de onvergeeflijke en smadelijke beleedigingen, welke ik hem had aangedaan, wrok koesterde. Ik was het reeds met mij zelven eens, hoe ik mij bij deze gelegenheid moest gedragen. Ik was vast overtuigd, dat de ware eer daarin bestaat, om zich wegens eene beleediging, welke met deze of gene vermeende uittarting in geene verhouding staat, bescheiden te verontschuldigen, maar om ze niet te verdedigen.

Ik ijlde hem te gemoet, en betuigde mijn innig leedwezen over de onbetamelijke drift, waaraan ik mij den vorigen avond had schuldig gemaakt.

»Niets," zeide ik, »zou mij een enkel woord van verontschuldiging afgedwongen hebben, maar ik heb de overtuiging, dat mijn gedrag onvoegzaam is geweest. Ik hoop dat mijn neef met mijn oprecht berouw genoegen zal nemen en tevens bedenken, dat het tusschen hem en mij voorgevallene aan de overvloedige gastvrijheid van zijn vaderlijk huis te wijten is."

»Gij moet weder vrienden met elkander worden, jongens! ja, dat moet gij!" riep de wakkere ridder in de opwelling zijns harten; »en gebeurt dat niet, dan noem ik Rashleigh, zoo waar ik leef, niet meer mijn zoon! Waarom staat gij dan daar, Rashleigh, zoo stijf en onbewegelijk als eene marmeren beeld? Het doet mij leed! ziedaar alles, wat een man van eer in zulke gevallen zeggen kan, voornamelijk, als de door hem aangedane beleediging bij de flesch is geschied. Ik ben ook soldaat geweest, en weet zoo tamelijk, hoe men zich in zaken van eer moet gedragen. Laat mij er dus geen woord meer van hooren. Alles is vergeten en nog heden gaan wij met elkander op de dassenjacht in het berkenbosch."

Zooals ik reeds gezegd heb, was Rashleigh een zeldzaam wezen. Niemand heb ik ooit gekend, die op hem geleek.

Het zonderlinge van zijn gelaat lag niet alleen in de trekken, maar ook in de afwisselende uitdrukking. Wanneer op andere gezichten droefheid in vreugde, of misnoegen in tevredenheid verandert, dan heeft er een zekere overgang plaats, voor dat de uitdrukking van de heerschende stemming de vroegere geheel verdringt. Tusschen het wegtrekken van de duisternis en het opgaan der zon heerscht schemering. Bij ieder ander mensch ziet men de verandering--terwijl de opgezwollen aderen verdwijnen, het donkere oog opheldert, het voorhoofd zich ontrimpelt, en al de overige trekken hunne sombere schaduwen verliezen allengs kalm en opgeruimd worden. Niets van dien aard was er op Rashleigh's gelaat te bespeuren. Bijna plotseling veranderde de eene uitdrukking van hartstocht in de tegenovergestelde. Ik kan inderdaad geene meer passende vergelijking vinden, dan de snelle tooneelverwisselingen, wanneer op het geluid van het fluitje achter het tooneel, een akelig hol verdwijnt en een heerlijk bosch uit den grond oprijst.

Ik had dit reeds meermalen waargenomen, maar nu vooral werd op deze bijzonderheid mijne opmerkzaamheid onwederstaanbaar gevestigd. Donker, als de nacht, zag Rashleigh er uit bij zijn binnentreden. Met een somberen blik hoorde hij mijne verontschuldigingen en zijns vaders vermaning aan; doch nauwelijks had deze geëindigd, of plotseling verdween de zwarte wolk, en het minzaamste, hoffelijkste antwoord volgde.--»Beste neef! Ik heb u niets te vergeven. Waarlijk," dus begon hij, »als ik meer drink dan mijne gewone drie glazen, dan wordt mij het hoofd al dadelijk zoo licht, dat ik, als de goede Cassio, mij slechts een verward denkbeeld van den verloopen nacht kan vormen. Ik herinner mij eene menigte dingen, doch niets bestemds; wel deze of gene woordenwisseling en twist, maar niet de aanleiding daartoe. Gij kunt derhalve wel denken, waarde neef," vervolgde hij, mij vriendelijk de hand drukkende, »hoe warm het mij om het hart wordt, nu ik hoor dat ik eene verontschuldiging van u ontvang, in plaats van u mijne verontschuldiging te moeten maken. Kom, kom, geen woord meer over het gansche geval! Ik zou al zeer dwaas moeten zijn, wilde ik de rekening nog nader onderzoeken. Ik was bang dat de balans nadeelig was. En nu is zij zoo geheel onverwacht en aangenaam in mijn voordeel uitgevallen.--Gij ziet neef, dat ik mij reeds oefen in de taal van mijn toekomstig beroep."

Juist wilde ik hem antwoorden en sloeg de oogen op, toen ik Diana ontdekte, die gedurende ons gesprek ongemerkt binnengetreden was en aandachtig geluisterd had. Beschaamd en ontsteld zag ik voor mij neer en spoedde mij naar tafel, waar ik mij tusschen mijne neven plaatste, die reeds druk aan den maaltijd waren.