Part 11
»Gij hebt u zeer welsprekend en beeldrijk uitgedrukt!" zeide Diana, die hem blijkbaar met ongeduld had aangehoord; »maar tegen uwe redeneering zijn, meen ik, twee tegenwerpingen te maken. Vooreerst is ze niet waar, en ten tweede dient ze, zoo ze al waar mocht zijn, hier volstrekt niets ter zake."
»Ik zeg u, schoone Diana," hernam Rashleigh, »dat mijne verklaring waar en bovendien hier geheel van toepassing is. Zij is waar: want gij zult mij toch wel willen toestemmen, dat ik land en volk nauwkeurig ken, en dat mijne schildering de vrucht van eene scherpe en aandachtige opmerkzaamheid is. Zij dient ter zake: want zij beantwoordt de vraag van mijn neef, en toont aan, waarom deze voorzichtige Schot aarzelde, daar onze bloedverwant noch zijn landsman, noch zijn stamgenoot is, noch tot een van de tallooze zijtakken behoort, waaruit de stamboomen aldaar bestaan. En omdat hij er bovendien geen persoonlijk voordeel van te wachten heeft, maar integendeel veel tijdverlies in zijne beroepsbezigheden moet vreezen--"
»En andere onaangenaamheden, die misschien nog meer te duchten zijn!" viel Diana hem in de rede.
»Welzeker, er kunnen allerlei lastige zaken uit ontstaan," hernam Rashleigh op denzelfden bedaarden toon. »Kortom, mijne ophelderingen toonen aan, waarom deze man, daar hij volstrekt geen voordeel te verwachten, maar wel degelijk eenige onaangenaamheden te duchten had, zich alleen na veel moeite van mijne zijde overhalen liet, om zijn getuigenis ten gunste van onzen neef af te leggen."
»Ik heb de verklaring van den goeden Morris vluchtig ingezien," begon ik weder. »Het heeft mij zeer verwonderd, dat met geene enkele letter gewag er van gemaakt is, dat Campbell bij hem is geweest, toen hij door de roovers aangevallen werd."
»Campbell had, zoo als ik van hem gehoord heb, zich door Morris plechtig doen beloven, van deze omstandigheid niet te zullen reppen," antwoordde Rashleigh. »Waarom hij hem deze belofte afgedwongen heeft, kunt gij uit mijne gegeven wenken licht gissen. Hij wenschte op zijne terugreis naar huis door geen gerechtelijk onderzoek opgehouden te worden. Als het bekend geworden was, dat hij bij de aanranding tegenwoordig was geweest, zou hij in dat onderzoek gemengd zijn geworden, zoo lang hij zich nog in Engeland bevond. Maar laat hem maar eerst over de grenzen zijn, dan zal Morris zeker terug komen en alles zeggen, wat hij van hem weet, en misschien nog veel meer. Er komt nog eene andere omstandigheid bij. Campbell, die een vrij aanzienlijken handel in vee drijft, zendt dikwerf groote kudden naar Northumberland. Bij zulke belangrijke verzendingen zou hij zeer onvoorzichtig handelen, met de dieven hier te lande, die de wraakzuchtigste wezens ter wereld zijn, een oorlog te beginnen."
»Dat wil ik bezweren," zeide Diana op een toon, die iets meer scheen te kennen te geven dan eene eenvoudige toestemming.
»Ik wil gaarne gelooven," begon ik weder, »dat Campbell gegronde redenen gehad heeft, om van Morris geheimhouding te vorderen. Maar ik kan niet begrijpen, hoe hij zoo veel invloed op den man heeft kunnen verkrijgen, om hem tot het terughouden van zijn getuigenis in dit voorval te bewegen. Immers, Morris liep gevaar wantrouwen omtrent zijne eigen geschiedenis te verwekken."
Rashleigh stemde toe, dat dit zeer zonderling was. Ja, het scheen hem nu te spijten, dat hij den Schot over deze omstandigheid, die hij zelf geheimzinnig vond, niet nader ondervraagd had. »Maar," voegde hij er schielijk bij, »zijt gij wel volkomen zeker, dat Morris in zijne verklaring volstrekt niets van Campbell gezegd heeft?"
»Ik doorliep het papier wel is waar slechts vluchtig," antwoordde ik; »maar ik herinner mij nog levendig, dat ik er niets van dien aard in gelezen heb; of het moest zoo flauwtjes aangeroerd zijn, dat het mijne opmerkzaamheid ontsnapt is."
»Juist, juist!" hernam Rashleigh, mij dadelijk bij het woord vattende, »dit zal het wezen. Er zal van die omstandigheid wel degelijk gewag gemaakt zijn, maar zoo ter loops, zoo vluchtig, dat het uwe opmerkzaamheid moest ontgaan. Voor het overige vermoed ik, dat Campbell van de vreesachtigheid van Morris partij heeft getrokken, om hem op zijne zijde te krijgen. De lafhartige man moet, zooals ik hoor, naar Schotland, om zekere kleine aangelegenheden voor de regeering te bezorgen, en onder zulke omstandigheden zou hij zeker niet gaarne met den geduchten Campbell op een onaangenamen voet willen komen. Op het gezicht alleen van dezen Herkules, moet hem het weinigje moed, dat hij bezit, geheel en al in de schoenen zinken. Gij zult toch wel opgemerkt hebben, dat Campbell in zijn voorkomen iets krijgshaftigs en in zijn toon en houding zelfs iets woests heeft."
»Ik moet bekennen," hernam ik, »dat zijne houding mij wezenlijk vreemd toescheen. Zijn geheele voorkomen was in strijd met de bedaarde en erg vredelievende uitdrukkingen die hij bezigde. Is hij vroeger in krijgsdienst geweest?"
»Ja--neen--Juist niet in krijgsdienst, maar hij heeft toch, meen ik, zoo als de meeste van zijne landslieden, de wapenen gevoerd. In het gebergte gaat men, schier van kindsbeen af tot aan het graf toe, met wapenen om. Nu gij toch uw reisgenoot kent, zult gij licht beseffen, dat hij, voornemens zijnde in zulk een land te reizen, elken twist met een inboorling zoo veel mogelijk tracht te vermijden. Maar ik zie, dat de wijn u niet meer smaakt. Och, ik ben eigenlijk ook een ontaarde telg van het geslacht Osbaldistone, voor zoover het de wijnflesch betreft. Gaat gij met mij naar mijne kamer, dan spelen wij een partijtje piket?"
Wij stonden op om Diana te verlaten, die met in het oog loopende moeite zich telkens bedwongen had, om Rashleigh niet driftig in de rede te vallen. Toen wij wilden heengaan, barstte haar wrevel toch even los.
»Uwe eigen scherpzinnigheid," riep zij mij luide toe, »zal u in staat stellen te beoordeelen, of dat, wat Rashleigh van Campbell en Morris gezegd heeft, waar of onwaar is. Maar in zijne honende uitdrukkingen tegen Schotland, heeft hij een valsch getuigenis tegen een geheel land gesproken, en ik bid u aan zijne verklaringen volstrekt geen gewicht te hechten."
»Ik vrees, dat het mij misschien moeilijk zal vallen aan uwen raad te gehoorzamen," hernam ik, »want ik moet bekennen, dat mij bij mijne opvoeding juist geen te gunstig denkbeeld van onze noordelijke naburen werd ingeprent."
»Vergeet dan in dit opzicht uwe opvoeding, en laat de dochter van een Schot u bewegen, het vaderland van hare moeder te eerbiedigen, tot eigen ondervinding u zal overtuigd hebben, dat het uw goeden dunk niet verdient. Maar bestraf huichelarij, laaghartigheid en valschheid, waar gij ze ook mocht vinden, met haat en verachting. Zonder Engeland te verlaten, kunt gij die schandelijke ondeugden talrijk genoeg aantreffen. En hiermede, mijne heeren, goeden nacht!"
En ze wees naar de deur, als eene vorstin, die haar gevolg wegzendt.
We begaven ons naar Rashleigh's kamer, waar een bediende ons koffie en kaarten bracht. Ik had besloten, met betrekking tot het voorgevallene van dezen dag, niet verder bij Rashleigh na te vorschen. Een geheim--en, naar ik geloofde, niet van den aangenaamsten aard--scheen zijn gedrag te omsluieren. Maar wilde ik mij overtuigen of mijn argwaan gegrond was, dan moest ik hem volkomen geruststellen. Wij begonnen te spelen, en waren weldra geheel in ons spel verdiept. Ik meende zelfs in dit onbeduidende tijdverdrijf--want de inzet, volgens Rashleigh's voorstel bepaald, was inderdaad eene kleinigheid--het heftige, eerzuchtige karakter van mijne tegenpartij te herkennen. Hij scheen het spel volkomen te verstaan. En evenwel, als ware het uit beginsel, gaf hij aan koene en gewaande slagen de voorkeur boven het in acht nemen der gewone regels van het spel; zoodat hij geringere, voor de hand liggende voordeelen verwaarloosde, en alles waagde om een zestiger of negentiger te krijgen, of alle trekken te maken. Maar nadat eenige spellen ons gesprek hadden afgebroken, scheen Rashleigh dit tijdverdrijf moede te zijn, en legde hij de kaarten ter zijde, om het gesprek weder aan te knoopen.
Hij was eigenlijk meer geleerd dan wezenlijk verstandig. Hij kende het menschelijk gemoed uitmuntend, maar hij was eenigszins vreemd aan de zedelijke beginselen, welke de menschen behooren te leiden. Hij bezat de gave van onderhoudend te zijn, en wel zoo, als ik het zelden door iemand geëvenaard en zeker door niemand overtroffen heb gevonden. Hij scheen zich van dit voorrecht wel bewust; ten minste het kwam mij voor, dat hij zich zeer veel moeite had gegeven tot ontwikkeling van zijne natuurlijke gaven; zijn welluidende stem, zijn vloeiende, boeiende wijze om zich uit te drukken, zijn gepaste keuze en ontwikkeling van denkbeelden en zijn licht bewegelijke fantasie. Nooit was hij luidruchtig, nooit opvliegend, nooit zoo zeer met zijne eigen gedachten vervuld, om het geduld of het bevattingsvermogen van hen, met wie hij sprak, af te matten. Zijne denkbeelden vloeiden onafgebroken kalm voort. De spreekwijze van anderen, die in het gezellig onderhoud zeer aangenaam meenden te zijn, was evengoed te vergelijken bij zijne prettige manier van mededeelen, als een traag en troebel stroomend water, dat ten slotte verzandt, bij een volle rijke bron, waaruit steeds frisch water welt. Eerst laat in den avond kon ik van zulk een inderdaad boeiend gezelschap scheiden. Toen ik alleen op mijne kamer was, kostte het mij niet weinig moeite, mij het beeld, dat ik mij te voren van Rashleigh's karakter gemaakt had, weer voor den geest te brengen.
Waarlijk, onze gave, om vreemde karakters waar te nemen en te beoordeelen, wordt steeds verzwakt door de bekoorlijkheid van het genoegen en het onderhoud. Vruchten, die zoet en prikkelend zijn, streelen ons verhemelte dikwijls zoo zeer, dat wij den waren goeden smaak van eenvoudige spijs niet meer weten te waardeeren.
HOOFDSTUK XI.
Wat scheelt er aan, o mannen, Wat drukt uw ziele weder? Wat buigt in 't Balwieries veste Uw hoofden diep ter neder.
Oud-Schotsche Ballade.
De volgende dag was een Zondag. Op zulke dagen kostte het op het kasteel Osbaldistone doorgaans vrij wat moeite, om de trage uren voort te drijven en tot den avond te komen. Na de plechtige morgen-godsdienstoefening, welke het gansche gezin bijwoonde, kwam de kwelduivel der verveling over allen. Rashleigh en Diana uitgezonderd. Mijn oom vermaakte zich een korte poos met het verhaal van mijn avontuur. Hij wenschte mij geluk, dat ik aan de gevangenis ontsnapt was; ongeveer zoo, als hij zich verheugd zou hebben, wanneer ik bij eene mislukte proef, om met mijn paard over een slagboom te springen, er zonder halsbreken afgekomen ware.
»Gij kunt van geluk spreken, jonge heer!" zeide hij; »maar waag niet weder te veel. Weet gij dan niet, dat de straatweg vrij is voor iedereen, tot welke partij hij ook behoort?--"
»Ik moet zeggen oom," viel ik hem in de rede, »dat het mij geweldig hindert, dat iedereen het als eene uitgemaakte zaak beschouwt, dat ik deel aan eene misdaad heb, die ik diep veracht en verfoei. Ik zou de straf verdienen, indien ik zoo iets schandelijks had begaan."
»Ja, ja, dat is maar zoo en niet anders. Nu, ik vraag immers naar niets. Niemand behoeft zich zelven te verraden, dat is duidelijk en klaar."
Thans kwam Rashleigh mij te hulp. Maar het scheen, alsof hij niet zoo zeer mijne onschuld wilde verdedigen, als wel zijn vader een wenk geven, dat deze zich moest houden, alsof hij mijne verzekeringen vertrouwde.
»Waarde vader, u moest nu liever niet voortgaan met uw neef in uw eigen huis te grieven, door zijne verzekering te wantrouwen, waaraan hem zooveel gelegen ligt. Gij meent het natuurlijk goed met hem. Ik houd mij overtuigd, dat, als gij hem in deze zeer vreemde zaak een dienst hadt kunnen bewijzen, hij zijne toevlucht tot uwe goedheid zou genomen hebben. Maar neef Frans is geheel onschuldig ontslagen geworden, en nu heeft niemand het recht, hem voor schuldig te houden. Ik voor mij twijfel volstrekt niet aan zijne onschuld. Naar mijn oordeel, eischt de eer van ons geslacht, dat wij met woord en zwaard tegen iedereen die onschuld handhaven."
»Rashleigh", zeide mijn oom met een scherpen blik: »gij zijt een sluwe knaap; altijd zijt gij mij veel te loos geweest, en ook veel te loos voor de meeste menschen. Maar zie toe, dat gij voor u zelven niet te loos wordt. Twee gezichten onder ééne kap strijdt tegen de regels der wapenkunde. Maar komaan, van wapens gesproken, ik ga eens een poos in ons wapenboek lezen, tot aangename afleiding."
Geeuwende deelde hij ons dit voornemen mede. Waarschijnlijk had hij evenveel lust daarin als de Goden in de Dunciade. Zijne heeren zonen gaven vrij eenstemmig hun wensch te kennen, want ieder koos het een of ander tot zijn tijdverdrijf. Percival wilde naar de kelderkamer eene kruik Maartsbier met den rentmeester gaan opdrinken; Thorncliff zou een paar knuppels snijden; John kunstvliegen maken om er mede te hengelen; Richard, met zich zelven kruis of munt spelen, de rechterhand tegen de linker; Wilfred, op zijne nagels kauwen en zich in slaap brommen. Het heerlijkste zou het zijn als dit slaapje tot het middagmaal kon voortduren. Diana had zich naar de voorzaal begeven.
Wij, Rashleigh en ik, bleven alleen in de eetzaal terug, terwijl de bedienden, onder het gewone gedruisch, het overschot van ons ontbijt wegruimden. Ik gaf hem mijn misnoegen te kennen over de wijze, waarop hij met zijn vader over mijne zaak had gesproken. Ik zeide hem onbewimpeld, dat hij mijn oom meer aanleiding had gegeven, zijn argwaan te versterken, dan te verzwakken.
»Wat kon ik anders doen, waarde vriend?" antwoordde hij. »Als een verdenking bij mijn vader eenmaal wortel vat--iets, dat, om u de waarheid te zeggen, niet licht gebeurt--dan is hij zoo hardnekkig, dat ik het steeds 't best heb gevonden, hem alleen te verzoeken over zulke dingen te zwijgen, in plaats van mij daarover in verklaringen uit te laten. Ik bedwing het. Als ik het onkruid niet uit kan roeien, ben ik tevreden als ik het afsnijd, zoodra het zich vertoont, tot het eindelijk van zelf wegsterft. Het is noch verstandig, noch nuttig, met zulk een mensch als mijn vader is, te willen twisten. Voor overtuiging is hij niet vatbaar. Hij gelooft even stellig aan zijne eigen opvattingen, als wij, Katholieken, aan de ingevingen van den heiligen Vader."
»Voor mij blijft het echter pijnlijk, gast te zijn in de woning van een man, ja van een bloedverwant, die wel niet stellig, maar toch duidelijk genoeg te kennen geeft, dat hij mij aan straatrooverij schuldig houdt."
»Beste neef, eene dwaze opvatting--als ik mijns vaders opvatting zoo zou mogen noemen--kan uwe onschuld niet deren. Maar vergeet niet, dat hij, ge kunt me gelooven, de daad volstrekt niet onteerend acht, maar uit een staatkundig en zedelijk opzicht, voor iets verdienstelijks houdt, voor eene verzwakking van den vijand, eene berooving der Amalekieten. Ge kunt er zeker van zijn, juist als deelnemer aan dien, in zijn oog gewettigden roof, zult gij des te hooger in zijne achting rijzen."
»Maar dat wensch ik niet," antwoordde ik; »ik begeer niemand's achting, onder zulke voorwaarden, dat mij die in de achting van mij zelven moeten vernederen. Deze beleedigende argwaan zal mij eene zeer goede reden verschaffen, om dit huis spoedig weder te verlaten, Zoodra ik daarover mijn vader raadplegen kan, zal dit geschieden."
Rashleigh's gelaat was zoo zelden gewoon zijne gewaarwordingen te verraden, toch vloog er nu een onbedwongen glimlachje over heen. Maar terstond daarop deed hij het door een diepen zucht volgen.--»Hoe gelukkig zijt gij, neef Frans!" zoo begon hij; »gij gaat en komt, als de wind waait, naar welke richting gij wilt. Bij uwe bekwaamheid, bij uw smaak en uwe geestvermogens, zult gij spoedig een kring vinden, waar zulke eigenschappen hooger geschat worden, dan onder de domme bewoners van dit kasteel. Ik daarentegen...."
Hij zweeg.--
»Hoe? Wat bedoelt ge?" vroeg ik, »kunt gij mij benijden, mij, die uit mijns vaders huis en gunst, om zoo te zeggen, geheel verdreven ben?"
»Wel voor een tijdelijke opoffering,--want meer zal het toch niet zijn--" hernam Rashleigh, »hebt gij de genoegens van een onafhankelijk leven verkregen. Neem daarbij in aanmerking, dat gij aan geen vaste bestemming gebonden zijt, dat ge uwe vermogens kunt ontwikkelen, zoo als uw smaak u aanwijst; een weg verwerft ge gemakkelijk, waarop ge u, zonder twijfel, roemrijk zult onderscheiden. Roem en vrijheid door een kort verblijf in onze noordelijke streken; ook dan zelfs wanneer het kasteel Osbaldistone nog een poos de plaats van uwe ballingschap moet blijven. Als een tweede Ovidius in Thracië, hebt gij nochtans geen reden, om, als de eerste, klaagliederen aan te heffen."
Ik kreeg een kleur, zoo als het een jongen schrijver betaamt. »Ik weet niet," zeide ik, »hoe het komt dat gij de bezigheden mijner ledige uren zoo goed kent."
»Voor eenigen tijd was hier een gevolmachtigde van uw vader, een jonge kwast, die mij verteld heeft, dat gij heimelijk aan de Muzen offert. Hij voegde er bij, dat bevoegde kenners eenige van uwe verzen zeer geroemd en bewonderd hebben."
Alle leerlingen uit de Muzen-School, ja misschien ook wel menig meester in Apollo's tempel, zij lijden allen aan ijdelheid, van den dichter die in het lommer van Twickenham wandelde, tot den ellendigen rijmelaar, die hij in zijne Dunciade gegeeseld heeft. Ook ik ontving daarvan mijn bescheiden deel. Ik bedacht niet, hoe weinig dit jonge mensch door smaak en levenswijs er toe gerechtigd was, een paar kleine gedichten te beoordeelen, die ik eens in een koffiehuis voorgelezen had. Hij kon niet eens het gevoelen kennen der geleerden, die daar plachten samen te komen. Ik beet in het mij voorgehouden aas. Rashleigh bemerkte het spoedig, en op handige wijze bevestigde hij zijn invloed op mij, door een schroomvallig, schijnbaar zeer kiesch geuit verzoek, om hem eenige mijner handschriften ter lezing te willen geven.
»Gij maakt mij waarlijk gelukkig, als gij eens iets van uw arbeid mededeelt, op een avond op mijne kamer," voegde hij er bij; »zie! ik moet nu spoedig de genoegens van een geletterden omgang met de plagerijen van koopmanszaken, met het werktuigelijke van handelsbezigheden verwisselen. Ik zeg het u nog eens: Als ik mijns vaders wenschen ten voordeele van mijne bloedverwanten vervul, breng ik bepaald een offer. En als ik bedenk, tot welk stil en vreedzaam beroep mijne opvoeding mij bestemd heeft, dan gevoel ik, dat het offer groot is."
Zooveel huichelarij was zelfs mij te erg. Ik was wel ijdel, maar toch geen dwaas. »Ik kan mij niet voorstellen," antwoordde ik, »dat het u wezenlijk spijt, veroordeeld te zijn, om den staat van een onbekenden Katholieken priester, met al zijne ontberingen, tegen den rijkdom, de gezellige genoegens en de genietingen der wereld te verwisselen."
Rashleigh bemerkte, dat hij zijne gemaakte nederigheid met wat al te sterke kleuren had geschilderd. Hij zweeg eenige oogenblikken en scheen te overleggen, in hoe verre het noodig zou zijn, eens oprecht jegens mij te zijn, oprechtheid scheen hem moeielijk te vallen.
»Het is misschien minder aangenaam dan het moest wezen," zeide hij, »op mijne jaren tot rijkdom veroordeeld te zijn, gelijk gij u belieft uit te drukken. Doch houd het mij ten goede; van mijne bestemming hebt gij het echte begrip niet. Een Katholiek priester--nu ja--; maar geen onbeduidend, onbekend wezen. Neen Rashleigh Osbaldistone zal zelfs als de rijkste burger van Londen veel onbeduidender zijn, dan hij onder de medeleden eener kerk zou zijn geweest, welker dienaren, zoo als iemand zegt, hunne voetzolen op den nek der vorsten zetten. Mijne familie staat in hooge achting bij het verdreven hof, en nog veel grooter is de invloed, dien dit hof in Rome heeft. Mijne natuurlijke gaven zijn de opvoeding, welke ik ontvangen heb, niet geheel onwaardig. Onder deze omstandigheden zou ik, volgens gegronde berekening, eene hooge kerkelijke waardigheid, ja in de droomen mijner verbeelding misschien de allerhoogste te gemoet kunnen zien. Wie weet," voegde hij er glimlachende bij; want in gesprekken was hij gewoon, afwisselend, nu eens een ernstigen, dan weer een schertsenden toon aan te slaan--»wie weet, of niet de kardinaal Osbaldistone met zijne goede afkomst en gunstige relatiën, het lot der staten zou bestuurd hebben, even goed als Mazarin, den burgerjongen of Alberoni, den Italiaanschen tuinierszoon?"
»Het is mij natuurlijk onmogelijk, het tegendeel te bewijzen," hernam ik, »maar in uwe plaats zoude ik niet erg treuren over het gemis aan het vooruitzicht op iets, wat zoo onzeker en van twijfelachtige waarde is."
»Dit zou ook ik niet doen," antwoordde hij weder. »Als ik maar overtuigd ware, dat mijne tegenwoordige vooruitzichten zekerder zijn. Maar dat zal ook van omstandigheden afhangen, waarvan alleen latere ondervinding mij iets zal doen kennen, zooals bijvoorbeeld de gezindheid van uw vader, zijn geest, zijn denken."
»Beken het maar onbewimpeld, Rashleigh, gij zoudt gaarne van mij iets omtrent hem vernemen?"
»Welnu, als gij, even als Diana, de leus van den ridder Rond-voor-de-vuist volgen wilt, dan antwoord ik: »ja! zeg mij iets van uw vader!"
»Met genoegen! Waarom niet? Gij zult in mijn vader een man vinden, die handel drijft, maar meer om iets te doen, dan wel om geld bijeen te schrapen. Zijn werkzame geest zou zich in elke betrekking, waarin die slechts voldoende onderhoud kon bekomen, even gelukkig kunnen voelen; ook dan, wanneer zijne eenige belooning in zijn geestesoefening bestond. Zijn rijkdom is aanmerkelijk vermeerderd. Aan een matig leven gewoon, hielden de steeds toenemende inkomsten geenszins gelijken tred met zijne bescheiden uitgaven. Hij haat geveinsdheid; nooit huichelt hij. Hij bezit eene bijzondere kunst om geheime beweeggronden onder het verschoonende hulsel van gladde woorden te ontdekken. Uit gewoonte is hij karig met zijne woorden. Wie veel praat, verveelt hem zeer spoedig, te meer daar de arbeid, die voor hem het belangrijkst is, juist niet veel aanleiding tot een gezellig gesprek geeft. Hij is zeer streng in het nakomen van de voorschriften van zijn geloof, maar gij behoeft geenszins bevreesd te zijn, dat hij zich om uw geloof zal bekommeren. Volgens zijne meening is verdraagzaamheid een onschendbaar beginsel van elke goede regeering. Maar wanneer gij, zoo als ik met eenigen grond durf vermoeden, partij kiest voor de verbannen koninklijke familie, dan zult gij wel doen met zulke gezindheden voor hem te verbergen, even als elke richting, die eene onbeperkte opperheerschappij begunstigt; want beide haat hij als de pest. Overigens is zijn woord hem heilig; en allen, die onder hem staan, moeten mannen van hun woord zijn. Tegenover niemand zal hij zijn plicht verzaken, maar ook niet dulden, dat iemand dien omtrent hem verzaakt. Om zijne gunst te winnen, moet gij zijne bevelen ten uitvoer brengen, maar volstrekt niet de echo van zijne meeningen zijn. Zijne grootste gebreken ontstaan uit zijn vooroordeelen, ik bedoel: uit eene zoo sterke ingenomenheid met zijn beroep, dat hij alles, wat niet eenigszins met den handel in betrekking staat, zijne opmerkzaamheid onwaardig acht, ja, nauwlijks goedkeurt, dat het bestaat."
»Een uitmuntend portret!" riep Rashleigh, toen ik zweeg. »Van Dijk was, met u vergeleken, een knoeier! Ik zie den achtbaren heer reeds voor mij in al zijn sterkte en zwakheid, hoe hij den koning bemint en eert als eene soort van Lord-Mayor van het rijk, of als een president eener kamer van koophandel. Hij acht zeker het Huis der Gemeenten hoog, omdat het de orders tot den uitvoer geeft, en het Hoogerhuis vereert hij, omdat de Lord-kanselier op een wolzak is gezeteld."
»Rashleigh, mijn portret was gelijkend! het uwe is karikatuur. Maar voor de kaart, die ik voor u heb geteekend, geef gij mij nu ook eens een beschrijving van de streken hier, waar...."