Part 10
»O, mijnheer Osbaldistone, indien gij wist--indien iemand wist, hoe moeielijk het mij soms valt een lijdend hart onder een effen voorhoofd te verbergen, gij zoudt mij zeer zeker innig beklagen. Misschien is het niet goed, dat ik ook zelfs u zóóveel van mijn toestand mededeel. Maar als verstandig en scherpzinnig man moet gij natuurlijk begeerig zijn, zoo veel mogelijk omtrent de gebeurtenissen van dezen dag te vernemen, omtrent Rashleigh's deel aan uwe redding uit die verlegenheid, en omtrent zoo vele andere dingen, die buiten twijfel uwe opmerkzaamheid opgewekt en tot zich getrokken hebben. Ik kan het intusschen niet over mij verkrijgen, u met logens om den tuin te leiden, wat ik eigenlijk wel moest doen. Ik zou het ook onhandig eraf brengen. Bovendien, ik zou den goeden dunk, dien gij misschien van mij voedt, geheel en al verbeuren. Daarom zeg ik u liever eens voor altijd: vraag mij volstrekt niets, want ik ben niet in staat om u naar waarheid te antwoorden."
Deze woorden sprak Diana op een toon van innig gevoel uit, en ik werd daardoor diep getroffen. Ik verzekerde haar, dat zij niet behoefde te vreezen, dat ik haar met onbescheidene vragen zou lastig vallen, ja, dat ik hare weigering, om mijne bescheiden en hoogst natuurlijke vragen te beantwoorden, ook niet ten kwade duiden zou. Zij had zich, voegde ik er bij, door hare deelneming in mijn lot te zeer aan mij verplicht, dan dat ik van de gelegenheid, welke zij mij gegeven had, om hare omstandigheden nader te leeren kennen, eenig misbruik zou willen maken. Maar ik verzocht haar dringend vrijmoedig over mijne diensten te beschikken, zoodra en zoo dikwerf ik haar van nut kon zijn.
»Ik dank u, ik dank u!" antwoordde zij. »In uwe stem hoor ik niet den logentaal der vleierij. Het is de stem van een man, die weet waartoe hij zich verplicht. Als ooit--ja hoe zou dat mogelijk zijn!--doch als ooit zich eens eene gelegenheid mocht opdoen, dan zal ik u vragen of gij u deze belofte herinnert. Maar ik geef u mijn woord, dat ik niet boos zal zijn, als ik bemerk, dat gij ze vergeten hebt. Het is voor mij genoeg, dat gij het thans oprecht met mij meent. Want uwe gezindheid kan door allerlei omstandigheden weer veranderd worden, vóórdat ik u uitnoodig, om Diana bij te staan, alsof gij Diana's broeder waart."
»En als ik uw broeder ware," zeide ik, »ik zou niet sterker dan nu mijn bijstand kunnen beloven! Maar nu vrees ik bijna te vragen, of Rashleigh gaarne en goedwillig mijne redding bevorderd heeft?"
»Vraag dat niet mij, maar hem zelven. Gij moogt er u gerust op verlaten, dat hij deze vraag toestemmend beantwoorden zal. Hij laat geen brave daad door hem volbracht, overzien als een onjuist bijvoegelijk naamwoord in eene slecht geregelde zinsnede. Hij ziet liever zich zelf als het zelfstandig naamwoord overal aan het hoofd geplaatst."
»Ik mag dan zeker ook niet vragen, of het deze Campbell zelf is geweest, die den armen Morris van den last van zijn valies onthief? Ook niet, of de brief, dien de griffier ontving, slechts eene list was, om hem van het tooneel te verwijderen, ten einde hij mijne vrijstelling niet tegenwerken zou? Ik mag misschien ook niet vragen..."
»Gij moogt mij niets, volstrekt niets vragen!" viel Diana mij in de rede. »Daarom is het volstrekt nutteloos dit in dat geval te veronderstellen. Gij moet u maar verbeelden, dat ik al deze vragen, en nog twintig andere, even zoo slim beantwoord heb, als Rashleigh zulks ooit zou hebben kunnen doen. Let op, wanneer ik mijn kin zóó aanraak, dan is het een teeken, dat ik over iets, wat uwe opmerkzaamheid juist bezig houdt, niets zeggen kan. Ik moet zoo iets met u afspreken, om door teekenen door u verstaan te worden. Gij wilt immers mijn vertrouweling en raadgever zijn. En evenwel zult gij van mijne omstandigheden zelfs het geringste niet kunnen vernemen."
»Goed! Ik neem de billijkheid daarvoor ten volle aan!" zeide ik glimlachend, »maar gij moogt er toch op rekenen dat, hoe grooter uw vertrouwen, des te verstandiger mijn raad kan zijn."
Bij deze woorden waren wij juist het kasteel van mijne waarde bloedverwanten genaderd. Wij waren over elkander recht tevreden. Dit stemde ons aangenaam. Bij ons binnentreden vernamen wij, dat onze geachte familieleden reeds vrij ver in hun avondgelag gevorderd waren.
»Bezorg wat eten voor den heer Osbaldistone en voor mij in de boekenkamer," zeide Diana tegen een bediende. »Ik moet mij immers wel over u ontfermen," voegde zij er, zich tot mij keerende, op vroolijken toon bij; »en vooral moet ik zorg dragen, dat gij in de woning van den woesten, ruwen overvloed geen honger lijdt. Anders zou ik u met mijne geheime sluiphoeken misschien niet bekend gemaakt hebben. De boekenkamer is mijn hol, het eenige gedeelte van het kasteel, waar ik tegen mijn ourang-outangs van neven beveiligd ben. Daar komen zij nooit. Misschien zijn zij bang, dat de zware folianten, met de boekenkasten, op hen mochten nedervallen en hun den schedel verpletteren. Want langs een anderen weg komen de boeken met hunne hoofden niet in aanraking."
En ik volgde haar, trap op en trap af, door zaal en gang, tot wij het vertrek bereikten, waar wij onzen maaltijd zouden houden.
HOOFDSTUK X.
Ik vond in 't groote huis een somber, kil vertrek, Waar niemand kwam--voor haar een heilig-stille plek. Want langs de breede wanden, stond plank bij plank, bevracht Met dat wat geesteshonger en zielepijn verzacht.
Anonymus.
Het was een groot, somber vertrek, de bibliotheek in kasteel Osbaldistone. Langs de wanden bogen oude eiken planken onder den last van zware boeken. Het waren meest dikke, aan de zeventiende eeuw zoo dierbare folianten. Daaruit hebben wij het grootste deel der wijsheid voor onze kwartijnen en octavo's getrokken, en wanneer onze zonen in nog hoogere mate tot het pygmeëngeslacht mochten behooren dan wij, dan zal die wijsheid, opnieuw gedistilleerd, zich ook nog verder tot duodecimo's en octodecimo's laten inkorten. De verzameling bestond grootendeels uit Grieksche en Romeinsche schrijvers, algemeene geschiedenis, en verder uit werken over de godgeleerdheid. Alles bevond zich echter in zeer groote wanorde. De priesters, die achtereenvolgens als kapelaans hadden dienst gedaan, waren verscheidene jaren lang de eenige menschen geweest, die dit eenzame verblijf betraden, tot eindelijk Rashleigh, door zijne zucht naar kennis gedreven, de eerbiedwaardige spinnewebben verwoestte, welke de boekenkasten bedekten. Dat deze jongman zich aan den geestelijken stand wilde wijden, was in zijns vaders oogen niet zoo erg dwaas, als wanneer een der andere afstammelingen zulk eene zonderlinge neiging had doen blijken. De oude sir Hildebrand gaf dan ook gaarne zijne toestemming, om de ouderwetsche kamer eenigszins meer bewoonbaar te maken. Evenwel zag ze er nog steeds zeer vervallen uit en verried in alle opzichten eene onvergeeflijke verwaarloozing, waartegen de diepe geleerdheid, welke hare wanden bekleedde, haar niet had kunnen beschermen. De behangsels gescheurd, wormstekige boekenplanken; de tafels en stoelen waren ontzaglijk groot, maar lomp bewerkt en waggelende, de vuurhaard door roest bijna geheel verteerd, terwijl zelden of nooit een steenkolen- of takkenbossenvuurtje er op flikkerde; al die dingen waren zoo vele overtuigende bewijzen van de minachting, met welke de eigenaars en bewoners van het kasteel Osbaldistone de schatten van geleerdheid beschouwden.
»Waarschijnlijk zal u deze kamer niet erg bevallen?" zeide Diana, toen ik in het eenzame vertrek min of meer verwonderd rondzag. »Maar ik voor mij gevoel mij hier als in een klein paradijs; want ik noem het mijn eigendom en behoef niet te vreezen in deze stille afzondering gestoord te worden. Rashleigh deelde vroeger met mij dat bezit. Zoolang wij nog vrienden waren."
»Zijt gij thans geene vrienden meer?" was natuurlijk mijne vraag.
Met een schelmsch verbiedenden blik legde zij haren wijsvinger aan het kuiltje in hare kin.--»Wij zijn nog steeds bondgenooten," zeide zij na eenig zwijgen, »even als andere verbonden mogendheden, door wederzijdsche belangen vereenigd. Maar ik vrees, dat het ook hier gaan zal als in andere dergelijke gevallen; het verbond heeft de vriendschappelijke gezindheden overleefd, waaraan het zijn oorsprong te danken had. Zoo veel is zeker, dat wij thans veel minder omgang met elkander hebben, en komt hij soms door die deur binnen, dan ga ik door deze er uit. Kortom, wij hebben bemerkt, dat wij in deze kamer, hoe ruim ze ook zijn moge, niet tegelijk plaats kunnen vinden, en Rashleigh, wien zijne zaken dikwerf elders roepen, heeft mij eindelijk grootmoedig zijne rechten afgestaan, zoo dat ik nu geheel alleen het werk voortzet, waarbij hij te voren mijn leidsman was."
»En welk werk is dat, indien ik het vragen mag?"
»Wees maar niet bang dat ik mijne kin zal aanraken. Zeer zeker moogt gij dat vragen. Wetenschappen en geschiedenis zijn mijne meest geliefkoosde studiën, ofschoon ook de dichtkunst en de oude schrijvers geenszins door mij veronachtzaamd worden."
»De oude schrijvers? En gij leest die in het oorspronkelijke?"
»O ja. Rashleigh, die vele kennis bezit, onderwees mij in het Grieksch en Latijn, en in de meeste talen van het beschaafde Europa. Gij moogt vrij gelooven, dat men zich ten opzichte van mijne opvoeding nog al eenige moeite heeft gegeven. Maar daarentegen versta ik niets van kantwerken, noch van borduren, noch zelfs van een pudding te maken. Ik kan, zoo als de dikke vrouw van onzen predikant onlangs zeer juist en beleefd opmerkte, niets nuttigs verrichten."
»En wie heeft dan deze studiën voor u gekozen--Rashleigh, of gij zelve?"
»Och! hm!" zeide zij, alsof zij weifelde mijne vraag te beantwoorden; »maar eigenlijk is het de moeite niet waard, mijn vinger op te heffen--gedeeltelijk hij, gedeeltelijk ik. Buiten 's huis leerde ik rijden, des noods een paard optoomen en zadelen, een geweer, zonder te knipoogen, afschieten, en alle dergelijke manhaftige oefeningen, die mijne ongepolijste heeren neven als het eenige doel van hunne bestemming beschouwen. Maar nu moest ik ook in huis, even als mijn eenige verstandige neef, Grieksch en Latijn leeren verstaan. Van den boom der kennis wilde ik plukken, welken gij, mannelijke geleerden, zeer gaarne voor u alleen zoudt willen behouden, ik denk uit wraak tegen onze gemeenschappelijke moeder, wegens haar aandeel aan de erfzonde."
»Moedigde Rashleigh gaarne uwe neiging tot geleerdheid aan?"
»Nu, hij wenschte mij tot zijne leerling te hebben, en kon mij trouwens, slechts die kundigheden mededeelen, welke hij zelf bezat. Het geheim om kanten lubben te wasschen of een zakdoek te zoomen, kon ik natuurlijk van hem niet leeren."
»Nu, dan vermoed ik wel, dat de wensch, om zulk eene leerling te hebben, bij den leermeester zich vrij sterk gelden liet!"
»Hoor eens, zoo gij naar Rashleigh's beweegredenen wilt beginnen te vorschen, dan zal ik mijne vinger weder aan de kin moeten leggen. Ik kan slechts dan openhartig zijn, wanneer er naar mijne eigen beweeggronden gevraagd wordt. Rashleigh heeft mij de boekenkamer afgestaan, en komt er nooit in, zonder mij vooraf verlof te vragen. Ik heb derhalve de vrijheid genomen, om die kamer tot eene bewaarplaats voor mijne eigen goederen te maken, zoo als gij zien kunt, als gij uwe blikken slechts eens in het rond wilt slaan."
»Vergeef het mij, freule; ik vind inderdaad binnen deze vier muren volstrekt niets, wat ik, op het eerste gezicht, voor uw eigendom zou houden."
»Waarschijnlijk, omdat gij geen herder of geen herderin op een borduurraam ziet, of een opgezetten papegaai, of een kooi met kanarievogels, of een werktafeltje, of een toiletdoos, of een gitaar, of een schoothondje met nog blinde jongen. Ja, van al die schatten bezit ik volstrekt niets," vervolgde zij na eenig zwijgen, toen zij, na deze lange optelling, weder adem had gehaald. »Maar daar staat het zwaard van mijn voorvader Richard Vernon, die bij Shrewsbury sneuvelde, doch naderhand erg belasterd werd door een moedwilligen knaap, met name William Shakespeare, die, bij zijne partijdigheid voor het heerschende huis van Lancaster en bij een zekere hebbelijkheid om alles levendig voor te stellen, in de geschiedenis alles het onderste boven, of liever het binnenste buiten gekeerd heeft. Naast het geduchte zwaard hangt het pantser van een nog ouderen Vernon: hij was page van den Zwarten Prins. Zijn lot was juist het tegenovergestelde van dat van zijn nakomeling, want hij mocht den zanger, die de moeite nam, hem in een gedicht te vereeren, meer voor den goeden wil, dan voor wezenlijke talenten, danken--
»Aanschouw daar in den drom dien ridder, woest en wild, Die Vernon heet en 'n doedelzak voert in zijn schild. Hij schettert over 't stuivend slagveld heen. Hij schreeuwt met fluit en keel, terwijl zijn makkers rennen."
»Zie hier eens het model van een nieuwen springriem, dien ik zelve heb uitgevonden. Daar hebt ge de kap en de schellen van mijn valk Cheviot, die zich zelf aan den snavel van een reiger spietste. Arme Cheviot! bij u vergeleken zijn alle overige valken slechts gieren en gemeene roofvogels. Ginds staat mijn jachtgeweer met een nieuw uitgevonden slot, en daar verder vindt gij nog meer dergelijke fraaie dingen. Maar waarom zou ik een en ander aanprijzen? Alles prijst hier zichzelf aan; vooral dit hier!"
Bij die woorden wees zij op eene ouderwetsch gebeeldhouwde eikenhouten lijst, die een levensgroot portret omsloot, door van Dijck geschilderd, waarop met groote Gothische letters te lezen stond »Ver Non Semper Viret." [7] Ik keek haar aan. Zij las op mijn gelaat dat ik er niets van begreep.
»Hoe," vroeg zij een weinig verrast, »is u de dubbelzinnige spreuk van ons geslacht niet bekend, en ons wapen, waarin de doedelzak prijkt?" vervolgde zij, terwijl zij het in de lijst gebeeldhouwde wapen wees, rondom hetwelk die woorden stonden.
»Een doedelzak!" zeide ik; »daarvoor zou ik de figuur waarlijk niet aangezien hebben! Maar wordt niet boos over mijne onkunde," vervolgde ik, toen ik zag, dat hare wangen min of meer begonnen te gloeien. »Het kan toch waarlijk mijn oogmerk niet zijn, uw wapen te bespotten; want ik ken niet eens mijn eigen wapen."
»Wat? Gij zijt een Osbaldistone, en durft iets dergelijks bekennen!" riep zij uit. »Percival, Thorncliff, John, Richard, zelfs Wilfred zou hier uw leermeester kunnen zijn! Ja, de domste domheid zou u in dit opzicht beschaamd maken."
»Met leedwezen beken ik, dat de geheimen, welke de grillige hieroglyphen der wapenkunde bedekken, voor mij even onverstaanbaar en onoplosbaar zijn, als het beeldschrift op de Egyptische pyramiden."
»Hoe is het mogelijk!" riep Diana uit. »Zelfs mijn oom leest in de winteravonden een enkelen keer in Gwillyns Wapenboek. De heraldieke figuren niet te kennen! Waaraan heeft uw vader dan toch gedacht?"
»Aan cijfers," antwoordde ik. »De minstbeduidende handelsrekening vindt hij belangrijker dan den ganschen wapentooi der ridderschap. Maar hoe diep onkundig ik ook in die edele kunst ben, bezit ik kennis en smaak genoeg, om deze heerlijke schilderij te bewonderen. Ik vind daarin uwe trekken weder. Welk eene vrije, edele houding! welk een rijke gloed van kleuren, welke onovertreffelijke vermenging van licht en schaduw!"
»Is het wezenlijk eene fraaie schilderij?" vroeg Diana.
»Ik heb," antwoordde ik, »van den beroemden meester zeer vele portretten gezien, maar niet één, dat mij zóó beviel."
»Nu, ik versta even weinig van de schilderkunst, als gij van de heraldiek. Ik geloof echter hooger te staan dan gij, nu ik deze schilderij, zonder de eigenlijke waarde er van te kennen, toch heb kunnen bewonderen en lief krijgen."
»Ja, ik erken dat ik mij nooit om doedelzakken en dergelijke wonderlijke afbeeldingen op ridderlijke wapens bekommerde, al weet ik, dat ze eens op het veld van eer en roem schitterden. Maar hun afbeelding, dit zult gij mij toch wel willen toestemmen, is voor den onkundige op verre na zoo aantrekkelijk niet, als eene fraaie schilderij. Wien stelt dit portret voor?"
»Mijn grootvader," antwoordde Diana. »Hij werd in het ongelukkige lot van Karel I gewikkeld. Hij nam ook, helaas! deel aan Karels buitensporigheden. Het vermogen van onze familie onderging door zijne verkwisting eene aanmerkelijke vermindering en geraakte, onder het beheer van zijn zoon, mijn ongelukkigen vader, geheel verloren. Doch vrede zij met hen, die het verkregen hebben--het werd voor een edele zaak opgeofferd!"
»Uw vader leed vermoedelijk door de burgeroorlogen van dien tijd?"
»Juist, en hij verloor alles. Daarom is zijn kind eene afhankelijke wees. Zij moet bij vrienden haar brood zoeken, zich naar hunne luimen voegen en hunne neigingen in acht nemen. Evenwel ben ik er veel trotscher op, zulk een vader gehad te hebben, dan wanneer hij door een voorzichtiger, maar minder eerlijk gedrag, mij in het bezit van al de schoone heerlijkheden gelaten had, die eens het eigendom van zijn geslacht waren."
Terwijl zij deze woorden zeide, kwamen de dienstboden met het eten, en ons gesprek ging tot onbeduidende onderwerpen over. Nadat wij vrij spoedig den maaltijd geëindigd hadden, berichtte ons de knecht, die den wijn op tafel zette, dat de heer Rashleigh wenschte te vernemen, wanneer wij hem konden ontvangen.
»Zeg hem," antwoordde Diana den bediende, »dat het ons aangenaam zal zijn, hem terstond hier te zien. Geef nog een glas, zet een stoel en ga dan heen.--Gij moet met hem gaan, als hij weder vertrekt," vervolgde zij tegen mij. »In weerwil van al mijne mildheid, kan ik van de vier en twintig uren van elken dag niet meer dan acht aan één man vergunnen, en naar ik geloof, zijn wij reeds zoo lang bij elkander geweest."
»O freule," zeide ik, »de tijd, die oude man met zijn zeis, is zoo snel voortgegaan, dat ik zijne schreden niet heb kunnen tellen."
»Stil! Rashleigh komt!" zeide Diana, en schoof haar stoel van mij af, want ik had den mijnen langzamerhand nader bij haar geschoven.
Een bescheiden kloppen aan de deur, een zacht openen op Diana's: binnen! en eene gemaakte zachtheid en nederigheid in gang en houding verrieden mij, dat de opvoeding, welke Rashleigh in het kollegie te St. Omer ontvangen had, volkomen overeenstemde met de manieren van een echten Jezuïet, zoo als ik mij die voorstelde. Ik behoef er niet bij te voegen, dat ik, als protestant, dit slag van lieden juist niet in de aangenaamste kleuren voor mij zag.
»Waartoe aankloppen?" vroeg Diana. »Gij wist immers, dat ik niet alleen was."
Dit zeide zij op eenigszins wreveligen toon, alsof zij gevoeld had, dat Rashleigh's voorzichtigheid en bescheidenheid een beleedigenden argwaan verried.--
»Lieve nicht," antwoordde Rashleigh, zonder zijne stem of houding eenigszins te veranderen, »gij hebt mij zoo volkomen onderricht, hoe ik aan deze deur moet kloppen, dat de gewoonte bij mij tot een tweede natuur is geworden."
»Oprechtheid acht ik hooger dan hoffelijkheid, dit weet gij!" was Diana's antwoord.
»Hoffelijkheid is kiesch en aangenaam: zij ontleent haren naam van den hoveling en past daarom 't best voor een vrouwenvertrek."
»Maar oprechtheid is eene ridderdeugd, en daarom mij veel aangenamer," hernam Diana. »Maar laat ons een woordentwist afbreken, die voor uw neef hier volstrekt niets behagelijks kan hebben. Neem plaats, Rashleigh, en drink eens. Aan tafel heb ik de eer des huizes opgehouden; doe gij het nu."
Toen Rashleigh ging zitten en zijn glas vulde, wendde hij zijne oogen van Diana af op mij. Hij kon, welke pogingen hij daartoe ook aanwendde, zijne verlegenheid niet geheel verbergen. Het scheen mij toe alsof hij onzeker, ongerust was, in hoe verre Diana mij haar vertrouwen had geschonken. Ik haastte mij dan ook, aan het gesprek zulk eene wending te geven, dat hij zijn argwaan, dat Diana mij soms iets van de geheimen mocht ontdekt hebben, welke tusschen haar en hem bestonden, spoedig zou laten varen.
»Freule Vernon," begon ik, »heeft mij bevolen u, neef, mijn dank te betuigen, voor mijne spoedige bevrijding van die bespottelijke beschuldiging. Ten onrechte vreesde zij, dat mijne dankbaarheid niet warm genoeg zou zijn. Zij maakte ook mijne nieuwsgierigheid gaande, toen zij mij naar u verwees voor ophelderingen aangaande de gebeurtenissen van dezen dag."
»Inderdaad?" antwoordde Rashleigh, en vervolgde, terwijl hij een zijdelingschen blik op Diana wierp; »ik had gedacht, dat freule Diana hier zelve de noodige verklaringen wel zou hebben gegeven."
Nu vestigde hij zijne oogen wederom op mij, alsof hij op mijne gelaatstrekken had willen lezen of Diana's mededeelingen zoo beperkt waren geweest, als mijne woorden te kennen gaven. Uit Diana's oogen sprak onverholen verachting, toen zij zijn uitvorschenden blik ontmoette. Ik wist niet, of ik wel goed deed, zijn argwaan te wederleggen of te berispen. Ik zeide: »Als freule Diana goedvindt mij onkundig te laten, dan moet ik mij dit laten welgevallen. Maar gij, waarde neef, zult mij toch uwe inlichtingen niet willen onthouden, in de onjuiste veronderstelling, dat ik reeds iets van de zaak weet. Ik verzeker u op mijn woord van eer, dat ik evenmin als dit beeld, iets van het voorgevallene van dezen dag begrijp, behalve datgene, wat freule Vernon mij van uwe vriendelijke bemoeiingen gezegd heeft."
»Die bemoeiingen heeft mijne lieve nicht zeer zeker veel te hoog gewaardeerd," hernam Rashleigh; »maar van mijn ijver om u behulpzaam te zijn, kunt gij trouwens geen te hoog denkbeeld koesteren. Ik zal u de eenvoudige waarheid zeggen. Ik reed spoorslags terug, om iemand van mijne bloedverwanten te ontmoeten, die met mij den borgtocht voor u kon op zich nemen. Dit was het natuurlijkste, of liever het eenige middel om u te helpen, dat mij op dat oogenblik voor den geest kwam. Toen ontmoette ik Cawmil--Colville--Campbell, of hoe hij anders heeten moge. Hij was, zoo als ik van Morris gehoord had, bij de aanranding tegenwoordig geweest. Ik bewoog hem, hoewel niet zonder veel moeite, zijn getuigenis tot uwe bevrijding af te leggen en daardoor zijt gij vermoedelijk uit uw onaangenamen toestand gered geworden."
»Zoo? Dan ben ik u wel zeer verplicht, dat gij mij dien getuige zoo juist ter rechter tijd bezorgd hebt. Maar daar hij, zoo als hij zeide, een ongeluksmakker van Morris is geweest, begrijp ik waarlijk niet, waarom het u zoo veel moeite gekost heeft, om hem tot het afleggen van zijn getuigenis te bewegen. Het was toch zijn plicht zoowel om den waren dader aan den dag te brengen, als om een onschuldige van verdenking te bevrijden."
»Gij kent den volksgeest niet van het land, waar die man geboren is," hernam Rashleigh. »Geheimhouding, schranderheid en voorzichtigheid zijn daar de hoofdeigenschappen. Zij staan slechts onder den invloed van eene bekrompen denkende, maar vurige vaderlandsliefde. Dit gevoel is een soort van bolwerk, waarmede een Schot zich tegen alle aanvallen van een edel, menschlievend beginsel weet te beveiligen. Hebt gij dat bolwerk beklommen, dan vindt gij van binnen nog een andere, hem veel dierbaarder sterkte: de liefde voor zijn stadje, zijn dorp, of zijn geslacht. Bestorm dezen wal, en gij komt aan een derden: zijne genegenheid voor zijne bloedverwanten, vader, moeder, zonen, dochters, ooms, moeien, neven en nichten, tot in den negenden graad. Binnen deze grenzen beperken zich de maatschappelijke neigingen van een Schot. Zij gaan nooit tot andere voorwerpen over, totdat alle middelen, om in de binnenste kringen bevrediging te vinden, geheel uitgeput zijn. In deze kringen klopt zijn hart, en al zwakker en zwakker wordt elke polsslag, tot hij eindelijk op de uiterste grenzen bijna onmerkbaar wordt. Maar het ergste is, dat gij, na al deze geconcentreerde buitenwerken beklommen te hebben, aan eene veel hoogere en sterkere vesting in het binnenste komt, en dat is de eigenliefde van den Schot."