Part 9
Ze zagen dadelijk, hoe het er mee stond. Op een paar honderd meters van het aardappelveld af begonnen ze een greppel te graven, en de heiplaggen, die ze uitstaken, wierpen ze achter zich, op het stuk grond tusschen het aardappelveld en de aanrollende vuurstreep in. Ze werkten zoo hard ze konden; en werkelijk, vòòr het vuur bij ze was, was er een strook zand blootgelegd, breed genoeg, om het vuur tegen te houden. Toen gingen ze op de vuurstrook aan, en hielpen de jongens aan het uitslaan. 't Gelukte op een paar plekken den voortgang van het vuur te stuiten, en met harden arbeid was nu weldra de geheele vuurstreep gedoofd. 't Rookte nog wat na, en nu begonnen ze te trappen.... "om als er nog vuur zit, dat te dooven," verklaarde Gert. Want het was wel eens gebeurd, vertelde hij, dat ze meenden, het vuur bezworen te hebben, terwijl het in stilte, in de humuslaag, nog voortbroeide....
Gelukkig verzekerde Gerts vader al spoedig, dat het nu wel uit zou zijn.
Zwartgeblakerd lag daar nu tusschen de pralende hei de gebrande strook, gelukkig niet zoo groot, als ze in in hun eersten schrik wel verwacht hadden, maar toch vonden ze het vreeselijk. Toch was het hun schuld! Hoe heel anders gevoelden ze zich, dan toen ze den brand in de Weerdes hadden helpen blusschen! Toen waren ze helden geweest. Wat nù?
Zwijgend trokken ze weer op weg naar den Derker, ieder zijn eigen vrachtje opzoekende, dat ze langs den weg hadden neergeworpen.
En als geslagen honden trokken ze naar huis, met de hinderlijke gedachte aan een volmaakt mislukt kampleven bij zich. Zelfs verwijten bleven achterwege; een paar van hen, Koos en Jan, trokken pijnlijk met hun handen, die brandblaren hadden -- "maar daar hielp lijnolie voor," troostte Theo ze.
Wat zouden de àndere jongens zeggen?
En, bij Cor vooral, kwam de vraag: "wat moet je nu verder doen met de Rhandensche Verkenners?" Hij wist er geen raad op.
Toch wilde hij er niet van weten, alles op zij te zetten, zooals Koos voorstelde.
Ze moesten maar eerst wat afwachten; dan konden ze zien, wat er nog zou gebeuren; met die gedachte ging het troepje uiteen, ieder naar eigen huis, om daar "lekker en veel te eten," naar Theo verzekerde, "me eens frisch op te knappen," meende Jan. Maar allen zagen ze er tegen op, hun pech thuis te vertellen.
XII. Ze probeeren het opnieuw, en wat ze beloven.
Het was gedaan met de Rhandensche Verkenners. 't Had er tenminste allen schijn van. De kameraden kwamen in de vacantie nog wel eens bij mekaar, maar de echte animo was er af. Temeer, omdat ze hier en daar verspreid raakten, op hun vacantiereisjes.
Cor ging voor een paar weken naar een tuinderij in de buurt van Haarlem. Dat zou wel goed voor hem wezen, meenden ze thuis, en hij zelf vond het heel prettig, weer een paar weken in de buurt van zijn oude stad te zijn.
't Was er een drukke tijd. En hij genoot dubbel, juist daardoor. Met 't meeste pleizier hielp hij den ganschen dag mee. En 't was tegen den avond telkens weer een nieuw feest, als hij meereed naar het station, de kisten wegbrengen op den groentetrein.
"De menschen, die 's morgens op de Berlijnsche groentenmarkt de groenten koopen," schreef hij naar huis "zullen niet weten, denk ik, dat ik de kisten hier naar het station heb gereden."
Vader moest geweldig lachen, toen hij dien brief las. Dat was nou heelemaal niets voor Cor, om zoo deftig te doen, en zoo'n mooien schoolzin te maken! Nee hoor, 't leek er niet naar!
[Illustratie]
Vader schreef dan ook terug, dat hij Cor's mooien brief bewonderde. "Maar hoe kom jij aan die Berlijnsche groentenmarkt? Ik wist niet, dat je daar nog aardrijkskundeles op den koop toe kreeg."
"Nou schrijf ik Vader niet meer," besloot Cor, en zijn tweeden brief schreef hij aan zijn Moeder; "want Vader plaagt me toch en dat zal U niet doen," schreef hij.
De weken vlogen om, en gebruind en wel trok hij Rhanden weer binnen, om van zijn laatste vacantieweek te genieten. Jan Arps en Koos Venema waren nog uit. Koos was een week in Rotterdam; hij vond het er wàt prettig, schreef hij aan Cor, bij de havens en de kaden, en de mooie Willemsbrug; maar hij hield toch meer van de hei en verlangde weer naar zijn prachtige bosschen terug. Want boomen, nou ja, iepen en hier en daar een linde of een kastanje, dat was ook alles. Nee, in Rotterdam wilde hij liever niet wonen, of 't moest vlak bij de haven zijn.
Jan zat in Apeldoorn. Die liet natuurlijk niets van zich hooren. Die zou wel zorgen, dat hij schik had.
"Hij had ons anders wel een prentbriefkaart kunnen sturen," zei Cor, en vergat ondertusschen dat hij zelf het evenmin gedaan had!
[Illustratie]
Nog één week vacantie bleef er over. Cor liep te lanterfanten thuis: plaagde zijn zusje Nellie, en deed groot tegen de broertjes, die iederen morgen met den groenteboer meereden, "heele einden ver, wel een uur!" sneden ze tegen Cor op.
"Moe, ik ga maar naar Theo kijken of die thuis is."
"Ik heb hem gisteren nog gezien," lichtte Nellie hem in, en snibbig voegde ze er aan toe: "Dat jong groette niet eens! Hij liep me gewoonweg voorbij."
"Moest-ie zeker zeggen: goeden morgen, juffrouw Poorters? Had-ie zeker zijn pet moeten afnemen?" plaagde Cor. "Dag, jongejuffrouw Poorters! Hoe gaat het u? En hoe maken het uw ouders en broertjes, in 't bijzonder uw geachte broeder Cornelis?" Cor stond er onhandig bij te buigen tegenover Nellie.
"Hou op, zeg, met je narigheid," bitste Nellie hem tegen.
"Zoo'n nest!"
Cor probeerde op een beetje spottend-medelijdenden toon het te zeggen, plagend, en wat uit de hoogte. Maar het lukte niet. Het werd bits en scherp.
Nel stoof op. "Nest? Jij bent een nest, en je onbeleefde vrind is een nest, nare jongen!"
Haar oogen fonkelden, en een snel opkomend rood kleurde haar bleeke wangen even van boosheid.
Cor merkte het op. Wèèr kwam de gedachte bij hem: wat ziet die Nel er slecht uit. Hij had er moeder ook al over hooren praten, half fluisterend, met angst in haar stem. Nu viel het ook hem plotseling weer op. En ineens, goedig, viel hij uit: "Nou, Nel, maak je maar niet druk, ik meen het heusch niet zoo. 'k Zal d'r Theo voor op zijn kop geven. Is 't zóó dan goed?"
Het teer-rose van Nellie's wangen zakte weer even plotseling weg, als het gekomen was. 't Leek nu wel, alsof ze nog bleeker was dan gewoonlijk, en onder haar oogen waren donkere strepen.
"Nee, dat is heelemaal niet noodig, maar jij hoeft me niet voor nest te schelden."
Cor droop af. 't Was vervelend met hem. Zijn lompheid hinderde hem nu eigenlijk wel. Als je zoo'n kind aankeek.... neen, hij moest vriendelijker tegen haar zijn; want àls ze nu werkelijk eens niet gezond was? Zou het?....
Hij liep tegen de broertjes op, die juist binnen kwamen stormen, toen hij naar buiten ging. Meteen was elke zachtere aandoening bij hem verdwenen. Hij gaf den één 'n stomp, dreigde den ander, die zijn "broertje" te hulp wou komen, met de vuist, en trok de deur achter zich toe, die met een luiden smak dichtviel, juist toen moeder in de gang kwam kijken wat er aan de hand was. Met veel omhaal vertelden de broertjes dat Cor Jo een stomp gegeven had, en dat Dik hem toen had willen helpen, en dat....
"Nu, 't is welletjes," vond Moe. "Houdt jullie asjeblieft rustig."
"Moeder, we zijn met Jansen heelemaal naar de Greep geweest!" zei Dik. En Jo vulde aan: "Lekker worteltjes gegeten ook! En appels! Zoo maar van den boom geschud." Op Moe's vragenden blik kwam er spoedig een: "We mochten, hoor Moe! Kijk maar!"
Uit hun blouse diepten ze elk nog wat appels op, groen en hard nog. "Die mag U!" "'t Mocht van Jansen. Hij ging appels halen. in den bongerd, en toen mochten wij er nemen. 't Was toch een best appelenjaar. Fijn hé, Moeder?"
Moeder nam de appels aan.
"Dank je wel, hoor jongens! 'k Zal ze een poosje laten liggen, dan worden ze nog wel rijp. Nu zijn ze wat te hard voor me!"
De broertjes stormden nu weer naar het magazijn, waar wat fijns was: een nieuwe takel naar den zolder! Zulke sterke touwen! Daar konden ze wel met hun tweeën aan hangen, en de loopknecht had ze gisteren een heel eind naar omhoog getrokken. Maar Vader had het verboden -- 't was te gevaarlijk, vond hij. Ze mochten wel helpen, als er goed naar boven getakeld moest worden. En er stond nog. Dus dadelijk er op af!
Cor slenterde den veerweg af. In de uiterwaarden werd al voor de tweede maal gehooid. Druk waren ze met het nagewas in de weer. Daar kwam, breed en wiegelend, een hooggeladen wagen met hooi aanrijden. Het paard trok in rustigen gang de kar.
O, dat was de arbeider van Jansen, den groenboer. Cor kende hem. Wie lag daar boven op de kar? Hij zag een paar brilleglazen in de zon schitteren. Ha, gelukkig, het was Theo. Die lag lekker languit in het hooi.
Cor floot.
Nieuwsgierig richtte Theo zich op. Daar stond Cor, tegen het hek langs den dijk geleund.
"Jij weer terug? Ga mee jô, 't mag best! Nietwaar, Hendriksen?" schreeuwde hij den arbeider toe.
"Wa-blief?"
"Of Cor mee mag! D'r is hier nog plaats genoeg."
"O, dat....? Ja, 't zal wel gaan; als-ie maar niet te zwaar is, want de kar is al zwaar genocht geladen."
"Nee, heelemaal niet; kijk maar eens, wat een magere stroohalm," plaagde Theo.
Cor had wel zin, en vlug klauterde hij aan het touw, dat over het hooi heenlag, naar boven.
[Illustratie]
Hè, dat lag lekker! Je lei zoo fijn te wiegelen, en 't ging zoo langzaam, zoo echt, als je een lanterfantige bui had. "Jô, kom eens dichtbij!" zei Theo, en hij deed héél gewichtig en héél geheimzinnig, en liet zijn bril vervaarlijk op zijn neus dansen. Cor deed het.
"Wat hèb je, zeg?"
"'n Geheim! Twee geheimen."
"Echte? Die niemand nog weet?"
Theo knikte. Echte. Niemand.... nou, dat zou hij niet durven zeggen. B. v. de Burgemeester wist er van, en zijn vader en de andere raadsleden wisten er óók wel van. En van dat andere, dat wist hij ook van zijn vader. Daar wist meneer Van Waalwijk van.
Dat ging over de school, zie je. Allebei even ècht. Zoo prikkelde hij Cor's nieuwsgierigheid. Cor vergat heelemaal, dat hij tegen Theo wou uitvaren, dat hij hem wel had willen uitschelden voor "Rhandensche boer," "lomperd," "kinkel," weet ik wat. Hij zat nu heelemaal in de spanning van het geheim, van de geheimen. Hij moèst en hij zòu er achterkomen.
"Nou, vertel op! Kom òp met wat je weet! 't Zal wat zijn!" probeerde Cor verachtelijk te doen.
"Ja, 't zal zèker wat zijn!"
"Zanik nou niet, maar vertel het!"
Wat genoot Theo er van, dat Cor zoo ongeduldig was. Hij wilde hem nog wat laten wachten. Maar Cor richtte zich onverwacht op, en greep hem bij de schouders, die hij diep in het hooi wegdrukte.
"Help! Help! Moord! Brand!" schreeuwde Theo.
Hendriksen keek verbaasd om.
"Jullie magge daar wel wat rustiger wezen, anders mô je d'r af!" dreigde hij, en hij liet even boven het hooi uit de zweep spelen.
[Illustratie]
"Haal dan ook niet zulke flauwiteiten uit!" zei Cor tegen Theo. "Vertel je het nog of vertel je het niet?"
"Nou, vooruit dan maar. Maar je zal 't niet verder vertellen?"
"Ik zal 't geheim net zoo goed bewaren als jij zelf," plaagde Cor nu, die blij was, dat hij beet kreeg.
Toen kwam het er achter mekaar uit: "Nou jô, we krijgen twee feesten."
"Twee feesten?" vroeg Cor ongeloovig.
"Ja, twee feesten. Eén als de Koningin komt, en één, omdat de school vijf-en-twintig jaar bestaan heeft."
Ziezoo, nu waren de geheimen er uit, en 't was goed ook, want de kar was ondertusschen den dijk afgereden, en in zijn rustig-gestadigen gang bij Jansen aangeland. In een ommezientje waren ze op den grond.
"Mag ik opsteken?" vroeg Theo aan Jansen.
"Kan je niet -- is geen jongenswerk; veuls te zwaar, en d'r komt niks van terecht," zei Jansen.
De arbeiders begonnen al. Theo probeerde het ook te doen, maar het grootste deel van het hooi kwam op zijn hoofd terecht, inplaats van op den hooiberg. Ze hielden er dan ook spoedig mee op, en gingen er van door, nadat ze Hendriksen bedankt hadden.
"Nou moet je me alles vertellen, wat je van die feesten weet," zei Cor.
En Theo voldeed aan het verzoek. De Koningin zou in Rhanden komen. Er was bericht bij den Burgemeester gekomen, en zoo had Theo's vader het vernomen. De burgemeester zou vragen, of de menschen allemaal wilden vlaggen, en de scholen zouden dien dag vacantie krijgen. 't Was al in heel wat jaren niet gebeurd, dat de Koningin in Rhanden was. Vroeger, toen ze nog het het Prinsesje was, had ze een paar dagen in Rhanden doorgebracht, bij gelegenheid van landbouwfeesten; ook een Zondag was ze met haar Moeder in 't stadje geweest. "Je weet toch wel," zei Theo, "de Koninginnebank in de kerk? Nou, daar heeft ze toen ingezeten, en na dien tijd hebben ze die bank altijd de Koninginnebank genoemd. Nu zou de Koningin een bezoek komen brengen aan het groote sanatorium, dat vlak bij Rhanden lag. Maar ze zou toch een heelen middag ook in 't stadje blijven. 't Zou fijn zijn, want er zou een optocht komen van vereenigingen met vaandels...."
"Jammer dat wij geen vaandel hebben van de Rhandensche Verkenners," zei Cor. "Dan konden we óók meedoen."
"Nou, 't is de moeite waard, die Rhandensche Verkenners!" meende Theo. "Die moesten we maar stilletjes thuislaten. 't Is wat moois, om er mee voor den dag te komen!"
"En toch zal het gebeuren," besloot Cor. "Als ze 't nu niet goed doen, dan heeft het al héél weinig te beteekenen."
"En ik dacht, dat je het heele stelletje al opgeruimd had, en dat we er mee opgehouden waren?"
"Ja, zoolang het vacantie was," hield Cor zich groot, "maar nu moeten we nog eens beginnen."
Hij had zijn plan al gevormd; de Rhandensche Verkenners zouden goed uitkomen; maar het moest stil gehouden worden, het moest voor de Rhandenaars een verrassing zijn.
Cor ging meteen naar huis.
"Vader," stormde hij op meneer Poorters los, "de Koningin komt in de stad, en dan is er feest, en optocht met vaandels! Maar het is een geheim, hoor!"
"Dat zal een heel pleizier geven!" antwoordde Vader. "Hoe kom je daar aan, Cor? Hoe weet je dat geheim?"
"Van Theo, en die weet het van zijn vader, en die heeft het van den Burgemeester gehoord. En op school komt er ook feest. De school heeft vijf-en-twintig jaar bestaan," ratelde Cor in één adem door.
"Dat belooft dan feest op feest! Daar bof jullie mee!"
"Ja, en Vader, nou wou ik met de Rhandensche Verkenners aan den optocht meedoen. Vindt u het goed?"
"Ik vind het best. Maar ik dacht, dat het na dien brand op de heide, voor een paar weken, met die club gedaan was?"
"Ja, Vader, eigenlijk wel, maar nou is er iets zoo èchts, dat ze wel allemaal zullen meedoen! Heusch, nou doen ze het wel weer. Als ik mag tenminste...." voegde hij er aan toe.
"Wat mag?"
"Ja, ziet u, ik wou het stil houden en dan met een paar jongens een mooi vaandel plakken met kwasten er aan, en wat er op, en dan alle jongens oranjesjerpen om met 'Leve de Koningin' er op, en dan meeloopen in den optocht!"
"Ik vind het best, jongen. Jammer, dat de vacantie eigenlijk al om is. 't Was prettig vacantiewerk geweest. Nou ben ik bang, dat je werk er wat onder lijden zal."
"Nee, Vader, heusch niet. Maar mag ik met Theo en Jan en Koos en zoo, boven op het magazijn 't vaandel maken? Want niemand mag het zien, weet u, vóór we meedoen!"
"Ik vind het goed; als jullie maar rustig bent, en de knechts niet van het werk afhoudt. Alleen: wie moet het allemaal betalen? Want dat kost geld hoor, bedenk je wel!"
Cor vlijde zich tegen vader aan.
"Toe, Vader, help er ons bij! Mag ik wat uit mijn spaarpot nemen en doet u er wat bij?"
"Als 't dan maar niet net gaat als met de tent!"
"Toe vader, zeg nu ja! 't Mag wel, hè? En u betaalt wel wat! 't Is toch voor de Koningin."
[Illustratie]
Cor holde weg, zonder antwoord af te wachten, en zocht Theo op, dien hij zijn plannen mededeelde. Ze moesten zoo gauw mogelijk saamkomen.
"Bij den steen," stelde Theo voor.
"Goed," zei Cor. "Maar 't vaandel maken we bij ons in 't magazijn."
Zoo spraken ze af. "Misschien kan het bij 't schoolfeest óók dienen," opperde Theo.
"O, best," antwoordde Cor. "'t Kan wel. Alleen zou er dan wat anders op moeten staan."
"Ik wéét wat." Theo kwam in eens tot die ontdekking. "Dan vragen we Koos om het te teekenen."
"Ja, en Jan Arps om slingers groen; die kan ze wel van zijn vader krijgen. Misschien kunnen we wel een heelen eereboog maken! Dàt zou pas fijn zijn!"
"Ja...." Theo peinsde, en daarom wachtte hij even. 't Zadel van zijn neus opgetrokken, staarde hij zonder kijken, door zijn brilleglazen heen. "... Ja..., zie je.... dat is wel leuk.... maar waar moet die staan.... en hoe kom je aan alles?"
Cor had nu een bui om te vinden, dat alles wel kon. "Dat komt best terecht, zullen we wel zien -- bij ons voor de deur... da's een mooie plek... en dan gaan we d'r allemaal bij staan, als de Koningin voorbijkomt." Zoo werden de plannen al grooter en grootscher.
Toen de school weer begon, was er een geheimzinnig gefluister onder de jongens. Ze moesten eigenlijk meneer Van Waalwijk maar in 't geheim nemen. Zouden ze?
".... Niet doen," schreef Cor op 't briefje, dat Theo hem in handen liet spelen, en waarop de vraag stond of ze meneer 't zouden zeggen.
't Was eigenlijk wel jammer, want nu wist meneer niet, hoe hij het had. Ze waren zoo ongedurig, die jongens. 't Was wel weer de eerste schoolmorgen, maar zóó.... hij begreep niet, hoe hij het had. Er moest wel wat bijzonders wezen, dat ze in den weg zat.
Ineens viel Nelly uit: "Meneer, de Koningin komt gauw, en dan krijgen we feest. Ze gaat naar 't Sanatorium en komt dan 's middags hier!"
"O zoo, zit jullie dat in den weg? Dat begrijp ik. Ik had er door mijn vacantie nog niets van gehoord. En natuurlijk -- jullie hebben de Koningin zoo weinig gezien -- misschien wel nooit!"
Nu kwamen de tongen los, en in minder dan géén tijd was meneer op de hoogte van de plannen. Behalve... van het plan der Rhandensche Verkenners. Want Cor gaf stilletjes het wachtwoord door: niets zeggen! En de jongens, die in 't geheim betrokken waren, gehoorzaamden.... ze zwegen als moffen. Toch was er, na dat babbel-oogenblikje, wel wat ontspanning gekomen, en konden ze weer lekker aan het werk gaan. Dien eersten Woensdag kwamen de Verkenners samen bij den steen. Ze waren in kleine clubjes gegaan, "om geen argwaan te wekken," zei Cor deftig-geleerd. Al de jongens, die in 't complot betrokken waren, vonden het wàt leuk: nou werd het pas echt!
Cor had een groot papier bij zich.
"Jongens, nou allemaal beloven, dat we d'r verder aan niemand wat van zullen zeggen. Hier op 't papier staat het:
[Illustratie]
'Wij, ondergeteekenden, allemaal Rhandensche Verkenners, beloven, van al de plannen niets te zeggen vóór de Koningin in de stad is. Dat beloven wij.'"
Hij spreidde het papier uit op den Steen, en zette er met potlood zijn naam onder, in kloeke stevige letters: Cor Poorters.
Al stoeiende en stompende en duwende verdrongen de anderen zich om den Steen, om ook te teekenen, en weldra prijkte een 12-tal handteekeningen onder op het papier. Cor vouwde het toen op in een blikken doosje, en dat groeven ze, onder den steen, weg in de hei. Toen kwam het groote oogenblik aan, waarvan Cor al zoo lang had gedroomd: allemaal kwamen ze aandragen met een steen, dien ze op den losgewoelden grond neerlegden. Nou was 't verbond toch gesloten! dacht Cor.
En toen ging hij de plannen in den breede ontvouwen.
Wat werd er gebabbeld en drukte gemaakt! Eer ze het eens waren, moest Cor héél wat uitleggen! Hij maakte er ten slotte een eind aan, door te zeggen: "Nou, en zooals ik zeg, en Theo en Koos en Jan, zóó moet het, en wie het niet wil, die doet dan maar niet mee!"
Die bedreiging hielp, en toen waren ze gauw klaar. Ze zouden marcheeren, sjerpen koopen, een vaandel maken, dat Koos mocht ontwerpen, en verder zwijgen.
Ze verdwenen in verschillende richtingen... "dan snapt niemand het," zei Cor, en al dat gewichtig-doen beviel den jongens wat goed! Ze waren nog nooit zoo eensgezind geweest als toen!
De voorbereidselen tot den grooten dag verliepen in de beste orde. Koos ontwierp een prachtig schild, naar het oordeel der Verkenners. 't Werd een schild, want al heel gauw zagen ze in, dat een vaandel toch wel minstens van fluweel moest zijn, om _vaandel_ te wezen. Koos bepaalde de kleuren: 't zou een mat-gelen ondergrond hebben; langs de randen groene loovertjes van eikenblad -- dat beteekende kracht, zei hij. "En eer," voegde Theo er aan toe, die pas van de Olympische spelen had gelezen, hoe de overwinnaars daarbij met eikenloof gekroond werden. En dan moest er met gouden letters op komen:
"DE RHANDENSCHE VERKENNERS." LEVE DE KONINGIN!
Ze kibbelden nog wat over de kleuren. Die mat-gele ondergrond beviel niet. "Net Roomsch," vond de een. En een ander dacht, dat die kleur wat besmettelijk zou wezen. Maar ze vonden toch niets anders. Blauw en goud en oranje, zooals Cor voorstelde, daarvan wilde Koos niet weten; 't zou te bont worden, vooral in de tinten, waarin je papier kon krijgen.
Nu gingen ze aan 't werk. Cor zorgde voor 't karton, en ook, dat het soliede beplakt werd, en geschikt om aan een stok opgehangen te worden. Koos had den vorm nauwkeurig aangegeven; en de wilde Cor, die steeds Jan en Theo om zich heen had -- ze kwamen 's avonds hem een uurtje helpen zoogenaamd -- verknoeide, ook dank zij die hulp, wel meer dan één karton; doch ten langen laatste lukte het toch, een goed schild, netjes gelijk uitgesneden, symmetrisch gevormd, klaar te krijgen. Het omplakken van den rand eischte heel wat zorg. Daar moest Jan aan te pas komen. Die was zulk werk nu wel niet bepaald gewoon, maar hij, als echt Jantje-secuur liep minder gevaar het werk te verknoeien dan Cor, die nu op zijn beurt van decorateur tot plakknechtje bevorderd werd. Maar het uitsnijden der letters en het opplakken dáárvan, was het werk van Koos. Dat was zoo'n secuur werk, en het was véél te gevaarlijk, om het door één der andere jongens te laten doen....
Het lukte. En toen Nel, die in het geheim was genomen, en met behulp van haar oudere zus de kwasten had gemaakt.... mooi oranje,.... en de koorden had gedraaid, dat alles ter versiering aan het "Vaandel" had bevestigd, toèn was het een pronkstuk geworden, waar ze niet weinig trotsch op waren.
De verkenners hadden -- contributie was in langen tijd niet betaald -- bij hun ouders, die óók allemaal in 't geheim betrokken moesten worden, 't noodige geld losgebedeld, om daarvoor mooie sjerpen te koopen, die ter Rhandensche drukkerij bedrukt werden met: "De Rhandensche Verkenners."
't Geheim werd dus hoe langer hoe minder geheim; maar toch, tegenover hun kameraads, die niet van de partij waren, deden de Verkenners héél gewichtig geheim, al bezweek er wel eens een voor de verleiding van een heerlijken appel, of voor het aanstaand genot van een groot stuk peen.
[Illustratie]
Intusschen marcheerden ze er lustig op los, en op de gymnastieklessen deden ze uitnemend hun best. 't Kwam er nu op aan, en ze zouden "voor de heeren komen". Dat was niet zoo min. En daarom moest het beste beentje voorgezet.
Cor genoot: hij had de leiding, en speelde braaf den baas, en de anderen schikten er zich in, nu ze zagen, hoe goed het ging.
Het eenige, dat er wel wat onder leed, was het schoolwerk. Dat werd wel eens nog sneller afgeraffeld dan gewoonlijk. En meneer Van Waalwijk had de handen vol om voor goed werk te zorgen.
Gelukkig zou het niet lang meer duren. Nog maar een week, en de groote dag ging aanbreken. Theo's vader had, in het geheim natuurlijk, de noodige afspraken gemaakt over de deelneming der jongens aan den optocht -- en zoo zou het wel gaan.
XIII. Van een feest, en donkere dagen die dreigen.
Een paar dagen voor het verwachte bezoek der Koningin sloeg het weer nu voor goed om. En het scheen wel, alsof àl de regen, die anders in Juli en Augustus valt, nu in de somberder wordende najaarsdagen neer kwam stroomen. Het pletste den heelen dag maar door, onophoudelijk, in dikke stralen uit de loodgrijze lucht, en hevige windvlagen striemden de boomen, en de natte blaren sloegen van het hout af.
't Beloofde niet veel moois.