Part 8
Misschien had Moe gelijk, dacht Cor. De andere jongens mochten toch óók niet. Hij zou het alleen erg leuk gevonden hebben, om tegen z'n jongens te kunnen opscheppen van: "Ik mag wel," maar dat mislukte nu volkomen. De goede harmonie werd er niet minder door. En ze hadden groote plannen, om het zich zoo aangenaam mogelijk te maken.
Op een vroegen Maandagmorgen in de vacantie trok het heele stelletje den berg op; ze hadden alle benoodigdheden voor hun tent op een wagen geladen; twee trokken aan touwen, anderen duwden den wagen; ze liepen er bij, alsof ze zoo pas Rhanden hadden ingenomen en nu gereed waren om op den Derker los te stormen. Natuurlijk voerde Cor den boventoon, maar ook Theo, wiens bril weer zijn gewonen dansen op z'n neus maakte, had een praats van belang. Koos Venema liep kalmpjes met zijn broer te praten. Hij had zijn schetsboek bij zich en had zich vast voorgenomen, heel wat te teekenen en goed uit te kijken. Hòe vaak hij ook buiten was, 't vooruitzicht om een heele week, van den vroegen morgen tot den laten avond, buiten te zijn, en te dwalen, en onbekende hoekjes op te zoeken, het lokte hem buitengewoon aan.
[Illustratie]
Jan Arps voegde zich op den berg bij hen.
't Was nog stil op den weg; Jan dacht even terug aan dien morgen, toen de verhuiswagen met den boel van Poorters den berg opkwam. Maar alles was nu zoo heelemaal anders: 't blad begon al te vallen.
Op den Derker waren ze aan 't bladharken. Door de droogte liet het onderste blad wel héél vroeg los dit jaar.
"Je slaapt zoo fijn in dat droge blad" vertelde Jan. "'t Is zoo lekker als het knapt om je heen...."
"Nou, toch lig ik liever in mijn bed," zei Theo. Die vond het eigenlijk nog niet zoo naar, dat ze 's avonds naar huis zouden trekken. En hij gaf telkens luide zijn twijfel te kennen, of het met eten wel gaan zou. Hij wist vreeselijke verhalen van zwartgebrande aardappelen, en groente, die niet deugde, en vleesch dat niet te eten was; en als 't eten niet goed was, dan ging hij vast thuis even wat halen, want in hongerlijden had hij geen zin.
Bij de hei wachtte Gert ze op.
"Jullie moeten erg voorzichtig zijn met vuur, zegt vader, en niet al te dicht tegen 't bosch aan je tent opslaan."
"Waarom niet?"
"Ja, voor als jullie misschien brand zou stichten!"
"Zeg, we zijn geen kleine kinderen!" stoof Cor op. "Als jij d'r nou bij was...."
Gert zei niets, maar keek, hoe ze aan 't zwoegen waren met de kar over de hei.
"In 't karspoor halen je wagen, anders krijg je het niet gedaan."
Ze volgden zijn raad op, en 't ging beter.
't Was anders al lekker warm. De zon scheen over de hei, waar geen schaduwplek was; de weg klom langzaam, en ze moesten nog een eind verder. Theo, die juist in 't touw liep te trekken, ging ineens liggen. "Als je dat vacantie-werk noemt.... ik dank je lekker!" Ze bleven langs het karrepad rusten.
Koos zat alleen. Z'n blik dwaalde over de nu paarse hei. Boven de bloemen trilde de warme lucht; 't was een prachtig gezicht; hij hoorde nauwelijks het gejoel van zijn kameraads, maar zat voor zich uit te staren, en al die wondere schoonheid in te drinken, begeerig, en stil.... 't Lawaai vervloeide hier; 't klonk lang niet zoo, als midden in de stad, tusschen de huizen in, in smalle straten. Zelfs de scherpe, gebiedende stem van Cor klonk hier minder luid. En 't was, of ze zelf onder den indruk kwamen; 't gejoel begon te verstommen, en ze lagen rustig hun plannen te bespreken voor de week op de heide.
"Jongens, we kunnen hier niet blijven zitten; dan schieten we niet op. Opkrassen, asjeblieft!"
Te lui wàs Cor niet. Hij commandeerde wel altijd, maar was zelf niet vies van aanpakken. Hij had dan ook al één van de touwen beet, en zette zich in postuur om te gaan trekken. De anderen volgden, en de wagen, knoersend in zijn assen, rolde verder, den hellenden zandweg op, tot ze op een kleine hoogte kwamen, waar ze de tent zouden opslaan. Met de noodige drukte, maar toch nog vlug, werd afgeladen.
[Illustratie]
Theo was aan het graven; want de steunpaal moest toch in den grond, dacht hij; goed diep, dan stond hij stevig. Maar de anderen brachten hem aan zijn verstand, dat het niet noodig was, en dat de touwen, aan de haringkoppen bevestigd, de tent overeind moesten houden. Daar hij met alle geweld wilde graven, wees Cor hem een plek enkele meters verder, waar hij een kuil kon maken voor het vuur.
Hij was nog geen kwartier aan 't graven, of hij begon al leelijke gezichten te trekken. Hij kwam eens bij de tent kijken.
"'k Heb zoo'n raar gevoel in mijn rug! Dat graven is niks voor mij. Dat moet Jan nou overnemen, dan zal ik wel bij de tent helpen. 'k Krijg al blaren in mijn handen!"
"Dat komt", verklaarde Jan, "omdat je de schop veel te stijf aangrijpt. Zóó moet je doen!" en hij deed het voor.
"Maar ik bedank je kostelijk! Doe jij het maar. M'n bril zweet er alweer van!" zei Theo.
Jan zag, dat het niet gaan zou, en daarom nam hij het over.
Met allebei zijn handen in zijn zakken stond Theo nu naar het opslaan van de tent te kijken. Koos en Cor hadden de leiding, maar het lukte nog niet best. De boel wou nog niet blijven staan. Het was alweer aardig warm geworden, en de jongens, die werkten zoo hard ze konden, hadden er last van. Koos stond zijn gezicht af te vegen met z'n zakdoek.
"De mijne ook hebben?" bood Theo kwasie-vriendschappelijk aan.
"Werk liever mee. Jij staat te kijken en wij kunnen ons uit den naad werken!"
"Nou, ik doe toch óók wat!", merkte Theo nu op, met zijn armzaligste gezicht.
"Zoo, ik zou wel eens willen zien, wat je deed," stoof Cor op, die boos werd.
"Ik sta d'r bij te zuchten, jô; dat hoef jij dan niet te doen. Zoo is het eerlijk verdeeld: de één sjouwen, en de andere zuchten."
"Loop naar de maan!" riep Cor nijdig uit. "Jij bent ook gezellig! Hier, pak aan dat touw. We moeten nu samen het tentzeil spannen, en dan sla je het zòò, met een lus, om den haringkop. Begrepen?" Hij stopte Theo het touw in de handen, en ze trokken nu geleidelijk de touwen aan, tot de tent schijnbaar stevig genoeg stond. Theo stribbelde natuurlijk weer tegen, liet zijn handen zien, die stuk gingen van dat touw erlangs, maar het hielp hem niet; hij moest nu meewerken, als hij zich niet de algemeene ongenade op den hals wilde halen. De tent stond, en de zes Robinsons, die nu hun verblijfplaats op het onbewoonde eiland gereed zagen, keken vol verbazing en bewondering en blijdschap er naar. Wat stond dat grauw-witte zeil fijn op die heide. 't Was bijna een complete soldatentent, en de Padvinders konden heusch geen mooier hebben, en geen beter!
[Illustratie]
Ze hadden onder 't werken door, hun jas of blouse al uitgetrokken, en in hun hemdsmouwen scharrelden ze rond.
Want de magen begonnen te jeuken. En dorst dat ze hadden! O ja, daar had niemand aan gedacht! Water moesten ze óók hebben!
Dan maar op den Derker vragen. Theo en Koos zouden die corvee verrichten. Theo protesteerde wel weer van wege zijn stukke handen en zijn zweetenden bril, doch het baatte niet. Koos trok den goedigen pruttelaar mee, en fluisterde hem in 't oor: "jô, dan gaan we eerst zèlf fijn drinken." Daarmee was hij gewonnen, en nu ging het den zandweg af naar den Derker.
"Motten jullie?" vroeg Gert, die ze had zien aankomen en ze tegemoet kwam loopen.
"Wàter," schreeuwde Theo hem in eens vlak in het oor. "De Rhandensche Jongens versmachten van dorst."
"Waarin?" merkte Gert droogjes op, die al gauw zag dat ze niets hadden meegebracht.
"O ja, je moet water ergens indoen!" Koos lachte er hartelijk om. "Ook stom van ons, zeg!"
"Och, is me dat een kamperij van jullie!" plaagde Theo ineens. "Dat heeft niet eens een put laten graven!" En met een ernstig gezicht wendde hij zich tot Gert, en zei: "En dan heb ik mijn jassie óók daargelaten!"
"Nou, wat zou dat? 't Is wèrm genocht!" merkte Gert nu op.
[Illustratie]
"Wat dat zou? Ik had dan toch mijn zakken met water kunnen vullen? Geef 't me dan maar in m'n pet!"
"Verkoop toch niet altijd flauwiteiten." Koos werd boos. "Zoo schieten we niet op. Toe Gert, vraag jij aan je vader of we een kan of een emmer mogen leenen?" Een oogenblik later kwam Gert aanzeulen met een kleine melkkit.
"Daar, as je d'r maor veurzichtig bij zijt," zei hij.
Ja, nu waren ze nog net zoo ver. Waaruit zouden ze drinken? Theo wilde 't uit z'n handen doen. Maar nu plaagde Koos hèm met zijn opengeschaafde handen. En die goeie Gert was weer teruggeloopen en kwam nu met een groote kom te voorschijn. "Moet ik me daarin wasschen? Daar is-ie te klein voor," grapte Theo nu. Maar Koos pakte de kit met water bij het eene oor. "Allo, pak an," gebood hij, en Theo nam het andere oor, en zoo zwoegden ze de hei op.
"Gezellig, zoo corveeën," bromde Theo, die al gauw zijn zakdoek door het oor van de kit had geslagen en puffend en hijgend voortsukkelde. "Toch een goeie knul, die Gert; wel een echte boer!"
Koos liet hem praten; hij had genoeg aan zijn vrachtje. Toen ze bij de tent aankwamen, waren ze moe en wel; ze werden met gejuich ontvangen, want de jongens waren allemaal even blij, dat ze zich verfrisschen konden. De kom ging rond, en de ketel werd gevuld. Want ze hadden natuurlijk een ketel meegenomen, om water voor de koffie te koken.
"Theo, haal jij wat droog hout in het bosch," commandeerde Cor, die zich krachtens zijn voorzitterschap van "De Rhandensche Verkenners" kampleider gevoelde, en braaf den baas speelde.
"Doe het zelf," antwoordde Theo kort. "Ik heb al genoeg gesjouwd. 'k Geef het jou te doen, om in zoo'n hitte die kit water van den Derker af hier heen te zeulen. Dankje lekker: ik heb genoeg gecorveed!"
"Ik zal het wel doen," bood Jan Arps aan, "ik kan best. Ga je mee, Dirk?" vroeg hij aan Koos z'n broer. Die stemde toe, en als hazen schoten ze over de hei, en verdwenen in het bosch. Een oogenblik later verschenen ze weer met de noodige hoeveelheid dor hout, waar ze spoedig een vuurtje van hadden.
Van steenen hadden ze een soort vuring gemaakt, en daarop kwam de ketel, en rondom het smeulende, knappende houtvuur zaten ze met hun zessen, en ze bliezen de vonken aan tot vlammen en hadden een pret van belang, zoo'n pret, dat zelfs Theo nu onnoodig hout aansleepte en op het vuur wierp. 't Water begon te razen, en stond op den kook. Ze deden er wat koffie in, en lieten het toen lustig koken.
Alweer een bezwaar. Ze hadden geen melk! "Dan drinken we ze maar zònder," decreteerde Cor. "Want je kan nu slecht naar de stad loopen; om een kannetje melk te halen. Morgenochtend moeten we er aan denken. Nu zullen we maar véél suiker nemen!"
Ja, dat was een idée, en Theo, die, als het op lekker eten en drinken aankwam, toonde zich te kunnen haasten, schommelde uit de provisie-kist een zakje met suiker en stortte dat leeg in het kokende vocht.
Nu zou de koffie al wel goed zijn, meenden ze, en de koffie werd van het vuur genomen, dat ze met wat steenen dekten; dan bleef het smeulen, meenden ze. Ze hadden in hun Indianen-boeken gelezen, dat die hun vuur afdekten met asch. Maar asch was er nog niet. Ze maakten dus van den nood een deugd, en dekten af met steenen.
De koffie was nog te warm. Die moest eerst wat afkoelen. De boterhammen werden voor den dag gehaald, en èven was het doodstil, toen ze de handen vouwden, 'n beetje vreemd voor elkaar, en baden. Maar al spoedig was het weer één en al luidruchtigheid en ge-grap.
Theo zou inschenken. De groote kom kwam vol, en hij zette begeerig zijn lippen aan het donkerbruine vocht. Doch nauwelijks had hij een slok er van in den mond, of hij spuwde het vol afschuw uit, zonder er op te letten, dat het midden tusschen de makkers terechtkwam.
"Bah! Wat een goed! Hoe smerig bitter!" viel hij uit, en hij trachtte de laatste sporen van het bruine vocht uit zijn mond te verwijderen en nam daartoe zelfs zijn zakdoek te baat.
"Ja, smerig bèn je," viel Koos uit, naast wien de zwart-bruine regen juist was neergekomen.
"Nou," proestte Theo nog, "nou, en als jij het gedronken had, zou je...."
"Jij was ook veel te gulzig," kwam Cor er tusschen in. "Maak nou asjeblieft de kom schoon, dan kunnen wij het probeeren. Je bent ook net zoo'n lekkerbek."
Theo, die er al troost in zag, dat de anderen ook dien heerlijken smaak zouden proeven, spoelde de kom om, en schonk voor Cor in.
Heel voorzichtig, de lippen vooruit, proefde deze nu; hij nam zoo weinig als maar mogelijk was. Vol belangstelling en nieuwsgierigheid keken de jongens toe, wat voor gezicht hij zou zetten. Maar Cor kon zijn eigen kooksel slecht afvallen. "Hm, wat stèrk, maar wèl te drinken," vond hij, en hij bood de kom aan Jan, die aan den anderen kant even de lippen aanzette, doch met een "dank je, drink jij dat bocht maar," haar onmiddellijk weer aan Cor overreikte.
[Illustratie]
"Ja, best is ze niet," moest Cor erkennen. "'t Is zonde van de kostelijke koffie!"
"En dan al die suiker," voegde Jan er aan toe. "Had Theo er die tenminste maar niet bijgegooid!"
Neen; die koffie was niet drinkbaar.
Zoo kreeg de hei het eerste zetsel van de Rhandensche Verkenners en kampgenooten te drinken: 'n zwart-bruinig, drabbig, gesuikerd aftreksel van koffie op kokend water, nog eens lekker sàmengekookt, in plaats dat de koffie op het water getrokken was!
XI. Het einde van een korte vreugd.
't Was middag geworden. Hoog stond de zon te branden aan den strak-blauwen hemel, en de hei zelf was warm. Koos zat te genieten in de schaduw achter de tent. De anderen waren op sjouw, het bosch in, om er te ravotten, en ook om nog wat hout bij mekaar te sprokkelen. Koos had zich vrijwillig aangeboden, om kampwacht te houden.
Nu was het heerlijk rustig. De bruingetinte heide, met de helpaarse trossen of de licht-paarse klokjes, stond te stralen in de zon. Hier en daar vloog een zandoogje rond, maar overigens was er bijna geen leven te bespeuren.
[Illustratie]
Over hem, dichtbij tegen den horizon, liep de donkere lijn van het sparrebosch. Hij had al enkele malen getracht, om dat in zijn schetsboek met een paar krabbeltjes te geven, maar telkens had hij het boek, onvoldaan over zijn eigen werk, weer neergelegd. Toch greep hij het weer op, en probeerde opnieuw. Hij teekende, gumde uit, zette weer een paar lijnen, schetste een wat op den voorgrond komenden spar, groepeerde daar om heen het andere hout, en ja, er kwam diepte in, en ièts van het wondere leven, dat toch trilde door dat stille bosch.
Maar wat was dat; daar vlak bij? Wat bewoog er tusschen de heidestruiken? Een fijn, bruin-wit snuitje bewoog haastig; een paar goedige oogen keken rond -- uit het hol, dat daar klaarblijkelijk was, kwam een konijntje, voorzichtig te voorschijn.
Dadelijk zat Koos in de houding: onbeweeglijk bleef hij, in de hoop, dat er nu niemand zou aankomen; dat hij rustig dat aardige gedoe kon beschouwen. Het fijnbruine lijfje kwam geheel te voorschijn en 't konijntje zat koddig eigenwijs op zijn achterpooten in 't rond te kijken. Zou hij Koos ontdekken?
[Illustratie]
't Kopje werd gestrekt -- even later kwam nummer twee te voorschijn, en samen zaten ze daar op het open plekje, alsof ze voor de fotograaf poseerden. Die 't eerst gekomen was, sprong weg, de hei op, Koos zag nog telkens zijn licht-bruine ooren tegen de hei uitkomen. En toen hij opkeek, was de andere verdwenen. Nu ging hij naar het hol kijken: veilig verborgen was de ingang door de heistruiken.
Als de jongens dat maar niet zagen! Ze waren in staat om de dieren half dood te jagen, vreesde hij. Gelukkig hadden ze nog niets gezien en hij zou het ze niet zeggen. Hij nam zijn teekening weer op, en begon zonder dat zijn werk hem geheel kon bevredigen.
In de verte, tusschen de boomen, kwam beweging. Telkens zag hij één der jongens te voorschijn komen, en in groote haast weer verdwijnen. Wat zouden die uitvoeren? Hij zou het gauw genoeg weten, want daar kwamen er vier, vijf aanhollen, zoo snel ze konden. Cor voorop, luid schreeuwende: "Pak 'm! Pak 'm! Een konijn!"
O, nu begreep Koos het -- de dieren waren zeker het bosch ingegaan, en nu hadden Cor en de anderen ze gezien. Maar hij wou niet meehelpen aan het doodjagen van het arme dier, en hij holde de jongens tegemoet, juist uit de richting van het dier.
"Wat zeg je? Een konijn?" vroeg hij.
"Ja, daar gaat-ie!" schreeuwde Cor.
"Waar?" vroeg Koos nog eens, die het dier werkelijk niet had gezien. Toch werden de jongens een oogenblik door dat gevraag opgehouden. Het konijn kon nu ontsnappen, en daar was het Koos om te doet geweest.
"'k Zie hem niet meer!" riep Koos, en Theo, die vlak achter hem aanholde; liet zich voorover in de hei neervallen. "Hier zoo! Hier zoo!" lawaaide hij, en greep in de struiken, alsof hij het dier maar voor 't pakken had.
[Illustratie]
De anderen er dadelijk bij, maar ze merkten al heel gauw, dat Theo ze er tusschen nam. Cor greep een been van Theo.
"'k Heb hem bij zijn poot!" schreeuwde hij. En de anderen lurfden er ook op los. Theo moest er aan gelooven. 't Was zijn schuld dat het konijn weg was. Nu zouden ze hèm naar het kamp brengen. En ze zeulden en sjouwden hem het eindje hei over, en die arme Theo liet het zich wèlgevallen.
Toen ze hem bij de tent in het zand lieten vallen, zei hij alleen: "Wat zachter is òòk goed, hoor! Maar dank jullie voor je vrachtje!" en bleef languit liggen. De anderen volgden zijn voorbeeld, en Koos zag niet zonder schrik, en toch ook met verholen pret, dat Cor vlak bij het konijnen-hol ging liggen, waar zeker zoo pas het verschrikte dier zich in geborgen had.
Ze bleven wat liggen stoeien, en Theo vooral moest het telkens kunnen. Koos lieten ze nog al met rust; maar rustig was hij niet, vooral niet, toen hij zag, hoe Cor het hol ontdekte.
"Jongens! een konijnen-hol!" riep hij uit, en onmiddellijk waren de anderen er bij; de koppen bij elkaar gestoken, hurkten ze rondom het gat. Cor voelde er met zijn arm in, maar de gang was te diep.
"Delven dan!" stelde Jan Arps voor, en Cor begon tot groote schrik van Koos, te graven. Door zijn wildheid raakte hij den gang kwijt: die was vermoedelijk ingestort, door hun gerumoer op den grond, en hun gegraaf. Ze lieten het er dus bij, en waren er zooveel te eerder toe geneigd, omdat het tijd werd, aan eten te gaan denken.
Een paar haalden hout bij elkaar, terwijl Cor, Jan en Koos de aardappels zouden schillen. Die aardappels kwamen er hoekig af; ze zagen er heel anders uit dan thuis! Doch 't moest maar gaan! In een soort grooten ketel werden ze boven 't vuur opgehangen, aan een uit drie stevige stokken bestaande stellage.
't Was warm bij 't vuur, en toch waren ze er niet af te slaan. 't Was té verleidelijk, en ze eindigden met een rondedansje er omheen.
Krak.... bons.... een hevig gesis.... en verbaasd staan ze stil. Dirk was tegen één van de stokken aangekomen, waaraan de ketel bevestigd was geweest, met het gevolg, dat alles omviel, en de ketel in het knappende houtvuur terecht kwam, terwijl het water voor een deel er uit stroomde, en 't vuur bluschte.
Cor probeerde, den ketel er uit te halen, maar hij brandde zijn vingers bijna.
"Au, au, dat voel je!"
[Illustratie]
"Daar gaan onze kostelijke aardappeltjes!" urmde Theo, die onderwijl met een langen stok den ketel uit het vuur wentelde. Hij had gelijk: daar was geen eten aan. "Goed voor de varkens op den Derker!" meende Jan. "Ik ga gauw thuis eten!" riep Theo, "anders is het daar óók al op!"
"Nou, je kan nog wel even hierblijven!" drong Cor aan, teleurgesteld, dat alles zoo misliep, "we moeten maar opbreken, want zoo is er niet veel aan!"
"Inderdèd niet," spotte Theo, en hij greep een stuk smeulend hout, en wierp het, stoeiend, naar Jan.
"Die krijg je terug!" Weer vloog het brandend stuk hout door de lucht.
Cor en Koos letten er niet op: ze overlegden, wat ze zouden doen: alles laten staan, en morgen thuis gaan eten. Want etenkoken zou niet gaan, dat zagen ze wel... òf den boel maar heelemaal opbreken. Want ze zagen het: er kwam niet véel van terecht. Er was geen orde; ieder deed net, wat hij wilde.... misschien zou de dokter nog gelijk krijgen, dat er een oudere bij moest zijn. Ja, 't was beter: ze moesten den boel maar opbreken.
Lang niet vroolijk gestemd, begonnen ze de tent af te breken, en alles bijeen te zoeken en in te pakken. Vrij gauw waren ze daarmee klaar; maar hòe kregen ze alles weer weg?
Ze zouden het naar den Derker brengen, en vragen, of het daar mocht bewaard blijven.
En zoo trokken ze in optocht nu weer het heipad over, naar den Derker; Cor met de tentstokken, waarover het tentzeil was gerold, op de schouders; Jan met de kist op den nek, Koos den last van een paar emmers, met allerlei gevuld, torsend; Theo, puffend en blazend, met den leegen ketel in de hand; en telkens zette hij den tuit aan den mond, en blies er schetterende fanfares op! Tenminste, probeerde dat te doen, waardoor zijn bolle wangen nog meer strak gespannen stonden dan gewoonlijk, zonder dat er veel geluid te voorschijn kwam, daar de ingeperste lucht in het holle ketellichaam verloren ging.
Hij liep achteraan; maar opeens hield hij stil. Achter zich hoorde hij schreeuwen: "Jonge-èns! Jong-e-e-e-ns!"
't Was de nu scherpe stem van Gert, die angstig klonk.
Theo keerde zich om: achter zich zag hij rookwolken opstijgen. "Jongens, brand!" schreeuwde hij, gooide den ketel neer, en zette het op een loopen, in de richting van Gert. De anderen, verschrikt, volgden zijn voorbeeld. Wat was er gebeurd? 't Bleek spoedig. 't Smeulende stuk hout, dat Jan achteloos weer naar Theo had gegooid, was niet uitgegaan, maar had integendeel juist de kurkdroge heidestruiken, waar tusschen het terechtgekomen was, aan 't branden gemaakt, en nu kroop het vuur langzaam voort, telkens meer heide aanstekend, en dikke rookwolken vooruitzendend.... Wat nu te doen? Daar stonden ze.... van schrik verstijfd bijna; en ze durfden niet naderen.
[Illustratie]
Doch 't duurde slechts een oogenblik. Toen gingen ze 't voorbeeld van Gert volgen, die als een razende stond te trappen op 't nog smeulende strookje, vlak voor den verraderlijk voortkruipen den vurigen rand.
Er was geen houden aan. Wat zouden zij met hun kleine kracht er tegen doen? Als er geen hulp kwam, dan ging het heele stuk hei er aan; ze trapten, en trapten, schreeuwden, om de aandacht te trekken, zoo hard ze konden.
Langzaam, maar gestadig, kroop het vuur verder. Gelukkig was er bijna geen wind, en 't kleine zuchtje dat er was, woei in de richting van den straatweg. Zonder tegenstribbelen stelden ze zich onder de leiding van Gert.
"Cor, vlug, jij kan hard loopen. Hol naar den Derker, en vraag of de arbeiders komen, met schoppen!"
[Illustratie]
Niemand dacht er aan, Gert nu uit te lachen om zijn lijmerige spraak, en Cor, die anders liever wilde commandeeren, dan gecommandeerd worden, vloog als een pijl uit den boog weg, terwijl de anderen op Gert's voorbeeld, met takken, die hij inderhaast had opgezocht, op 't vuur gingen slaan, nu trappen niet voldoende hielp. Vooral aan de uiteinden van de vurige streep werkten ze wat ze konden, om te voorkomen, dat die nog breeder werd.
"Als ze maar gauw komen, anders gaat het aardappelloof daarginder er nog aan!" riep Gert. "Wij houden dat niet tegen."
Van den Derker zagen ze menschen aankomen, snel, al sneller. Al die anders zoo traag lijkende arbeiders maakten nu ongewonen spoed. Ze _leken_ traag, voor een stadsjongen als Cor. Maar ze _waren_ het niet, nòòit, en nu vooral niet.