Rhandensche Jongens

Part 7

Chapter 74,151 wordsPublic domain

Dàt had Cor al éér geweten, dat niets verzekerd was. "'t Is toch een reusachtige schade voor Arendsen, niet waar Vader?" vroeg hij, den Donderdag na den brand.

"Ja jongen, òf het. En Arendsen zal het slecht kunnen dragen. Hij heeft de laatste jaren heel wat getob gehad; ziekte onder z'n vee, en misgewas; en verleden jaar, bij het hooge water, is een deel van zijn hooi weggespoeld, terwijl het nog op het land lag. Nu dit weer.... hij zal er heelemaal onder komen...."

"Maar Vader, hij had zich toch kunnen assureeren?"

"Ja.... dat hàd hij.... maar hij denkt, dat hij dat niet màg doen.... Hij, en meer boeren hier, meenen, dat ze op God alléén moeten vertrouwen, -- en daarom verzekeren ze zich niet."

Cor zweeg. Hij had nog nooit op die manier er over gedacht. Hij had thuis gehoord van allerlei verzekeringen; Pa deed het ook.... vast was het dus niet verkeerd....

"Maar is dat dan goed van Arendsen? U hebt den winkel en zoo toch ook geassureerd?"

"Ja, Cor, en ik zie er geen kwaad in. Ik geloof, dat de Heer wil, dat we zorgen, zonder bezorgd te zijn. Maar zij zien dat anders in. Zij denken, dat het God verzoeken is.... en ze meenen dat even goed als ik.... je moet zien, hoe kalm Arendsen is. 't Is een wonder, zooals die menschen de bezoeking opnemen...."

Cor dacht weer na.

"Maar is er dan niets aan te doen, Pa? Geld vragen voor hem, en hooi koopen voor hem?"

"Ja, dat zou kunnen. Maar wie zal dat doen?"

"Wel, wij, de Rhandensche Verkenners," zei Cor. "Wij gaan het vragen, in de stad, en bij de boeren."

Meneer Poorters vond het een goed idee, als de jongens dat deden; ze kregen er nu den tijd voor, want Vrijdag begon de vacantie.

"Denk er om: eerst aan den Burgemeester gaan vragen of je màg. En dan een lijst opmaken, en die door den Burgemeester en nog een paar andere heeren laten teekenen."

Cor zou er geen gras over laten groeien.

Dadelijk sprak hij er op school met de andere jongens over en hij vertelde het aan meneer Van Waalwijk, die het ook een heel aardig plan vond, en zijn medewerking beloofde.

"Toe, meneer, geeft u dan van avond eens heelemaal geen huiswerk op?" drong Cor aan.

"Waarom niet?"

"Nou, dan komen de Rhandensche Verkenners bij elkaar en dan bespreken we het, wat we doen moeten!"

"En de meisjes dan?" vroeg Nellie.

Ja, de meisjes.... daar hadden ze niet over gedacht.

"Die hooren niet bij de Rhandensche Verkenners... die zijn toch geen jongens?" beet Cor ineens af.

Een hartelijk gelach ging bij de meisjes op.

"Nou, meneer, die is goed!... Hoort u hèm?"....

Meneer moest òòk lachen om het argument.

"Toch zou ik zoo zeggen, dat de meisjes aan dit werk even goed kunnen meehelpen."

"We wilden het met de Verkenners alléén doen, meneer," zei Cor nu weer. "Maar als de meisjes ook willen geven, of aan d'r vader vragen, dan is het goed," voegde hij er aan toe.

"Dat zullen we vanavond tenminste bespreken," kwam Theo ineens.

[Illustratie]

"Denkt er om, jongens, dat jullie minder moeten praten dan doen," merkte meneer op. "Je moet vlug helpen, als je helpen wilt."

Meneer gaf géén huiswerk op; 't liep toch tegen de vacantie; die ééne keer zou niet hinderen.

Ongemerkt wist hij nog raad te geven, hòe ze 't zouden inrichten, en toen ze nà schooltijd bij den steen samen kwamen, toen wisten ze wel zoowat, hòe ze 't zouden aanpakken.

Er moest een lijst geschreven worden.

Cor deed dat niet; dat was werk voor Koos Venema; die schreef het mooist van allemaal, vonden ze. Wat er op moest staan?

"Wel", zei Jan Arps, "natuurlijk van den brand en dat Arendsen nu zijn hooi kwijt is, en dat hij nieuw moet kunnen koopen, en of de menschen willen helpen."

Koos en Jan moesten dat samen maar klaar maken. Den volgenden morgen zouden ze het aan meneer Van Waalwijk laten zien, of het zoo goed was. En dan moesten er twee jongens naar den Burgemeester gaan, en dien vragen, de lijst te teekenen. "Ja," zei Theo, "en dan moeten we er in schrijven, dat we het geld aan den Burgemeester zullen geven, en dat die het aan Arendsen zal bezorgen."

Dat vonden ze een prachtig idee, en daaraan had Theo het te danken, dat hij mèt Cor samen naar den Burgemeester zou gaan.

"Zie je," zei Cor, "jij weet er ook zoowat van, van je vader natuurlijk."

Naar wien zouden ze toe gaan, en hoe moesten ze verder doen? Hoeveel geld was er noodig?

Jan Arps z'n vader had gezegd, dat er voor meer dan duizend gulden hooi verbrand was, den berg niet meegerekend.

"O, dat krijgen we gauw genoeg bij mekaar," meende Cor.

"Zoo, zou je dat denken? Duizend gulden is een heele som, hoor! Waar moeten we het vandaan halen?" Koos Venema was er zoo zeker niet van. En de andere jongens vreesden ook wel. 't Was zoo'n heel bedrag, zie je!

"En dan doen we er zelf bij, uit onzen spaarpot," stelde Cor voor. "Dat is toch ook al wat, dat is een mooi begin. Dan zetten we bovenaan op de lijst:

De Rhandensche Verkenners.... _f_10,--"

"Zoo, dan denk jij zeker, dat ieder een gulden geeft? Ik zie d'r nog niets van."

Nou waren ze toch aan 't praten geslagen, en meneer van Waalwijk had nogal gezegd: Meer dòen, dan zeggen. 't Was Theo opgevallen. Hij stelde voor, nu naar huis te gaan en alvast hier en daar over te spreken, en te zien dat ze het geld loskregen.

Den volgenden morgen bracht Koos een door hem opgestelde aanvraag mee. Hij las ze voor in 't kringetje der jongens:

Daar boer Arendsen zijn hooi door brand verloren heeft, en hij dus geen hooi meer heeft, willen de Rhandensche Verkenners maken, dat hij weer hooi krijgt. Daarom vragen we of de menschen hun geld willen geven. Dat geld geven we aan den Burgemeester, en die geeft het aan Arendsen, en dan kan die weer hooi koopen.

Want Arendsen zijn hooi was niet geassureerd, en hij krijgt dus geen geld van de assurantie, en moet dus anders straatarm worden. Uw dw. dienaar. Koos VENEMA.

"Dat deugt niet," viel Cor ineens uit, toen Koos klaar was met lezen. "Jij moet het niet onderteekenen."

"Wie dan?"

"Niemand. D'r moet staan: De Rhandensche Verkenners, anders niets."

En Theo merkte lachend op: "Ook snugger, om te zeggen dat Arendsen geen hooi meer heeft als zijn hooi verbrand is!"

Nu kwam de critiek los. Over de assurantie, en dat er telkens in stond, dat Arendsen geen hooi meer had en dat er heelemaal niets boven stond ook.

"Nou ja" zei Jan, die het voor Koos ging opnemen, "'t is ook maar een kladje. Dat kan je d'r nog boven zetten, 'Edele Menschenvrienden' b. v.; dat stond er ook boven, toen 't paard van Teunissen den vrachtrijder was doodgevallen."

Dat was een idee. "Edele Menschenvrienden." Dat klonk deftig.

Ze zouden het aan meneer Van Waalwijk vragen.

Die vond het goed. Alleen, dat Arendsen geen hooi meer had, moest er uitblijven, meende hij. Maar anders wilde hij er niets in veranderen. 't Moest zooveel mogelijk hun eigen werk blijven. Wel ried hij, om aan enkele heeren te vragen, de aanvraag aan te bevelen, en méér dan één lijst af te schrijven, want dan kon er ook meer dan één tegelijk mee uitgaan.

[Illustratie]

Koos mocht dien morgen op mooi, groot papier de lijst afschrijven. 't Was goed dat het de laatste schooldag was, want van werken kwam er niet veel. Toen de school uitging, wenschte meneer ze veel succes op d'r lijst toe. Hij beloofde er ook op te zullen teekenen.

De Zaterdagmorgen brak aan in stralende, volle zomerpracht. De lucht had zich weer hersteld, zeiden de menschen. En de boeren dachten, dat het wel mooi zou blijven. De lucht was sterk en kon veel verdragen. Het beloofde een gezegend jaar voor die streek te worden.

"Heerlijk, Cor, dat het zulk lekker weer is hè, om met de lijst er op uit te gaan!"

"Ja, Pa, òf het. Maar nu eerst naar den Burgemeester. Theo zou me komen halen. 'k Wou dat hij kwam!"

Nauwelijks had hij het gezegd, of daar stond Theo al. Deftig, op z'n Zondagsch, met z'n echte, onnoozel-guitige gezicht, een groote portefeuille in de hand. Hij streek met den rug van zijn andere hand over z'n voorhoofd.... hij had het al warm!

"Pff.... jô, warm! En dat pak zit zoo drommels strak; 'k kan me d'r haast niet in roeren! 'k Wou eerst niet, maar ik moest wel voor Moeder. Hè, mijn brilleglazen zweeten er van!"

Hij zette zijn bril af, wreef zich 't gezicht met den zakdoek, en begon toen zijn bril schoon te maken. "Zoo, dat schiet op; je moet maar haast hebben! Die warmte ook! En dat pak! Nou knapt 't montuur van m'n bril middendoor!"

Hij stond met een armoedig gezicht de twee helften te bekijken. "'t Zal nièt gaan. Ik kan 'm niet opzetten. En als ik eerst naar huis ga, wordt het te laat. Vooruit, dan maar zoo! Om tien uur moeten we er zijn! Winders de bode, heeft het gezegd."

[Illustratie]

Winders, de bode, was de rechterhand van den burgemeester. Hij zag hoog tegen den burgervader op, en was tegen iedereen akelig beleefd. Hij had een manier van zijn hoed af te nemen, met een breeden zwaai, en een kromming van zijn rug, dat Cor er om moest lachen, als hij het zag. En Theo niet minder. En dan de manier, waarop hij uitweek, als hij iemand tegenkwam, en de klank van zijn stem, als hij, met een breeden zwaai van zijn hoed alweer, "pardon, meneer!" zei! Dan rolde de _r_ nog meer, dan wanneer de Burgemeester zijn "Inderdèd, mijne heeren," uitsprak. Was de Burgemeester één en al kracht, Winders gaf den indruk van slapheid in al wat hij deed.

Winders zou ze dan bij den Burgemeester brengen. Theo, bril-loos nu, verloor zijn gewone vrijmoedigheid. Zenuwachtig trok zijn neus, nu naar 't scheen nog erger dan anders, omdat de bril er niet op stond. Ook Cor had moeite, om het raadhuis binnen te gaan. 't Was toch gek, zoo vreemd en wonderlijk als hij er voor stond. Gelukkig kwam Winders te voorschijn, en gelukkig miste hij zijn hoed, zoodat zijn deftige armzwaai nu achterwege bleef.

Theo gaf Cor een stomp en fluisterde: "Ga jij maar vooruit, jô!"

"Nee, jij, want jouw vader is raadslid," fluisterde Cor terug. "De Burgemeester kènt jou!"

"Jou even goed," strubbelde Theo tegen, toen juist de volle, zware stem van Winders door de hal klonk: "Willen de jongeheeren me maar volgen? De edelachtbare heer burgemeester is van uw komst onderricht en wacht U in de burgemeesterskamer."

Bijna als twee boosdoeners volgden ze Winders. Theo knipoogde tegen Cor, en dien viel het nu eerst op, wat een ongewoon vreemd gezicht Theo had, zonder bril, en hoe stijf hem zijn Zondagsche pak zat.

"Jô, zet een ander gezicht," fluisterde hij hem toe.

Winders ging ze voor, de gang in. Achter-aan tikte hij op een kamerdeur, en op het "ja!" van den burgemeester opende hij de deur, en liet, met een: "De jongeheeren Theo Maalders en Cor Poorters, edelachtbare," de jongens binnen.

Ziezoo, daar stonden ze, op de mat, en de deur was achter ze dicht, en tegenover ze, aan een tafel vol papieren en boeken, zat de Burgemeester.

Vriendelijk keek hij op, en op hun verlegen groet: "Dag, Burgemeester," zei hij: "Zoo jongelui, dat is me inderdèd nog niet vèk gebeurd, dat ik zulke jeugdige bezoekers kreeg. Maar ga jelui zitten, Winders heeft al stoelen neergezet."

-- 'n Aardige man, dacht Cor, en hij ging zitten, en Theo volgde zijn voorbeeld. Cor legde de portefeuille op zijn knieën, en zat verlegen met zijn pet te draaien; Theo keek schuin, juist langs den Burgemeester heen.

"En wat was er van jullie dienst?"

[Illustratie]

Nu moest het komen. De Burgemeester, met zijn vriendelijk gezicht en zijn rustig makend optreden, zat in afwachting.

Theo knikte tegen Cor van begin-jij-maar, doch Cor, die zijn pet los liet met de eene band, gaf hem met de vrije hand een por van: nee, jij beginnen!

En toen zaten ze weer als standbeelden tegenover meneer den Burgemeester!

"Heb ik jullie niet gezien bij dien brand bij boer Arendsen?"

"Jawel, Burgemeester," deed Cor nu het woord, en Theo knikte bevestigend.

"Dan hebben jullie je flink gedragen. Die andere jongens ook; op zulke jongens ben ik trotsch."

Nu durfde Cor van wal steken.

"Ja, ziet U, meneer de Burgemeester, en nu wilden we geld ophalen voor Arendsen, want hij heeft geen hooi meer, en verleden jaar sterfte onder zijn vee, en was niet geassureerd, en daarom wilden de Rhandensche Verkenners met een lijst loopen, om geld op te halen, en of U het dan aan Arendsen wil geven, en of we van U mogen...."

Cor ratelde nu alles achter elkaar er uit. Hij zat te trekken aan de bandjes van de portefeuille, om die open te krijgen.

"Zoo, jongelui, dat is inderdèd een heel aardig plan. Dat mag ik zien, dat de burgers van Rhanden met elkaar meeleven. En dat ze al zoo jong beginnen. Maar hebben jullie er goed over nagedacht? En hoeveel denk je, dat er wezen moet?"

Nu was het ijs gebroken, en begon Cor het heele plan uiteen te zetten, met al het vuur van zijn goede bedoelingen. Hij overwon zijn aanvankelijke verlegenheid, en 't was voortdurend: "ziet u Burgemeester?" en "nietwaar, Theo?", waarop deze telkens druk knikkend antwoordde.

"Zoo, dus als ik het goed begrijp gaan jullie met zes lijsten de gemeente rond, en moet ik de inteekening aanbevelen?"

Nu kwam Theo ineens los. "Ja, ziet u, Burgemeester, en dan nummer één er op teekenen ook, ziet u?"

Hij kleurde geweldig, en zijn neus zocht naar 't zadel van zijn bril en begon, toen hij dat niet vond, weer allervervaarlijkst te trekken.

"Inderdèd, goed bedacht, jongens. Nu, dat wil ik wat gêrne doen. Mèr, jullie laat toch ook door anderen aanbevelen? Door jouw Vader, mijn jonge vriend," zeide hij tegen Theo. "En de heer Poorters zal ook wel willen.... en de dokter.... en de dominee..."

"Pa vond, dat hij nog te kort hier woonde, Burgemeester", merkte Cor op, maar de Burgemeester meende, dat het geen bezwaar zou zijn.

Nu kwamen de lijsten voor den dag.

De burgemeester haalde een stempel uit een stempeldoos, die op tafel stond, en drukte er het wapen van Rhanden op! "Fijn, hè?" zei Cor zachtjes tegen Theo. "Nou, en òf", fluisterde die terug. "We krijgen vast heel wat!"

't Bleef nu stil in de kamer, en ze keken eens rond. Boven den schoorsteen hing een groot schilderstuk... ze konden niet begrijpen wat het voorstelde, maar ze verzekerden later aan de andere jongens, dat het prachtig mooi was! Door de vensters stroomde het zonlicht weer naar binnen, en het speelde op het deftig-donkere behangsel, en liet de fijne stofjes zien, die in de kamer zweefden.

Hooggerugde stoelen stonden hier en daar in de kamer, en een mooie, gebeeldhouwde eiken kast vulde den eenen wand.

"Ziezoo, dat is klaar. Nu gaan jullie zeker naar de andere heeren, niewaar?" En de Burgemeester gaf de lijsten terug, voorzien van zijn aanbeveling, het stempel der gemeente, en een inteekening van vijf-en-twintig gulden.

"En wie bewaart het geld?" vroeg de Burgemeester.

"O, Burgemeester, dat zou Pa doen", antwoordde Cor vlug. Ze stonden op, begrepen dat het afgeloopen was.

"Dan zal ik vandaag mijn bijdrage aan je Vader toezenden, jonge vriend. En nu wensch ik je inderdèd veel succes."

De Burgemeester drukte op de bel en Winders verscheen, om "de jongelui" uit te laten....

Daar stonden ze op het marktplein. Theo keek eens om, of er niemand was. Toèn moest zijn pet het ontgelden, nu hij nog steeds zijn bril miste. Hij wierp hem in de lucht, sprong op, greep hem, gooide nog eens, en deed zoo dwaas als hij kon. Puur van blijdschap! Cor droeg gewichtig de portefeuille.

[Illustratie]

"Jô, doe toch niet zoo gek! In de burgemeesterskamer had je ook zooveel praats niet!" voegde hij Theo toe.

"'t Is ook zoo fijn! Als we overal zooveel krijgen, dan schieten we op! Nou naar de anderen!"

"Eerst even thuis aanloopen," zei Cor. Hij vertelde aan vader, hoe Burgemeester het niks erg vond, als mijnheer Poorters ook ter aanbeveling teekende.

"Dan maar 't laatst," zei deze, en ze moesten er verder op uit.

Dien dag kregen ze de noodige aanbevelingen, en hadden ze honderd gulden verzameld!

En toen kwamen 's Maandags de Rhandensche Verkenners bij mekaar, om verder af te spreken omtrent het rondgaan met de lijsten. Ze zouden de stad in zes wijken verdeelen, en Theo's vader, meneer Maalders, had het zoo voor de jongens uitgezocht. Eèn wijk was de Hoofdstraat; dan kreeg je alles links daarvan, tot de gracht, en de derde wijk was de rechterkant, òok binnen de gracht. Twee anderen moesten den berg op, en dan zouden ze het dorpsche gedeelte ook in tweeën splitsen. Dat vonden ze prachtig. Maar nu wilden ze allemaal de Hoofdstraat of den Berg hebben, want daar zouden wel de beste gevers zitten. En van de dames van den Derker verwachtten ze òok heel wat! Ze konden het er niet over eens worden. Bovendien als ze twee aan twee gingen, kwamen er twee te kort. Dat was het minste: dan zouden ze Ben van den Dokter vragen, en Gert van den Derker. Ben zou wel willen mee helpen, had de dokter gezegd. En Cor had niet durven tegenstribbelen. Dus zouden ze hem vragen. En Gert was toch eigenlijk een goeie knul. Die kon best mee naar de boeren.

Ten slotte zouden ze er maar om loten. Cor en Theo lootten den Berg, Jan Arps zou met Gert den boer opgaan, Koos en Ben kregen de Hoofdstraat. En toen gingen ze er op uit...

's Middags om vijf uur kwamen Cor en Theo thuis; doodmoe, en teleurgesteld. Zaterdag was het héél wat beter gegaan! Nu hadden ze den heelen dag geloopen... en even vijf-en-twintig gulden opgehaald! Vooral op den Derker was het ze tegengevallen! De huisknecht had de lijst aangenomen. Ze moesten maar wachten in de hal. Daar, in die groote, ruime hal van het deftige heerenhuis, zaten ze samen op de eiken wandbank te wachten. Nu de Burgemeester vijf-en-twintig gulden gegeven had, zouden ze hièr zeker wel tweemaal zooveel krijgen. Want rijk dat ze hier waren -- heel Rhanden had er den mond van vol. 't Waren twee dames, zusters, die hier woonden: de gravin en de barones. De eerste was al jaren lang weduwe; ze liep nog altijd deftig in 't zwart. En de boeren, die "onder haar zaten", groetten haar steeds beleefd; anders hielden de menschen niet veel van ze. Er gingen verhalen van de ongeloofelijke gierigheid der dames. Cor noch Theo durfden in die omgeving wat te zeggen. Ze zaten naast elkaar; fluisterden hoogstens elkaar toe: "'t Duurt lang hoor!", maar ze gevoelden zich heelemaal niet op hun gemak.

[Illustratie]

Daar verscheen de huisknecht al weer.

"De dames laten weten, dat ze niet gewoon zijn, aan zulke dingen te doen. Maar omdat jullie zoo'n end hebben moeten loopen, willen ze je niet wegsturen; hier heb je een rijksdaalder."

De deur ging open, de jongens gingen weg, en stonden buiten, eer ze het goed wisten. Cor klemde den rijksdaalder in zijn hand, en Theo droeg de portefeuille met de lijst.

"Ook wat," zei Theo, die 't eerst weer bij was. "Zulke rijke lui, om je met een rijksdaalder af te schepen!" Ze keken op de lijst -- de dames hadden er _niet_ op geteekend.

Dat begrepen ze niet -- zeker een verzuim. Ze moesten het toch nog doen, dachten de jongens en daarom gingen ze weer op het huis aan, waar ze opnieuw aanschelden.

Weer kwam de huisknecht voor.

"Wat moet jullie nou weer?" vroeg hij bits.

"Vragen of de dames willen teekenen, want dat is zeker vergeten," zei Cor, die tegenover dien bitsen toon toon al zijn gewone vrijmoedigheid herwon.

"O, dat is niet noodig. De dames wenschen niet te teekenen. Ik heb jullie het geld toch al gegeven?"

En weer ging die nijdige deur open en dicht achter hen, en weer stonden ze buiten, meer teleurgesteld nog dan eerst.

Bij den een kregen ze wàt, bij den ander weinig, bij een derde niets.

En dat waren de ervaringen van de meeste jongens. Bij mekaar was er dien dag geen honderd vijftig gulden bij gekomen. De meeste boeren waren niet thuis, en bij verscheidene hadden ze snip gevangen.

Even twee honderd veertig gulden kon de heer Poorters dien avond voor ze opbergen....

Nog een dag gingen ze er op uit, nog een, maar elken dag werd de oogst minder: ze brachten het tot vier honderd gulden.

Toen vond mijnheer Poorters het òòk genoeg. Ze moesten er maar mee ophouden. Hij zou het geld aan den Burgemeester laten afdragen. Ze waren bij elkaar, om de "rekening" op te maken.

Daar kwam Gert nog aanhollen op zijn manier. Zijn dikke lichaam waggelde, het zweet liep met straaltjes van zijn gezicht, dat hij telkens met zijn mouw afveegde. "Ikke.... heb.... --" hakkelde hij;.... "ikke heb nog honderd gulden!" En zoowaar, hij lei een mooi wit papiertje neer op de tafel, dat hij in zijn zakdoek gewikkeld had.

"Hoera! voor Gert!" schreeuwde Cor. Hij greep Gert bij de hand en schudde hem door elkaar.

[Illustratie]

"Vertel op, hoe kom jij daaraan? Jij heb nog het meeste gehaald!" Hij drukte Gert op een stoel neer. "Allo, vertel!"

"Van de dames.... bij me vader gebracht", hijgde Gert weer, die nog steeds niet geheel tot zichzelf gekomen was.

"Van de dames?" vroeg Cor verbaasd. "Van de dames?" herhaalden de anderen, niet minder verwonderd.

"Ja, van de dames," hernam Gert, en nu zijn rood-bonte zakdoek weer vrij was, gebruikte hij dien om er zijn gezicht mee af te vegen.

Bij stukken en brokken, maar langzaam aan, kalmer kwam het er uit. De dames hadden zijn Vader bij zich laten komen en gevraagd hoe het zat met Arendsen en met die lijst, en of dat in orde was; of Arendsen het noodig had, "en allemaal, 'k weet nie' wa' nog meer" vertelde Gert. Toen had zijn vader van Arendsens tegenspoed verteld, en van het plan van de jongens, en dat Gert ook bij de boeren geloopen had, en dat er niet zoo heel veel was gekomen, en dat....

Jan Arps viel hem in de rede: "Nou ja, jij met je 'en dat.' En toen gaven de dames dat voor ons?"

"Ja, en dat we het niét op de lijst mogen zetten. Ziezoo," en tevreden wischte Gert zich nogmaals het gezicht af. Daar stonden vooral Cor en Theo beschaamd. Wat hadden ze al gesmaad op die "kale" dames, die je met een rijksdaalder door den huisknecht lieten afschepen, en die niet eens op de lijst wilden teekenen! Daar stonden ze nu.... Lang dachten ze er niet over.

"Bijna vijfhonderd gulden dus!" jubelden ze.

Den volgenden morgen kreeg Arendsen zes honderd gulden. Meneer Maalders en Cor's vader en de Burgemeester en de dokter en de dominee hadden het samen nog aangevuld.

Arendsen wist nauwelijks hoe hij zich houden moest.

...."Zooveel goedheid heb ik nie' verdiend, meneer de Burgemeester," zei hij. "Nou hoef ik maar twee koebeesten te verkoopen. Wat is de Heere goed voor me.... en de menschen ook."

[Illustratie]

De burgemeester vertelde hem, met wat een ijver de jongens voor hem geloopen hadden.

"'t Is oarig, 't is oarig," zeide hij, stil voor zich uitkijkend. En hij ging bij Poorters aan, om die jongens te bedanken; hij raakte met meneer Poorters in gesprek, en die begrepen mekaar, toen ze het over het vertrouwen op den Hemelschen Vader kregen.

Klein van dankbaarheid ging hij naar huis.

Een maand later stond de hooiberg weer opgetrokken, en geurde er opnieuw hooi in, het hooi van de Rhandensche jongens!

X. Ze gaan kampeeren.

Cor had zijn zin gekregen: de Rhandensche Verkenners zouden gaan kampeeren. Ze mochten een tent opslaan op een stuk hei, dat tot den Derker behoorde.

Wat een blijdschap bij de jongens! Eén schaduw was er nog: ze moesten 's avonds weer inrukken: ze konden van thuis géén verlof krijgen om ook den nacht in hun "kamp" door te brengen. Cor pruttelde geweldig tegen, van dat ze toch geen kleine kinderen waren, en dat ze ook _niets_ mochten, en dat Pa ook altijd zoo bang was, maar 't hielp niet.

"Als je liever soms heelemaal niet gaat, is het mij óók goed," had vader gezegd, en toen hij, omdat hij bij Vader niet meer durfde aandringen, Moe nog eens in den arm nam, wist deze hem te kalmeeren door hem aan 't gebeurde in dien zomer te herinneren. "Je bent heusch nog te jong, Cor, en nog niet voldoende meester van je zelf! Ik zou geen enkelen nacht een oog dicht doen!"