Rhandensche Jongens

Part 6

Chapter 64,247 wordsPublic domain

Maar 't werd toch vreemd. Hij moest nu tègen stroom op en tègen de golven in. Hij werd al wat moe, want 't was héél ander zwemmen dan in de badinrichting! Hij begon krachtiger de armen uit te slaan, maar 't was te laat; de zuiging trok hem mee; hij viel op zij, en de jongens zagen hem worstelen tegen den stroom, .... 'n angstig oogenblik.... ze gilden, om de opmerkzaamheid van de boot-bemanning te trekken... Koos wierp zich weer in de rivier, om te trachten, Cor te grijpen, maar die dreef al mee, bijna willoos.

Theo had in minder dan geen tijd alles overzien... De veerman kwam al op het geschreeuw aanloopen, en sprong in de veerschuit.

Nog zagen ze Cor's hoofd, maar je kon merken, dat zijn tegenstand verslapte.

Ook op de boot hadden ze hem bemerkt, en 't gevaar, waarin hij verkeerde, begrepen. Angstig verdrongen de passagiers zich op het dek.... de boot stopte... ze zouden een boot uitzetten.... maar voor dat gebeurd was, een plons in het water.... een dekknecht was over boord gesprongen. De jongens keken in uiterste spanning toe, en Teun de veerman roeide wat hij kon.

[Illustratie]

Ha, de redder had Cor beet! Nu roeien, dacht Teun... hij kwam nader bij.... Koos zwom langs de schuit, Theo zat er in te bibberen, vooral van angst, en de knecht van de Düsseldorfer boot kwam op hun roeiboot aanzwemmen.

Ze schrikten, toen ze Cor zagen: willoos slap liet hij zich door 't water voortduwen.... ze moesten hem met moeite in de boot hijschen, en zijn redder klom er ook in; die begon, terwijl Teun naar de boot roeide, Cor bij te brengen.

Gelukkig -- hij sloeg de oogen op, begon water te braken. Zoover was hij dus al geweest.

Ze brachten den knecht naar zijn boot; langs een uitgehangen stalen ladder klom hij omhoog, en werd door de passagiers met een hoeraatje begroet.

En toen: zoo snel mogelijk terug. Teun zette met krachtige slagen de boot in de richting van het veerhuis, en weldra kwam de drenkeling aan land.

In 't veerhuis hielpen ze hem verder. Koos haalde de kleeren, en na een half uurtje wandelden ze met hun drieën den weg op naar huis.

Cor bleef wit zien. Hij rilde, al was 't nog warm. Hij zat vreeslijk in angst. Ineens zag hij alles weer thuis: Moeder ziek, en hoe ze rustig moesten wezen, en alles moesten vermijden wat Moe kon doe schrikken, of wat opwinding bracht. Hij durfde bijna niet thuiskomen. Wat moest hij zeggen?

"Zeg jongens, niet vertellen, hoor! Niets d'r van zeggen; dat ze het thuis niet merken!" vroeg hij.

"D'r waren er meer bij," zeide Koos, "en als die d'r mond nou houden...."

"Probeeren. Als ze niet zwijgen, krijgen ze op d'r kop," zei Theo. Nu hij zijn bril weer op had, reed die weer ruiter-te-paard; hij begreep dat je die andere jongens maar zóó niet den mond snoerde. Rhanden was klein -- 't zou wel gauw bekend worden... dan zouden ze wel zien.

't Was half donker toen Cor thuis kwam. Gelukkig nu kon hij bijna ongemerkt naar boven gaan. Hij stak even z'n hoofd om de deur van Pa's kantoor, en riep een "Nacht Pa, ik ga maar naar bed," groette de anderen vluchtig, en toen, voorzichtig naar boven.

Nu wist hij niet, hoe het met Moe was. 't Zou wel gaan, hoopte hij. Hij ontkleedde zich spoedig, en kroop in bed. O, ja, nog bidden. Voor Moe ook. Dàt alleen? Danken? Omdat hij nog leefde, niet verdronken was? Wat dàn? Als hij eens verdronken was, door zijn eigen schuld? Want 't was weer zijn woestheid, zijn onbezonnenheid geweest, die hem in zoo groot gevaar had gebracht. Hij rilde, al was 't warm. Hij voelde weer 't water om zich opspatten..... 't zweet brak hem uit aan alle kanten... 't gonsde roezemoezig in zijn hoofd.

De broertjes lagen al te slapen, dwars bijna in hun bed. Die hadden het òòk warm. Je kon merken dat Moe er niet geweest was. Kwam Moe nu maar, dan kon hij het vertellen.... dan kreeg hij rust. Maar Moe was ziek...en hij moest den Heer bidden.... en danken.... voor de bewaring.... en anders worden...

Zoo kwamen zijn gedachten weer terug, waar hij begonnen was, en zoo tobde hij voort, tot hij koortsig insliep.

"Was er wat met Cor?" vroeg meneer Poorters 's avonds aan Toos. "Hij leek zoo stil."

"'k Denk, Vader, dat hij het naar vindt, dat Moe ziek is," antwoordde Toos. "Maar ik merkte er niet veel van."

Eer ze naar bed gingen, liep Pa even Cor's slaapkamer op. De broertjes hadden gewoeld, Pa dekte ze toe. Cor lag met een geweldig rood hoofd, druk te bewegen. Pa wou het dek even goed leggen.

Zóó als Cor, in zijn slaap, iemand aan zijn bed voelde, rees hij op, en, met verschrikte oogen, staarde hij rond.

"Jô, niet zeggen aan m'n vader, hoor! Anders schrikt Moeder, en dat mag niet, en dan krijg ik!" broddelde hij in zijn slaap.

Meneer Poorters keek verbaasd op. Er wàs dus wat.

"Neen, hoor, ik zal niets zeggen," stelde hij gerust. Hij legde Cor neer, die onmiddellijk weer doorsliep.

Maar den volgenden morgen vroeg Vader hem, wat er gebeurd was. Hij schrikte. Wist Vader het? Hoe?... Hij dacht er niet langer over, maar vertelde alles eerlijk weg....

Hij schreide, toen hij Vaders schrik zag, en eerst de woorden van zijn vader brachten hem het groote gevaar voor den geest, waarin hij verkeerd had.

Meneer Poorters was eigenlijk te dankbaar, om hem nog te straffen. Z'n oogen stonden vol tranen.

"Jongen, jongen, àls je nu eens verdronken was, of als je er niet zoo goed was afgekomen! Wat zou ik dan aan Moeder moeten zeggen!"

[Illustratie]

Ja, daar ijsde hij van. Hij zweeg....

"Wat dacht je wel, toen je je machteloos voelde tegen den stroom?"

"Ik dacht, dat ik ging slapen, en wou maar stil gaan liggen, en dan ineens begreep ik het weer even, en ging weer probeeren te zwemmen, maar ik had het niet langer volgehouden."

"En als je nu verdronken was, wat dàn?"

Ja, hij wás nu eenmaal niet verdronken. Hij vocht bij zich-zelven met die gedachte. Mocht hij zóó onverschillig zijn? Zóó ondankbaar wezen?

"Pa, ik wòu wel dat ik anders was, maar ik kàn haast niet. 't Komt telkens weer terug, van zelf...." En hij schreide, in angst, en omdat hij wel anders wilde....

Moe mocht er nog niets van weten.... 't zou haar toestand kunnen verergeren, en 't was juist veel beter, ze Pa.

Daar was Cor nog maar blij om....

Hij voelde zich zelf wel mòe, wèl vervelend, maar zou nu tot geen prijs hebben willen thuisblijven. Hij trok dus naar school.

Gek, ze wisten 't allemaal al. En Koos en Theo hadden het nog al verzwegen. Dan waren die anderen aan 't praten geweest.

"Is je snoek al gaar?" Daar werd hij mee ontvangen. En zijn ernstige stemming verdween, en kwam zelfs niet terug, toen meneer in 't gebed den Heer dankte voor de bijzondere bewaring, en hij dien morgen bij de Bijbelles nog eens wees op de bede: "Leid ons niet in verzoeking."

Maar bij oogenblikken kwam toch de angst weer bij Cor boven. Heelemaal kwijt raakte hij het niet.

VIII. Van een onweer, een brand en een bluschpartij.

't Is Woensdagmiddag, de laatste voor de vacantie.

Koos en Cor en Jan en Theo zijn er weer op uit.

't Groen is al aan 't donkeren; 't is zoo dicht, dat het bijna geen zon meer doorlaat.

Ook in 't bosch is het benauwd warm. Zoo'n warmen zomer hadden ze eigenlijk nog nooit beleefd, dachten de jongens. Dag aan dag felle zonneschijn, afmattend, en al weken bijna geen regen. 't Kon niet tot regenen komen. 't Mocht al dreigen, 'n enkele druppel kon vallen, de zoo gewenschte gestadige regen bleef uit. De laatste avonden had het wel gerommeld in de verte, aan de overzijde van de rivier. Maar de rivier had het weer tegengehouden, zeiden de boeren.

Toch groeit er onweer. De zonneschijn is niet meer zoo hel; de lucht is gedekt, en een valsche gloed glijdt over de landen, en in het bosch is het donker, somber, broeiend.

[Illustratie]

Geen vogelgeluid laat zich hooren; de vogels houden zich stil tusschen het groen. Hoogstens zien de jongens een verschrikten eekhoorn voor zich uitschieten. Ook Cor ziet die dingen nu. Hij heeft leeren kijken, anders en beter, dan toen hij nog enkel grootestadsjongen was. Loom vallen ze neer in het zachte mos.

"Hè-hè," geeuwt Theo, en hij zegt: "gelukkig dat het Woensdagmiddag is. 't Moest altijd maar Woensdagmiddag zijn!"

"Nou, én óf," antwoordt Koos. "En dan er op uit." Zijn oogen dwalen tusschen de stammen, of hij niet wat zag; maar 't lukte niet; 't was of alles wat leefde en bewegen kon, zich schuil hield.

"Ja," zegt Cor lusteloos, "maar dan niet te ver. 't Is weer net zoo warm als...."

".... toen jij bijna verdronk," vult Jan Arps aan.

"Wat weet jij daarvan? je bent er niet eens bij geweest," antwoordt Cor.

"Net of we het niet allemaal precies weten. En dat je zoo in de war zat ook! Nou; 't was dan ook danig dom om verder in 't water te gaan dan de jongens, die de trekgaten kennen!"

"Of ik in de war zat.... 't meest voor Moe..."

"O ja," valt Koos nu in de rede, "weet je Moe het al?"

"Gelukkig ja! Vader heeft het haar verteld, toen ze wat beter werd, en 't mocht van den dokter. Maar nu mag ik bijna niet meer uit; in elk geval niet meer de Weerdes in; dat heb ik Moeder moeten beloven. En ik ben blij toe, dat Moeder het weet. 't Was zoo vervelend... je moest net doen, of er niets was, en ik durfde haar bijna niet onder de oogen te komen...."

"Nou 't is gerust goed afgeloopen nog," vervolgt Cor.

"Ik dacht, toen ik je òm zag vallen: die is er geweest. En als die knecht van de Düsseldorfer niet in 't water gesprongen was, dan weet ik het niet..."

Cor wordt stil. Ja, 't was wèl benauwd geweest. Gelukkig maar, dat Moeder nu weer heelemaal beter is, en alles thuis zijn gewonen gang gaat. 't Had een kleine week geduurd, en Moe moet nog wel voorzichtig wezen, maar gelukkig is ze weer beneden.

"Heeft je Vader nog wat gehoord van dien knecht?"

"Ja, hij heeft aan de directie geschreven, of die wilde onderzoeken, wie me gered heeft, want Teun de veerman wist het ook niet. Die wist alleen dat het er één van de Düsseldorff II is geweest. En toen Pa het wist, heb ik hem moeten bedanken, en uit mijn eigen spaarpot wat moeten sturen, om cadeautjes te koopen voor zijn kinderen," vertelt Cor.

Zoo liggen ze en luieren en babbelen voort, en toch wil er geen gang in komen.

"'t Is goed, dat we niet zijn gaan oefenen van middag" zegt Jan. "'t Zou te warm wezen."

"'k Zou niet weten, waarom," antwoordt Cor. "D'r is met jullie en die andere jongens niet veel aan te vangen. Wat hèb je zoo aan een club? Je kunt hem net zoo goed niet hebben."

"Wat wou jij dan met zoo'n warmte doen? Zeker vuurtje stoken. Je krijgt nou heelemaal niks van de jongens gedaan." Jan Arps had vast een erg luie bui vandaag. "En dan dat marcheeren en zoo. Wat is daar voor aardigs aan?"

"Nou Jan," zegt Theo goedmoedig, "dat zeg je ook maar, omdat je 't zelf niet goed kan."

Jan doet of hij het niet hoort.

"Je hebt er 't land aan, om hooi-om, strooi-om te spelen, niet?"

Jan verwaardigt zich niet antwoord te geven.

't Blijft een poosje stil.

Koos is verdiept in de beschouwing van een paar kevers, die druk aan 't scharrelen zijn. "Doodgravers, jongens!" roept hij, en hij schuift voorzichtig op zijn buik vooruit. De anderen komen er bij. En de kevers zijn druk aan den arbeid; met hun sterke achterpooten graven ze den grond weg onder een dood muisje vandaan.

"Kijk eens," zegt Koos. "Kijk eens...."

Maar hij voleindigt zijn zin niet. Want Cor heeft een stokje genomen, en brengt dat in eens, ruw, bij de kevers, die hij daardoor verjaagt; ze maken, dat ze wegkomen.

"Dat is weer laf van je, flauw! kinderachtig!" stuift Koos op. "Wat heb je daaraan? Laat die dieren begaan. Ze doen jou toch geen kwaad? Je bent altijd zoo vervelend!"

"Of jij met je beesten. Wat geef ik nou om die kevers? En of d'r eentje meer of minder is, dat hindert niet. 'k Heb 't voorjaar nog meikevers gehad, aan een draadje. Dat was pas leuk."

"Heelemaal niet leuk; dierenplagerij! Ze moesten jou aan een touw leggen!"

[Illustratie]

"'t Lijkt er haast op," viel Cor in de rede.

"Waarom?"

"Omdat ik voortaan niet vrij meer uit mag. Eerst vragen, en zeggen waar ik heen ga. Daar ga ik toch ook niet van dood? Nou, en die meikevers ook niet...."

Koos merkt 't wel.... 't geeft niets. Cor hield niet van dieren. Nou ja, een hond ging nog. Maar al dat wondere leven in de natuur, daar zagen de jongens niets van. Ze wilden het niet zien, leek het soms. Eigenlijk wàs hij ook anders dan de jongens, dat voelde Koos zelf. Hij hield niet van dat eeuwigdurende vechten, van al hun drukke doen. Hij zocht ze telkens op, ja, maar telkens stelde het hem weer teleur. Hij kón het niet velen dat ze ruw waren tegen zijn dieren. Ze mochten hem er tusschen nemen -- daar was hij wel aan gewend; maar ze moesten zijn dieren met rust laten. En dat was voor Cor een heele toer!

"Zeg jô, wanneer komen de verkenners weer bij mekaar?" vraagt Theo ineens. "Want dat wordt tijd."

"Ja," en Cor is meteen op zijn stokpaardje, "ja, maar wat moeten we doen? 't Geeft zoo weinig, zoo als 't nu gaat. We moeten wat verzinnen. Ik weet wat leuks."

En hij begint zijn plan te ontvouwen, 't plan waar hij op dien middag toen Moeder ziek werd, al tegen Koos over gesproken had.

Ze moesten nog eens wat extra's hebben: wat voor de verkenners alléén. Hij zou een reglement van de club opschrijven; op een héél groot vel papier, zoo, dat er veel ruimte overbleef. En dan moest het begraven worden onder den Steen, en dan moest iedere jongen er een kei op leggen: zooveel jongens, zooveel keien. Maar -- het moest een groot geheim blijven, dat niemand wist. Dàt zou een heerlijken middag geven! En. als ze het deden, dan moesten ze wachten uitzetten, die niemand doorlieten.

"En als nou je vader of de Burgemeester of Sterkhouwer net aankomen, die kan je toch niet tegenhouden?" vraagt Theo.

"Neen, dat is niet noodig. Maar dan geef je een teeken: tweemaal, scherp, op de vingers fluiten; dat beteekent onraad, en dan scheiden we er uit, en doen alsof er niets is. En elken keer, als er een jongen bijkomt, moet die ook het reglement onderteekenen; dan graven we het op en dan komt er weer een steen bij!"

"Ja, dat lijkt wel aardig. Dàt moeten ze doen."

"En dan kampeeren?" vraagt Jan.

"In de groote vacantie; vast", antwoordt Cor. "Dan maken we een tent..."

"En waar moet je die zetten? Sterkhouwer zal je kostelijk danken, om hem op de hei of in het bosch te laten staan. Daarvoor is hij niet te vinden natuurlijk...."

"Nou ja, dan vragen we of het op den Derker mag, op de hei aan de overzijde van het huis." Cor weet overal raad op.

"En de tent, hoe komen we daar aan?" vraagt Theo.

"Zal ik wel aan mijn vader vragen", antwoordt Cor.

"Ik wed, dat het wel lukken zal."

"Ja, en verdrinken kun je op de hei òòk niet", plaagt Theo droog-weg.

"Hou asjeblieft op met je flauwiteit. Je moet niet denken, dat je aardig bent, hoor!"

Cor wordt boos. Dààrover hoeven ze heusch nu niet meer te zeuren. Het was erg genoeg geweest. En dat is allemaal voorbij, gelukkig.

"Dat vind ik ook", zegt Koos. "Zie je, van dien steen, dat kan me niet schelen. Maar dat kampeeren, dat kan wel leuk zijn. Toch geloof ik niet, dat we mogen van onze vaders. En 's nachts dan?"

"Ja, 't zou pas ècht zijn, als we er 's nachts ook konden wezen. Maar..."

"Probeeren", stelt Cor voor. "Misschien mag het."

"En eten dan?" Theo denkt al met schrik aan zijn kostelijke eten, dat hij misschien niet zou krijgen.

"Dan leggen we een kampvuur aan. Aardappelen schillen kan ik wel..."

"...vierkant snijden zeker?" vraagt Theo.

"Nou ja, maar als 't moet, gaat het wel. En dan brengen we groente mee van huis, of bussen. Moe maakt altijd in flesschen in. En vleesch --." Dat zou moeilijk gaan. Daar wist hij geen raad op.

"Toe Jo, we vangen een haasje, en braden dat aan het spit. 't Kan hoogstens wat zwart branden, en misschien wat rookerig smaken..."

"Dat mag niet. Je mag niet stroopen."

"Dan schiet er niets anders over, dan géén vleesch te eten", besluit Cor plechtig.

Ja, zóó zou het wel gaan, dachten ze. En ze staan op, om den weg naar huis weer in te slaan.

Ze komen op den Berg.

"Buitenkant gaan?" stelt Cor voor, die nog altijd 't prachtige gezicht op de rivier niet kan vergeten.

Ze nemen den weg langs den rand. Daar slingert zich de rivier weer, nu gemakkelijk tusschen de zomerdijken gehouden. Er heerscht bijna volmaakte rust op de uiterwaarden. Loom en lui liggen de koeien; met tragen slag vlerkt een wei-leeuwerik op, en verdwijnt uit het gezicht.

[Illustratie]

Zwarte rookpluimen teekenen den weg af, dien de sleepboot neemt, die een heele sleep achter zich aanvoert. En aan de overzijde: het vlakke land, met hier en daar een alleenstaande boerderij, een kleine groep huizen rondom de kerk; op den achtergrond hoogopgaand hout, waarboven een torenspits nog even tegen den donkeren hemel afsteekt.

Nu mòest er wel onweer komen. 't Kon haast niet anders. Zwarte donderkoppen pakten zich samen, en dreigend trokken ze op de rivier aan.

In de verte flitste het al door de donkere lucht. Ze zagen de hel-lichte zigzag-lijn, en een verwijderd gerommel drong tot ze door. 't Komt naderbij; inééns merken ze het: heftig stuift de wind aan; de takken zwiepen en de lucht is in minder dan géén tijd aschgrauw.

"Voortmaken, jongens!" zegt Cor, "of we komen niet droog thuis!"

Nauwelijks had hij het gezegd, of daar flitste een blauw-roode straal, onmiddellijk gevolgd door een dreunenden, maar ineens afgebroken donderslag. 't Was of alles tegelijk in één fel-rooden gloed was gezet.

Ze schrikten, en waren nog nauwelijks van den schrik bekomen, of een tweede slag, heviger nog dan de eerste, ratelde om ze heen. En nu, boven de rivier ook, was het vreeselijk aan den gang. Blauwe en rosse en geel-witte bliksemstralen schoten in zigzaglijnen door de angstig doffe lucht, en 't hield niet op met onweeren. De donder sloeg tegen den berg aan en rolde weer terug. 't Was één en al gerommel en geloei.

O, wat zaten ze in angst!

"Niet onder dien boom schuilen," riep Koos tegen Cor, die onder een eik wilde wachten tot een bui wat minder was. "Dat is gevaarlijk."

En Cor, die geleerd had, al wilde hij 't niet weten, kwam er onder vandaan, en ze holden langs den smallen rand, achter elkander aan.

"Brand!" schreeuwde Theo ineens. "Brand! Onder aan den veerweg! kijk eens!"

Zware rookwolken stegen omhoog, uit een hooiberg, die achter de hoeve van boer Arendsen lag.

Wat een rook! Hoe zwart! Die stak zelfs tegen de sombere lucht nog scherp af!

Maar in 't midden, vlak boven den hooiberg, was een rosse gloed, verraderlijk.

Verstomd van schrik bleven ze staan. Hoe klein waren ze, met al hun drukte, al hun beweging, al hun verbeelding, te midden van al dit vreeselijke.

En daarbij keerde de wind; de berg wierp de bui terug naar de rivier, waar nu de bliksem geen oogenblik van de lucht was.

"Zoo gaat de hoeve van Arendsen er aan!" riep Koos. "Zie maar, jongens, de bosschen brandend hooi vallen er al op."

Cor kon zich niet inhouden.

"Jongens," zei hij ineens, ongewoon en ongemaakt plechtig, "we moeten helpen. We zijn niet voor nièts Rhandensche Jongens. Vooruit!"

En, zooals dien eersten keer, toen ze met meneer van Waalwijk op trap waren geweest, werkte hij zich nu, zonder aan gevaar voor zich zelf te denken, door de struiken.

Theo, Koos en Jan volgden hem, en één voor één kwamen ze onder aan den berg uit het struikgewas te voorschijn, en op een draf ging het naar den Veerweg.

Daar zag het er kwaad uit, bij boer Arendsen.

De hooiberg brandde fel, de vonken vlogen in de richting van het huis. Boer Arendsen had de paarden al uit den stal gejaagd, de weerden in. Angstig blatend stond de geit nog vast aan de pen, achter het huis.

Cor zag het. Zien, denken en doen waren nu één bij bij hem. Hij vloog er op los, tusschen het huis en de brandende massa in; met één ruk was de pen uit den grond, en hij sleurde de geit, die van schrik heelemaal van de kook was, weg.

Arendsen was bijna radeloos.

"O, Heere, Heere, mijn boeltje!" bad hij hardop. "Laat ik het mogen houden!"

Daar stortte met donderend geraas de kap van den hooiberg naar omlaag. Dat gaf een oogenblik verademing; kort genoeg om te zien, dat de dakgoot aan den kant van den hooiberg vuur had gevat.

Zonder dat iemand het gebood, stond Cor aan den ouden put met den grooten hefboom. Hij haalde den emmer op.

"Emmers, jongens!"

Arendsen zag het. Intusschen kwam de knecht uit den stal aanloopen met emmers. "Meer nog!"

[Illustratie]

En meer kwamen er. Op den Derker hadden ze het gezien, en ze kwamen om te helpen. Gert, de dikke lobbesachtige Gert, was er bij. Hij pakte meteen mee aan. En toen ging het. Cor putte zoo hard hij kon, en goot de emmers vol, en die gingen van hand tot hand. Koos stond vlak bij de boerderij, en die gaf de emmers op, aan Theo, die halverwege de ladder stond, en ze opbracht naar Arendsen. En deze wierp het water op de brandende goot.

Gelukkig, de brand zette niet door. De hooiberg was reddeloos verloren, maar het huis zouden ze behouden. In de verte kwam de brandspuit aan. 't Was goed dat die kwam, want de jongens konden niet meer.

[Illustratie]

Theo's arm was haast lam van dat al maar opgeven. Juist toen de spuit de boerderij opreed, kon hij niet meer; uit zijn krachtelooze vingers liet hij den emmer vallen, dien Koos nu langs zich heen kreeg. Kletsnat was hij, en die leelijke Theo moest er nog om lachen op den koop toe! Nu werd de slang in den put gelegd, en het werd pompen van belang!

De burgemeester kwam, en Sterkhouwer. Nauwelijks kreeg hij de jongens in de gaten, of met zijn bulderstem riep hij: "Drommelsche kwajongens; wil jullie maken dat je bij je moeder komt? Die zit in doodsangst over jullie. Wat doe je hier? Maakt dat je wegkomt. Je belemmert het blusschingswerk. Pak je weg!"

Maar Arendsen kwam tusschenbeide.

"Nee, Sterkhouwer, dat is nièt waar. Als zullie me niet geholpen hadden, was de boel er aan gegaan, heelemaal. Ze waren er 't eerst bij."

De burgemeester stond er ongemerkt achter.

"Inderdèd, jongelui, wat hoor ik van jullie? Dat doet me genoegen, inderdèd. Dappere Rhandensche jongens, hoor!"

"Ziezoo," zei Theo tegen Koos, die zich nog altijd met zijn natte helft onaangenaam voelde, "nou hoor je het."

"Dat is beter, inderdèd, dan moedwillig je leven in gevaar brengen, jonge vriend!" De Burgemeester, die aan zijn geweldige snorren trok, wendde zich tot Cor.

"Jij bent immers Cor Poorters?"

"Jawel.... meneer.... Burgemeester...., bedoel ik!" antwoordde Cor bedremmeld en verlegen.

De burgemeester keek hem eens aan.

"Zorg, dat ik nooit erger dingen van je hoor, jonge vriend! En nu jullie naar huis -- er is hulp genoeg, en 't is hier nog altijd niet ongevaarlijk."

De spuitgasten richtten den straal op den hooiberg, die weer geweldig begon te rooken. 't Zou wel losloopen, dachten de jongens, en ze maakten dat ze wegkwamen. Met hooge kleur, doornat bezweet, kwamen ze in de stad aan.

Cor's moeder was ongerust geweest. Waar bleef die jongen nu alweer, met zulk een donderbui! Vader had reeds een knecht uitgestuurd om bij Arps te vragen. Misschien waren ze daar aan 't schuilen, dacht hij.

Eer de knecht terug was, kwam Cor thuis.

"Waar heb je gezeten?" vroeg moeder. "Wat zie je er uit, en hoe bezweet, en hoe vuil!"

Toen sloeg Cor aan 't vertellen. En eigenaardig, nu gaf hij niet hoog op van zijn heldendaden, maar vertelde eerlijk van hun angst om het weer, en hoe ze den brand hadden gezien, en waren gaan helpen.

Maar wat de Burgemeester had gezegd, dat vertelde hij maar half.

Zaterdags bracht de Rhandensche Courant een bericht:

"Tijdens het hevige onweer van l.l. Woensdag sloeg de bliksem in den hooiberg van boer Arendsen aan den Veerweg. Door de dappere hulp van vier jongens, Cor Poorters, Jan Arps, Theo Maalders en Koos Venema, kon de boerderij behouden blijven. De hooiberg brandde geheel uit.

Daar Arendsen nièt verzekerd is, beteekent dit een groote schade voor hem."

IX. Cor en Theo gaan bij den Burgemeester op bezoek, en hoe de Verkenners aan het bedelen slaan.