Part 5
"Ikke? Ik zak in de kist", kreunde de dikkerd, die poogde, uit zijn moeilijke positie te geraken. Rappe handen hielpen hem, zoodat hij weer op de been kwam. Theo keerde de kist om, en zette Gert, die nu geweldig tegenstribbelde, er weer op.
"Doorgaan, jongens....", maande Ben.
"Ikke gâi maor liever; 't is niks veur miên", meende Gert.
"D'r zitten hier geen spoken", plaagde Jan Arps, die ineens Gert voor zich zag, bibberend en wel, op dien gedenkwaardigen Woensdagavond.
"We moeten ook dikke jongens hebben, en sterk, om den wagen te trekken. Dat kan jij doen Gert!"
Ben meende het goed, al was zijn opmerking wat erg onhandig.
"Doarvoor hûuf ik gên paadvinder te wezze", merkte Gert droog op. "Kâan ik bie miên vàòder even goed."
"Laat hem gaan jongens, als hij niet wil."
't Was Cor, wien 't begon te vervelen, dat ze niet opschoten, en die bovendien van den saaien jongen niets hebben moest. Zoo ging Gert dan weg, en ze hoorden hem de trap afklossen.
"Waar was ik ook weer gebleven?" vroeg Cor na die stoornis.
"Bij de Koningin, en dat je die trouw moest zijn en Koos zei, dat je daar geen P.V. voor hoefde te wezen, en toen zei ik het van de socialen, en daar was Gert het mee eens...." lichtte Ben in.
"Gert is nou weg; dat kan ons dus niks schelen; dan ga ik verder", en Cor las door:
[Illustratie]
2. Een P.V. is trouw aan de Koningin, aan het Vaderland, aan zijn Ouders en Vrienden.
"Dat is mooi", merkte Jan op. Maar Ben vroeg nuchter-weg: "En Gert dan?"
"Zeur toch niet, jij met je Gert!.... We zijn nog geen P.V. En hij is toch geen vriend van ons, zoo'n saaierd."
Theo raakte er bij in vuur. En de meeste jongens gaven door een luidruchtig voeten-getrommel hun instemming te kennen.
"Nou ga ik weer verder", zei Cor, en hij las:
3. Een P.V. heeft tot plicht anderen te helpen en voor anderen nuttig te zijn.
"Hou maar op!" riep Koos nu. "Dat weten we allemaal wel. Zulke dingen hoef je niet te zeggen. Dat doen we natuurlijk allemaal."
Een nieuwe discussie, even verward als de vorige, ontspon zich nu over de vraag, of ze voortgaan zouden, ja dan neen. Ongeduldig vroeg Koos eindelijk:
"Staat er niets anders in dan zulke flauwiteit?"
Cor merkte uit die vraag, dat hij gevaar liep Koos te verliezen. Hij keek vragend Ben aan, of die hem kon helpen.
"Natuurlijk", haastte Ben zich nu te zeggen. "Natuurlijk: over de onderscheidingsteekens, en het groeten en de oefeningen en het boschleven en het Kampeeren."
"Dat is wat anders", zei Koos, en zijn gezicht vroolijkte op; "dat is wat anders. Daar heb je wat aan. We moeten dus maar een club oprichten."
"Een _troep_", verbeterde Ben, "en er moet een troepleider zijn ook."
"Dat wordt Cor natuurlijk", besliste Koos.
"Kàn niet, want de troepleider moet ouder zijn, en...."
"Kan ons niet schelen... hebben wij niet mee te maken. Wij doen het, zooals ze zelf willen...."
De anderen waren het met Koos eens. Wat gaven ze om die padvinderij, waar ze geen van allen 't rechte van wisten? Ze waren de geschiedenis met 't spook op den Steen nog niet vergeten; nu zou Cor hun Brinio zijn; nu werd hij de wezenlijke aanvoerder!
Cor zelf hield zich stil.
"Wat zeg jij er nu zelf van Cor?" vroeg Theo, die in zijn plaaglust er van glunderde, om Cor even in de war te brengen.
"'k weet van die geleerde Padvinderij niet meer af, dan wat ik er in Haarlem van gezien heb, en gelezen in Kakkerlak bij de Padvinders. Dat is leuk, 't boek tenminste, en hoe de padvinders mekaar overal helpen; maar jullie moeten het zelf weten. Als je Ben eens nam", stelde hij voor, "die schijnt er goed in thuis te wezen...."
Hij wist dat ze van Ben niet gediend waren, die was wat aanstellerig en opschepperig uitgevallen; daar zouden ze zeker niets van willen weten.
Ben zelf voorkwam hen.
"Neen, dat gaat niet. 't Staat er duidelijk", en hij begon weer te lezen:
"doch bij sommige patrouilles wordt de leider bij meerderheid van stemmen voor den tijd van een jaar door de leden zelf gekozen...."
"Zie je wel", viel nu Theo hem in de rede, "we kunnen dat doen, als we willen."
"Niet waar", zette Ben onverstoorbaar voort. "Want er volgt:
"Dit is echter niet aan te bevelen voor pas opgerichte afdeelingen."
"Daarom moeten we een ander hebben, die weet hoe het hoort."
"Nou niet langer zeuren, jongens. Doen of niet doen?" mengde Koos er zich weer in. "Ik blijf d'r bij: Cor moet onze hoofdman wezen, en anders heb je op mij niet te rekenen."
"Op mij ook niet.... op mij evenmin -- ik doe dan ook niet mee...." klonk het nu van verschillende zijden.
Uit dat verwarde gepraat bleek in ieder geval duidelijk, dat ze Cor wilden hebben. En die wou eigenlijk zelf òòk wel graag.
"Nou, als jullie dan allemaal het willen, vind ik het ook goed", zeide hij kalm, maar in zijn oogen flikkerden vlammetjes van blijdschap en trots.
Maar nu stond Ben op. Met een gezicht, zoo ernstig als hij maar zetten kon, begon hij: "Maar ik doe niet mee."
"Ook flauw", viel Theo hem in de rede, maar er gleed een glimp van vroolijkheid over zijn gezicht, die volkomen in tegenspraak was met zijn woorden.
Zonder veel op Theo's interruptie acht te slaan, vervolgde Ben nu, uit de hoogte:
"Ik wil wèl aan echte padvinderij meedoen, maar niet aan zulken onzin."
[Illustratie]
En nijdig liep hij naar het trapgat, waardoor hij spoedig verdween.
't Gaf een oogenblik van stilte, maar Theo, die eigenlijk blij was dat Ben, dien hij nooit goed had kunnen zetten, vertrok, riep hem na: "Daar gaat-ie weer voor niks! Da's nommer twee!"
Ze bleven met z'n tienen over. Maar ze zouden doorzetten, en 't niet opgeven. De club moest heeten: "De Rhandensche Verkenners", ze zouden Zaterdags er op uittrekken; loopen of fietsen. Wel had Henk Staden geen fiets, maar dat was geen bezwaar: ze zouden er een leenen of huren of wat dan ook. Maar er aan komen zouden ze zeker. En anders gingen ze allemaal loopen. Als je echt diep het bosch in wou, langs allerlei geheime paadjes, dan was loopen het beste, vond Koos, vooral als je met véél jongens ging.
"En weet je wat er ook in het reglement moet staan? Dat niemand mag vloeken, en dat je aan den leider gehoorzaam moet wezen", merkte Jan Arps nog op.
Natuurlijk, dat sprak vanzelf, vonden ze. Je was en bleef toch altijd baas, wien je tot de club toeliet of niet.
En dan -- ze moesten zien er jongens bij te krijgen. Ze zouden marcheeren, "maar niet op den weg hoor, daar dank ik je voor!" En spoorzoeken.... "dan zet Theo een bril extra op!".... En in de groote vacantie op de hei kampeeren.... daar de contributie voor bewaren: vijf cent per week.
Ja, dat zou wel ècht zijn! Als de jongens van die plannen hoorden, kwamen ze er misschien wel allemaal bij! Cor besloot met een: "We krijgen jongens genoeg, wat ik je zeg!" en de vergadering werd zonder plichtplegingen ontbonden met een: "Nou jongens, tot Woensdag -- om twee uur, op den Bergweg, bij den Derker!"
Waarop ze met een vriendschappelijk: "Hadie", vertrokken.
Cor ging aan 't kisten sjouwen. "Daar laten ze me ook lekker alléén voor zitten", pruttelde hij. De broertjes kwamen naar boven.
[Illustratie]
"Toe, helpen jullie even?" Nu was het gauw afgeloopen.
"Jullie bent nu nog te klein, maar als je grooter wordt, kan je óók Rhandensch Verkenner worden", zei hij gewichtig. En toen hij er meer van vertelde, hadden de broertjes het nog nooit zoo jammer gevonden als nu, dat ze nog maar zulke kleine ukken waren, naar Cor ze wijs maakte.
Ze hielden zich groot.
"We kunnen best meedoen; allerlei, wat groote jongens niet willen, kunnen wij dan wel doen. Nu helpen we je toch ook?"
Om er een eind aan te maken, beloofde Cor ze, dat het misschien nog wel gaan zou. Ze moesten maar wachten -- ze waren gauw oud genoeg, om óók bij de Verkenners ingelijfd te worden.
"Hoe oud moet je dan wezen?" vroegen ze.
"Ja, eigenlijk is 't voor de jongens van de hoogste klas."
"Dat duurt zoo lang, nog wel drie jaar zeker. Maar 't hindert niks, hé Ko?", vroeg de eene helft van de tweeling aan de andere. "Dan gaan wij ook in onze klas Verkenners maken, en daar mogen de jongens uit de hoogste klas niet bij!" Zoo troostten ze zich, en druk plannetjes makend, gingen ze aan 't spelen.
VII. Cor vindt het thuis niet prettig en verdrinkt bijna.
"Nou, en ik zeg, dat we het doen moeten; en dan het onder den steen neerleggen; en dan wat groote steenen er bij sleepen, zoodat er een heele steenhoop komt..."
"En als ze het dan weghalen? Dan lachen ze ons allemaal uit in Rhanden."
"Geef ik nièts om. Laat ze maar lachen. En dan, als we een gat graven, en het er in stoppen, vinden ze het niet zoo gauw; rèken maar...!"
"Wat wil je d'r eigenlijk opzetten?"
"D'r opzetten? Natuurlijk zooveel als een reglement, van de Rhandensche Verkenners, en dat we nooit vloeken, en dat we beloven, mekaar te helpen. Dan moeten ze allemaal d'r naam er onder zetten; allemaal bij den steen, en dan...."
"Net of ze durven!" merkte Koos op.
"Dan komen ze d'r niet bij. Wie niet durft, komt niet bij de club; Verkenners moeten durven," antwoordde Cor.
"Dan zie jij maar dat je het klaarspeelt met de jongens... ik zie d'r nog niet veel van komen."
Koos liep door, en Cor ging naar binnen. Hij had het plannetje gemaakt, maar Koos vond het natuurlijk weer niet leuk, Die vond het weer opschepperig en aanstellerig. Je kon nou nooit eens prettig spelen met die jongens!
Ze waren een paar keeren saamgeweest, op den Beukenweg, bij den Derker. En Cor zag al duidelijk in, dat er nog héél wat water door den Rijn moest stroomen, eer ze goede, echte Verkenners waren.
[Illustratie]
Hij kon er bijna geen orde onder houden. Ieder kwam, naar 't scheen, enkel om z'n eigen zin te doen. Ze wilden allemaal beginnen met het moeilijkste; spoorzoeken, en mekaar besluipen en overvallen, en vechten. Maar dat ging toch zoo niet. "Nou eerst behoorlijk gaan marcheeren," had Cor gezegd. Doch ze sputterden tegen. "We hebben toch geen gymnastiek!" Cor had volgehouden. "Toch moet het, anders komt er niets van." En hij was aan 't commandeeren gegaan als een eerste onderofficier: "Aan-tre-jen! Nummeren! Rechts, richt U...." En dan maar marcheeren.
"Hooi-om, strooi-om", spotte Theo, toen 't bleek dat Jan Arps den pas niet kon houden, en als hij rechts moest zwenken, het links deed. Cor commandeerde, tot hij er schor van werd: "Eén-twee; één-twee, één-twee!" 't Was dien eersten keer bijna op een formeel gevecht uitgeloopen.
Cor begreep, dat 't zoo niet gaan zou. Den volgenden keer moest er wat anders verzonnen worden. Ze zòuden dan spoorzoeken, op hun manier, hij zòu ze d'r zin geven. Hij had zijn pet verstopt in een boschje kreupelhout, en toen moesten ze zoeken. Zelf had hij enkele takjes afgebroken, waardoor hij de plaats gemakkelijk dacht weer te vinden.
Ze waren aan 't zoeken getrokken; kwamen de een vóór, de ander na uit het kreupelhout weer te voorschijn, maar zonder pet. Ten slotte moest hij, wilde hij niet blootshoofds naar huis gaan, zelf er op uit, en vond niet dan met de grootste moeite de plek terug.
Zoo was dan ook hun "speuren" zonder eenig gevolg geweest. Ze hadden pleizier gehad, nu ja, maar niet eens buitengewoon... 't Was hun tegengevallen.
Cor dacht aan Ben van den dokter. Wat zou die een pret hebben, als hij hoorde, dat het zóó liep. Want ze hadden toch wel wat anders bedoeld. En Cor kon het niet velen, dat het mis zou loopen. 't Moèst goed gaan. Dan dacht hij: een oudere er bij vragen...? Nu ja, maar wièn dan? Ze wisten niemand, ook Koos en Jan niet, en Theo evenmin... Toen kwam er een nieuw plannetje in hem op; zoo zou het gaan en konden ze nog eens een prettigen middag hebben ook.
Maar nu vond Koos het weer niet echt. Jan en Theo kreeg hij wel mee. Tóch maar dóórzetten, overlegde hij, en hij ging naar zijn kamertje.
't Was stil in huis, eigenaardig stil. De zon die fel stond te schijnen op zijn raam, zette de kamer in gelen gloed.
't Was warm. Hij liep even de gang op, hield een glas onder de kraan, liet 't lekker overstroomen, en dronk in één teug het glas leeg. Hè, dat viel frisch in je maag! Maar wat was dat voor gestommel en gesteun? Dat deed zoo vreemd nu in deze stilte, zoo wonderlijk... het kwam uit moe's slaapkamer.
[Illustratie]
"Ben u daar, moeder? Mag ik komen?"
Hij wachtte het antwoord nauwelijks af, en opende de deur.
"Waar ruikt het hier naar?" vroeg hij, ruw opsnuivend. 't Was een gemengde geur van eau de cologne, aether en Hofmandruppels.
Moeder zat in den stoel, een doek om het hoofd. Wat zag ze vreeselijk bleek! Cor schrikte ervan. Niemand lette eerst op hem, vader niet, en Toos niet, de oudste. Ze betten moe's voorhoofd, en hielden haar polsen vochtig.
"Wat is er met moe, Toos?" vroeg hij gedempt.
"Stil.... voorzichtig.... moe heeft een flauwte.... vooral stil zijn.... ga jij nu maar weg..."
Zoo had hij moeder nog nooit gezien.... Geen wonder, dat 't zoo stil in huis was. Hij begreep er anders niets van. "Is 't erg?" vroeg hij.
"'k Weet het niet," fluisterde Toos, die juist weer een zakdoek met eau de cologne bevochtigde... "'k weet het niet.... van de warmte, denk ik... straks komt de dokter.... ga jij nu weg...."
Maar Cor ging niet. 't Was toch zijn moeder ook? En als er wat aan scheelde, mocht hij er toch ook bij zijn? Alle andere gedachten waren ineens bij hem weg; die ééne bleef: moeder ziek.... dáár, zoo benauwd hijgend, doodsbleek....
"Cor, jongen, ga jij naar beneden," klonk nu vaders stem.
Nu durfde hij ook pa vragen: "Is 't erg, pa?"
"We hopen van niet. Maar jij kunt nu niets doen... Ga naar de huiskamer. Straks komen we weer."
Wat gerustgesteld ging hij naar beneden. Was hij bij 't binnenkomen maar eerst de huiskamer ingegaan, als altijd! Dan had hij 't wel geweten! Maar nu wist hij er natuurlijk niets van....
Hij vond alleen Zus in de huiskamer.
"Weet jij, wat het met Moe is?" vroeg hij.
"Neen," zei Nellie.
"Als 't maar niet erg is," opperde Cor. "Moe was zoo bleek; heelemaal wit."
"Toos zei, dat het te warm was voor Moe, en te druk. Wij zijn ook altijd zoo druk..." liet ze er op volgen.
Ja, dat was wel waar, dacht Cor. Erg druk en wild. Moe moest wel vermoeid worden van al dat verbieden.
"Hè, Nellie, als Moe eens echt ziek werd!"
"Nou, ik hoop het niet, hoor!"
"Dan zou Toos wel voor het eten zorgen, denk je niet?"
"Ja, maar 't zou toch heel naar zijn voor Moeder."
"Ja...." En Cor bedacht met schaamte, dat het voor Moeder het ergst zou wezen.
De bel ging. Hij vloog naar de deur, om er 't eerst te wezen en open te doen.
't Was de dokter.
"Moe is boven, dokter," zei Cor wat bedeesd.
Ze zaten met hun tweetjes in angst te wachten, tot ze de traptreden weer hoorden kraken. Cor maakte, dat hij in de gang was.
[Illustratie]
Toen hij zag, dat Pa dokter uitliet, wilde hij teruggaan. Maar de dokter had hem al gezien.
"Dus, meneer Poorters, volkomen rust een paar dagen, dan zal het wel weer gauw in orde komen," hoorde hij zeggen, en het juichte in hem: "Gelukkig!"
Dokter kreeg hem in 't oog.
"En jij bent zoo'n Rhandensche Verkenner?"
Cor kreeg een kleur.
"Ja, dokter!"
"Gaat het nog al? Ben had geen zin, geloof ik?"
"Neen, dokter.... er zijn wel jongens, maar..."
"Nou, wat maar?"
"Ja, bèst gaat het nog niet. 'k Weet er nog niet alles van, ziet u!"
Dokter lachte eens.
"Nou, als alles goed gaat, dan wordt ik begunstiger van jullie club, hoor!"
"Asjeblieft, dokter...."
't Was gek, dacht Cor... bij anderen, onder zijn jongens, had hij zoo'n praats.... nu kon hij bijna niet uit zijn woorden komen! Zeker doordat hij zoo geschrikt was van Moe's ziekte.
"Gaat het al beter, Pa?" vroeg hij.
"Gelukkig wel.... maar Moe moet volkomen rust hebben, en zich vooral niet opwinden.... dus doodstil, vent.... en dan hopen we dat de Heer haar spoedig geheel beter maakt...."
Vader ging weer naar boven.
"Ik mag toch wel naar mijn kamertje, Pa?"
"Best hoor, maar.... stil."
Cor ging, maar de liefhebberij voor zijn plannetje was door dit alles verminderd. En dan die vraag van dokter! Toch -- opgeven zou hij het niet. Volhouden. Als moe nu gauw beter werd.... Pa zei, dat de Heer haar beter moest maken... Dan moest je het vragen, dacht hij. Zou hij het doen...? en de club? Hoe moest het daarmee? Troosteloos zat hij op zijn kamertje, op een stoel bij het venster. De zon scheen nog altijd even fel.... 't was warm, loom weer.... geen wonder eigenlijk, dat Moeder 't niet uit kon houden als ze maar beter werd, want anders.... ja, wat dan? Zou hij het den Heer vragen? Zou het helpen? Hij had eigenlijk nog nooit misschien oprecht gebeden; 't ging alles zoo buiten hem om. Hij was altijd vol van zijn plannen.... alleen niet van zijn werk. En ja, 's Zondags ging hij mee ter kerk, maar waar dacht hij aan? Aan wat hij hoorde 't minst, ook al omdat hij het niet altijd begreep. En dat lange stilzitten....
Hij kon niet snel denken, zooals anders, wanneer allerlei hem voor den geest warrelde. Maar daardoor juist, doordat het nu zoo langzaam en eigenlijk traag ging in zijn hoofd, zag hij het zooveel beter.
Hij moest maar naar beneden, naar Nellie en de anderen.
[Illustratie]
Vooral naar Nellie. Die was anders dan hij, beter.
Hij ging naar beneden, en vond daar Nel, kalm bezig met tafeldekken. Ze had nu die taak van Toos overgenomen, en, ging rustigjes haar gang.
"Wil ik je helpen, Nellie?" vroeg Cor.
"Neen, dank je, ik kan het zelf wel."
"Gelukkig hè, dat 't niet erg is met Moe! 'k Hoop dat Moe gauw beter is...."
"Nou, ik ook," antwoordde Nel, wat verstrooid.
"'t Is ook zoo warm. Heb jij er ook last van? Je hebt zoo'n hooge kleur."
't Viel hem ineens op, dat Nel er eigenlijk heelemaal niet voordeelig uitzag. Scherp-rood kleurden 'n paar plekken zich op haar in-bleek gezicht af, en er lag iets teers over haar heele wezen.
"Ja, òf ik...." zei Nel, en ze dribbelde naar de kast om wat messen te krijgen.
Cor greep een boek, en ging zitten lezen.
Ze kwamen nu binnen, de anderen; de broertjes, minder druk dan gewoon, en vader, met een bezorgd gezicht. Minder luidruchtig dan anders schaarden ze zich om de tafel, waar Moeders plaats leeg bleef.
Vader en Toos bedienden nu; 't duurde langer dan anders.
Bij 't gewone tafelgebed vroeg vader, of de Heer Moeder wilde zegenen, en haar wilde herstellen, want dat ze allemaal Moeder zoo misten....
Ja, dacht Cor, dat is waar.... als de Heer het nu maar deed! God kon alles; Moe beter maken ook. Hij had getracht wézenlijk méé te bidden, z'n hart op te heffen.
Ze aten stil. Vader vroeg, als gewoonlijk, naar allerlei, maar 't was of hij er niet geheel en al bij was. Alleen de broertjes waren druk. Ze kibbelden als gewoonlijk; zij bleven niet lang onder den indruk.
Na tafel ging ieder zijn weg. 't Gezellige thee-uurtje liepen ze nu al mis. Anders kon Moeder ze zoo prettig even bezighouden, vooral de broertjes. De grooteren gingen nu dadelijk aan hun werk en de broertjes speelden wat in den tuin.
Cor zocht zijn kamertje op. Even, zoo voorzichtig mogelijk, opende hij de deur van moe's slaapkamer. O, Moe sliep zeker. Doodstil, de oogen gesloten, lag ze neer op bed.
Gelukkig, dacht Cor, en hij ging met een verlicht hart naar zijn kamertje.
Eerst zijn sommen maken. 't Ging aardig van avond; al heel gauw had hij er drie. Maar de vierde wou niet. 't Was ook zoo'n gekke percentsom. Hij probeerde, maar 't lukte niet. Nog eens, maar hij zag er geen gat in. In de vijfde ook niet. Uitscheiden dan maar.... 't Gaf toch niet.
Van alles warrelde nu weer door zijn hoofd: zijn plannetje met de "Rhandensche Verkenners," de sommen, Moe's ziekte, de warmte.... o ja, nu nog z'n woordjes nakijken. In vijf minuten kende hij ze, dacht hij. En toen was hij klaar. Even naar beneden, kijken of Toos al thee had. Zou Nel al klaar wezen met haar werk?
"Heb je thee, Toos?" vroeg hij, en sloeg uit gewoonte, ruw de deur achter zich dicht.
"Voorzichtig toch, jongen!! Je maakt ook altijd lawaai. Nou slaapt Moe even, en jij zal ze door je drukte wakker maken!"
"Dat weet ik," antwoordde Cor.
"Wat weet je?" vroeg Toos.
"Dat Moe slaapt. 'k Heb het gezien, daar net, eer ik ging werken."
"Dat moet je niet weer doen, Cor," zei Toos nu, rustig. "Vader wil het niet, want Moe moet rust hebben."
"Nou, en 't is zeker mijn moeder net zoo goed als de jouwe, 'k heb toch zeker evenveel recht om te kijken, hoe 't met Moe gaat, als jij?" stoof Cor in eens op.
"We zullen het wel eens aan Vader vragen." Toos hield zich in, maar ze werd tòch boos. Je kon het zien.
"Nou ja, zoo bedoel ik het niet," zeide Cor nu. "Als het niet mag, dan lààt ik het...."
Hij dronk zijn thee en ging de kamer uit. Hij had geen zin om thuis te blijven. Lusteloos drentelde hij even naar 't magazijn, maar daar zag hij niemand. De broertjes waren op stap met Henk, een van de knechts.
Dan ging hij ook nog maar eens den Berg op, of de stad in. Misschien zag hij nog wel één van de jongens.
't Was nog even drukkend-benauwd; zelfs de wind was warm; en 't stof, dat de wind opwierp, kwam warm weer op je neer. De handen slap langs z'n lijf, loom-traag, slenterde hij over de Hoofdstraat. Inplaats van den Berg op, ging hij den kant van den dijk uit... daar zou het koel zijn, dacht hij.
Hij liep bij Theo aan. Dien kreeg hij mee, en Koos ook.
Hè, 't was hier wat frisscher, heel wat beter dan in de stoffige straat. Ze drentelden langs den dijk, en sloegen een pad door de uiterwaarden in, naar 't veer. Daar waren méér jongens.... ze hadden zich juist ontkleed en zouden gaan zwemmen.
[Illustratie]
Daar was Cor dadelijk bij, en Theo en Koos ook. Hè, wat poedelen die jongens heerlijk in dat lekker koude water! Cor voelde z'n eigen vreeselijke warmte... en dan aan baden denken!...
"Ga je mee baden? Ik doe het," voegde hij er onmiddellijk aan toe.
Wat zouden ze doen? Theo en Koos waren er ook voor te vinden.
"Kan je zwemmen?" vroegen ze aan Cor. "Natuurlijk! 'k Heb het dikwijls genoeg gedaan in de zwemschool...."
"Maar in de rivier? D'r zit hier trek in 't water... en als je in den stroom komt, dan ben je weg. Daar houdt een groote kerel het nauwelijks uit!"
"'t Zal best gaan," en Cor trok zijn kousen al uit, "we blijven maar aan den kant."
"Als de veerman komt, jaagt hij je weg...."
[Illustratie]
"Nou, dan zorgen we maar, dat we dien uit den weg blijven...."
Cor maakte zich de borst nat, en liep reeds het in 't late zonnelicht glinsterende water in.
Hè, dat was heerlijk! Hij bukte en liet zich op zij vallen, en deed een paar stevige slagen, die hem in dieper water brachten, verder dan één van de andere jongens al was. Die kenden hier den bodem, wisten de trekgaten, en hielden zich aan den kant, waar een zandplaat was, in één der vele bochten van de rivier.
"Voorzichtig, jô!" schreeuwden ze hem toe.
Maar Cor vond, dat het lekker ging.
Hoe heerlijk droeg hem dat koele water! Telkens boog hij het hoofd opzij, en liet zich door de kalme golfjes aaien. Hij proestte de fijne druppels om zich heen, en ging al verder en verder; hij voelde den stroom al, en werkte er lekker tegen in. De jongens aan den kant keken naar hem, met bewondering voor zijn durf, maar ook met angst.
"Hij gaat te ver," zei Koos tegen Theo. "'k Zal hem roepen." En met krachtige slagen naderde hij Cor, dien hij toeschreeuwde terug te keeren.
Cor luisterde niet.... "'t Gaat best zoo, fijn hoor!" riep hij terug. "Ik kom dadelijk terug!"
De jongens begonnen te roepen en te schreeuwen: "een stoomboot, een stoomboot!"
Ja, daar om den hoek kwam de groote Düsseldorfer boot met de hooge raderkasten. De schepraderen brachten het water in krachtige beweging, en de jongens langs den kant maakten, dat ze op de zandplaat achter de krib kwamen, voor de zuiging.
Cor kende het gevaar niet; slechts langzaam ging hij weer op den oever aan.