Rhandensche Jongens

Part 4

Chapter 44,191 wordsPublic domain

"Dat's flauw van je", mopperde Cor, "om me dat nou nog voor de voeten te gooien. Dat was uitgevochten, dacht ik."

"Ik ook." Met zeker gevoel van opluchting zei Theo het. "Dan praten we d'r niet meer over." En 't gesprek ging over een anderen boeg.

Hun samen-aankomen bracht onder de schooljongens eenige verbazing. Maar toen ze zagen, dat die twee het samen eens waren geworden, vonden ze het goed.

Koos informeerde, terwijl hij langs Theo liep: "weer goeie maatjes?"

Theo's ja-knikken gaf hem de vrijheid, de bevestiging van wat de anderen vermoedden, aan hen over te brengen.

Ze vonden het wèl goed... maar... zóó kwam hij er niet af. Jan Arps en Koos Venema vonden het goed, hem ééns en voor altijd bij de Rhandensche jongens in te lijven. Hij moest voor hun rechtbank komen. Ze deelden hem dat, namens de andere schooljongens mede.

"Toch zeker flauwiteit?" vroeg Cor, die het wel een beetje een leuk idee vond. Zoo iets was hem nog nooit overkomen.

"Heelemaal geen flauwiteit", antwoordde Jan. "Je moet op de hei, bij de Steen, beloven dat je voortaan een trouwe Rhandenaar zult zijn, en nooit meer op Rhanden zult schimpen, of er kwaad van zult spreken!"

Dàt was vermakelijk, vond Cor! "Neen maar!"

"Ha ha!" lachte hij, "als 't anders niet is..."

"Maar dat is heelemaal niet min. Denk aan den Ridder, en aan het spook!"

Cor kreeg schik in 't geval.

"Wanneer zal de plechtigheid plaats hebben?" vroeg hij.

"Woensdag, tegen het vallen van den avond", besliste Jan.

"Als ik maar mag van thuis?"

Toch begon Cor het wat griezelig te vinden... en juist daardoor trok het hem aan... het had immers niets te beteekenen... en toch, als je er goed om dacht, was het wel wat eng... je kon eigenlijk nooit goed weten....

Jan maakte er een eind aan:

"Nou, we rekenen er op. 't Zal best mogen, en we komen allemaal ook, niet waar jongens?" Natuurlijk zouden ze allemaal van de partij zijn. De fietsers konden desnoods nog vóór lantaarntijd terug wezen; en de anderen moesten maar zien, hoe ze het thuis klaar speelden. De meesten hadden er geen zwaar hoofd in. Cor vertelde alles thuis, en vader vond het goed, als 't maar niet te laat werd.

Zoo trapten ze dien Woensdag tegen den berg op.

De loopers waren al vroeger op weg gegaan; die zouden ze wel vinden.

Cor vond het vreemd. Hij wou niet bang zijn. Hij lachte er wezenlijk om; maar tóch...

't Was nu zoo anders dan gewoon. Schuinweg gleden late zonnestralen over de boomtoppen. Den berg op was het stil, en rust lag over de vallei. Geen beweging in de roggevelden, waar anders de halmen stonden te ruischen in den avondwind. Alléén wat geritsel, geheimzinnig, hoog in de toppen der berken langs den weg, en een enkel verdwaald geloei, dat uit de uiterwaarden opsteeg.

Ze trapten gestadig, en zeiden niet veel, allen benieuwd, hoe het zou afloopen, allemaal met toch wel _iets_ van angst om het geheimzinnige, waar ze géén van allen, naar ze zeiden, wat om gaven.

Spoedig waren ze den Enk voorbij. Dan gingen ze langs eikenhakhout bezijden den weg, waartusschen een opgeschrikt haasje snel verdween.

[Illustratie]

En dàn lag de eindeloos wijde heide voor ze, en dicht achter den steen, de donkere achtergrond van een denneboschje. Blauwe nevels stegen op van den bodem, en in 't westen purperden de laatste zonnestralen.

Hier was het bijna angstig stil.

Ze sloegen een smal heipaadje in, waar ze achter elkaar langs den kant konden rijden, en onderscheidden nu spoedig de anderen, die hen met gejuich ontvingen.

Wat deed dat lawaai hier vreemd aan, vond Cor. In de stad kon het door de nauwe straten schallen... hier verstierf het in eindelooze ruimte.

"Zie zoo, we zijn er" zei Jan Arps, en hij legde zijn fiets op de hei. De anderen deden ook zoo, en toen werd de vierschaar gespannen. Allemaal echt-Rhandensche jongens.

Ze gingen wat terzijde de hei op, in de richting van den steen. Stil lag die daar tusschen de bruin-toppige heidestruiken, vaal in den aandonkerenden avond.

"Hoor jij niks, Theo?" vroeg Koos.

't Was of Theo met zijn bril moest luisteren, zulke wonderlijke bewegingen maakte die op zijn neus. 't Leek, of hij de geluiden opsnoof, inplaats dat ze tot zijn ooren doordrongen.

"Neen, ik hoor nog niks, maar 't is wel eng hier, niet dan?"

De anderen vielen bij, en ze meenden het zeker ernstig, want het luidruchtig gepraat werd al minder en minder, hoe meer ze den steen naderden.

"Niet verder gaan", gebood Jan, die zich als leider opwierp en als zoodanig erkend werd. "Jullie maken een halven kring, wijd om den steen, Cor gaat er heen, klimt er op, zwaait driemaal met zijn pet, en roept: "Rhanden bovenal!" Als hij dat doet, nemen we hem als Oud Rhandensche jongen aan, en vechten nooit weer met hem!"

Dat laatste scheen Cor maar half te bevredigen. Hij zette tenminste een gezicht van dat weet-ik-nog-zoo-netjes-niet!

De jongens schaarden zich nu in een wijden halven kring om den steen, tegenover het denneboschje.

Jan en Koos en Theo kwamen met Cor naar voren.

Met een grafstem vroeg Theo: "Zijt gij inderdèd bereid te gaan, Cor Poorten, om den smaad van ons af te wentelen en Rhanden te eeren?"

Cor keek op met een blik van hou-me-nou-niet-voor-den-gek.

"Natuurlijk", riep hij. "Daar gaat hij al!"

Enkele jongens, die het toch wel wat angstig vonden, benijdden hem om zijn durf, want, zei Gert, je kon praten wat je wou, maar heelemaal pluis was het niet.

Daar hoorden ze een angstig gekrijsch. Wat was het? Waar kwam het vandaan? Was er geen beweging in het denneboschje?

"Het uur is rijp!" riep Theo weer met holle stem. "Hoor, de uilen krijschen."

"Ik weet het zoo netjes niet, of het de uilen zijn. 't Kan ook het spook wezen!" plaagde Jan.

"Hou jullie je flauwiteit nou voor je. 't Is natuurlijk van een uil," besliste Koos. En diens woord had gezag, want hij wist veel van vogels.

Cor had het ook gehoord. En hij had huiverend geaarzeld, doch even maar. Met een paar sprongen was hij bij den Steen en toen met een flinken sprong er op. Hij zwaaide met zijn pet. Hij kreeg weer schik in 't geval. "Hoerah! Rhanden bovenal!" "Hoerah!" juichten de jongens terug "Rhanden..."

[Illustratie]

Ze kwamen niet verder, maar wezen angstig naar iets achter Cor. Deze wendde zich om en bleef 'n oogenblik stokstijf staan.... Wat kwam daar uit het dennenboschje te voorschijn?... Wit, sluipend, met opgeheven hoofd.... Zòu het dan waar wezen?

"'t Spook! 't spook!" schreeuwden een paar van de bangsten, en ze maakten beenen, Cor aarzelde.... een oogenblik. Bliksemsnel schoot hem van alles door zijn hoofd.... een spook.... onmogelijk... 't kon eenvoudig niet.... maar je zag hem toch?... onzin!... dòòrzetten... niet bang zijn..... vooral niet tegenover die flauwe Rhandensche lummels, die bijna allemaal als hazen wegliepen. Snel wuifde hij nog de voorgeschreven twee malen, en sprong toen van den Steen, in de richting van het spook, dat geheimzinnig met den vinger wenkende, bleef staan. Nu moèst en zou Cor er het zijne van hebben.

"Wat moet jij hier ouwe heer?" riep hij, en, al deed hij onverschillig, toch bonkte hem 't hart in de keel.

"Ik zuuk nâo mezelve", luidde het antwoord nagemaakt-dof, en de hand zonk omlaag.

"Jongens, een Rhandensch spook!" schreeuwde Cor nu. Het Rhandensch dialect nabootsend, riep hij: "Hij zuukt nâo z'n zelve!" Hij rende op het spook toe, dat zich omkeerde en struikelde en... zijn lakens achterlatende, maakte dat hij weg kwam!

Theo had met spanning staan kijken.... wie was dat ook weer!.... hij zag het!

"Jongens, 't is Gijs van den Derker! Daar weet Jan meer van! Daarom was die zoo moedig!" De Derker was het buiten waar Jan's vader was en Gijs was de bouwknecht. Nu moesten ze er allemaal het hunne van hebben. Jan maakte, dat hij het laken in handen kreeg. Hij had er schik om, hoe die Gijs beenen maakte!

"Was-tie-fijn?" vroeg hij aan Theo.

"En òf-t-ie!" antwoordde deze. "Maar Cor durft, zeg!"

Met gejuich werd Cor ontvangen. Nu was hij de held. 't Hardst schreeuwden de jongens, die 't eerst waren weggeloopen. Nu was hij voor goed Oud-Rhandenaar, vooral, omdat hij de grap zoo vroolijk opnam.

"Nu is Cor onze kameraad!" schreeuwde Theo, "maar hij mag ons niet op den kop zitten!"

"Wel op den rug?", plaagde Jan terug, die het laken ineengefrommeld onder zijn arm had.

"Geef hier!" Theo nam het laken, wierp het Cor om, en.... "vooruit, jongens, omhoog!"

Daar ging Cor, met het laken omhangen, op hun schouders de hoogte in.

"Brinio tot aanvoerder der Kaninefaten gekozen!" luchtte Theo zijn wijsheid. 't Werd een oogenblik van dolle pret. Lang kon die niet duren.... 't werd steeds donkerder... en luid joelend ging het over de hei, dan weer den berg af. Spoedig verspreidden ze zich in allerlei richtingen.

't Was donker, toen Cor thuis kwam.

"Wel, ben je Rhandenaar gemaakt?" vroeg vader.

"Nou, en ik heb het spook verslagen ook!"

Druk pratende vertelde Cor de geschiedenis. En ze hadden er thuis dolle pret om!

VI. De Rhandensche verkenners komen voor den dag, en Gert zakt door een kist.

't Is heerlijk in 't bosch.

Langs de paden bloeit de heide, en verdwaalde bijen speuren ijverig den honing. In de verte slaat de schrille roep van den specht, en in de takken ritselt het, als de woudduif opvliegt.

Koos en Cor loopen op het smalle paadje, naast den mullen, door diepe karsporen doorploegden, zandweg.

Niets ontgaat Koos. Met groote zekerheid hoort hij, waar het geritsel vandaan komt, en eer Cor ook nog ièts heeft gezien, weet Koos wat er tusschen de takken bewoog, en volgt zijn geoefend oog den vogel. Telkens staan ze stil en wijst Koos in de richting, waarin hij een hem bekenden vogel ziet; Cor tuurt, en tuurt, en nòg eens, en bemerkt nauwelijks iets.

"Nee, dat snap ik niet, hoe jij dat allemaal zien kan, ik begrijp het niet."

Koos vindt het heelemaal niets bijzonders.

[Illustratie]

"Zie je, ik houd er van om naar die vogels en al die dieren te kijken; je doet het voor je plezier", redeneert hij.

"Je gaat ze op den duur eigenlijk allemaal kennen. 't Is, of ze niet meer zoo bang voor je zijn."

En hij sloeg aan het vertellen:

"Daar had je laatst een meerkol. Die was druk bezig onder een eik. Ik sluip er naar toe, en nou moet je niet denken, dat hij wegvloog! Hij ging parmantig rechtop zitten, zette z'n kraag een beetje nijdig op, en keek naar me, alsof hij wilde zeggen: 'Wat moet jij hier? Je zal mij toch geen kwaad doen?' En toen ging hij kalmpjes door met graven."

"Graven? 'n Vogel? 'n Meerkol? 'k Weet niet eens, hoe die er uitziet." Cor zei het, half onverschillig. Ze waren tusschen de sparren gekomen. Koos schoof met den voet wat dorre naalden op zij, en vond verscheidene kleine sparappels.

"Die heeft de meerkol er in gegraven", zeide hij. "Vroeger waren er hier niet zooveel in 't bosch; maar ieder jaar zie je d'r nu meer. Net als met de meezen."

"Hé ja, je zou me je meezen laten zien."

"Daar komen we straks wel bij", antwoordde Koos ontwijkend. 't Was of hij bang was zijn geheim verraden te zien.

"Maar je mag niemand zeggen, waar de kastjes hangen, hoor!"

Nestkastjes kende Cor, die werden ook in den winkel verkocht en voedertafels ook.

"'k Wou, dat ik ook in zoo'n winkel woonde!"

"Waarom? Wat voor leuks vind je daar nou aan?"

"Jullie hebben zulke mooie dingen. En ik zou vast wat nestkastjes aan m'n vader vragen, om ze op te hangen."

Cor bracht hem op de hoogte, dat ze de dingen in den winkel hadden om te verkoopen; hij zelf kreeg uit den winkel nooit iets. Vader moest het net zoo goed betalen. Maar Koos hàd toch nestkastjes?

Nu kwam er een verhaal van vogellijden. Koos had er met behulp van zijn broertje een gemaakt, en dat in het vroege voorjaar opgehangen. Er waren meezen in gekomen. Die hadden eitjes gelegd en uitgebroed. Maar 't vlieggat was te groot en bovenaan was 't niet precies dicht: bij felle regens was het binnenin vochtig geworden. En er was van het broed weinig terecht gekomen. Hij vertelde hoe hij telkens was gaan kijken, maar eindelijk had hij de jonge, nauwelijks bevederde diertjes buiten het nest gevonden, nat en dood. Hij was weer in den boom geklommen, en had het kastje aan den anderen kant gehangen, meer van den wind af. Een poos was het verlaten geweest, totdat er zich een rood-staartjes-familie in gevestigd had.

Koos liep te vertellen, met z'n heele hart er bij. Cor vond het al lang goed. Wat gaf hij om al die vogels, waarvan hij er niet één kende?

[Illustratie]

Van een roodborstje had hij wel eens gehoord. Maar roodstaartjes? En meezen? Hij onderbrak zijn eigen gedachtengang.

"Ik heb wel eens een mees in een kooi gehad, maar die is doodgegaan."

"Natuurlijk. Laat jij je eens opsluiten! Doe je ook niet voor je pleizier! Wat heb je aan zoo'n gevangen dier? Niets, niemendal", pleitte Koos met vuur. "'t Beest heeft ellende, mist zijn vrijheid, en....."

"Nou ja, maar waar zijn de vogels anders voor? We verkoopen kooien ook, in den winkel."

Cor kon zich niet begrijpen, waarom Koos zich nu van zulke gewone vogels wat aantrok. Nellie hield ook zooveel van vogels. Maar hijzelf gaf er niets om. Hij zou geen geduld hebben om een kwartier lang op een vogel te spieden. Hij wou er wel wat van weten, maar 't moest niet te lastig zijn en vooral geen lang-stilzitten eischen.

Toch vond hij het bosch heerlijk. 't Was er zoo anders dan in den Hout, waar hij vroeger wel kwam. Hier had je van die echte geheime paadjes; je hoefde niet netjes op den weg te blijven, maar kon overal je een weg zoeken, en maar loopen, loopen, zonder dat je van te voren wist waar je uitkwam; en je liep zoo heerlijk zacht, op die mossige naalden.

Wèl waren de zonplekken mooi, hier en daar op den bodem. En je rook den geur van 't sparren- en dennengroen; eigenlijk moest Nellie hier zijn. Voor die zou het heerlijk wezen. Maar ze kon zoo ver niet meegaan.

Ze was te gauw vermoeid.

Zijn onrustige geest bleef niet lang over dat alles denken.

"'t Is hier ècht om Indiaantje of roovertje te spelen; allerlei schuilhoeken en fijne wegkruipplaatsen zijn er. Jullie gaan hier zeker dikwijls spelen?"

"Soms, maar niet vaak", antwoordde Koos.

"Nou, maar dan vraag ik, of ze voortaan meegaan hier ook eens spelen. Weet je, wat we doen moesten? Een soort club oprichten, zoo iets als van de padvinders. Dat was te Haarlem ook!" stelde Cor voor.

't Viel niet in den smaak bij Koos.

"'k Zou niet weten, wat dààr nou voor aardigs in is."

"Nou, 't is wàt echt, hoor! De jongens hebben allemaal zoo'n pakje aan, en 'n hoed op, en 'n stok, en 'n touw....."

"'t Is al mooi genoeg", meende Koos, "d'r hoeft niet meer bij. En wat doen ze daar alzoo?"

"Ja, dat weet ik niet precies, ze maken marschen, leeren eerste-hulp-bij-ongelukken, en moeten elken dag wat goeds doen."

"Daar hoef je geen padvinder voor te wezen, om iederen dag wat goeds te doen. Dat moet je tòch. Ik voel d'r niet veel voor."

"Nou, jij loopt toch ook graag een heel eind, en dan spoor zoeken, net als de Indianen...."

Ja, dat leek Koos toch wel. Maar je hoefde d'r niet zoo'n omslag bij te maken. Dat kon je gewoon onder mekaar even goed doen!

Of ze het niet eens probeeren zouden? hield Cor aan. Hij wou Koos voor het plannetje winnen; want hij wist het: als die mee deed, zouden er méér mee doen.

Ze waren al pratende, dieper het bosch ingedrongen. Koos had nu nauwelijks oor voor de padvindersverhalen van Cor. Ineens schoot hij uit:

[Illustratie]

"Daar heb je weer zoo'n leelijken eekhoorn, vlak bij mijn nestkastje! Kijk maar!"

Cor keek, en zag niets.

"Daar tegen dien spar aan! Nou is hij aan den anderen kant. Hij draait om den boom heen! Als er een eekhoornnest in de buurt is, zijn mijn roodstaartjes naar de maan! Want zulke leelijke roodstaarten laten haast geen kleine vogels met rust! Gelukkig is de broedtijd voorbij!"

Cor stelde er slechts weinig belang in.

"Zouden we dien eekhoorn niet kunnen vangen?" vroeg hij. "Als ik eens in den boom klom?"

Koos moest lachen om zoo'n gek voorstel.

"Wel ja, en als je dan op de helft bent, zit de eekhoorn twintig boomen verder! Kijk, daar gaat hij al!"

De eekhoorn had de jongens in de gaten gekregen. Telkens angstig omkijkend, sprong hij van tak op tak en was spoedig geheel uit het gezicht verdwenen.

Nu zag ook Cor het nestkastje.

"O, daar hangt het, en er vliegt een vogeltje in!"

"Ja, dat was nu mijn roodstaartje", zeide Koos, en blij voegde hij er aan toe: "De eekhoorn heeft hem dus niet bang gemaakt en verjaagd."

Toen hij zag, dat alles voor zijn vogel veilig was, gingen zij terug.

Onderweg bracht Cor het nog eens op zijn plan om een club op te richten, en wezenlijk, Koos kreeg er ooren naar! Hij beloofde te zullen meedoen, vooral toen de slimme Cor zich liet ontvallen, dat hij b.v. "De Rhandensche Verkenners" zoo'n mooien naam voor de club vond!

Op den terugweg kwamen ze Jan Arps tegen. Vlug werden hem de plannen meegedeeld. En die vond ze al dadelijk héél echt! Of-t-ie! Nu was het spel volmaakt! Ze lieten er geen gras over groeien; Cor zat er achter heen. Met iederen jongen, dien hij tegenkwam, praatte hij er over. Hij wist ze zóó warm te maken voor zijn plan, dat, nog éér de club eigenlijk was opgericht, alle jongens zich al Rhandensche Verkenners voelden!

Ze zouden saamkomen op den pakhuiszolder van meneer Poorters; deftig noemden ze het een "vergadering". Cor's vader had er in toegestemd, maar Cor moest zelf zorg dragen, dat alles in orde kwam.

't Was een ruime, helder verlichte zolder. Beneden werd het ijzer geborgen; hier stonden tal van kisten en pakken, balen en doozen; eigenlijk was het de rommelzolder.

Cor werd door Jan en Koos geholpen. Ze sjouwden wat leege kisten in een kring; daar konden de jongens op zitten, midden op den zolder. Cor was een tafeltje machtig geworden, en een paar stoelen. Die zouden voor het "Bestuur" zijn, want je moest kunnen zien, dat het 't Bestuur was.

Jan lachte hem hartelijk uit.

[Illustratie]

"Hoe kàn dat nou, jô? d'r is nog niet eens een club, hóe kan d'r dan een bestuur zijn?"

"Help me die kist nog even verzetten, die staat niet goed."

Jan hielp mee.

"Nu is er nog geen bestuur, maar het moet er natuurlijk komen; dat spreekt vanzelf, en dàn moet er plaats zijn.... Koos, kijk eens naar dat deksel .... stevig genoeg, denk je niet?"

Koos probeerde, drukte eens goed. 't Kraakte wel, maar geen nood, -- dat zou wel los loopen.

"Moet er geen vlag bij wezen, jongens? 't Hoort er eigenlijk wel bij!", meende Jan.

Ja, dat was goed bedacht, vonden ze, en Cor vloog de trappen af, en was in een ommezien terug met een paar vlaggen van de broertjes.

Nellie kwam hem achterop; ze wou ook eens op den zolder neuzen.

"'t Ziet er hier fijn uit!" spotte zij.

"Mooi genoeg voor ons", antwoordde Cor en Jan plaagde: "Nel, word jij ook lid van onze club?"

"Dank je wel, hoor! Zeker bij zoo'n stel wildemannen? Ik denk er niet aan!"

"Kan je makkelijk praten... meisjes mogen er niet eens bij!"

[Illustratie]

"Je ben wèl lief", antwoordde Nel; "dan zal ik nu maar dadelijk weggaan...."

".... en niet meer terugkomen", vulde Cor aan.

Nauwelijks was Nel weg, of stommelend en blazend kwam Theo de trap op.

"Zeg, ben jullie haast klaar? Ze staan allemaal te wachten in de straat."

Alleen zijn hoofd kwam boven 't trapgat uit.

"Zoo kop, waar zijn je pootjes?" riep Jan, die een stuk papier, dat hij juist in een leege kist wou gooien, naar Theo's hoofd wierp.

"Die krijg je terug!" zei Theo, en de prop vloog in de richting van Jan, die achter een stapel kisten wegkroop.

"Laat ze maar komen." Cor zei het gewichtig, en nog gewichtiger volgde er op: "Geen lawaai maken, hoor! Of we gooien jullie allemaal d'r af!"

"Nee, nee...." Theo luisterde niet eens naar het slot, was al weg, dadelijk weer terug, gevolgd door een stuk of acht jongens, die verbaasd rondkeken.

"Welkom in deze prèchtige vergèderzèl, inderrdèd, mijne heeren." 't Was natuurlijk Theo, die den burgemeester nadeed.

"Nou, weet jij het beter? Heb jij een andere? Zeg het dan maar", deed Cor, geraakt.

"Geen flauwiteiten asjeblieft", kalmeerde Koos. "Ga jullie zitten op de eerezetels..." en hij wees op de gereedstaande kisten.

"Zoo fijn zit je bij je moeder niet, jô!" Theo nam Gert, den sulligen dikkert van den molenaar, bij den schouder en drukte hem op een kist neer. "En nou kom ik naast je zitten. Zoet wezen, hoor?"

Hoe kwam die Gert er bij? vroeg Cor zich af. Wat moest je met zoo'n jongen beginnen?

"Wat nou?" vroeg Cor aan Koos.

"Weet ik het?" antwoordde deze. "Ik ben niet begonnen. Jij moet het maar weten."

"Vooruit dan maar...." en Cor zette een ernstig gezicht, maar Theo vulde weer aan, "... met de geit," en al de jongens schudden van het lachen, want Theo keek schuin naar Gert, die zelf braaf meelachte.

"Eén moet er voorzitter wezen, anders schieten we niet op," zei Theo nu weer.

"Dat weet-ie van zijn vader natuurlijk, van den gemeenteraad; maar wij weten het even goed", viel Jan Arps uit.

Onverstoorbaar vervolgde Theo:

"Dàt wil Jan Arps dus wezen. En dan een secretaris".

"Daar ben jij wel goed voor, met je bril", betaalde Jan Arps hem nu.

Theo's bril wipte gevaarlijk.

"Met 'n bril schrijf je niet; inderdèd, dat jonge mensch dèr moet stilzwijgen...."

"Zoo schieten we niet op....", "'t geeft allemaal niks...." "niks heur....", klonken de stemmen nu dooreen.

"Komt allemaal, doordat jullie me niet laten uitspreken", vervolgde Theo, en, alsof ze hem niet in de rede gevallen waren, zette hij voort:.... "en dan moet er een penningmeester wezen natuurlijk."

Alweer gingen de monden open. Het leek wel een Poolsche landdag. Ieder had wat te vertellen, en ze schreeuwden door elkaar als een troep kakelende kippen.

"Theo heeft gelijk...." "Hij weet d'r niks van..." "'t Is hier geen gemeenteraad...." "Asjeblieft zoo deftig niet...." "Wie moet er voorzitter wezen?"

Dikke Gert zat met een sullig gezicht rond te kijken: "'t Is hier een pan, heur", bromde hij. Maar meteen was Theo er bij: "Stil zijn, maat; jij niks zeggen; je zou zoet wezen!"

Algemeen gelach bracht ontspanning. Daarvan maakte Ben van den dokter gebruik. Hij had tot nog toe gezwegen, eens rondgekeken, maar nu kwam hij kortaf met de mededeeling: "Jullie zitten allemaal te kletsen...., je weet er geen van allen iets af. Hier heb ik het, van Pa, wat we doen moeten, en Pa zegt, dat er een groote bij moet zijn, anders zijn we geen echte Padvinders. En dan moeten we ons bij den bond aansluiten. Lees maar!"

Drie, vier handen reikten naar het kleine boekje, en Theo drong langs dikken Gert heen, en drukte, toen deze trachtte op te staan, hem met geweld weer op de kist terug, die gevaarlijk kraakte.

[Illustratie]

Maar Ben gaf het boekje aan Cor.

"Cor moet het lezen", besliste hij. "Die is met het plan gekomen, en die moet dus lezen, hoe het moèt."

Ja, dat was goed, vonden ze. Ze dachten er aan, hoe ze, dien avond, hem als Brinio op het schild hadden geheven....

"Waar moet ik beginnen? Had me van tevoren dat boekje even gegeven", vroeg Cor.

Ben zocht het op.

Cor keek 't door, en begon:

Padvinderswet. 1. Het woord van een Padvinder is altijd te vertrouwen. 2. Een P.V. is trouw aan de Koningin....

"Dat spreekt van zelf", viel Koos in de rede. "Dat hoef je niet te zeggen; net zoo min als dat je op je woord vertrouwd moet worden.... Als 'r anders niet komt, is 't snert, hoor!"

"Heelemaal geen snert", viel Ben snibbig in. "Want de socialen dan?" Met triomfantelijk gezicht keek hij den kring rond.

"Nou, den dieè is raôk", zuchtte Gert, die een flinken opstopper van Theo op zijn rug voelde. Doch Ben meende, dat de opmerking op zijn woorden sloeg, en hij betrok Gert er in.

"Wat zeg jij d'r van, Gert?"

"Jaô, wat ikke zeg.... wat zôl ikke zeggen... ikke zeg, as dat...."

Verder kwam de goeie dikkerd niet; want Theo zat hem nu met zijn oogen te bewerken, en Gert schoof over den piependen en krakenden deksel heen, tot die het eensklaps onder hem begaf, en met een krak stuk ging. Daar zat de goeie Gert in de kist gezakt, en een luid gelach maakte hem nog meer verslagen dan hij al was.

[Illustratie]

"Waar ga je nou naar toe, Gert?", vroeg Theo, zoo meewarig mogelijk.