Rhandensche Jongens

Part 3

Chapter 34,213 wordsPublic domain

Theo keek weer allerdolst. Hij veegde z'n gezicht met z'n niet te schoonen zakdoek af, trok z'n neus weer op, zoodat z'n bril er als op een zadel aan 't paardrijden was, en liep, zonder verder op de opmerking acht te slaan, naar Koos. Half fluisterend, gewichtig, zei hij:

"Wat gezien, jô, voor jou!"

"Wat dan?"

"Nest met jongen! Mormels, kerel, dat 't waren! 'k Heb ze d'r uit gegooid, natuurlijk", voegde hij er, om Koos te plagen, aan toe.

"Da's gemeen, da's laf, da's...." foeterde Koos. Hij had Theo wel willen aanvliegen. "Waar liggen ze, dan ga ik ze opzoeken, en leg ze weer in d'r nest. Maar van _jou_ had ik dat niet gedacht, dat kan ik je wèl zeggen!"

Meneer Van Waalwijk had 't spelletje doorzien.

"Waarom lieg je, Theo?" vroeg hij.

Nu bemerkte Koos pas, hoe hij er was ingeloopen.

Theo werd nog rooder, dan hij al was. Zóó had hij het heelemaal niet bedoeld. Hij verontschuldigde zich dan ook:

"Liegen, meneer? 'k Hou Koos maar voor den gek."

"Gelukkig; jij kon ook niet zoo laf en zoo gemeen zijn."

't Kwam Koos uit den grond van zijn hart.

Maar waar bleef Cor nu weer? Die scheen specialiteit in het achterblijven te zijn.

"Hallo! hallo!" schetterde Theo.

"Hallo!" klonk het terug uit de struiken.

Cor was nog niet veel dichterbij gekomen. Theo stelde voor, hem maar weer op te zoeken.

"Waar zit je?" riep hij.

"Hier! 'k kan niet weg, 'k zit met mijn voet vast!" Daar moesten ze 't hunne van hebben. Ze daalden in de richting van 't geluid: Theo voorop, de anderen vlak achter hem aan.

"Voorzichtig", hoorden ze, vlak bij zich, Cor roepen. Ze keken en zagen een "hazenpad", waar door stroopers strikken waren uitgezet, van koperdraad. Cor, die van stroopen en strikken niets wist, was met zijn voet in een van de strikken verward geraakt; hij had geen raad geweten om er uit te komen, en was maar weer blijven zitten, toen hij bemerkte, hoe de strik zich àl vaster om zijn been sloot, hoe harder hij er aan trok.

[Illustratie]

Koos wist er raad op. Hij maakte den strik los, en Cor zag zich uit zijn ongemakkelijke houding verlost.

't Was gauw gebeurd, en hun luid "Hallo!" vertelde aan meneer, dat ze terug kwamen.

Meneer keek ietwat verschrikt op, toen hij Cor zag. Z'n heele gezicht zat vol schrammen, z'n kiel had 'n paar kleine winkelhaken, broek en kousen waren grijs van de stof.

Theo nam hem bij den arm.

"Uit stroopen geweest, en een haasje gepakt, meneer", zei hij met een meewarig gezicht.

Wat hadden ze 'n schik! Cor niet het minst! Ze poetsten hem af, zoo goed en zoo kwaad als het ging, en hij knapte op, zoodat ze, na dit ongedachte oponthoud, weer verder konden trekken.

Nu ging het fijn; Een heel eind konden ze vrijwielen, voorzoover ze tenminste een vrijwiel hadden. Maar Cor en Theo zaten te trappen van wat ze konden, om hun trappers bij te houden. Zoover ze de helling af konden kijken, was er niemand te ontdekken. Er was dus geen gevaar, als ze mekaar tenminste niet in de wielen reden. Meneer, die remmen ophad, hield expres wat in, hoewel ook hij met een behoorlijk vaartje reed.

"Hier tuimelde Va van den winter, toen hij bij lichte maan 's avonds laat er nog uit moest, van de fiets, doordat hij tegen dien das opreed", vertelde Jan, toen ze langs een gedeelte weg reden, waar tusschen 't kreupelhout hoog-opgaand geboomte oprees.

[Illustratie]

"Welke das? Wat voor das?"...

Cor wist er natuurlijk niets van.

"Kijk maar op school. Daar vindt je hem opgezet. Want hij was dood. Va had hem juist tegen den kop gereden. Hij was verblind door het felle licht van de carbid-lantaarn en vloog toen regelrecht op de fiets aan. Va maakte een tuimel van belang, maar de das was dood, en Va had hem wel voor vijf gulden kunnen verkoopen, als hij gewild had."

"Ik zou 't gedaan hebben", verzekerde Cor.

"Va heeft hem opgezet, en aan de school gegeven; 'k zal je hem morgen wijzen."

Nu ging de weg weer stijgen en ze moesten aardig kracht zetten. 't Ging langzaam, ook bij Cor, die nu snapte, dat geregeld rijden je winner was. De moeite werd kostelijk beloond: tusschen de berkenstammen langs den weg, zagen ze in de verte de hei liggen. Ze sloegen een zijweg links in; eerst tusschen kreupelhout door; maar dat werd al dunner en dunner, tot de open hei voor ze lag.

De hei!

Rhandensche jongens hielden van de hei. Voor hen was er niets eentonigs aan die groote, grauwe vlakte; want ze kenden er al de verrassingen van. Ze vonden er eieren van fazanten en patrijzen; hadden er de ruimte, wisten de mooiste struikhei te vinden. En dan kenden ze die smalle kronkelwegeltjes, die, dwars door de hei heen, naar eenzame ontginningen leidden.

Ook kenden ze de geheimzinnige verhalen van de hei: hoe er 's avonds, bij donkere maan, uit de dennenboschjes in de donkere verte witte gestalten komen aansluipen, die onhoorbaar zacht naar den grooten steen, midden op de eenzame hei, gaan, om daar te treuren tot middernacht. Dan ritselen er wondere geluiden door de lucht, en Krelis, de knecht van boer Huibers, had laatst nog zèlf gezien, hoe, op zoo'n donkeren, windloozen avond, de boomen daar in de verte hun kruinen ter aarde bogen, zonder dat ze afknapten.

Koos vertelde al die verhalen: hoe daar, onder dien steen, een ridder begraven lag, vermoord door sluipmoordenaars en hoe hij geen rust kon vinden eer die moord gewroken was, en hoe hij daarom nog telkens bij den spooksteen verscheen. De raven krasten dan akelig en het oe-hoe-i van den uil klaagde angstig door de lucht. Maar met het slaan van twaalven verdween alles, en was het weer even geheimzinnig stil op de wijde, donkere heide... Cor had geen ooren genoeg om te luisteren.

"Gaan we nog naar den steen kijken?" vroeg hij, en het leek of er een zweem van angst in zijn stem klonk.

"Best", zei meneer Van Waalwijk, die dat merkte.

Ze stapten af, want nu ging het dwars door de heide. Met de fiets aan de hand liepen ze naast elkaar, en meneer vertelde, hoe de heibewoners, die midden in de natuur leefden, haar hadden bevolkt met allerlei wonderlijke wezens. Ze hadden zich een wereld geschapen, die alleen in hun verbeelding bestond...

[Illustratie]

"Maar die knecht dan, die de boomen zag buigen?" viel Cor nu plotseling in de reden.

"Die zal wel boven zijn bier zijn geweest", antwoordde meneer. "Ik heb me laten vertellen, dat dàn alles voor je oogen draait!"

De verklaring voldeed Cor. Maar toch, een beetje griezelig vond hij het nog wel.

"Zou u er midden in den nacht durven heengaan, alléén, zonder iemand bij u?" vroeg hij.

Meneer moest lachen, en de jongens ook. Theo liet zijn bril weer op z'n neus rijden als een ruiter in 't zadel, en riep, met holle stem: "Dan -- ga -- ik -- mee!"

"Als de spoken _jou_ zien, maken ze vast, dat ze wegkomen", kreeg hij nu van Koos te hooren.

Maar meneer vatte Cor's vraag ernstig op.

"Natuurlijk", zei hij. "Waarom niet? Je weet toch ook wel, dat we nooit alleen behoeven te zijn? Bijgeloof is dwaasheid voor wie weet, dat zijn lot en leven in Gods hand zijn."

Daar lag de steen: een groote kei, plat-rond-geslepen, vermoedelijk door het water, waarmee hij in veel vroeger eeuwen -- de geleerden spreken van den ijstijd -- uit het hooge Noorden was komen afdalen. Ze probeerden hem op te lichten, doch al tilden ze alle vijf uit alle macht, er was geen verwikken of verwegen aan. De steen lag in volmaakte rust midden op de hei.

Ze zetten er zich op neer en Koos wees aan Cor alles, wat er in den omtrek te zien was. Eigenaardig, maar Cor kon lang zoo wijd niet zien als de Rhandensche jongens. Vooral Koos' oogen waren scherp: hij zag verder en juister dan iemand.

_Hij_ wist alles van de hei te vertellen. Als je dàt slingerpaadje afliep kwam je hier, en langs dàt weggetje kwam je dáár, en in dat boschje zaten spechten, en ginder zaten tegen den rand altijd heele troepen meerkollen; en daar in de verte, tegen die boerderijen aan, zaten zijn meezen. Tenminste, als de boer ze had laten leven. Want ze waren vijanden van de bijen, en er stonden daar heel wat bijenkorven.

Meneer zei maar niets en luisterde, wierp er hoogstens nu en dan 's een woord, een vraag tusschen in. In vroolijke stemming aanvaardden de jongens de terugreis, nu meer dalend dan stijgend. En je kon Cor telkens z'n been over het voorwiel zien leggen, om zoo te remmen, als het wat gauw ging.

Deze tocht had den lust bij hem gewekt, nog eens, maar dan op 'n donkeren maan-avond, te gaan kijken, òf hij bij den steen wat bijzonders zou te zien krijgen.

Toen hij er thuis over praatte, werd hij uitgelachen. Alleen Nelly voelde er wat voor. Maar z'n ouders rieden hem aan, rustig in bed te blijven, dan liep hij den minsten kans, door dolende ridders of witte wijven te worden meegenomen, of de kruin van een buigende boom op zijn hoofd te krijgen.

Over den prettigen tocht raakte hij bijna niet uitgepraat, en hij nam zich stellig voor, er met de nieuwe kameraden weer gauw op uit te gaan.

IV. Cor krijgt vechtneigingen en loopt gevaar de oud-Rhandenaars tegen zich in 't harnas te jagen.

"Wat saaie kerels zijn jullie toch! Echte Rhandenaars! Je durft niets!"

[Illustratie]

Theo keek, door zijn brilleglazen heen, Cor aan, die op het plein voor de school aan het "opsnijden" was.

Hij was er nu al een poosje, en 't beviel er hem eigenlijk maar half. Ja, meneer Van Waalwijk was een aardige man. Met genoegen dacht Cor aan den heerlijken tocht terug van Woensdagmiddag.

Maar er was toch iets, dat hem niet voldeed. Hij gevoelde, dat hij door zijn druk- en dwaasheden zich van een minder gunstigen kant had laten zien. Hij moest zelf erkennen: Theo, Jan, Koos, konden best meedoen, maar toch waren ze zoo heel anders dan hij. Bij al hun schikmaken zorgden ze er voor, het niet al te bont te maken, en hun werk was meestal in orde.

En Cor? Ja, wat was er van hem te zeggen? Hij voelde zich in kennis bij de andere jongens achterstaan.

Hij wist, dat hij meneer Van Waalwijk door zijn druk-doen niet van de wijs kon brengen. Hij twijfelde er niet aan, dat meneer hem doorzag. En dat maakte, dat hij wat verlegen was met zijn eigen figuur, en nu lust gevoelde, om weer eens op voor hem ouderwetsche manier "pan te schoppen". Hij wou wat anders dan wat hij de "braafheid" van de jongens noemde.

Vandaar zijn vriendelijke uitroep tegen de jongens.

Theo raapte die vriendelijkheid op. Er was een ondeugende flikkering in zijn oogen, en om zijn mond lag een trek van "Wat wil je?"

Spottend zei hij:

"Wat je zegt, jô! Weet je dat van je zelven of heeft een ander het je wijs gemaakt?"

"Dat hoeft niemand me wijs te maken."

Met een plechtig gezicht keerde Theo zich nu naar de anderen, en, op Cor wijzend, plaagde hij:

"Inderdèd, mijne heeren, het grootste wonder van Rhanden: Cor Poorters, pas ingevoerd uit Hèr em, weet iets van zelf, zonder hulp!"

Een schaterlach klonk op, en Cor stond er nijdig bij, een oogenblik uit 't veld, geslagen. Hij had er niet zoo dadelijk van terug.

Maar die lach prikkelde hem. Zou hij zich door die Rhandensche knullen op den kop laten zitten? Dat nooit. En woedend, bitste hij Theo toe:

"Ik kan wel meer ook! Zonder hulp jou op je kop geven!"

En eer Theo er op verdacht was, stormde Cor woedend op hem los; één flinke stoot, en Theo raakte van de beenen op den grond. Cor zat bovenop hem, de vuist omhoog, om Theo's hoofd te gaan bewerken. Deze, door den plotselinger aanval 'n oogenblik verbluft, spartelde doelloos tegen.

[Illustratie]

"Genàde zul je roepen", schreeuwde Cor, hijgend van woede, hem toe.

De andere jongens stonden er in een kring om heen. Graag hadden ze Theo geholpen, maar 't mocht niet. 't Moest eerlijk spel blijven.

Theo zweeg.

"Genàde zeg ik je!" brulde Cor nu. Hij wond zich hoe langer hoe meer op.

"Die wil jij wel geven", zuchtte Theo benauwd. Hij kwam weer tot zich zelven.

Met een hoeraatje werden die woorden door de jongens ontvangen.

"Niet doen, hoor!" "Hou je taai!" "Geef hem terug!", schreeuwden ze Theo toe.

Nu werd Cor nog nijdiger. Hij wist nu, dat al de jongens tegen hem partij trokken. En, zonder nadenken, alleen zijn woede volgend, hief hij zijn voet op, om Theo een trap in den rug te geven.

"Laat staan", schreeuwde Jan Arps plotseling. Hij stoof uit den kring naar voren, en stond tegenover de vechtersbazen.

"Dàt is geen eerlijk vechten, een jongen in zijn rug te schoppen! Dat is geméén beulswerk, en als je dat waagt, krijg je met _mij_ te doen!"

"En met mij!" "Met mij ook!"

Al de jongens tegen hem.... Cor ontstelde er even van... 't Was wèl gemeen van hem... Maar die Theo...

Hij liet zijn been zakken. Theo had van 't oogenblik gebruik gemaakt. Met een plotselingen ruk onttrok hij zich aan Cor's greep, en wierp hem van zich af. Nu raakte Cor van de been, en Theo stond gereed de rollen geheel te verwisselen, en Cor er onder te krijgen, toen plotseling het luide gejoel en geschreeuw der zich steeds meer opwindende toekijkers gedempt werd en verstomde.

Meneer Van Waalwijk kwam aangefietst. Hij bemerkte, dat er wat gaande was, sprong van de fiets, en zag Theo, met verhit gelaat en verfonfaaide kleeding, staan tegenover Cor, die van de gelegenheid gebruik had gemaakt om weer op te komen. Ze waren beide in hun wiek geschoten, maar wilden het geen van tweeën weten. Met gebalde vuist stond Cor tegenover Theo.

[Illustratie]

Meneer Van Waalwijk drong door den kring heen. "Goe-morgen jongens! 'n Deuntje gevochten? Goed klop gegeven? Dan zul je wel moe wezen. Toe, ga even met me mee. Dan kun je wat uitrusten. En je opknappen ook. Want je ziet er uit, alsof je een halven dag in het droge vuil hebt gewerkt!"

"Z ij n schuld!" siste Cor nijdig, en hij wees naar Jan Arps. "Die kan niet eerlijk laten vechten!"

"Eerlijk vechten", kwam het, verontwaardigd, minachtend uit Jan's mond, "eerlijk vechten, dat kun j ij niet. Jij wil 'n jongen, die ligt, in den rug trappen. En dat is gemeen, zeg ik je!"

"Nou, en Theo zegt, dat ik niet durf, en ik láát me niet door een Rhandensche jongen op den kop zitten. Nooit!" foeterde Cor, vastbesloten.

"Zooveel te beter dus, dat ik juist kwam", kalmeerde meneer Van Waalwijk. "Ik bèn geen Rhandenaar, en daarom kunnen jullie allebei met mij meegaan om uit te rusten."

Theo verdween al naar binnen. Cor scheen nog geen zin te hebben. Zou hij?... Hij keek op... Overal vijandige blikken bij de jongens, die hij in hun zich-Rhandenaar-voelen diep beleedigd had... een strakke wil op meneer's gezicht... daar ontkwam hij niet aan... hij zag het wel... Even nog was er de begeerte, niet te gehoorzamen... maar verslagen voelde hij zich tòch al en dus,... meer schuivend dan loopend, uiterlijk onwillig, ging ook hij naar binnen.

Meneer was doorgeloopen. Die twijfelde er niet aan, of Cor zou wel komen.

"Ga jullie wat rekenen", gebood hij koeltjes, toen beiden zaten.

Theo begon; Cor, den elleboog onder het hoofd, zat woedend voor zich uit te kijken.

Meneer keek rustig naar hem, en Cor merkte het. 't Kon hèm wat schelen! Hij verwachtte, dat meneer tegen hem zou uitbarsten. Dat zou hij eigenlijk 't liefst gehad hebben.

Daar kwam meneer naar Cor toe.

"Geen zin, kameraad?"

Geen antwoord. Schuw, een beetje valsch-loensch onderuit, gluurde Cor, of Theo ook keek.

[Illustratie]

Meneer zag het.

"Theo, ga jij even de gang in."

Theo ging, en meneer zei nu zachtjes tegen Cor, terwijl hij hem de hand op den schouder legde:

"Zie zoo, Cor, nu is het gemakkelijker voor je om te gehoorzamen?"

Dat had Cor niet verwacht. Bijna verschrikt keek hij op. In Haarlem was hij het anders gewend geweest, als hij zoo'n weerspannig-brutale bui had en "opspeelde", zooals hij het zelf noemde.

Bijna zonder nadenken greep hij zijn boeltje en probeerde aan het werk te gaan.

Nu werd ook Theo weer binnengeroepen.

"Wat had jullie eigenlijk?"

Theo vertelde, zonder omwegen en Cor bevestigde, dat het zoo was. Ze moesten meneer toestemmen, dat de aanleiding toch niet zooveel te beteekenen had.

"Maak het nu zonder vechten weer in orde, anders heb je voor je zelf toch geen rust", drong meneer aan. Maar dat lukte nog niet zoo gauw, daartoe moesten beide jongens, en vooral Cor, zich te sterk overwinnen. Maar meneer's houding had betere gevoelens in ze wakker geroepen; ze schaamden zich voor hem, en in hun hart voelden ze, dat ze zóó den wil des Heeren niet deden.

Meneer verwachtte, dat het wel doodbloeden zou, en daarom bemoeide hij er zich niet verder mee.

Toch bleef er dien middag een geprikkelde stemming in 't lokaal. Er groeide verzet bij de Rhandensche jongens, verzet tegen dien indringer, die hun de wet wou stellen!

Om vier uur lieten ze hem links liggen, gingen in een clubje hun eigen weg; nu juist drukker en vriendelijker dan gewoonlijk. 't Was om Cor te plagen. Alsof ze hèm noodig hadden! Wat verbeeldde zoo'n aap zich wel! Hij had ze in hun eer als Rhandenaar aangetast, en dàt zouden ze hem inpeperen.

"Cor, ga je mee naar huis?"

Nelly liep op hem toe, toen hij, onvriendelijk en grommig gestemd, doordat àl de jongens zóó partij tegen hem trokken, in zijn eentje naar huis ging. Juist zag hij de anderen den hoek naar de Hoofdstraat inslaan. Fijngevoelig als Nelly was, had ze dàt oogenblik afgewacht.

"'k Zal met meisjes naar huis gaan!" weerde Cor af. Maar hij voelde op 't zelfde oogenblik, dat hij leelijk en onbehoorlijk was tegen Nelly. Vriendelijk liet hij er onmiddellijk op volgen:

"Waarom ben jij niet met de andere meisjes meegegaan?"

"'k Dacht, dat jij het onprettig zou vinden om alleen te loopen. Daarom wachtte ik even."

Nel kende Cor door en door, en ze wist ook, dat hij veel van haar hield, en 't nooit zoo kwaad meende als hij wel voorgaf. Tegenover háár hield hij zijn ruwheid nooit vol.

Cor keek haar aan. Zus had toch een smal gezichtje, vond hij. Ze zag er zoo heel anders uit dan die kinderen hier, zoo smalletjes, zoo weggetrokken-wit soms. Er waren meisjes op school, zóó sterk, dat ze hèm misschien wel aan konden, als het op vechten aankwam. Maar zus...

Nelly liep rustig naast hem mee. Hij moest haar tasch maar voor haar dragen.

"Geef je tasch maar hier!" 't Was eigenlijk alleen een inleiding, want hij vervolgde dadelijk: "Hoe vond jij het vanmiddag, zeg? Valsch van Jan Arps, hè?"...

Hij wachtte op zus' antwoord. Zou ze hem óók afvallen? Maar dàn zou ze hem zeker niet opgewacht hebben.

"'k Weet het niet; 'k heb er niets van gezien. Maar de jongens waren allemaal vreeselijk kwaad, geloof ik."

"Nou ja, ze trekken partij voor mekaar."

Nelly keek hem vriendelijk aan.

"Waarom vecht jij ook altijd, Cor?"

"Nou, en ik ben toch geen meisje? Daar ben je toch jongen voor, om je niet op je kop te laten zitten?"

Daar kon Nelly niet tegen op. Die logica ging haar te hoog.

"Toch is 't jammer", zei ze, "want ze zouden allemaal 't land aan je krijgen."

Cor voelde, dat 't waar was, dat Nel gelijk had, en meneer Van Waalwijk had gelijk, en alle menschen hadden gelijk. Zijn eigen, woelig, onrustig hart had ongelijk. En toch... op oogenblikken als nu voelde hij dat diep, en wou hij wel anders worden, en klom er wel een stil gebed op in zijn hart. Maar hij wou er niets van laten merken. Groothouden je zelf, ook als 't in je schreide, om je zonde, die maakte dat je jezelf zoo ellendig alléén ging voelen!

Zwijgend kwamen ze thuis. De norsche trek op Cor's gezicht was nog niet verdwenen. 't Was binnen in hem niet tot rust gekomen. Landerig liep hij, zonder als gewoonlijk luidruchtig een "Dag Moe! Dag allemaal" de kamer in te roepen, den gang in, en liep nu regelrecht door naar het pakhuis.

[Illustratie]

Daar was hij graag. Er viel altijd wat te doen, en... lui was hij heelemaal niet. Hij mocht al niet veel van zijn schoolwerk houden, omdat hij het zoo saai vond, en schrijven, en lezen... Wat had je er aan? dacht hij. Maar in het pakhuis voelde hij zich thuis, en als er wat zwaars te tillen was, of pas aangekomen goed uit te pakken, en op te bergen, dan was hij onvermoeid. De pakhuisknechts mochten hem graag, om zijn scherts, om zijn werklust, ook wel om zijn vermakelijke manier van opspelen over alles en nog wat. Want zij hadden al lang gemerkt, dat hij het zoo kwaad niet meende.

Ook nu was hij spoedig druk aan den gang. Een partij kachels was aangekomen; die moesten in elkaar gezet worden. Net een werkje naar zijn hand. Met een schroevendraaier gewapend werkte hij, dat het een lust was. Hij had juist een mooien haard-mantel onderhanden, toen thuis de gong voor het middagmaal klonk, en de klank ervan doordrong tot het pakhuis.

"Jullie laten die voor mij staan, hoor je?" vroeg hij, gebiedend, aan de knechts.

"Goed hoor; we zullen er aan denken, als we 't niet vergeten", was het antwoord. Cor hoorde het nauwelijks meer, hij was al weg; wiesch zich vluchtig de handen, en trad de kamer binnen, waar ze al om de tafel zaten.

Hij had zijn booze bui weggewerkt. Hij liep op Moeder aan, kuste haar; raakte Vaders voorhoofd even met de lippen aan, groette de anderen met zijn gewone "Dag allemaal!" en nam zijn plaats naast Nelly in.

Aan tafel informeerde Vader naar hun ervaringen van dien dag. Cor liet gewoonlijk niet meer los dan hij wilde. En nu was hij de vechtpartij kwijt, toen de broertjes 't spel aan den gang brachten.

"D'r is vanmiddag gevochten bij school, en Cor was er ook bij, en hij heeft slaag gekregen ook."

"Niet waar!" stoof Cor, ineens weer nijdig, op. "'k Heb geen slaag gekregen!"

Hij vertelde nu eerlijk, wat er geschied was, en meneer Poorters zei er niet veel op. Alleen suste hij Cor, toen die weer aan 't uitvaren ging over "die Rhandensche knullen".

Maar 's avonds riep hij Cor even bij zich op 't kantoor. Daar keek hij zijn wilden jongen, van wien hij zooveel hield, omdat hij ook het goede onder al die ruwheid en rusteloosheid kende, eens flink in de oogen.

Nu was de ruwe Cor mak als een lam. Hij begreep, dat hij verkeerd gedaan had. Hij begreep ook, dat hij de jongens fel had geprikkeld door zijn optreden; en hij beloofde het in orde te maken en tegen zijn drift te zullen vechten.

[Illustratie]

"Je weet, Cor, je vader wil je daarbij helpen. Maar je Vader Die in de hemelen is, óók. Als je er Hem om vraagt. 't Is ook een zegen, genade te hebben bij de menschen. Maar dan een andere, dan waar jij van sprak!"

"Ik wil wel, Pa, maar telkens..."

"Jongen, we willen allemaal. Maar we komen er niet zonder strijd. En zulk vechten, vechten tegen je eigen verkeerdheid, je eigen zondigen aard, dat is wat je noodig hebt..."

Cor zou trachten, dièn strijd te strijden.

V. Cor wordt bij de oud-Rhandenaars ingelijfd en verjaagt het spook.

Den volgenden morgen ging hij Theo tegemoet.

Langs den dijk drentelde hij heen en weer, maakte een praatje met een paar knechts van Reinders over de paarden.

"Dat zoo'n stadsjongenheer d'r wat van wist!" verwonderden ze zich. Het bleek hun, dat Cor z'n oogen goed de kost had gegeven. Hij mocht mee naar den stal, waar Trui en Mie stonden, de twee, die Poorters' verhuisboel tegen de hucht hadden opgetrokken. Maar Cor bleef den dijk in 't oog houden, en toen hij Theo zag aankomen, ging hij dien tegemoet.

[Illustratie]

Alsof er niets gebeurd was, voegde hij zich bij hem. Theo liet nauwelijks eenige verwondering blijken, maar gaf slechts luchtigjes antwoord op Cor's groet. Zoo liepen ze een oogenblik zwijgend naast elkander voort.

"Heb jij je sommen af?" begon Cor, half-verkennend.

Gul antwoordde Theo: "Ja, en jij?"

"Drie van de zes. Niet veel, hé?"

"Neen."

't Gesprek stokte.

"Jan Arps zal ze ook wel af hebben...." begon Cor, nu wat onzeker, opnieuw.

"Dat zal wel", bevestigde Theo koeltjes.

"Die is immers zoo'n reuzenbol in 't sommen maken?"

"Ja, nog al."

Theo's gelaat, wat strak eerst, begon te ontspannen. Er kwam een ondeugende schittering in zijn oogen.

"En hij maakt ze alléén", plaagde hij ineens weer.

"Wat bedoel je? Ik de mijne ook! Als ik wou, kon ik ze ook alle zes afhebben, als ik me liet helpen."

"Nou ja", vergoelijkte Theo schijnbaar, "zie je, jij ook! Jan Arps en ik, wij zijn maar Rhandensche knullen!"

Nu hij er dàt uitgeflapt had, was de zaak, wat hèm betrof, in orde.