Rhandensche Jongens

Part 2

Chapter 24,218 wordsPublic domain

Zoo deed Jan dien morgen zijn glorieuzen intocht binnen Rhanden, en trok hij van zijn verheven zitplaats de aandacht van zijn kameraden; vooral, toen na een laatste bocht in den weg, de wagen, door den koetsier weer geheel in bedwang gehouden, stopte voor den winkel van Ter Hoek.

Dadelijk was hij omgeven door tal van schooljongens, die den opstap probeerden op het nog steeds omlaag-geslagen achtertrapje. Jan klom er af, en hij was niet weinig gestreeld, toen de voerman hem toeriep: "Dank je wel, maat! Jij hebt je goed gehouden op den bok!"

"Is 't anders niet?" antwoordde Jan, schijnbaar onverschillig, maar toch zóó luid; dat de jongens het hoorden.

"Wat was er?" "Hoe kwam jij d'r bij?" "Wie komt er wonen?"

Neen maar, óók dom van hem! Dat had hij heelemaal vergeten te vragen. Maar om twaalf uur kwam hij het wel te weten. Vast! Hij ontweek daarom het antwoord op die laatste vraag, en vertelde daartoe breedvoerig zijn ervaringen van dien morgen, en het gevaar van den rit berg-af.

Met open mond luisterden de jongens, vooral toen Koos Venema bevestigde, dat de kar zoo snel reed.

"'k Kon hem haast niet voorbijkomen met de fiets", zeide hij.

De intocht van Jan werd er te meer glorieus om, en het speet hem niets, dat hij den voerman zijn diensten had aangeboden.

Maar nu nog de eerste zijn, die wist, w i e er kwam te wonen!

Om twaalf uur, zoodra de school uit was, haastte hij zich naar de Hoofdstraat. De meubelwagen stond er nog, en al gauw ontdekte hij den koetsier.

"Zoo, baas, schiet je op?"

De koetsier keek op.

"Zoo, kameraad, jij alweer present? D'r is nou niks voor je te verdienen hoor, of je moet een sjouwtje willen aannemen! We kunnen er nog best een paar man bij opzetten, vooral als ze zoo vief zijn als jij!"

"Bah! Wat stuift het", zei Theo ineens. Hij was Jan gevolgd, en knipoogde tegen hem.

"Jij wordt er ook eventjes tusschengenomen, zeg! Of hij kent je nog niet."

"'k Zou dien jongen niet kennen! Vanmorgen heeft hij al voor m'n paarden gezorgd en naast me op den bok gezeten, toen m'n beesten haast op hol sloegen. Nou jij, maat!"

Theo's oogen draaiden guitig achter zijn bril heen en weer.

"Waar kom jullie vandaan, zeg?" vroeg hij.

Leukweg antwoordde de koetsier: "Wel, den berg af."

"Nou ja, dat weet ik. Maar eerst?"

"Ja, als ik je dat moet gaan vertellen, heb ik nog wel een dag werk", antwoordde de koetsier, die schik had in Theo's gezellig gezicht.

Jan was intusschen bij de knechts gaan staan, die achter in den meubelwagen hun boterham zaten te eten.

"'t Ging fijn, hè, vanmorgen?"

"Wat je fijn noemt", antwoordde de een, met wien Jan er op uit was geweest.

"Nou, ik dacht, dat ik door mekaar rammelde. Is er niets gebroken?"

[Illustratie]

De veronderstelling alléén, dat er iets gebroken zou wezen, was de eer der verhuizers te na.

"Als jij den boel had ingepakt, of andere Rhandenaars, dan zou het mogelijk wezen. Maar wij doen het vanzelf goed!"

"Nou, maar je moet onzen Reinders anders ook niet weggooien! Die verhuist naar alle oorden van de wereld!"

"Wij dan!" pochte den ander. "Voor een paar jaar hebben we den keizer van Japan verhuisd. Als ik er nog aan denk, wat een werk dat was! Met al dat Japansche porcelein, weet je? Zoo dun als water alles; je kon er doorheen kijken, en toch geen kopje gebroken!"

Dat werd Jan te machtig.

"En in welke stad woonde die keizer van Japan?" vroeg hij parmantig.

"In Amsterdam", was het nuchtere antwoord.

"Als je nog eens wat weet, zeg! In Amsterdam!" schaterde Jan het uit.

"Dat komt, omdat jij d'r niks van weet. Hier, in zoo'n gat, weet natuurlijk niemand iets van dien grooten Amsterdamschen porceleinwinkel", en meewarig schouderophalend draaide de verhuizer zich om.

Dat was de tweede al, die met zoo'n geringschatting over Rhanden sprak. Wat verbeeldden die lui uit de groote stad zich wel? Jan werd weer nijdig.

"'k Begrijp niet, wat jullie in zoo'n gat komen doen!"

"Ik bèst. 'n Ander hier brengen en zelf zoo gauw mogelijk weer weggaan", plaagde de knecht, die schik had in Jan. En vergoelijkende voegde hij er aan toe: "Maar 't is mooi hier, ècht mooi; veel mooier dan bij ons in stad."

Dat stelde Jan tevreden.

"Waar kom jullie eigenlijk vandaan?"

"Uit Haarlem."

"Zoo ver? Anders gaan de wagens toch per spoor?"

"D'r was zeker geen ruimte voor dezen."

"Komen de menschen gauw?"

"Die zijn gisteren al gekomen."

"Zijn ze aardig?" Nu wilde Jan alles weten.

"Vraag dat maar in Haarlem; wéét ik niet."

Zooveel wist Jan dus nu. Nu nog meer te weten zien te komen.

"Hoe heeten die menschen ook al weer?" zette hij zijn onderzoek voort.

"Poorters, geloof ik."

"Zijn d'r jongens?"

"'n Stuk of dertien, denk ik."

Nu hield de knecht hem weer voor den gek.

"Heb je nog meer te vragen? Anders ga 'k een half uurtje slapen", zei hij, keerde Jan den rug toe, kroop in den openstaanden wagen, en legde zich op de pakkleeden neer.

Jan wist genoeg. Hij stoof op Theo af, en vertelde dadelijk al wat hij wist, tot van die "stuk of dertien jongens" incluis. 't Was wel wat moeilijk te gelooven, maar 'n pààr jongens zouden er licht wezen en misschien was er wel een bij voor hun klas. Met dat nieuwtje haastten ze zich naar huis.

De middag bracht hun de oplossing van al wat ze zoo graag weten wilden. Meneer vertelde, dat er een nieuwe jongen en een nieuw meisje in hun klas zouden komen.

"En _ik_ weet van wie!" Jan kwam er triomfantelijk mee voor den dag.

"Ik ook", zei Koos Venema, heel gewoontjes, "natuurlijk van Poorters, die in de zaak van Ter Hoek komt."

Jan keek sip. Nu zei Koos 't nog eer dan hij, en hij had Koos niet eens bij den wagen gezien...

"Is 't een aardige jongen, meneer?"

"Dat zullen we moeten ondervinden."

"En 't meisje?" vroeg Bets Craats.

"O, die zijn immers altijd aardig?" plaagde meneer.

[Illustratie]

"Je zult het gauw genoeg ondervinden, want Maandag komen ze. 'k Hoop, dat jullie gauw vriendschap zult sluiten."

Zoo was die nieuwsgierigheid gedeeltelijk bevredigd, maar werd het geduld langer op de proef gesteld, langer, dan hun belangstelling het uithield. 't Nieuwe was er al bijna af, toen de nieuwelingen op school kwamen; ze werden met zekere terughouding ontvangen.

[Illustratie]

Maar de meisjes 't eerst openden haar kringetje voor Nel, het tengere popje met levendige oogen en gitzwart haar, een gezellig praatstertje, dat zich heel spoedig in haar nieuwe omgeving thuis gevoelde.

Vanzelf volgden de jongens toen met Cor, een robuste, bazige jongen, zoo op 't eerste gezicht te oordeelen. En op 't eerste gevoel ook, want al heel gauw had Theo ervaren, hoe hard Cor's "knuisten" waren. Op zijn gewone manier probeerde Theo, Cor er tusschen te nemen. Maar Cor liet er zich niet tusschen nemen; hij scheen wat beweeglijk in zijn vuisten te zijn, althans ze trommelden onverwacht snel op Theo's rug en... dat beviel hem blijkbaar nog niet eens half; maar Cor had zich zijn plaats bevochten in den kameradenkring, en vóór de eerste schoolweek nog heelemaal òm was, wisten de jongens goed, wat ze aan elkaar hadden.

III. Cor leert Rhanden en wij leeren Cor kennen.

Het was Woensdag. In Rhanden heerschte een gezellige drukte: één der druk bezochte voorjaarsmarkten werd gehouden.

Cor en Nel keken hun oogen uit. 't Was ook zoo'n ongewoon gezicht voor hen, die keuterboertjes in d'r stijve kleeding: zwart-lakensche pet op, hoog om den hals gesloten zwart vest aan, hun voeten in de helder-wit geschuurde klompen. Ze zagen er, die met hun klompen aan, voortfietsten; en Nel had de grootste pret, toen ze een boer en een boerin op de fiets zag, beide met klompen aan.

"Zeg, Cor, kijk eens, daar gaan Klompertje en zijn wijfje!"

"Nee, kijk die daar!" En Cor proestte het uit van den lach, toen hij een arbeider zag, die een schreeuwend varkentje in den arm droeg.

Cor maakte, dat hij er bij kwam. Hij liep achter 't spannetje en kon de lust niet weerstaan, om 't dier aan 't grappige krulstaartje te trekken. 't Scheen nog al aan te komen, want 't beest begon, naar varkensaard, erbarmelijk te schreeuwen.

"Hè Cor, hoe gemeen!" viel Nel snibbig uit, "zoo'n schattig diertje, en dan zoo valsch doen!"

[Illustratie]

"Och meid", weerde Cor af, "wat hindert dat? Zooveel voelt hij er niet van!"

"Nou, en ik vind het heel leelijk van je, om zoo'n arm dier te plagen, hoor!"

Nel ging op den man af, en vroeg:

"Baas, mag ik je varkentje eens zien?"

"D'n keu-e mien-de? Wel joâ, jongejuffer."

Nel streelde het dier over de borstelige haren, maar trok toch haar hand terug, toen het zijn kop ophief, druk met het beweeglijke snuitje tastend.

"Wel een aôrig diertgien, niet dan?" vroeg de man. "Minsch, a'j ze 'n paôr wêken hèd, dan binnen ze hielendal aan je gewend en loopen ze de vrouw na as keinders."

Cor stond er bij te kijken. Dat staartje... dat was toch zoo leuk. Dat lokte tot plagen... Maar Nel was d'r bij. En die vond het naar. Hij zou zich daarom bedwingen.

"Zeg Cor!" viel Nel ineens uit, "'k zal aan Vader vragen, of we ook zoo'n varkentje mogen."

"Vader zal je feestelijk bedanken", antwoordde Cor. "Waar moet je zoo'n dier nu houden? 't Is veel te vies."

"Vies, hoe kom je d'r bij? 't Beestje is zoo schoon als 't maar kan. Ik vraag het aan Vader!"

"Doe het. Ik zeg je dat 't niet lukt. Je hebt toch vanmorgen gezien, hoe vies die hokken zijn en 't stroo d'r in, op de markt?"

Nel liet het plotseling opgekomen plan zoo gauw niet los!! Ze waren bij huis. Nel stormde den winkel binnen. Wat was het daar vol! En wat leuke menschen, vooral die boerinnen met d'r gladgestreken haren onder de witte muts, die haar bolle wangen omspande en in breede plooien over rug en schouders afhing.

[Illustratie]

Met d'r groote boodschappenmand aan den arm, hadden ze voor de geheele week inkoopen gedaan.

Meneer Poorters was met 'n paar boeren aan 't onderhandelen over een landbouwmachine. Zonder te bedenken, dat hij dan niet gestoord mocht worden, liep ze ineens op haar vader toe.

"Dag vader! Vadertje, mag ik een varkentje hebben, zoo'n kleintje?"

"Dag Nel." Vader keek haar wat ontstemd aan. Hij hield niet van kinderdrukte in den winkel. "Is er zoo'n haast bij? Kun je niet even wachten?"

De boeren hadden er schik van.

"Waôr mot de jongejuffer die hou'en?" vroeg er een. "Nee, dat geêt niet."

"Waarom niet?" vroeg Nel. Ze had het zich zoo vast voorgesteld. Vader zou dat niet weigeren.

"Dan môt de jongejuffer môar 'ns kommen kijken bij ons, dan ziede-ge het wel!"

"Hè ja, Vader, mag dat?" Cor had het aanbod van boer Jansen gehoord, en hij haastte zich, er op in te gaan. Hij wou juist zoo graag eens een boerderij bekijken.

"Wat mij betreft, best", antwoordde meneer, "als Jansen niet bang is voor 'n paar van die drukjes, ik vind het goed."

"Komme gullie dan moâr 'ns met mien zeun Geurt mit." 't Bleek, dat Geurt de groentenman was. Cor en Nel zouden graag komen, zeiden ze, en meneer Poorters vond, dat hij met 't koopen van een varkentje nog wel tot een volgende week kon wachten.

Aan de koffietafel wachtte Moe ze al, met de "broertjes", een aardig stel tweelingen: Dirk wat langer dan Daan. Daan was breeder gebouwd dan Dirk. Ze gingen ook al naar school, maar werden nog gehaald en gebracht. Toen ze hoorden van 't plan, om met Geurt Jansen mee te gaan, wilden ze ook graag van de partij wezen. Moeder vond het wat gewaagd voor ze, en beloofde ze 'n wandeling den berg op, waarmee ze meer tevreden gesteld dan op schik waren.

Al vroeg na de koffietafel kwam Geurt Cor en Nel aanhalen. "Vaôder had 't 'ezeid", vertelde hij. Nel vond het eerst wel wat vreemd, op die groentekar, maar Cor zat er op zijn gemak, vooral toen hij de leidsels mocht vasthouden. "D'n Bles weet gaôr zoo goed den weg as ikke", verzekerde Geurt, wat wel bleek, want met zijn gestadigen stap ging Bles, zonder dat Cor eigenlijk stuurde, den weg naar de boerderij, waar vrouw Jansen dadelijk begon aan 't afladen van de bennen en manden. Cor hielp een handje mee: dat was net wat voor hem!

Nel wilde dadelijk naar de "varkentjes" gaan kijken.

[Illustratie]

Ze was meteen van haar plannetje àf, want die vette, in de modder rondkruipende dieren, waren toch niet zulke "schatjes" als ze wel gedacht had! Er was heel wat te zien en heel wat te raggen! Cor durfde nog niet zoo goed zijn gang gaan, 't was pas de eerste maal, dat hij bij Jansen kwam! Maar hij beloofde Geurt en zichzelf, nog weleens terug te komen... in den vruchtentijd!

"Wel, Nel", vroeg meneer Poorters, toen ze na dien drukken, eersten marktdag aan tafel zaten, "wel, Nel, wou je nog zoo'n 'schattig' beestje hebben?"

"Dank u, vadertje!" en Nel trok preutsig haar neus op, "liever niet! Als 't nu altijd zoo klein bleef, dan wel, maar nu..."

Vader was moe. 't Was druk geweest. Hij had goede zaken gemaakt. 't Beloofde wat voor de toekomst! In zijn dankgebed na tafel vroeg hij, of de Heer ze allen wilde blijven zegenen en ook de zaken onder Zijn hoede wilde nemen.

Zoo werd dat een dag van dankbaarheid, omdat de beste verwachtingen waren overtroffen. Meneer Poorters wist het, en hij leerde het zijn kinderen vroeg: "Aan 's Heeren zegen is 't al gelegen." En hoewel hij nooit de kinderen in de "zaken" wilde mengen, achtte hij het niet minder noodig, ze vroeg te leeren danken voor de zegeningen, die ook in de zaken werden genoten.

Cor vooral zat graag in den winkel. Die was zooveel grooter dan hun vroegere, in Haarlem, en er was nog grooter verscheidenheid in te vinden. Heel wat dorpen in de omgeving betrokken hun waren in de zaak van Ter Hoek, zooals die, ondanks de nieuwe bewoners, nog altijd werd genoemd.

En bijna dagelijks kwamen er groote bezendingen van allerlei waren aan, vooral moderne land bouwgereedschappen. Dat was voor den rusteloozen Cor een genot; hij was, zoolang Vader er niet bij kwam en hem naar huis stuurde, druk bezig met uitpakken, plaatsen en verplaatsen. Al zijn schoolwerk liet hij er graag voor rusten. Maar meneer Poorters wilde er niet van weten: kinderen behoorden thuis, vond hij. En als Cor bezig was, wilden de broertjes ook al mee. En winkel en magazijnen waren géén kinderkamer; alleen als Vader er nièt was, kon Cor zijn vermaak zoeken in de "zaak".

Wel ging 't eerste nieuwtje er gauw af, maar het verboden terrein bleef toch voor Cor het meest aantrekkelijke, hoezeer hij wist dat het verboden wàs.

Er was zoo al een week voorbij gegaan, en 't werd Zaterdag. Jan, Theo en Koos zouden er op uitgaan, en meneer had beloofd, mee te trekken. Hij deed het meermalen, nu eens met het ééne clubje, dan weer met het andere, nu eens met de fietsers per fiets, dan met de wandelaars te voet.

De jongens waren er dol op, want meneer Van Waalwijk was dan niet meneer, maar hun kameraad, van wien ze hielden, dien ze vertrouwden. De jongens konden bij hem een potje breken en hij bij hen.

Koos vooral hield van die tochten. Meneer wist zooveel te vertellen van alles, waar Koos van hield: van de natuur, en al het wondere uit het leven van bloemen en planten en vogels. Daar ging Koos in op; hij kon droomen in de donkere dennebosschen, en tusschen 't beukenhout wist hij de plekjes te vinden, waar in den namiddag de zon schuin tusschen het gebladerte scheen en op den mossigen bodem groote lichtplekken tooverde.

Ze trapten nu den berg op. Cor had zich bij hen aangesloten. Hij bleek een echte racer. Telkens schoot hij vooruit, moesten ze hem inhouden. Theo reed naast hem en hoorde geduldig al zijn verhalen aan.

"Jô, je moet niet zoo hard trappen, dat hou je vast en zeker niet uit tegen den berg op. Op een vlak weggetje gaat het nog, maar hier, telkens met die huchten, word je gauw moe, als ze zoo dol rent."

"Net alsof het de eerste maal is, dat ik tegen zoo'n helling op fiets! Hoe noem jullie dat ook weer?"

"Wel, een hucht, en als het zoo steil oploopt, een stikke hucht."

"Dan zijn het bij Bloemendaal allemaal stikke huchten. Daar kan je klimmen! En dàn omlaag, met een vrijwiel!"

"Had je die?"

"Een echte! maar die kar is al lang stuk. Deze is eigenlijk van mijn grooten broer. Een fijn beestje!"

Cor begon te hijgen.

Van terzijde keek Theo hem aan.

"Is je stoom al op, zeg? Wil ik duwen?"

"Niet noodig, hoor."

Cor trapte raak. Doch het ging steeds langzamer.

"Laat ik je maar wat opduwen. Ik ben gewend, de hucht op te trappen", drong Theo nog eens.

Maar Cor wilde er niet van hooren.

"Nee... dank je... niet noodig..." hijgde hij.

Een eindje voor ze uit reden meneer en de twee anderen.

"Die zijn ons een heel eind voor", zei Theo, die kalm maar zeker zat te trappen. "Dadelijk houden ze wel stil. Dan zijn ze boven, op 't hoogste punt."

Hij peddelde door. Cor antwoordde niets, die bleef zeker wat achter. Hij zou wel volgen, meende Theo.

"'k Trap alvast maar door! Jij komt wel."

[Illustratie]

Meneer Van Waalwijk lag, met Jan en Koos, al uit te blazen, toen Theo met verhit gezicht aan kwam peddelen. 't Was een vermoeiende trap met zoo'n onregelmatigen racer naast je als Cor.

"Zie zoo, 'k ben d'r eindelijk", zeide hij, sprong van de fiets, legde die in 't gras en ging er zelf languit bij liggen.

"Dat zien we, Theo. Waar is Cor?"

[Illustratie]

"Verloren, meneer, onderweg", gaf Theo ten antwoord, en hij zette er een onschuldig gezicht bij. "Maar ik kon het heusch niet helpen!"

"We moeten toch op hem wachten."

"'k Denk, dat hij niet meer kon; hij zuchtte op 't laatst al als een stukke locomotief; maar hij reed ook zóó hard, dat er haast geen bijhouden aan was."

Koos zat te genieten. 't Was daar een verrukkelijke plek, met prachtige vergezichten. Links van den weg statige rijen beuken, zóó diep-weg, dat ze in de verte elkander schenen te raken. En aan weerszijden van den zandweg, waarlangs die beuken stonden, prachtige buitenplaatsen midden in het bosch. Aan den anderen kant van den weg, hoog geboomte, maar tusschen dat hout door zag je in de verte, aan den overkant van de rivier, de lage Betuwe liggen: telkens één of twee kerktorens, sommige boven het hout uitkomend. En overal verspreid, de boerderijen, waarvan de roode daken fel afstaken tegen al het groen; en langs de rivier met haar tallooze bochten, de lichte streep van den dijk.

Koos keek, en hij was er haast niet bij.

Hij zag de zonneschittering in het water, waar bijna geen beweging in was te bespeuren.

"Prachtig, hé, meneer?" riep Koos ineens.

Meneer hield van Koos, omdat hij, bij 't zien van iets schoons, zoo heerlijk in vervoering kon komen. Zulk droomen als Koos deed, dat kon geen kwaad.

"Of het", antwoordde meneer Van Waalwijk.

"Toen de kersenbongerds bloeiden, ben ik er met Vader heen geweest..." zei Koos.

"En ik ga, als de kersen rijp zijn", merkte Theo op.

"Heel wat prettiger, meneer! Eten, op Langenhorst of op de Ingelhoeve! Eten, tot je niet meer kan! Dat is beter werk dan kijken alleen!"

"Ik eet anders kersen tegen jou op", zei Koos. "Maar de boomen in bloesem vind ik prachtig. D'r zat toen aan den dijk een schilder te teekenen. 'k Wou, dat ik het zóó kon, zóó mooi... de bloesem leefde..." Jan Arps stond op.

"'k Zie Cor nog niet aankomen. Waar zou die gebleven zijn?"

"Spring op de fiets, en ga kijken, dan weet je het."

Jan sprong op de fiets; Theo volgde zijn voorbeeld; Koos en meneer Van Waalwijk deden evenzoo.

Ze zagen nog niets. Al vrij-wielende daalden ze.

Plots schoot Cor achter een boom vandaan.

"Hé, holla! hé! Waar gaat dat naar toe?"

"Op zoek naar jou, natuurlijk. Waar bleef jij?" vroeg Jan.

"Hier, zooals je ziet. Ik moest even rusten, want mijn voorband is leeggeloopen; de binnenband is wel goed, maar ik vertrouw 't ventiel niet."

"Heb je 'm al opgepompt?"

"Ik niet. 'k Heb geen pomp bij mij en geen ventielslang ook. Heb jullie d'r een voor me?"

Meneer Van Waalwijk had natuurlijk pomp èn ventielslang bij zich. 't Was niet de eerste maal, dat hij met jongens aan den trap ging.

"Waarom kwam je niet naar ons toe?" vroeg Theo.

"Dank je wel. Ik loopen en jullie rijden? Dat gaat niet best. En ik had geen zin m'n band te vernielen, zoo tegen den berg op. 'k Ben nu lekker uitgerust ook!"

Met groote handigheid herstelde hij het ventiel, en al gauw was de band weer hard.

Ze stapten op, en de klim begon opnieuw.

Nu fietste Cor regelmatiger. Ongemerkt was meneer Van Waalwijk naast hem gekomen en hield hem aan de praat.

Ze kwamen zoo, rustig en ongemerkt bijna, zonder buitengewone inspanning, op de hoogte aan.

"Afstappen, Cor, dan zul je wat moois zien!" commandeerde meneer.

De fietsen werden naast elkaar tegen een boom gezet, en daar stonden ze met hun vijven. Koos genoot opnieuw, en ook Cor kwam onder den indruk. 'n Oogenblik was genoeg, om hem vol bewondering te doen uitroepen:

"Wat is het hier mooi!"

Doch onmiddellijk volgde er op:

"Maar wat is dat water? Is dàt de rivier?"

De jongens schoten in den lach.

"Natuurlijk", zei Theo. "Hoe kom je d'r bij! Wat moet het anders wezen?"

"Maar ik dacht, dat de rivier recht was! Op de kaart zie je toch een rechte streep? En hier is het één en al bocht!"

Ja, nu vonden ze Cor's verbazing toch niet zoo héél dwaas meer. Zij hadden het al zoo vaak gezien, dat ze het eigenlijk nooit goed opgemerkt hadden.

Meneer legde Cor uit, hoe het onmogelijk was, op de kaart al die bochten aan te geven.

"Zouden nu dáár de Batavieren zijn aangekomen, meneer?" vroeg Cor. En in één adem voegde hij er aan toe: "Kijk, daar drijft een groote boot!"

[Illustratie]

't Was de vrachtboot van Rotterdam op Düsseldorf, een groote raderboot, die het rustige water stuivend op zijde wierp.

Cor had er nu genoeg van gezien. Hij keek langs de vrij steile helling, waar beneden een weg liep.

"Hoe kom je hier naar beneden?" vroeg hij.

"Door het kreupelbosch natuurlijk. Maar 't is steil, en 't is verbazend moeilijk dalen."

Dat was net wat voor Cor. Zijn oogen glunderden. Hij keek Theo aan, en ze begrepen mekaar.

"Hoe hoog is het hier, meneer?" vroeg hij.

"Vijftig meter boven de rivier zoowat."

"Ga je mee, Theo? Mag het, meneer?"

Cor wachtte het antwoord niet af, maar verdween al tusschen de struiken.

De anderen keken meneer Van Waalwijk aan.

"Ga jullie hem maar na, dien wildeman!" zeide hij, en in een oogenblik waren ze alle vier verdwenen.

Helder gelach klonk op; nu en dan een benauwd schreeuwtje er tusschen. Van de hoogte af zag je de takken bewegen; een jongenskop kwam boven 't struikgewas uit, een hand, je hoorde takken kraken...

Cor liep natuurlijk voorop. Dàn volgde Theo. Jan en Koos kwamen achteraan. 't Was uitkijken voor ze. Tusschen het lage hout zonden de braamstruiken hun lange, taaie, stekelige uitloopers uit, waar ze met hun kousen aan bleven haken, of die ze door broek en al scherpe stekels in 't lijf prikten.

Ze kwamen beneden, verhit en wel.

't Moeilijkste moest nu nog komen: het weer tegen de ruige helling opklimmen.

"Wie 't eerste boven is?" stelde Theo voor.

Dat vond bijval.

Koos gaf het sein en daar begon het. Cor kroop als een kat op handen en voeten, onder de takken door. Theo wierp zich òp de struiken, om de takken te doen buigen en er zóó te komen; Koos en Jan, voorzichtig, keken uit, en gingen behoedzaam op pad.

Halverwege gekomen, hoorden ze een luiden schreeuw. Ze dachten, dat 't een grap van Theo was; een poging om hun aandacht af te leiden, en daardoor op hen te winnen. Maar ze lieten er zich niet tusschen nemen, en zetten kalm hun tocht voort.

Jan kwam 't eerste tusschen het kreupelhout te voorschijn. Ha, er was nog niemand! Meneer zat daar nog alleen. Op een holletje kwam hij aanzetten.

"Hoera! Nummer één!" riep hij al.

Maar 't was mis! Want plotseling vlak bij de bank, kwam Koos in 't zicht, die met een: "Afgesnoept, maat! Reuze!" éér dan Jan bij meneer Van Waalwijk zat.

[Illustratie]

Daarop kwam Theo's gezicht, bezweet en vuil, tusschen de struiken uitkijken. Telkens waren de bestofte bladeren hem tegen 't gezicht gekomen; en ook nu nog baande hij zich een weg, al stappende en de hoogere takken wegbuigend.

Toen hij bemerkte, dat de kans om de eerste te zijn, verkeken was, vond hij het blijkbaar onnoodig, zich nog te haasten.

"Je lijkt wel een moriaan! Hoe zie _jij_ d'r zoo uit?"