Part 11
"Gaat het goed Nel?" vroeg hij. En Nel begreep het. "Ja," zeide ze. 't Bleef lang stil. Toen vroeg meneer: "Zullen we nog eens samen bidden?" En Nel knikte, dankbaar. Toen vroeg hij teer en dringend, of de goede Herder zich over dit schaapje wilde ontfermen, en het in Zijn armen wilde nemen, en het zoo den schaapstal binnen voeren. En toen nam hij afscheid van haar.
"Zeg.... u.... de kinderen.... van de klas... goeden dag van mij.... en dat ik.... het goed maak," stamelde Nel met heesche, vreemde stem.
"Ik beloof het je, Nel! Tot ziens, lieve kind?"
Nogmaals greep hij de klamme hand. En Nel begreep hem, zooals hij haar begreep.
"In den hemel.... Veilig... in Jezus'... armen."
"Zoo is het, Nel," zei meneer, die bewogen was, door het grootsche wonder van God, dat in dit jonge kinderhart gekomen was.
Na dat bezoek ging het snel achteruit.
O, wat kreeg Nel het benauwd! 't Was, of ze er niet door kon. Nu ze vlak voor de poort van den dood stond, schrikte ze terug. Ze worstelde om te leven; zóó benauwd had ze het, dat ze baadde in haar zweet.
Toen stonden ze allemaal om haar heen; Vader, Moeder, Cor, de broertjes en al de anderen. En haar blik zocht nu den een, dan den ander; maar meest Moeders oogen.
"Benauwd.... naar.... o, zoo naar...." klaagde ze. Ze hijgde steeds heviger.
[Illustratie]
't Groote oogenblik kwam. In de kamer was al het ruischen van den dood, die kwam, om Nel te halen... Ineens richtte ze zich nòg eens op. 't Was, of ze plotseling beter werd. Er kwam even gloed in haar oogen. "Moeder, Vader, 't is goed! Ik zie den Heer! Nu ben ik niet bang meer!"
Moeder ving haar op in haar arm. En in moeders armen stierf ze. Wat schreide Cor! Nu hield geen valsche schaamte zijn tranen terug, maar hij snikte het uit, hij schokte over het geheele lichaam, nu zijn zusje weg was. 't Was of nu alles wèg was. Zij had hem altijd zoo goed begrepen.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Een paar dagen later verliet een droeve stoet het huis, waar zooveel vroolijkheid en blijdschap geheerscht had.
Op 't kerkhof wachtte de klas. Eerbiedig ontblootten de jongens het hoofd, toen de stoet aankwam. En toen de kist weg zonk in de donkere aarde, toen zongen bevende stemmen:
"Veilig in Jezus' armen,"
en er snikten meisjes, en jongens dèden onverschillig; maar in hun hart schreiden ze mee....
Meneer Poorters bedankte de kinderen. "Nellie's naam," zei hij, "wordt nu in het boek van de school geschrapt. Maar het is beter met haar; die naam, een nieuwe naam, is nu opgeschreven in den hemel! Haar aardsche omhulsel is verbroken, maar ze wordt met nieuwe kleederen overkleed. Wij zullen ons lieve kind missen, maar we hebben haar zekerder dan ooit!"
Ja, tòch begrepen de kinderen het, wat hij zeide. Diep onder den indruk verlieten ze het kerkhof.
En in het huis van meneer Poorters was het stiller en leeger dan het ooit tijdens Nel's ziekte geweest was. Allen leden er onder.... de broertjes 't minst, die begrepen er 't minst van.... maar Vader en Moeder hadden een heerlijken troost. Cor had dien troost _niet_ heelemaal. Het was een droom voor hem geweest. Zóó sterk een droom, dat hij nog altijd, zoolang Nellie in huis was, verwachtte dat ze nog wel eens op zou staan, zóó weinig begreep hij van sterven. Maar toen ze begraven was, was ze voor hem wèg uit zijn leven. Alleen de herinnering bleef.... en die deed hem pijn, òmdat ze hem in aanraking gebracht had met den vreeselijken dood, dien hij zelf eens, toen hij bijna verdronk, in de oogen gezien had.
Dat liet hem langen tijd niet los. Zij was veilig in Jezus' armen, en hij?
Hij luisterde wel naar de stem in zijn hart, maar toch -- hij probeerde nu door druk-zijn en druk-doen die stem tot zwijgen te brengen. En de menschen dachten, nu ze hem weer véél drukker en beweeglijker zagen dan tijdens Nel's ziekte, dat hij er niet veel om gaf. Maar die er zóó over spraken, wisten er niet heel veel van.
Moeder en Vader zagen het wel. Ze probeerden ongemerkt, door véél betoon van liefde, hem te steunen, en te helpen, en hij was er hun dankbaar voor.
XV. Veranderingen.
Alles ging zijn gewonen gang. Nel's plaats op school werd al spoedig door een ander ingenomen.... thuis werd ze nog steeds gemist, vooral door moeder. Bovendien was die door al de moeilijke dagen bovenmatig vermoeid. Moeder moest nu zelf rust hebben. Dat ging niet zoo gemakkelijk voor haar, om er uit te komen. Maar de Rhandensche gastvrijheid maakte het haar anderzijds weer gemakkelijk. Want velen waren tot helpen gereed.
Ten slotte ging Toos met moeder mee, en zou Cor bij Koos aan huis komen. Ook de broertjes gingen in Rhanden logeeren, en Vader bleef in huis.
Dat was een nieuw leven voor Cor, en het deed ook hem goed. De rustige omgang met Koos had op zijn ongedurigen geest een uitnemenden invloed. En de rustig-kalme toon in het gezin liet al evenmin na, gunstig op hem te werken. Wel raakte hij de gedachte aan Nel niet kwijt, maar hij begon er meer aan te wennen. Ze kwam hier, in deze andere omgeving, verder van hem af, al bleef haar geduldig lijden tot hem spreken. Hij had diepe indrukken ontvangen. Hij had gestaan vlak voor den ernst van het leven; vlak voor den ernst van den dood. In zijn hart was daar wat van achtergebleven, iets dat nog groeien moest; maar het leven wàs er. Hij wilde tegen zijn zonde strijden. Hij wilde, nèt als Nel, zèker zijn, dat hij veilig was.
Hij probeerde nu ook voor zich zelf ernstig te bidden. Telkens, als hij weer kwaad had gedaan dat hij als kwaad kende, schrikte hij van zichzelf terug, en gingen zijn goede voornemens verzwakken.
[Illustratie]
Hij had gemeend, er dadelijk te zijn, en daarom viel hij zichzelf zoo bitter tegen. 't Was 't volhouden, dat ontbrak, de kracht tot volharden....
Op school werd hard gewerkt, en daarom gingen de meeste jongens er ook graag heen. Van een schoolfeest voor de kinderen was niets gekomen; het zilveren feest was gevierd door een dankstond in de kerk. Want voor ander feestvieren was er geen geld, had meneer Van Waalwijk gezegd. Er rustte zóóveel schuld op de school, dat feestvieren moeilijk viel.
Dat was ze wel tegengevallen, maar ze waren spoedig over de teleurstelling heen, en nu was het wachtwoord: werken.
Het weer werkte daartoe mee: de lange avonden dwongen tot veel in huis zijn. Van groote tochten buiten kwam niet veel meer. Het was ècht najaarsweer geworden. Onophoudelijk kletterde de regen neer; en het was maar op weinig dagen mogelijk, een broek uit het luchteblauw te knippen. Alleen als het stuk blauw tusschen de wolken dáárvoor groot genoeg was, kon je op een beetje goed weer rekenen, meende Jan's moeder. Weken lang leek het er niet op. En toen het uitgebuid had, toen kwam de wind. Gelukkig, dat het blad van de boomen was; anders hadden ze er van gelust! Nu liep het af met wat dood hout, dat afknapte. De Rhandensche jeugd ging de bosschen in, om dat te zoeken.
Ook op den Derker hadden ze toegang. De dames stonden altijd houtsprokkelen toe. Dat gaf dan een gezellige drukte.
't Was anders bij Jan thuis druk genoeg.
Onverwacht was het opgekomen.
Op een goeden Decembermorgen kwam Jan met een bedrukt gezicht op school.
"Wat is er met jou?" vroeg Cor hem.
"Nou, óók lekker.... ik ga van school af...!"
"Van school àf?" vroeg Cor op ongeloovigen toon.
"Ja jô, gerust."
Cor kon er niet over uit.
"Waar is dat goed voor?"
"Omdat Vader van den Derker af gaat. Hij is er bijna dertig jaar geweest, nog bij de moeder van de Dames, en nou gaat hij voor z'n eigen beginnen. Hij kan het niet uithouden...." D'r waren meer jongens bijgekomen.
"En ga jullie daar dan vandaan, uit dat huisje ook?"
"Nog al natuurlijk, want we gaan in Dalen wonen. Daar heeft Va een plaats gekocht, en die gaan we bewerken."
"En jij?" vroeg Cor.
"Meehelpen natuurlijk; en Gert gaat ook mee met zijn vader; ze gaan zoowat allemaal weg van den Derker -- 't lijkt wel of de dames straat-arm geworden zijn. D'r blijft maar één huisknecht en de meiden, en de huisknecht zou misschien in 't huis van ons komen wonen.
Wat vonden de jongens dàt vervelend, één uit hun gezellige kringetje weg....
Een paar dagen later bleek, dat ook de dames zelf wèg zouden gaan: de boel stond "aangeslagen" en in groote advertenties werd in de dagbladen aangekondigd de openbare verkooping van de gunstig gelegen buitenplaats De Derker.
Cor verloor in Jan één zijner beste en trouwste Verkenners. Wèl kwamen ze niet vaak meer bij elkaar. 't Werk, en vooral het weer, verhinderden dat. Maar de winter bood zoo kostelijk gelegenheid om plannen te maken, opdat een volgend jaar alles véél beter zou gaan.
Als Jan weg was -- dan bleef er niet veel over, waar Cor op rekenen kon. Koos Venema wàs geen echte verkenner; die zwierf eigenlijk liever op zijn eentje, en die gaf meer om zijn vogels en zijn andere dieren, dan om de jongens.
Neen, dacht Cor weer, zóo mocht hij niet denken. Koos was zoo ècht hartelijk voor hem geweest, de dagen, dat hij bij Venema in huis was geweest. Hij wàs nu eenmaal een heel andere jongen dan zij allemaal.
Nog één keer, voor Jan weg ging, moesten ze er op uit. Nog één Woensdagmiddag naar de hei. En zoo trokken ze op een laten Decembermorgen met hun oude clubje naar den Steen.
Het had gesneeuwd. Heerlijk-blank strekte nu de eindeloos-wijde heide zich uit, waarin alleen de voetpaden en de karsporen donkere strepen trokken.
Het dennebosch op den achtergrond leek wel één groote verzameling van kerstboomen, waaraan alleen de lichtjes ontbraken. In de plaats daarvan schitterde het licht in de vele ijskegels, die van de takken afhingen.
De stilte, onder de lage lucht, die vochtig neerhing, was huiveringwekkend. Elk geluid viel er in als een steen in een ruit: het brak de stilte met scherpe krassende geruchten. Het regelmatige geknerp onder de stage voetstappen der jongens klonk helder in die stilte op.
Hu, 't was koud.
[Illustratie]
Theo liep, tegen zijn gewoonte in, stil er bij. 't Was hem te koud. Hij had zijn handen diep in zijn zakken gestoken, zijn kraag hoog opgezet, de pet over de ooren getrokken, zoodat alleen een neus en een paar brilleglazen te zien waren.
"Zeg, jô, wat heb jij een lollige bui!" zei Jan Arps tegen hem.
Theo bleef zwijgen. Moeizaam ging hij voort door de sneeuw, en telkens wischte hij de tranen weg, die de koude hem uit de oogen dreef.
Koos en Cor liepen druk te praten. Koos wees de mooie lijnen aan, de mooie lichtplekken, en hij kende het spoor van de konijnen. Ze hadden, in 't bosch, een bepaalden weg platgetreden in de sneeuw. Koos wist het: die liep uit op water. Maar ze wilden nu dat spoor niet volgen, anders werd het te laat.
Jan probeerde nog eens, met Theo aan den slag te komen. Hij riep Dirk, het broertje van Koos, te hulp. "Zeg, Dirk, laten we dien eens nemen!"
Ze bleven een eindje achter, en maakten flink wat sneeuwballen. En toen ze er goed wat hadden -- en de anderen, behalve Koos en Cor, hadden zich bij hen gevoegd -- toen moest Theo het ontgelden. Een ware regen van sneeuwkogels kwam op hem los, en hij kon het niet harden: hij trok de handen uit de zakken, en zette het op een loopen, zoo hard hij kon. De anderen hem na. Ze haalden hem spoedig in, maar juist toen Jan vlak bij hem was, liet hij zich lang uit vallen, precies voor Jan, zoodat die over hem heen tuimelde. En nu werd het één klit jongens in de sneeuw. Koos en Cor kregen er òòk schik in, en die begonnen nu het kluitje door elkaar rollende jongens te bombardeeren, waarvan een deel zich tegen hen richtte.
Zóó, zonder afspraak, ontstond een prettig sneeuwgevecht. De ballen vlogen door de lucht, naar alle zijden. En er waren goèd ràke bij. Maar de meeste kwamen toch los op Theo's arme hoofd, in zijn hals, tegen zijn rug. Hij was nu wel heelemaal los gekomen, want hij gooide terug zoo hard hij kon. Ineens hield het op.
"Ophouden, jongens!" schreeuwde Theo. "Mijn bril is stuk!"
Op de sneeuw vielen een paar bloeddruppels. Daar schrikten ze van. "Hoe komt dat? Wat is er? Is het erg?" klonk het doorelkaar, een beetje angstig.
't Was niet zoo héél erg. Alleen was één glas stukgegooid, en had het scherpe glas Theo's neus gewond. Het bloeden hield spoedig op, gelukkig, maar de bril was stuk.
"Zoo, dat is mooi! Dat kost m'n vader weer een daalder," zei Theo, die werkelijk verslagen keek. Nijdig voegde hij er tegen Jan aan toe: "Als jij niet begonnen was, zou het niet gebeurd zijn. Jij mocht het wel betalen."
Neen, dat ging niet, vonden de andere jongens. Jan alleen moest dat niet doen. 't Zou geen aardig aandenken aan de Rhandensche Verkenners geven! Maar ze zouden het sàmen doen. Ieder wat betalen....
"Misschien hoeft je vader het dan niet eens te weten, als we strakjes meteen even naar Degenkamp, den brillemaker, gaan! Dan laten we hem meteen inzetten!" Ja, zoo moest het dan maar. "Want ik durf er gerust niet mee aankomen thuis. Vader klaagt tòch al zoo, dat alles zooveel kost," zei Theo, en met een ineens weer ondeugend gezicht voegde hij er aan toe: "Net of ik dat kan helpen!"
Ze waren intusschen den Steen genaderd. Die lag daar omgeven door ongerepte sneeuw.
Ze vonden al spoedig de plek, waar ze elk hun steen hadden neergelegd, boven op de belofte, dat ze niets zouden vertellen over het feest toen de Koningin kwam.
Hier zou Jan van de Rhandensche Verkenners afscheid nemen.
"Zeg, een beetje kort hoor!" drong Theo aan. "Het is reuzenkoud!"
Cor wou de doos hebben, waarin ze hun belofte hadden verborgen. Hij probeerde met de handen de aarde los te woelen; maar het lukte niet; de grond was al wat hard geworden. Dan met een stok. Die was spoedig opgezocht, en nu lukte het; de grond werd losgewoeld; maar wàt ze vonden.... geen doos....
Dat gaf een ontsteltenis.... waar was die gebleven? Ze schopten met hun hakken het gat grooter, maar vonden niets. Ze begonnen met hun handen het dieper te maken, maar geen doos!
"Het was toch hier! we hebben toch precies hier de steenen weggehaald!" zei Cor, teleurgesteld. "Je ziet den indruk van de steenen nog in de sneeuw, dus hier moest het wezen...."
Of het er al mòest wezen -- dat gaf niet veel. De doos was er niet. Dat was belangrijker.
[Illustratie]
Tot opeens Theo uitvalt: "Maar wie hebben de steenen aan den anderen kant opgestapeld! Ik weet het nog zeker, want ik stond met m'n rug naar het bosch!"
Nu herinnerden de anderen het zich ook. Dus waren de steenen verplaatst. Door wien? Wie moest dat gedaan hebben? En was de doos er nog? Cor wilde het met alle geweld weten.
"Nou maar, ik dank je, 't wordt me te koud en 't duurt me te lang: en ik moet nog naar Degenkamp ook, met mijn bril. Ik zoek niet meer. Ga je mee, jongens?" stelde Theo voor. "'t Kan me eigenlijk ook niets schelen. Ik geef er niets om. 't Is toch allemaal flauwiteit."
Cor stond er paf van.
"Wat?" stoof hij op. "Flauwiteit! Van jòu is 't flauwiteit; jij bent flauw. Jij hebt altijd alles dwarsgezeten. Nooit ècht prettig meegespeeld. Is me dat een boel geweest? Je kon nòòit wat met jou beginnen."
En hij foeterde door, en had Theo wel aan willen vliegen.
"Toen je mee mocht naar den Burgemeester, toen vond je het wèl goed, hè? Maar als we ècht speelden, dan had je altijd wat tegen te sputteren. Is dat flauw, of is het niet flauw?"
Zoo regende het verwijten op Theo's arme hoofd.
"Maak je niet dik! Maak je niet warm! 't Is hier koud genoeg," plaagde Theo.
"En wie z'n schuld is het, dat 't kamp wèg moest? Ook jij, hè?" beet Cor hem toe.
De anderen stonden er om heen.
Wat moesten ze doen?
Koos kwam op Cor af.
"Nou, ik zou maar ophouden. 't Is nou mooi genoeg. En 't is voor Jan heelemaal niet aardig. Laten we de heele boel nou maar opdoeken!"
Cor stribbelde nu niet tegen. Hij zag duidelijk in, dat het uur voor de Rhandensche Verkenners geslagen had. Hij had er nog wel met Theo om willen vechten, nèt als dien anderen keer, dien eersten, toen hij bij de Rhandensche jongens werd ingelijfd. Maar 't kalme optreden van Koos hield er hem van terug.
"Ja, dan moet het maar!" gaf hij toe. "Er is met jullie toch niets te beginnen. 't Spijt me voor Jan!"
"En de contributie?" kwam Theo tusschenbeide.
"Daar kan jij een brilleglas van koopen. Er zal wel niet heel veel meer zijn!"
"En 't vaandel?" vroeg Theo alweer.
"Dat zet je in 't Rhandensch museum, dat er niet is," plaagde Jan, die 't eerste zijn goed humeur weer had teruggekregen.
Maar Cor besliste: "Dat houden wij, Koos en ik. Wij hebben het gemaakt. Jullie hebben er niets mee noodig."
"Mij best," zei Theo alweer. "Als ik het maar weet!"
En zoo gingen ze uit elkaar, in booze onvriendelijke stemming.
Cor wilde Theo niet meehebben.... Met Jan en Koos liep hij den Bergweg af. Ze zouden Jan gaan wegbrengen. Hun weg voerde hen langs het kerkhof. Daar lag Nel onder de blanke sneeuw.... En Cor dacht aan wat vader op 't graf gezegd had: over dat mooie, nieuwe kleed, waarmee Nel bekleed was. Hij liep zwijgend door. Zou 't zoo wit zijn als die sneeuw? vroeg hij zich af.
Hij huiverde. Zou Nel 't ook zoo koud hebben? Maar hij wierp die vraag vàn zich. Dwaasheid, redeneerde hij wijs bij zich zelven. Tòch liet het hem geen rust.
"Hier ligt Nel zoowat, is 't niet?" vroeg Koos.
Cor knikte.
Zwijgend gingen ze voorbij. De sneeuw knerpte onder hun voeten....
Nee, 't was niet mooi om nu zoo uiteen te gaan, met ruzie. Dat kòn niet, dacht Cor. 't Mòest anders. Hij zou het met Theo weer bijleggen. En met de anderen ook. Ze naderden den Derker. Jan nam afscheid. Koos en Cor gingen verder. Vòòr ze uit zagen ze Theo met nog een paar anderen. Dirk, Koos' broertje, was er ook bij.
"Willen we ze inhalen?" stelde Cor voor.
Koos vond het goed, en ze zetten er de pas in, en hadden ze spoedig bereikt.
"Zeg, Theo," viel Cor onverwacht uit, "ben je nog kwaad?"
Theo keek op, verrast.
"Kwaad? Nee hoor, heelemaal niet geweest."
"Niet liegen, jô," zei Koos.
"Nou ja, zoo'n beetje wel. Maar als Cor ook zóó begint, dan word je van zelf wel kwaad," antwoordde Theo.
Gelukkig, dat liep goed af, dacht Cor.
Maar de Rhandensche Verkenners zouden nooit weer opstaan, dat gevoelde hij levendig!
Een paar dagen na Kerstmis ging Jan weg. Ze brachten hem naar 't station, en namen afscheid van hem. Cor beloofde, te schrijven, en Jan ook. Maar daar kwam niet veel van.... 't bleef bij de belofte.
't Kringetje werd kleiner. Nu bleven eigenlijk alléén Cor, Koos, en Theo over. De anderen waren tòch niet veel meer dan "bijloopers" geweest.
En toen de winter voorbij was, en Mei in 't land kwam, toen gingen ook die uiteen. Theo ging naar de kweekschool, een eind weg. Hij zou alléén met de vacantie thuis komen. En Koos ging naar de H. B. S., waarvoor Cor zakte.
Dus.... Cor moest op school blijven. 't Beviel er hem niet meer zoo goed, nu zijn beste vrienden weg waren. Maar vader wilde er eerst niet van weten hem er af te nemen.... Cor had niet zòò gewerkt, als hij kon. Daarom mòest hij blijven.
Zoo ging Cor een tweede jaar in dezelfde klas in. De grootste aardigheid was er voor hem af. Toch hield hij van meneer Van Waalwijk. En die wist het hem weer gemakkelijk te maken, zoodat hij tot werken kwam.
Maar thuis ging het niet goed. Na Nel's sterven was moeder nog niet de oude geweest. Het drukke huishouden viel haar te zwaar.
En zoo werd besloten, dat Cor nog een poosje zou gaan naar een kostschool. Hij vond ook dàt eerst erg naar maar voor moeder deed hij het graag. Hij wist, dat hij de drukste en woeligste van allemaal was. En dan -- 't beloofde wat nieuws! Zoo trok hij na de groote vacantie welgemoed een nieuwe toekomst tegen. Nog één dag waren ze saam geweest: Theo, die met vacantie thuis was, Koos en Cor. De oude plekjes waren opgezocht. Theo had z'n oude streken uitgehaald, Koos had het nog altijd druk over zijn dieren, en Cor wist van elk plekje waar ze kwamen wat te vertellen. Natuurlijk kwamen ze ook bij den Steen.
[Illustratie]
Nu gooiden ze den steenhoop, dien ze ééns opgericht hadden, uit elkaar.... want net zoo was 't met de Rhandensche jongens gegaan.
Ze dachten later met genoegen terug aan de dagen, toen ze als Rhandensche jongens vochten en speelden, en ook.... ernstig waren en groot deden!
Onuitwischbaar bleven in Cor's hart leven de herinneringen aan Nel. En 't waren ernstige herinneringen. Want in die dagen voor 't eerst had hij ernstig gebeden.
EINDE.
[Transcriber's notes
Het oorspronkelijke boek bevatte geen inhoudsopgave. Deze is toegevoegd voor het gemak van de lezer. Hoofdstuknummer VI bleek tweemaal voor te komen. Daarom zijn vanaf dat punt de hoofdstukken VI, VII, VIII, IX, X, XI, XII, XIII en XIV hernummerd naar VII, VIII, IX, X, XI, XII, XIII, XIV en XV.
Verder zijn de volgende typografische fouten zijn verbeterd:
Enkele geneste dubbele aanhalingstekens zijn veranderd in enkele aanhalingstekens: ["dat die drommelsche jongen om zeven uur bij "meneer" op 't "bero" moest komen. Dan] -> ["dat die drommelsche jongen om zeven uur bij 'meneer' op 't 'bero' moest komen." Dan]
[oud-Randensche] -> [oud-Rhandensche]
[Die zijn zoon Driekes] -> [Die zijn zoon Driekus]
[hij seheen wat beweeglijk] -> [hij scheen wat beweeglijk]
Nog een geval van aangepaste aanhalingstekens: ["wel, Nel, wou je nog zoo'n "schattig"] -> ["wel, Nel, wou je nog zoo'n 'schattig']
[Nu werd Co nog] -> [Nu werd Cor nog]
[van zich of.] -> [van zich af.]
[Jongens, een Randensch spook] -> [Jongens, een Rhandensch spook]
[Het Randensch dialect] -> [Het Rhandensch dialect]
[altijd maar woensdagmiddag] -> [altijd maar Woensdagmiddag]
[niet meer de weerdes in] -> [niet meer de Weerdes in]
[het andre hout,] -> [het andere hout,]
[Toe sloeg Cor] -> [Toen sloeg Cor]
[uit de loopgrijze lucht] -> [uit de loodgrijze lucht]
Verder zijn er zijn enkele interpunctie fouten gecorrigeerd maar worden hier niet verder genoemd.
]