Rhandensche Jongens

Part 10

Chapter 104,236 wordsPublic domain

Mèt het herfstweer was ook bij Poorters de somberheid in huis gekomen.

Al heel kort na de vacantie was Nelly blijven liggen. Ze voelde zich zóó vermoeid, zóó vermoeid, dat ze wel altijd zou willen slapen; vertelde ze aan moeder, die haar uiterst bezorgd aanzag. Wat zou dat worden? En toen ze in bed lag, met een hoogrood blosje op de angstig-bleeke wangen, het smalle gezichtje omlijst door de strakke zwarte haren, toen zag Mevrouw Poorters weer in haar herinnering verschijnen het beeld van nòg zoo'n zieke: haar eigen zusje, dat ze nèt zoo had zien liggen en had zien hééngaan.... O, wat werd het haar angstig! En met wat teere zorg en innige liefde keek zij naar haar anders zoo drukke kindje!

Natuurlijk kwam dien eigen dag de dokter nog.

Hij onderzocht haar, zat langen tijd stil voor haar bedje, waarin ze met gesloten oogen stil neerlag, en hield haar smalle polsje in zijn groote, breede hand.

't Was niet best, vond hij. Zij moesten uiterst voorzichtig met haar wezen. De koorts was hóóg, en hij vertrouwde haar longen niet. Bovendien was haar keel ontstoken -- uiterste rust werd aanbevolen.

[Illustratie]

Zus moest een zonnige kamer hebben. En daar moest het raam zoo veel mogelijk openstaan....

Moeder begreep het, en meneer Poorters ook. Hij ging stil door huis, waar alle gerucht uitgestorven scheen. En Cor vond het vreeselijk. Vreeselijk, dat Nel zóó ziek was; vreeselijk, dat van al die heerlijke plannen nu niets kon komen, dat hij er niet ten volle van zou genieten....

Want de Koningin kwam, al stroomde op haar eersten tocht door Rhanden, toen ze naar het groote Sanatorium zou gaan, de regen. En ondanks dien regen hingen de vlaggen, en ze dropen van water....

Hoe moest het nu met de Rhandensche Verkenners? Kon hij meegaan?,.... Vader vond, dat hij het maar doen moest. Hij had er zoo op gehoopt, en nu zou het wel vreeselijk jammer voor hem zijn, om niet mee te kunnen.

Alles was klaar -- 't vaandel was prachtig, de sjerpen waren fijn bedrukt.... en het weer begon tegen den middag werkelijk wat op te klaren. Toen Jan en Theo dan ook kwamen vragen, of Cor kwam -- toen ging hij mee. Hij deed het zooveel te makkelijker, omdat Nel zelf had gezegd: "Nou, Cor, ik zou gaan als ik jou was. Doe het maar! Ik wou, dat ik het óók kon zien!"

Nu was het laatste beletsel voor Cor weggenomen. Hij haastte zich naar beneden, liet zijn sjerp omdoen, en vóórt stoven ze met hun drieën, den Bergweg op.

Daar wachtten de anderen al, onder de druipende boomen. Ze werden omringd door een deel der Rhandensche straatjeugd, die zoo'n vertooning nog nooit had bijgewoond.

Cor zou aanvoerder zijn, en Koos zou voor het vaandel zorgen. Ze noemden het toch maar hun "vaandel", dat stond deftiger. En er waren toch koorden en kwasten aan!

Om het zoolang mogelijk tegen den regen te beschutten, hadden ze er een foudraal omgemaakt.

De straatjeugd vroeg zich vol verbazing af, wat het mocht wezen, dat ding, in dien zak! En meer dan één opmerking moesten de jongens hooren over hun gedoe. Cor tintelde wel eens, hij stond in dreig, om er lekker op los te timmeren, maar hij hield zich in: er waren er te veel, en op 't laatste oogenblik konden ze nu toch den boel niet bederven, door een veldslag te gaan leveren!

Eindelijk, na lang wachten, gaf Jan, die per fiets den Berg was opgereden, het afgesproken sein: hij zwaaide tweemaal met zijn armen, en onmiddellijk daarop zagen ze hem den Berg komen aftrappen.

"Klaar!" commandeerde Cor.

Daar ging 't foudraal van het vaandel, de jongens stonden twee aan twee, de kleinen voorop, de grooteren achteraan. Voor ze stond Cor, naast hem Koos, met het vaandel.

"Denk er om, jongens!" zei Cor nog eens, ernstig nu, door de gedachte aan het oogenblik dat zou komen.

"Twee rijtuigen," berichtte Jan. "In het achterste zit de Koningin! Ze rijden hard!"

Ze zagen het. Daar kwamen de rijtuigen in gestadigen draf den Berg afrijden. Ze waren vlak bij.

[Illustratie]

"Klaar," klonk kloek nog eens Cor's commandostem.

En daar stonden ze langs den weg: twee rijen Rhandensche jongens, de pet in de hand, doodstil, in stomme houding als oud-gedienden. Nog even keek Cor om. Zoo was het goed. Zelfs Theo stond er nu prachtig bij... 't kon niet beter....

Koos hief het vaandel omhoog.... en het oogenblik kwam.

Daar reden de rijtuigen aan. De jongens keken en keken.... En ja, daar in 't tweede rijtuig zat ze, de Koningin; en vroolijk lachend keerde ze zich naar de jongens en boog vriendelijk.

Dat was te veel voor de jongens. Daar konden ze hun waardigheid niet bij bewaren. De petten gingen omhoog, Koos zwaaide met zijn vaandel door de lucht, en... "Leve de Koningin!" klonk het langs den weg. Bijna waren ze het voorbeeld van een paar straatjongens gevolgd, die de rijtuigen na holden -- maar ze bedachten zich gelukkig, en in versnelden pas ging het nu den Berg af.

Ze kwamen nèt te laat; om de begroeting aan het gemeentehuis te zien, maar werden toch tot het plein toegelaten, waar hun door Theo's vader een plaats werd gewezen tusschen de "vereenigingen".

Wie of er in het eerste rijtuig had gezeten? Ze hadden zóó naar het tweede gekeken, dat ze het nauwelijks wisten. Al gauw hoorden ze het: de Burgemeester was tot aan de grens der gemeente de Koningin tegemoet gereden.

Ze stonden dicht bij Geurt, van boer Jansen.

"Toe ik zoo oud was als jullie, is ze d'r nog'ès gewest: maor toe was het veul mooier -- 'n eerewacht te pèrd, en overal blômmen, en eerepoorten.... onze Mie was t'r ook bij-wêst," vertelde hij triomfantelijk.

"Toen was Mie zeker heel wat jonger?" vroeg Cor.

"Nou, en 't was er 'n kwáoien," zei Geurt. "M'n bruur Henk het er toe opgezeten, maor had de hànden vol!"

"'t Zal wel," antwoordde Theo. "Hij steigert nog voor de kar!"

De jongens moesten er om lachen: die taaie, dooie Mie van Jansen steigeren!

Er kwam beweging vooraan: de groepen werden om het kleine bordesje van het gemeentehuis geschaard. En even later kwam de Koningin naar buiten, alweer vriendelijk nijgend, naar alle zijden.

Het fanfarekorps zette een "Wilhelmus van Nassouwen" in. Met bolle wangen bliezen de muzikanten de lucht in hun blaasinstrumenten, en de groote trom bonkte er op los, dat het een lieve lust was.

De burgemeester, deftig in 't zwart, met een keten om den hals, stond wat achteruit, links van de Koningin, op 't bordes. Achter hem stonden de gemeenteraadsleden; allemaal in deftig zwart, en Pieters, de boer, met de hooge witte stropdas om.

De Koningin stond te wachten, tot de muziek uit was. Op het plein waren ineens alle vanen omhoog gegaan, en alle "vereenigingen" stonden stil. Ook de Rhandensche Verkenners.

Toen het lied uit was, neeg de Koningin weer, en nu was er ook bij die menigte voor het stadhuis geen houden aan: luid klonk het "Leve de Koningin" over het plein, zoodat het weerklonk naar alle kanten!

Toen werd de stoet opgesteld. Sommige "vereenigingen," lieten zich rijden.... anderen liepen. Voorop de bolwangige fanfare-corpsers. Zoowat halverwege kwamen de Rhandensche Verkenners, en ze hadden wàt een bekijks! Toen ze meneer Van Waalwijk zagen, vielen er een paar uit hun rol. Ze namen hun pet af, en riepen: "dag meneer!" En meneer knikte ze vriendelijk goeden dag. Maar Cor, die naast Koos stevig vooruitstapte, commandeerde kort: "Orde!"

"Hou je kalm!" riep Theo, die het al lang mooi vond om zoo gewichtig te doen, en nu zijn streken niet langer kon bedwingen. En hij gaf Cor eer por in den rug. "Jô, de Koningin is toch weer naar binnen!"

Ze kwamen de Hoofdstraat door. Op de stoepen stonden de menschen in rijen geschaard. Al van verre keek Cor naar huis. Nu moesten ze hem thuis eens zien! Opeens hoorde hij: "Pa, daar is Cor!"

Ja, 't waren de broertjes met vader.

"Dag! Da-a-ag!" riepen de jongens, telkens als ze een bekende voorbijkwamen. Maar Cor hield zich gewichtig-strak. Hij knikte, met een blij, trotsch gezicht, keek nog eens even naar zijn jongens, en zocht toen naar de ramen boven den winkel.

Wat was dat? Ja, 't was zoo.

[Illustratie]

Nel's bed was tot vlak voor 't raam geschoven.

"Jongens, daar zit Nel!" riep hij ineens, nu zelf zijn waardigheid vergetend, en hij wuifde met zijn pet Nel goeden dag. Ze knikte tegen de jongens, en zonk toen weer in haar bedje terug.

"Wat ziet diè er bleek uit!" zei Koos tegen Cor. "Is ze èrg ziek?"

Nu kwam het weer voor Cor. Hij had er bijna niet over gedacht, dien ganschen middag niet, door al de glorie van zijn Verkenners. Maar nu moest hij er ineens weer aan denken, aan al dat vreeselijke....

"Hoor je me niet?" vroeg Koos.

"Ja... ja...." deed Cor, verstrooid. "Erg ziek? -- Héél erg, heeft de dokter gezegd." En zijn eigen groote vrees sprak hij uit, toen hij liet volgen: "ze wordt misschien niet ééns meer beter." En zwijgend liep hij voort in den stoet, die nu den weg naar het station insloeg, waar de Koningin weldra zou vertrekken.

Nu was de aardigheid er voor Cor af. Hij had wel weg willen loopen, om nog eventjes bij Nel te kijken. Hij vond dat ze er zoo èrg naar uitzag; nòg erger dan vanmorgen. Dàt kon nu niet. De vroolijke scherts van de jongens, wien het wachten begon te vervelen, bracht hem weer in de stemming, en toen het koninklijke rijtuig kwam aanrollen, was hij weer geheel in zijn rol, en stond hij stram voor zijn jongens, tot Hare Majesteit gepasseerd was.

En toen was het: gauw naar huis, en op zijn teenen naar boven, naar de kamer waar Nel lag.

Behoedzaam opende hij de deur, stak zijn hoofd door de opening, en vroeg zacht, toen hij zag dat Nellie doodrustig daar lag: "Hoe is het, Moe?"

"S-s-s-t," deed Moe, met den vinger op den mond, en fluisterend voegde ze er aan toe: "Nel slaapt net. Zeg maar, dat ik dadelijk beneden kom eten."

"Gelukkig" dacht Cor, en in zijn blijdschap vergat hij weer, dat hij stil moest zijn, en trok de deur op zijn gewone ruwe manier, met een ruk, dicht.

Toen Moe beneden kwam, zei ze: "Maar jongen, wat deed je dat weer wild. Nel schoot er bijna van wakker!" Maar belangstellend vroeg ze verder: "En hoe hebben jelui het gehad, vandaag? Gelukkig droog, nietwaar? En de Koningin gezien? Nel ook. Wat was diè blij! En jullie heeft ze ook gezien. Wat vond ze het leuk! Maar nu was ze erg moe. 't Is niets gedaan met haar. Wat dàt nog worden moet? Ik begrijp het niet!"

Meneer Poorters keek zijn vrouw aan. Niet begrijpen? Ja, hij wist het, zijn vrouw begreep het evengoed als hijzelf, maar zij durfde er nog niet aan.

Vurig bad hij den Heere, Nel beter te maken. Want wèl zag het er menschelijkerwijze, hopeloos uit. Maar de Heer was toch de groote Medicijnmeester, en het kòn toch?...

Cor dacht er òòk zoo over. Het kòn toch....

Maar het was wonderlijk, dat bij geen van hen zekerheid leefde: het zàl. Vader en Moeder ook: ze baden, maar niet als die werkelijk geloofden. "Uw wil geschiede," dat was het laatste woord van Vaders gebed.

Cor dacht er over na. Maar dan hòef je eigenlijk niet te bidden, dacht hij. En nu, schuchter bij deze heilige dingen vroeg hij aan Vader: "Waarom bidt u zóó Vader?...."

"Jongen," zei Vader, "wij vragen, wat wij graag willen, maar we weten niet wat goed voor ons en voor Nel is. Wat goèd voor haar is, dàt is zeker 's Heeren wil. En daarom moeten we leeren, slechts dàt óók te willen."

Cor begreep er niet veel van. Hij bewaarde het in zijn hart. Want hij sprak er niet over met de jongens. Ook niet met Koos of Jan, met wie hij toch anders alles bepraatte. Dàt waren dingen, die hij niet aan de menschen liet zien. Die mochten alleen zeker zijn wildheid en zijn schijnbare onverschilligheid kennen.

Hij bleef verder dien avond rustig thuis, wat lezen in de huiskamer, en wat soezen en denken over de Rhandensche Verkenners, wat ze verder zouden doen.

't Was nu een èchte dag geweest; dat vonden de jongens ook. Maar zulke fijne dagen kwamen er niet vaak.

Met blijden trots hoorde hij den volgenden dag, op school, wat Theo vertelde aan meneer Van Waalwijk. De Koningin had aan de Burgemeester gevraagd, wie die flinke jongens toch waren, met dat mooie schild. Hare Majesteit had ze al dadelijk op den Bergweg opgemerkt, en ze daarna in den optocht weer gezien.

"En wat heeft de Burgemeester gezegd?" vroeg Cor, benieuwd.

"Dat we de Rhandensche Verkenners waren, zoo'n clubje van jongens, die samen speelden...."

Dat viel Cor een beetje tegen. De Burgemeester had er wel wat meer over mogen zeggen, meende hij, b.v. over den brand.

"Den heibrand zeker in jullie kampweek?" plaagde meneer Van Waalwijk.

Cor wist geen antwoord, en ging weer aan zijn werk.

XIV. Veilig in Jezus' armen.

't Werd al minder met Nel. Telkens kwam de koorts weer terug, die verraderlijke koorts, die haar wangen kleurde, maar met een doodelijk rood. Ze kon al minder en minder velen. Elk scherp geluid hinderde haar, daar ze aan ondraaglijke hoofdpijnen ging lijden. De dokter zag den toestand donker in.

[Illustratie]

Moeder begreep het nu telkens klaarder, dat ze Nel zou moeten missen. Wat kostte haar dat een pijn! Toch was het verwonderlijk hoe goed ze zich hield. Ze was dag en nacht bij Nel; ze omgaf haar met de teerste zorgen. Maar 't baatte niet. Het was bestemd in 's Heeren raad....

Het ging snèl, te snel.

Nel was wonderlijk geduldig. Eerst dacht ze, dat ze beter worden zou. Dan zou ze dit en dan zou ze dat... Maar ze voelde zelf haar krachten afnemen.

Cor zag het ook, en het stemde hem telkens ernstig. Het langzame lijden van zijn zusje lei beslag op hem. In huis was hij rustig, al kwamen er nog wel driftbuien; hij trachtte zich meer en meer in te houden, om der wille van Nel.

Soms was er een klein vleugje -- dan leek het, alsof 't wat beter met haar werd. Dan was haar hoofdpijn minder, en kon ze gewoon babbelen, al was haar stem ook verzwakt. Dan mochten Daan en Dik even bij haar komen. Even maar. Want die werden weer dadelijk druk. Ze hielden het niet uit, om een kwartier rustig bij haar te zitten. Ze deden haar heele verhalen, druk en wel, van de school en van het magazijn en wilden haar in al hun doen en laten betrekken. Dan moest moeder tusschenbeide komen, en de jongens met een zoet lijntje weer weg krijgen.

Wat begrepen zij er van?

Cor zelfs begreep er maar weinig van. Hij hoorde van moeders angst, van vaders vrees. Maar toch bleef altijd immers ook bij hen die stille hoop op herstel? Ook, al nam Nel zienderoogen af!

Alles hinderde haar. Als de huisgenooten op de gang liepen, en wat hard, dan kon moe zien, dat het Nel pijn deed.

Steeds stiller en stiller werd het in huis.

Al dikwijls had Cor gevraagd: "Kan ik niet wat dòèn voor Nel?" Maar moeder wist niets, dan dat hij alles zoo zacht mogelijk deed, en dat hij mèt allen thuis, in zijn bidden om haar dacht. Nu, dat wilde hij allebei wel. Maar het echte _bidden_ was zoo moeilijk voor hem. Den eersten tijd van Nels ziekte zou hij geen avond naar bed gaan, zonder voor zijn ledikant op de knieën den Heere gevraagd te hebben, of Hij Nel wilde bewaren en... beter maken.

Toen het echter wat langer ging duren, en hij, hoè vreeselijk het zijn mocht, langzaam er aan gewend raakte, vergat hij het wel weer eens.

Want hij raakte er aan gewend, en allen raakten er aan gewend, dat Nel boven lag, strak-bleek op het witte kussen, in de frissche, maar donker gehouden kamer, waar ze moeder bijna onafgebroken in haar omgeving had.

Toch, als hij onder zijn jongens was, luidruchtig en druk en opspelerig als altijd, dan kon ineens de gedachte aan Nel hem beklemmen en benauwen. Hij wist niet, hòe het kwam, maar het kwam, onverwacht, ongezocht, soms midden onder zijn spel. Dan zag hij Nels doodsbleek gelaat, met de moede, maar schitterende oogen. Dan hoorde hij haar matte stem, en dan was hij, èven soms, uit de speelstemming.

Z'n kameraads merkten het op.....

Het was Zondag.

Moe bleef bij Nel thuis, maar de anderen, Daan en Dik incluis, gingen naar de kerk. Met vollen toon klepte de klok, en rustig als steeds kwamen de Rhandenaars naar de kerk.

Als elken Zondag stonden de boeren op het kerkplein, bij den hoofdingang, te wachten tot de laatste slag van tien van de klok had geklonken. Dan werden sigaar of pijpje nog kalm opgeborgen, en gingen ze naar binnen, terwijl de gemeente den voorzang al zong. Cor keek er elken Zondag naar, naar die boeren, en hij telde de slagen van de klok, en keek bij den tienden al naar de deur, want dan kwàm het. 't Ging ook nu nèt zoo.

Na den voorzang een oneerbiedig geschuifel, maar dan was het uit. Dan rezen al die mannen op van hun pas-ingenomen plaatsen, en een plechtige stilte vulde de kerk, waarin alleen de stem van den dominée gehoord werd, die den dank van de gemeente overbracht aan den Gever van alle goeds, maar ook al de nooden dier gemeente neerlei voor "den troon der genade".

Cor wist het, vader had het 's morgens aan de ontbijttafel gezegd: ook voor Nel werd gebeden. Hij luisterde angstig toe: of de Heere dat jonge leven nog wilde behouden; maar als het niet 's Heeren wil was, of Hij ze ze dan wilde opnemen in Zijne heerlijkheid.

Dààr ging het dus om: het was Cor nu klaar: beter worden, òf... sterven. En als het dat laatste was, kon het ook goed zijn voor Nel. Als ze naar den hemel ging...

Hij hoorde weinig van de preek; zijn gedachten zwierven terug naar huis, naar zijn zieke zusje, van wie hij zooveel hield, en waar hij toch zoo vaak onaardig tegen geweest was. Hij dacht over sterven en beter worden, over naar den hemel gaan, of hier blijven, en ook.... wat Nellie zelf daarover dacht.

Toen ze thuis kwamen, sloop hij, nog eer Vader boven was, naar de kamer, waar Nellie's bed stond. Voorzichtig deed hij de deur open, en stak vragend het hoofd door de opening.... Moeder zat aan het bed.... Ze wenkte hem, en hij kwam, voorzichtig, op de teenen.

Daar lag Nel. Ze was bijna koortsvrij; hij zag het, want ze was doodelijk wit.

Zachtjes vroeg Moeder: "was het vol?"

"Ja Moe," zei Cor; "en de dominée heeft voor Nellie gebeden, of ze beter mocht worden."

[Illustratie]

Nel richtte zich moeilijk op. Haar oogen schitterden. Beter worden.... o, ze wou het zoo graag! Meespelen weer als vroeger, joelen en druk zijn, al bezorgde het haar altijd, vroeger reeds, pijn en moeite.

Wat gaf ze daarom, àls ze maar beter zou worden!

"Zou het kunnen, Moe?" vroeg Nel. "U hebt gezegd, dat de Heer het gebed altijd hoort, en nu hebben ze het allemaal gevraagd: nu zal de Heer het toch wel doen?"

Die vraag deed Moeder pijn. Zij wist immers al lang, dat de Heer het gebed zou hooren, al was het op héél andere wijze dan zij dachten en dan zij gaarne wilden.

"Lieve kind," zei Moeder, "als je eens vèr van huis was, in een vreemd land, dan zou je toch wel graag naar je eigen huis terug gaan, naar je èigen vader en moeder, ook al zou je het in dat vreemde land nog zoo goed hebben? Zoo moeten we eigenlijk altijd leven, als vreemden op aarde. We hooren thuis in den Hemel, bij den Heer. Als Hij roept, moeten we gaan. Hij weet het 't beste. En ik zou o, zoo graag willen dat je beter wordt. Maar als de Heer je roept, dan moet je gaan. Daar moet je over denken. Dàt moet je vragen...."

Over Moeders wangen viel een traan.... 't was zoo moeilijk, zóó te spreken tegen haar lieve, lieve schat, die ze te liever kreeg, naarmate ze zekerder gevoelde en klaarder inzag, haar te moeten missen....

Nel's hoofdje viel terug in de kussens....

Met een angstig stemmetje kwam het: "Maar ik wil nog wel graag beter worden, Moeder...!"

Daar kwam beneden een geluid van jongensstemmen: de broertjes zongen, zacht, gedempt, want ze wisten het: ze mochten Nel niet hinderen. Maar ze vonden het wijsje zoo mooi, dat ze van de week geleerd hadden, en nu zongen ze:

Veilig in Jezus' armen, Veilig aan Jezus' hart, Daar, in Zijn teer erbarmen, Daar rust mijn ziel van smart. Hoor 't is het lied der Engelen, Zingend van liefde en vree......

Nel luisterde en haar oogen begonnen te stralen. Wàt zag ze, dat die oogen op één punt staarden? Wat hóórde ze, dat haar gelaat blij ging staan? Zacht neuriede ze mee het refrein:

Veilig in Jezus' armen, Veilig aan Jezus' hart, Daar in Zijn teer erbarmen, Daar rust mijn ziel van smart....

Niemand zal ooit weten, wat toen in haar kinderziel is omgegaan. Maar toen het lied uit was, en ze moede haar hoofd in de kussens neerlegde, toen herhaalde ze het nog een paar malen wel: "Veilig in Jezus' armen..." en toen legde ze haar hoofdje rustig neder, en viel in slaap.

"Waar of Cor toch zit," zei Vader 's middags. "Zou hij uitgegaan zijn?"

"Ik denk het niet," antwoordde Moeder, die voor een uurtje, nu Nellie toch sliep, zich door Toos liet aflossen. "Ik heb hem niet hooren weggaan, en hij heeft mij niets gevraagd. En ik denk niet, dat hij zonder spreken of waarschuwen weg zal zijn gegaan."

[Illustratie]

"Ik mis hem anders al een poosje," zei Vader. "Misschien boven op zijn kamertje?"

Vader ging er heen, en ja, daar zat Cor, druk bezig. Hij had een stuk karton met wit papier beplakt, en was nu druk bezig dat witte papier te beteekenen.

"Wat zit jij daar stil, jongen," zei Vader. "Wat voer je uit?"

Cor kleurde.... "Ja, 't is niet zoo héél erg mooi, Vader! Koos zou het mooier doen! Maar ik kan het niet beter!" En hij liet zijn teekenwerk zien: een kaart, waarop met groote letters, in verschillende kleuren, geteekend was:

"Stil zijn op de gang; zacht loopen en geen deuren dicht slaan!"

Vader ontroerde. Was dat die ruwe, wilde jongen? Hij streek hem over het hoofd, en zeide: "Goed zoo Cor; dat vind ik juist héél, héél mooi van je. En waar wou je het hangen?"

"Boven aan de trap, Vader," antwoordde Cor, en als om zich te verontschuldigen voegde hij er aan toe: "Ik wou zoo graag wat doen voor Nel.... en ik wist niets anders.... en het is niet zoo mooi,.... maar mooier kan ik het niet...."

"Ik vind het héél mooi, hoor! En Nel en Moeder zullen het ook wàt aardig van je vinden."

Dien middag hing het verzoek om stilte in de gang, bij de trap. Cor had de gedachte, nu iets voor Nel gedaan te hebben, en dat gaf hem rust.

Na dien Zondag was het, of Nel zich voor goed bewust was, dat ze niet beter zou worden.

"Moeder," zei ze, in den loop van die week, toen ze, na het bezoek van den dokter weer tranen zag in Moeders oogen, -- "Moeder, waarom schreit u? Toch niet om mij?"

Moeder trachtte haar tranen te verbergen, en zei: "O, Nel, ik vind het zoo vreeselijk, dat je zoo ziek bent."

"Moeder," zei Nel, "U mòet niet huilen. Als ik niet beter word, ga ik naar den Heere Jezus. Ik weet het zeker...."

"Zou je dan niet liever nog blijven, lieveling?" Moeders zachte hand streelde de sluike haren van haar kindje.

"Natuurlijk, Moe! Maar als ik niet beter word, dan weet ik toch dat het goed is."

Moeder kon zich niet goed houden. Ze ging de kamer uit, en kwam schreiend op 't kantoor. Schreiend van smart, om haar kind, waarvan ze moest gaan scheiden, maar toch ook met innige dankbaarheid, om wat ze gehoord had.

Nellie lag nu met rustige zekerheid. 'n Enkele maal vroeg ze nog: "Toe, laat Daan en Dik nog eens zingen!" En als die aardige jongensstemmen dan "haar versje" zongen, zooals ze "Veilig in Jezus' armen" noemde, dan lag er rust op haar gelaat, en er was iets van een hemelschen vrede.

"Cor", zeide ze, toen ze zich weer benauwd gevoelde, en vreeselijke hoofdpijn haar kwelde, "Cor, ik word niet meer beter. Zal je gehoorzaam zijn en lief voor Moeder en allemaal?"

Cor wist niet, wat hij zeggen moest.

"Ja Nel," stamelde hij.

"En niet meer zoo driftig zijn?"

Cor had wel alles willen beloven, ook al wist hij, dat het niet zoo maar zou blijven. Maar tegenover al het vreeselijke dat hij nu zag, was zijn hart volkomen verteederd, en menige stille bede steeg er uit op: "Heer, maak mij anders, maak me als Nel!"

Tot het steeds erger werd. Nel wilde meneer Van Waalwijk nog eens zien. Hij had haar geregeld bezocht, maar nu, als was er haast bij, vroeg ze nog eens, of hij wou komen. Hij kwam. Hij zat naast haar bedje, en greep haar klamme hand.