Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2
Part 8
Den 30sten van deeze maand, zynde St. ANDREAS dag, liet ik een geheel schaap braden, waar op ik alle de Officiers, die zig op de Hoop bevonden, onthaalde. Ik gaf daar by twee kruiken goede Jamaicasche Rhum, waar van wy Punch maakten, welke wy op de gezondheid van onze vrienden van het oude vaste Land uitdronken. Ik herhaalde dit festyn den 4den December, na het ontfangen der tyding, dat myne JOANNA van een frisschen en schoonen zoon bevallen was. Den zelfden dag schreef ik aan den heer LUDEN te Amsterdam, om de vryheid voor moeder en kind te bekomen, en ik deed dit in dezelfde uitdrukkingen, als aan zynen voorzaat den heer PASSELAIGE; alleenlyk verzogt ik hem met meerder aandrang, om zyn antwoord te verhaasten, om dat ik niet wist, hoe lang onze tocht nog duuren zoude. Myn nieuwe vriend, de heer DE GRAAF, ondersteunde my, zoo als de heer LOLKENS gedaan had. Dit alles afgeloopen zynde, gaf ik aan de zieken een douzyn flessen goeden Champagne-wyn, die de eerstgemelde van deeze twee heeren my gezonden had, en die zedert het jaar 1726. in zyne kelder geweest waren.
Des morgens van den 10den, met myn snaphaan op den schouder rondom de Plantagie wandelende, zag ik, dat alle de slaven, uit hoofde der mishandelingen van den Opzichter, aan 't muiten waaren. Het krygsvolk, by geluk van het verschil kennis genomen hebbende, deed het zelve tot algemeen genoegen eindigen. Deeze veelvuldige onlusten, waar van ik verscheiden malen melding gemaakt heb, gaven klaarlyk het oogmerk der Negers te kennen, om tot eenen openbaaren opstand over te slaan; en zy zouden zulks voorzeker te meermalen beproefd hebben, zoo zy niet wederhouden waren geworden door de vrees, welke de tegenwoordigheid van het krygsvolk hun inboezemde. Dien zelfden morgen bragt ik een paar vogels van twee verschillende zoorten mede. De eerste word genoemd Toreman; de andere is een zoort van poelsnip. De Toreman is een vogel van eene zeer heldere zwarte kleur, hebbende gryze pooten, en een zeer krommen bek: hy heeft de grootte van een hoen; en is zeer goed om te eeten. Hy gaat op de hoogste takken der boomen zitten, en men ontdekt hem gemakkelyk door een zoort van zang, het welk hy by de aankomst van elk mensch in het bosch duidelyk herhaalt. Van daar heeft hy den naam van Toreman, het welk in de taal der Surinaamsche Negers een snapper of spion beteekent: de muitelingen dragen hem om die reden eenen verschrikkelyken haat toe.
De poelsnip in de Savanen is een weinig minder groot dan een korhaan: deszelfs pluimaadje is van eene fraaie gryze zilver-kleur, en zyne gedaante ten naasten hy van de Europeesche poelsnippen. Men vindt deezen vogel voornamelyk in de verdronkene Savanen; hy is vet, en van een uitmuntenden smaak.
Den 11den, wierd de Plantagie Reetwyk, aan de Peréca, door de muitelingen aangetast; maar het krygsvolk noodzaakte hen de wyk te nemen.
Den Colonel FOURGEOUD toen te Maagdenberg te rug gekomen zynde, en my, na eene ziekte van zeven maanden, volmaakt hersteld bevindende, waagde ik het, om hem op nieuw schriftelyk voor te stellen, om met hem in de bosschen te trekken, of my toetestaan van eenigen tyd te Paramaribo door te brengen; maar hy weigerde my het een en ander verzoek. Ziende, dat het my niet mogelyk was mynen post te verlaten, deed ik derhalven aan myne geliefde JOANNA by een brief verstaan, dat ik my beter bevond. Ik kwam vervolgens met myn brief aan den oever der Rivier, om aldaar een vaartuig te vinden; en tegen den middag bespeurde ik het open vaartuig van Fauconberg, het welk den Opzichter naar Paramaribo bragt: by ongeluk bekleedde hy dien post slechts zedert kort, en my niet kennende, wilde hy niet naar den oever komen, om myn brief aan te nemen. Echter ziende, dat de Negers met hunne riemen stil lagen, stak ik den brief tusschen myne tanden, en sprong in 't water, om naar het vaartuig toe te zwemmen, niet twyffelende, of men zoude my wel weder aan land brengen. Ik volgde dus den stroom, geheel gekleed, en naderde eindelyk tot op den afstand van twee riemen van het vaartuig: toen nam ik myn brief in de hand, en denzelven in de hoogte houdende, riep ik: "Wie zyt gy, die een stuk papier weigerdt aan te nemen?" Men antwoordde my in 't Fransch: "Ik ben JEAN BEARNY, een boer uit Gasconje, om u te dienen". Het vaartuig ging, na deeze weinige woorden, oogenblikkelyk voort, en ik zag my buiten staat, om het zelve in te haalen, of weder aan land te komen. In zulk eene benaauwdheid stond my niets anders, dan den dood te wagten; want het was onmogelyk, om tegen den stroom op te zwemmen, vooral, daar myne kleederen my in den weg waren: ik beproefde het egter, maar ging twee keeren naar den grond. Ik zoude aldaar buiten twyffel hebben moeten blyven, indien ik eindelyk niet eenig paalwerk gevat had, het welk in de Rivier gestoken was om visch te vangen, en my daar aan stevig had vast gehouden. In deeze gesteldheid riep een Hollandsch Timmerman, die my boven van een Suikermolen zag, uit al zyn kragt, dat de Engelsche Capitain zig wilde verdrinken. Op deeze woorden sprong een dozyn sterke Negers in de Rivier, en wel dra, onder het oog van mynen vriend, den Major MEDLAR, die vry genegen was, om het bericht van den Hollander te gelooven, grepen zy my, en namen my op hunne schouders, om my aan wal te brengen. De woede over de onbetamelyke bejegening, die my wedervaren was, de pyn, het gevaar, en de schande zelfs, vervoerden my dermaten, en maakten zulk eenen sterken indruk op mynen geest, dat ik oogenblikkelyk het gebruik der reden verloor, en de misdaad, waar van ik beschuldigd wierd, byna ter uitvoer bragt; want door de slaven over eene kleine brug gedragen wordende, nam ik een sprong, en wierp my van boven neder in de Rivier; ik wierd dadelyk door de Negers weder opgevischt; en de verdenking, dat ik een zelfsmoord in den zin had, wierd bevestigd. Dienvolgende bragt men my in myne hangmat, waar by den geheelen nacht twee schildwachten geplaatst wierden. Myne vrienden omringden my, en stortten traanen; maar een weinig warmen wyn genomen hebbende, viel ik in eenen diepen slaap tot des anderen daags morgens. By myn ontwaken een zeer bedaard voorkomen hebbende, vonden myne redenen, tot myn groot genoegen, eindelyk ingang, en myne medgezellen lieten alle vrees ten mynen opzigte vaaren. Aan zulk een gevaar stelde my het onbeschaamd gedrag van deezen onmenschelyken Franschman bloot, die zig zelfs naderhand door trekken van eene voorbeeldelooze wreedheid befaamd maakte.
Daags na dit voorval, zond ik myn brief met één van myne Negers, die zig in een kleine kano naar Paramaribo begaf. Tegen den middag een vaartuig met syroop van suiker, waar op zig in de brandende zon een Engelsch matroos en twee Negers bevonden, voor de Hoop ten anker ziende liggen, deed ik den eerstgemelden aan land komen, al waar ik hem op een schotel spek met eieren, en een bool punch onthaalde; het geen hem zeer verwonderde, want hy maakte geene rekening op zulk een goeden maaltyd, en nog minder, om één zyner landgenooten op deeze plaats te vinden: zyn naam was MACDONALD, en men zal by vervolg zien, welke zyne dankbaarheid was.
Het evengemelde vaartuig was een groote schuit met twee riemen, welke de syroop van suiker (melasse) op de Plantagiën gaat haalen, en aan boord der Americaansche schepen brengt; en deeze voeren ze naar de Eilanden, om 'er rhum van te maken. Men betaalt ze aan de Hollanders tegen drie guinies het vat.
Den 16den, kwam 'er een ander Officier aan, die door den Colonel was in arrest gezet. De naam van den eersten was GYLGUIN, en van den tweeden NEYS: de misdaad van den laatsten was een twist, die hy met een vryen Neger, GOASARY genaamd, over het schikken van plantains had. Deeze twee jongelingen wierden vervolgens naar Europa gezonden op last van den Colonel, die vast stelde, dat zy door een hoogen krygsraad veroordeeld zouden worden: maar, na een kort rechtsgeding, wierden zy met eere vry gesproken, tot algemeen genoegen der geheele krygsbende. In de daad, zoo verregaande was de gestrengheid van den Colonel, dat hy de minste toegevenheid niet had voor de zwakheden der jeugd.--Dewyl ik zoo even van Plantains sprak, zal ik deeze gelegenheid waarnemen, om deeze vrucht, en den boom, die ze voortbrengt, te beschryven; het geen ik misschien reeds had behooren gedaan te hebben.
De Plantain-boom is veel eer een plant, dan een boom, want hy heeft noch schors noch hout, dezelve bestaat in een stamen, of helmstyl, rondom door bolachtige, vezelachtige groene vliezen omgeven, die even als de uijen op elkander zitten, tot tien en meer duimen middellyns: deeze omwindzels of schelpswyze schorssen klimmen beurtelings tot op omtrent veertien voeten afstand van den grond, en vormen zig niet tot takken, maar tot bladeren, ten getale van dertien of veertien, die zig als een zonnescherm uitspreiden, en waar van elk in staat is iemand van de grootste gestalte te overdekken: zy zyn van een helder zeegroene kleur, tot dat zy verwelken en afvallen, om voor nieuwe plaats te maken. Uit het midden van deeze verëenigde bladeren, spruit een zwaare stam van by de drie voeten lang, welken de zwaarte eener bloem-kelk van eene purper kleur naar den grond doet overhellen. Boven aan deezen stam groeien de vruchten, Plantains genaamd, welke de gedaante van een komkommer hebben; zy bedragen een getal van meer dan honderd, en deeze geheele tros noemt men doorgaans een rey of reeks. Elke boom of plant draagt slechts één van deeze reijen te gelyk: wanneer die afgesneden is, komen 'er zeer schielyk jonge uitspruitzels in de plaats, die uit hunne bolachtige wortels voortkomen, en in den tyd van tien maanden dezelfde bewerking kunnen ondergaan. De Plantain-boom vordert een voedenden grond, zonder welken de vrucht niet goed voortkweekt, en nooit haare waare hoogte van rypheid bereikt. Deeze vrucht, ontdaan van derzelver bekleedzelen, wanneer ze nog groen is, bevat eene meelachtige zelfstandigheid van eene ligt geele kleur, die, het zy gekookt, het zy gebakken, in plaats van brood dient, gelyk ik reeds gezegd heb: zy is zeer gezond, en van een zeer aangenaamen smaak. Wanneer de schil geel word, is de binnenste zelfstandigheid zoet, en men kan ze raauw eeten, want zy heeft ten naasten by de smaak van een rype peer; maar tot die hoogte gekomen zynde, bedient men zig 'er alleenlyk van op het nagerecht.
De Bananen-boom is een zoort van plant van dien aart; hy verschilt alleenlyk van den Plantain-boom daar in, dat zyne vrucht meer eirond, en minder groot is, en dat men dezelve nooit eet, dan wanneer ze geel en volkomen ryp is. De eerste is van meerder nut; maar de tweede, die een reuk van muscus heeft, is lekkerder: de eene is in Surinamen bekend onder den naam van banana, de andere onder dien van bacouba. [6]
Den 18den, van mynen vriend, den Majoor MEDLAR, verlof verkregen hebbende, om een keer naar Paramaribo te doen, begaf ik my derwaarts in een vaartuig; ik kwam aldaar aan op het tydstip, dat men myn zoon met Madéra wyn en water waschte, volgens de gewoonte des Lands. JOANNA was volmaakt hersteld, en ik bood haar een gouden gedenkpenning aan, welken myn vader op myn geboorte-dag aan myne moeder geschonken had. Ik bedankte ook mevrouw LOLKENS voor alle haare goedheden, en ik vertrok weder dadelyk naar de Hoop, alwaar ik den 22sten te rug kwam.
De arme Neger, dien ik met de bezorging van mynen brief belast had, was minder gelukkig geweest, dan ik: de kragt van den stroom had zyne kano in het midden der Rivier Surinamen doen omslaan: hy konde niet zwemmen, maar had de kragt en behendigheid, om zig op de kano, die onöphoudelyk weder trachte om te keeren, recht op te houden, en door dit middel gelukte het hem om altyd het hoofd boven water te houden, terwyl de zwaarte van zyn lichaam dit vaartuig eindelyk belette te wankelen. Eene sloep van een oorlogschip verlostte hem gelukkig uit deeze gevaarlyke en lastige gesteldheid; maar zy, die op het schip waren, namen de kano voor hunne moeite, en zetten den man te Paramaribo aan land. Geduurende al den tyd, dat hy in 't water geweest was, had hy den brief tusschen zyne tanden gehouden, en denzelven met allen spoed willende bezorgen, deed hy dadelyk zyn best, om zulks te verrigten, maar vergistte zig in het huis: men zag hem in 't huis, alwaar hy binnen trad, voor een dief aan, want hy weigerde aanhoudend den medegebragten brief over te geven, en men stond gereed, om hem vier honderd geesselslagen te doen toetellen,wanneer gelukkiglyk een Engelsch Koopman, één van myne vrienden, GORDON genaamd, en die den Neger kende, hem uit deeze ongelegenheid redde. Dus wilde deeze arme jongen, die byna in de Rivier verdronken was, liever onder de geesselslagen sterven, dan de geheimen van zynen meester ontdekken.--Waar zyn de Europeanen, met zulk een moed en trouw begaafd!
Hier boven van eene manier van visschen door middel van paalwerk melding gemaakt hebbende, zal men misschien verlangen deeze manier, die my dikwils eene zeer goede maaltyd verschafte, te kennen. Men omzet eenvoudig een vierkant vak in de Rivier, met goed paalwerk van Latanusboomen hout, die met koorden van heestergewassen vast zyn aan één gebonden. In het midden is eene breede opening of deur, welke men by den vloed open, en by de ebbe gesloten houdt, om voor te komen, dat de visch niet ontsnappe. Door dit middel vangen de Negers en Indianen dikwils eene groote meenigte visch. Onder die geenen, welken men de laatste keer vong, waren de logolago, en de matouary. De eerste is een zoort van zeer dikke paling, en twee voeten lang: zyne huid heeft eene bleekblauwe kleur op zyde en op den rug, maar witachtig onder den buik. Deeze paling is zeer vet, en van een goeden smaak. De matouary is klein en zonder schubben. Het is in Surinamen zeer merkwaardig, dat, zoo dra zy buiten 't water zyn, de meeste visschen een geknor maken, naar dat van een bigge gelykende.
Den 23sten, op de Plantagie Knoppemonbo ten eeten zynde, zag ik twee vogelen, die al myn aandacht tot zig trokken. Een derzelve verdiende dit vooral, door het zonderling maakzel van zyn nest. Men noemt hem in dit Land Lipybanana, om dat hy zig voornamelyk, zoo men zegt, met rype bananen voedt. Ik weet niet of hy de spotvogel van Dr. BANCROFT is, maar hy koomt zeer naby aan deszelfs beschryving.
Eenige vogels van dit zoort hadden zig op een grooten boom aan den waterkant genesteld: de Negers verzekerden my, dat zy zig op die plaats zedert verscheiden jaaren rustig by één verzamelden. Zy maakten eindelyk aldaar een getal van meer dan twee honderd uit. De gedaante deezer vogelen is ten naasten by die van een Engelsche lyster. De mannetjes hebben vederen op het lyf van eene zeer heldere zwarte kleur, zynde hun staart en een gedeelte der vlerken van eene karmozyn kleur; de wyfjes hebben ook het lyf zwart, maar het overige van eene zeer fraaije geele kleur. Hun zang was in de daad uit eene groote verscheidenheid van zangnooten zaamgesteld; maar hy had geene zoetluidenheid, en bootste geenen anderen wildzang naar, zoo als men gemeenlyk voorwendt, dat de spotvogel doet, dien ik voor 't overige in Surinamen niet heb hooren noemen. Deeze vogels hadden, ten getale van meer dan zestig, hunne nesten op het einde van de takken der boomen geplaatst, alwaar zy door den wind heen en weder slingerden. Deeze nesten, ten aanzien van derzelver gedaante naar een zoort van beursen gelykende, zyn in de laagte zeer rond; maar eindigen in de hoogte puntsgewyze. Zy zyn van een weinig hooy gemaakt; en in 't midden ziet men een gaatje, waar door de vogels uit en in vliegen. Hunne eieren leggen zy op den grond, die zeer breed is, en het boven-einde, spitswyze gemaakt, beveiligt deeze vogelnesten tegen roof en slegt weder: maar van nog meerder gewicht is het, dat, uit hoofde van hunne ligging, de aapen, die in dit Land zoo talryk zyn, hun geen nadeel kunnen toebrengen, om dat deeze takken, waar aan hunne nesten vast zyn, schoon sterk genoeg om dezelve, en het geen 'er in is, te dragen, te zwak zyn voor vyanden van eene vry meerdere zwaarte; en tot meerder zekerheid waaren die geene, welke ik gezien heb, boven het water geplaatst.
De andere vogel, dien ik in myn te rug komen doodde, was de Surinaamsche valk, die, ten aanzien van grootte en gedaante, naar dien in Engeland gelykt. Deszelfs pluimaadje is van een helder bruine kleur, en aan de borst en staart met verschillende roode, zwarte, en geele vlakken geteekend. Hy had een gespleeten tong, de oogen uittermaaten schitterend, de pooten van een citroen-kleur, en de klauwen met zeer lange en zeer puntige nagels gewapend. Deeze vogel doet veel schade op de Plantagiën, en vooral onder het gevogelte.
Het word tyd, dat ik tot de krygs-verrigtingen van onzen Bevelhebber te rug keere, die eenige dagen op Maagdenberg gebleven zynde, op Kersdag met het zwak overschot van zyne krygsbenden optrok, en zig naar de Savane der Jooden begaf, van waar hy naar Maagdenberg te rug keerde, zonder iets gezien te hebben, maar ten minsten met den titel van den zwervenden Jood. Deeze weinige vorderingen wederhielden den Majoor MEDLAR en my niet, om hem ons verzoek te hernieuwen, ten einde hy ons zoude toestaan om hem op zyne tochten te vergezellen: onze verzoeken waren te vergeefs, want hy begaf zig toen naar Paramaribo, alwaar men dagelyks nieuwe versterkingen uit Europa verwagtte. Eindelyk echter stond hy ons toe hem naar deeze Hoofdstad der Volkplanting te volgen; ik zegge ons, om dat die zelfde gunst ook aan eenige andere Officiers wierd toegestaan, die in dit oogenblik aan alles gebrek hadden, terwyl 'er vyftien vaten besten wyn, en vyftien duizend guldens aan geld, ter beschikking van den Colonel waren.
VYFTIENDE HOOFTSTUK.
Indianen, inboorlingen van Guiana.--Voedzel,--Wapenen,--Cieradiën,--Optooisels,--Bezigheden, --Vermaken,--Driften,--Godsdienst,--Huwelyken,--Begravenissen, enz, van deeze Volken.--De Caraïbische Indianen in 't byzonder, en hunne koophandel met de Europeanen.--Boomen, Heesters en Planten.
Den 18den January 1774, verliet ik eindelyk den wachtpost van de Hoop, welke den lezer misschien reeds zoodanig verveeld zal hebben, als dezelve my te dier tyd gedaan had. Van daar zakte ik de Rivier af naar de Plantagie Arentslust; en des anderen daags hield ik op de Plantagie Katwyk, die zeer fraay is, het middagmaal. Ik dagt hier een einde aan alle myne reizen te maken; want de heer GOETZER, eigenaar van deeze Plantagie, my één van zyne paarden geleend hebbende, om zyne bezittingen eens te doorkruissen, verdweenen wy, het dier en ik, eensklaps; een houte brug, waar over ik heen reed, verrot zynde, brak oogenblikkelyk aan stukken; ik viel in 't water, en had veel moeite om de wal te bereiken; vervolgens eenige Negers geroepen hebbende, trokken zy het paard, het welk in de modder gezonken was, 'er uit; maar dit geschiedde egter niet zonder groote moeite.
Des avonds vertrok ik nog naar Paramaribo, alwaar ik met laag water aankwam, het geen my gelegenheid gaf tot het beschouwen der boomen, die aan den oever der Rivier Surinamen groeien, en met oesters, even als vruchten, aan de takken vast zittende, bedekt zyn. Deeze byzonderheid heeft gelegenheid gegeven tot de algemeene misvatting, dat zy aan die boomen groeiende, 'er een gedeelte van zouden uitmaken; maar 'er is niets byzonders in gelegen, dat zy zig zoo wel aan de eene als andere zelfstandigheid vast hechten; want men vindt gemeenlyk verscheiden zoorten van schelpvisschen, die zig aan de kiel der schepen, als aan rotzen, vast houden. Deeze oesters, die de gedaante van paddenstoelen hebben, zyn zeer klein en vry middelmatig; honderd van dezelve zyn zoo veel niet waardig, als een dozyn Glocester oesters. Men vindt ook mosselen in Surinamen, maar zy zyn zoo klein en smakeloos, dat zy naauwlyks verdienen gemeld te worden.
Des anderen daags na myne aankomst, gaf ik een bezoek aan den Gouverneur en aan den heer KENNEDY, als mede aan Mevrouwen LOLKENS en DEMELLY: allen ontfingen zy my met zeer veel eerbewyzing, en wenschten my geluk met myne kennis aan den heer DE GRAAF; zy keurden ook goed het geen ik voor JOANNA en voor myn zoon gedaan had.
Den 22sten, het overschot van ons krygsvolk zig grootendeels op Paramaribo bevindende, gaf de heer VAN EYS eene maaltyd aan de geheele krygsbende.
Den 29sten, kwam een aanzienlyk getal Indianen in deeze hoofdstad der Volkplanting aan. Deeze volken,die uit Guiana oorsprongelyk zyn, schynen de gelukkigste schepzels, die onder den hemel leven, en zyn in stammen (castes) verdeeld, als daar zyn,
De Caraïben. De Arrowouks. De Accawaus. De Tajiras. De Worrows. De Piannacotaus.
'Er zyn bovendien nog veele anderen, wier gebruiken en gewoonten onbekend zyn. De Indianen van alle deeze stammen hebben in 't algemeen een koper-kleur; terwyl de Africaansche Negers, die onder den zelfden graad van breedte woonen, volmaakt zwart zyn. Men kan gemakkelyk van dit onderscheid reden geven: de Indianen van Guiana worden door de zeewinden, of de ooste winden, die tusschen de keerkringen waaien, aanhoudend verfrischt. De inwooners van Terra Firma en Peru aan de westkust van America, genieten ook denzelfden oosten wind, welke dien grooten keten van bergen, in de binnen-landen gelegen, wier kruin steeds met sneeuw bedekt is, en waar over die wind heen waait, altyd frisch houdt. De inwooners van Africa, zuidwaarts van de Rivier Senegal levende, hebben dien wind ook wel, maar na dat dezelve door de verschrikkelyke meenigte woestynen, welke zy overwaait, brandend geworden is.
Deeze zyn de waarschynlykste oorzaaken, waarom de Americanen alleenlyk een koper- of roode kleur hebben, en dat de inwooners van Africa, welke Negers genoemd worden, geheel zwart zyn; namelyk, om dat de straalen der zon by de laatstgemelden meer brandende zyn, dan by de eersten, en niet om dat zy twee geheele onderscheidene stammen of geslachten zouden uitmaken: want ieder, die wel onderzoekt en opmerkt, ziet klaarlyk, dat 'er maar eene zoodanige stam van het menschdom op de aarde is, en dat het onderscheid tusschen de menschen alleenlyk voortkoomt uit het verschil van luchtstreek en grond. Ik ben daarënboven van gedachten, dat deeze Indianen altyd des te minder aangemerkt moeten worden als eene stam, van die van het oude vaste Land verschillende, wanneer men de nabyheid van Rusland aan Noord-America in aanschouw neemt. Uit het eerstgemelde Land zullen de eerste Americaanen verhuist zyn, maar zy hebben tot hier toe het nieuwe vaste Land slechts weinig bevolkt, uitgenomen egter Mexico, en eenige andere gedeelten van America, die door de gierigheid en het bygeloof der Spanjaarden ontvolkt zyn.
Ik kan deeze Indianen van Guiana gelukkig noemen, daar hunne zeden en gerustheid door de gebreken der Europeanen niet zyn gestoord geworden, daar zy geene misslagen dan die der onkunde hebben, welke geenzints uit het bederf van eenen zoogenaamden staat van beschaafdheid, en van eenen Godsdienst, van deszelfs grondbeginzel zoo zeer afwykende, hunnen oorsprong nemen.
Deeze aanmerkingen herïnneren my natuurlyk het antwoord van eenen Indiaan, met opzigt tot eene redenvoering van een Zweedsch Prediker, ter gelegenheid van een Vredes-verdrag, te Covestogo gesloten. Zie hier hetzelve in 't kort:
"Wel! gelooft gy in de daad, dat onze voorvaderen en wy allen, zoo als gy zegt, veroordeeld zyn, om in eene andere weereld eeuwig-duurende folteringen te ondergaan, om dat wy van uwe geheimzinnige nieuwigheden niet zyn onderrigt geworden? Zyn wy niet het maakzel van God? En kan deeze God zonder de hulp van een boek zynen wil niet openbaaren? Indien dit waar is, en God is rechtvaardig, is het dan met zyne rechtvaardigheid eenigermaten over één te brengen, dat hy ons zonder onze toestemming in deeze weereld plaatsen zoude, en ons vervolgens tot eene eeuwige verdoemenis verwyzen, om dat wy met u niet eenstemmig denken. Neen, neen! wy zyn overtuigd, dat de Europeanen een meer bedorven zedenleer, dan de Indianen, hebben, indien wy hunne leer naar hun gedrag afmeten".