Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2
Part 3
My thans andermaal te Paramaribo bevindende, zal ik, ter dezer gelegenheid, de beschryving deezer aangenaame Stad mededeelen. Ik heb reeds gezegd, dat zy aan de fraaije Rivier Surinamen, zestien of agtien mylen van derzelver mond, gelegen is. Zy is gebouwd op een zoort van steenachtigen zandgrond, met de landen rondsomme waterpas liggende, en maakt een langwerpig vierkant van anderhalve myl lang, en ten hoogsten een halve myl breed. Alle de straaten zyn volmaakt afgemeeten, en beplant met oranjeboomen, palmboomen, tamarinde en limoenboomen, die in alle Jaargetyden bloeien, en zig onder het gewicht van geheele trossen der geurigste en uitgelezendste vruchten krommen. Men heeft hier noch gehouwen, noch gebakken steenen voor de straaten noodig; de steenachtige zandgrond is voldoende; dezelve is niet minder, dan die der fraaiste tuinen in Europa, en men maakt denzelven nog aangenaamer, door dien met zeeschelpen te bestrooijen. De huizen, die meerendeels twee, en zomtyds vier verdiepingen hebben, zyn, eenigen uitgezonderd, van zeer fraay hout gebouwd. De grondvesten der gebouwen zyn byna allen van gebakken steen; en kleine gekloofde planken bedekken de daken in plaats van pannen. Men ziet zeer zeldzaam glaaze raamen in dit Land; het glas verwekt 'er te veel warmte, en men gebruikt in plaats van dien, raamen van gaas. Eenige huizen hebben windluiken of blinden, die men van zes uuren des morgens tot zes uuren des avonds open houdt. Wat schoorsteenen betreft, ik heb 'er geen enkele in de geheele Volkplanting gezien; men legt geen vuur aan, dan in de keuken, die altoos van het woonhuis afgelegen is; men legt het daar aan op den grond, en de rook vliegt door een gat, in het midden van het dak gemaakt. Deeze houte huizen zyn echter in Surinamen zeer duur; het huis, het welk de Gouverneur onlangs had laten bouwen, kostte hem meer dan vyftien duizend ponden sterling. In de geheele Stad Paramaribo is geen bronwater: elk huis heeft een put, in den rotsachtigen grond gegraven, die brak water geeft, alleenlyk dienende voor Negers, het vee, enz. Europeaanen hebben regenbakken, waar in zy het regenwater tot hun gebruik bewaren: het beste zygt door een steen, en valt in groote tonnen, of aarde vaten, door de Indianen gemaakt, die dezelve tegen koopwaren verruilen. De inwooners van dit Land slapen allen in hangmatten, uitgenomen de Negers, die meestal op den grond slapen. De hangmatten van lieden van aanzien, zyn van catoene lynwaat, met zeer ryke franjen omzet. De Indianen maken die ook, en verkoopen ze zomtyds tot voor dertig guinies. Men heeft geene dekens noodig: men behoeft alleenlyk gordynen, om zig tegen de muggen te beveiligen. Zommige lieden hebben bedden, met gaaze gordynen omringd, welke de lucht vryelyk laaten doorspelen, en tegen het kleinste insect veilig stellen. De huizen zyn in 't algemeen te Paramaribo luisterryk verciert met schilderyen, glaswerk, verguldzels, kristalle kroonen en porceleine potten; de muuren der kamers zyn nooit bepleisterd, noch met papieren behangzels overdekt, maar overheerlyk beschoten met kostbaar hout.
Men berekent het getal der huizen te Paramaribo op veertien honderd. Het voornaamste is het Paleis van den Gouverneur, het welk, langs een weg in den tuin, met het Fort Zelandia gemeenschap heeft. Dit Paleis, en het huis van den Bevelhebber van het Fort, waaren de eenige steene gebouwen in de geheele Volkplanting. Het Stadhuis is een cierlyk en nieuw gebouw, met pannen belegt. Aldaar houden de verschillende Hoven van Justitie hunne zitting, en daar boven zyn de gevangenissen, voor Europeesche misdadigers geschikt, uitgenomen voor krygslieden, welken men in het Fort Zelandia gevangen zet. De Protestantsche Kerk, alwaar men den dienst in het Hollandsch en Fransch doet, heeft een kleine spitse tooren met een uurwerk; de Lutherschen hebben ook hunne Kerk; en de Joden bezitten twee Synagogen, eene Portugeesche en eene Hoogduitsche. 'Er is in de Stad een groot Hospitaal voor de bezetting, en ongelukkig is het nooit ledig. In de Vesting bewaart men de oorlogs- en mondbehoeften; de soldaten van 's Compagnies krygsvolk zyn aldaar in barakken gehuisvest, en eenige Officiers hebben 'er vry goede wooningen. De Stad Paramaribo heeft eene voortreffelyke reede, alwaar dikwils, op den afstand van een pistoolschoot van den oever, meer dan honderd koopvaardyschepen geankerd liggen. Zelden zyn 'er minder dan tachtig, geladen met koffy, suiker, cacao, catoen en indigo voor Holland; verscheide andere hebben slaven van de kust van Africa aangebragt; en zommige eindelyk zyn uit het noorden van America, of van de Antillische Eilanden gekomen, om meel, ossen- en varkens-vleesch, sterke dranken, gezouten haring en makreel, spermaceti-kaarssen, paarden en grof huisraad tegen verschillende koopwaaren te verruilen, vooral tegen syroop van suiker (melasse), waar van de Americanen rhum maken.
De stad Paramaribo heeft geene vestingwerken; zy paalt ten zuid-oosten aan de Rivier Surinamen, die meer dan een myl breed is; ten westen aan eene groote zand-woestyn; ten noord-westen aan een ondoordringbaar bosch; en het Fort Zelandia verdedigt dezelve ten oosten. Het Fort is van de Stad alleenlyk afgescheiden door eene groote vlakte, alwaar het krygsvolk de parade doet. Het heeft de gedaante van eene regelmatige vyfhoek, en heeft maar ééne poort, die aan den kant van de Stad gelegen is: twee van deszelfs bolwerken dekken de Rivier. Het is zeer klein, maar sterk tot verdediging, zynde gebouwd van gehouwen of rots-steen, en omringd door eene breede gracht, die vol water is, en voor welke nog eenige vestingwerken leggen. Ten oosten, en aan de Rivier, is eene battery van twintig stukken geschut. Op één der bolwerken is een klok, waar op de wachthebbende soldaat met een hamer het uur slaat, het welk hem door een zandlooper word aangewezen: op een ander bolwerk, steekt men een vlag op, by het naderen van een oorlogschip, of by openbaare vreugdebedryven. De muuren zyn zes voeten dik, en hebben openingen voor het geschut, maar geene borstweeringen. Ik heb van den tyd, dat dit Fort gebouwd is, reeds gesproken.
Paramaribo is eene zeer volkryke stad. Men ziet op byna alle haare straaten eene meenigte van Planters, Matroosen, Soldaten, Joden, Indianen en Negers. De Rivier is aanhoudend bedekt met kano's en vaartuigen, die heen en weder vaaren, even als onze schepen op de Theems, en dikwils eene meenigte Musikanten met zig voeren. De schepen op de reede, met hunne wimpels verciert, verfraaijen het toneel, het welk nog gevoeliger word door de meenigte van jongelingen en jonge meisjes, die in het water speelen. De vrolykheid en verscheidenheid van deeze voorwerpen weegt eenigermaten tegen de ongemakken der luchtstreek op. De kleederen en rytuigen der voornaamste inwoonders zyn waarlyk prachtig: de geborduurde zyde stoffen, de Genueesche fluweelen, de goude en zilvere boordzels, de diämanten schitteren dagelyks; en zelfs de schippers der koopvaardyschepen komen met gespen en knoopen van massief goud voor den dag. De tafels zyn niet minder kostbaar; men discht op dezelve de duurste en uitgezogtste spyzen op in platte schotels, of porceleine vaten, in den eersten smaak, en allerfynst gewerkt. Maar niets duidt meer de pracht der Surinaamsche Colonisten aan, dan het getal der Slaven, welke men aldaar in dienst houd, en die, in zommige huizen, een getal van twintig of dertig bedragen. Zelden ontmoet men in deeze Volkplanting blanke dienstboden.
Men vind, te Paramaribo, in overvloed, geslacht vleesch, gevogelte van allerlei zoort, wildt en visch. De groenten zyn 'er ook zeer overvloedig. Behalven de lekkerste voortbrengzels, die aan deeze luchtstreek eigen zyn, voert men aldaar aan het beste, dat Europa, Asia, en Africa opleveren. De eetwaaren echter zyn 'er over 't algemeen zeer duur, vooral die uit vreemde Landen komen, en door de Joden of Schippers verkogt worden. De eersten genieten in deeze Volkplanting byzondere voorrechten; de laatsten rigten voor een korten stond magazynen op, om 'er de lading hunner schepen in te bergen, terwyl zy die wederom met voortbrengzels van het Land beladen. Het tarwe-meel word verkocht voor vier stuivers tot een schelling het pond; de boter, twee schellingen; het geslacht vleesch, nooit onder een schelling, en dikwils anderhalve schelling. Ik heb voor een enkele kalkoen anderhalve guinie betaald. De eieren gelden vyf stuivers het stuk; de aardäppelen zes stuivers het dozyn; de wyn kost drie schellingen de fles; de Jamaicasche rhum een kroon de kruik. De visch en groenten zyn goedkoop, en de vruchten byna voor niet. Myn kleine Neger QUACO heeft my dikwils veertig oranje-appelen voor zes stuivers t'huis gebragt, en een half dozyn pyn-appelen voor denzelfden prys. Wat de limoenen en tamarinden betreft, men behoeft slechts de moeite te doen, om ze op te raapen. De huuren zyn uittermaten duur. Voor een kleine kamer zonder huisraad betaalt men drie of vier guinies in de maand; en voor een huis met twee kamers op elke verdieping, honderd guinies 's jaars. De schoenen kosten een halve guinie het paar; en een rok met zyn toebehooren is my komen te staan op twintig guinies.
De twee zoorten van hout, waar van de huizen getimmert zyn, namelyk het wana en couppy hout, verdienen, dat men 'er van spreekt. Het eerste is zeer hard, en van een grof erf; het is niet vatbaar voor de minste glans, en heeft eene ligt roode kleur, gelykende naar die van nieuw brasilie-hout; men bedient 'er zig van voor de deuren en kassen, voor schepen en vaartuigen.
Het couppy hout gelykt naar dat van den wilden kastanje-boom; het is hard, kwastig en vast. Men maakt 'er planken van, waar mede men, in plaats van steene muuren, de huizen bekleed. Dit hout is van een bruine kleur: het laat zig zeer goed polysten.
Op dat de lezer zig een juister denkbeeld van deeze Stad vorme, zal ik hem verwyzen naar het ontwerp, het welk ik daar van geschetst heb: ik zal tans overgaan, om eenige byzonderheden, betrekkelyk tot deszelfs inwooners, op te geven.
De Europeanen of blanken, in de geheele Volkplanting, beloopen op een getal van vyf duizend, zonder de bezetting daar onder te rekenen, en zy houden voornamelyk hun verblyf in de hoofdstad; maar de Neger-slaven bedragen ten naasten by een getal, van vyfënzeventig duizend. Alle morgen ten agt uuren gaat het krygsvolk naar de wacht in de Vesting. De wacht in de Stad word door de burgers of soldaten waargenomen, en duurt den geheelen nacht. Twee maalen daags, en ten zes uuren lost het bevelvoerend schip deszelfs geschut in de haven. By het avond-sein, stryken alle de vlaggen der onderscheidene schepen, de klokken luiden, en de trommelslagers en pypers loopen door de Stad. Geen slaaf, van welke kunne ook, mag als dan op de straaten, of in de haven verschynen, zonder verlof van zynen meester. Die deezen regel overtreedt, word in arrest genomen, en buiten twyffel des anderen daags morgens gegeesseld. Des avonds ten tien uuren, slaan andere tambours den trom op alle de straaten van Paramaribo.
Op dit oogenblik vertoonen zig de vrouwen, vooral die veel van een geheim gesprek in het maanlicht houden. Op haare byëenkomsten laaten zy zig sorbet en sangary toedienen, zynde een mengzel van water, Madera-wyn, Muscaat-wyn en suiker; zy houden aldaar gesprekken, die geenzints dubbelzinnig zyn, zoo omtrent haare mans, als omtrent haar zelven; dikwils vertoonen zy aldaar haare jonge slavinnen, welke zy aan de manspersoonen voor een zekeren prys ter week aanbieden: en zoo haare omgang al een weinig ingetogener is, zy zyn ten minsten wydlustig in het roemen van de geenen, die in haare gezelschappen tegenwoordig zyn, en wier voorkomen of persoon haare aandacht verdient.
Elk Land heeft zyne gewoonten, en in allen kan men uitzonderingen maken; want ik heb vrouwen in Surinamen gekend, wier kiesche en beschaafde opvoeding de beminnelykste gezelschappen van Europa veraangenaamd zouden hebben. De inwoonders van Paramaribo, behalven de vermaken van de tafel, het dansen, het uit ryden gaan, en de speel-partyen, hebben een klein toneel, waar op zy, tot vermaak van hun en hunne vrienden, blyspelen vertoonen. Indien zy keurig op hunne kleederen zyn, zy zyn het niet minder op de netheid hunner huizen. Hun linnen is allerfynst; zy laaten het wasschen met Castiliaansche zeep, en deszelfs witheid is by niets, dan by de sneeuw der bergen, te vergelyken. De vloer der vertrekken, waar in gezelschappen by één komen, word altoos met zuure oranje-appelen, in tweën gesneden, schoon gemaakt, het geen een aangenaame geur verschaft: de Negerinnen houden in elke hand een halve appel, en zingen, wanneer zy dit werk doen. Dusdanig is de hoofdstad, dusdanig zyn de inwooners der Surinaamsche Volkplanting, en hun caracter is gelyk aan dat van alle de Hollanders in de West-Indische bezittingen. Maar laaten wy tot myn verhaal te rug keeren.
De gewoonte, die ik had om bloots-voets te gaan, belette my eenigen tyd, om schoenen en koussen te kunnen verdragen. Wanneer ik nieuwe wilde aantrekken, zwollen myne voeten zoodanig op, dat ik by mynen vriend KENNEDY ten eeten zynde, genoodzaakt was myne schoenen uit te trekken, en hy had de goedheid om my in zyne koets naar huis te laten brengen. Zoo dra ik myne schoenen konde blyven aanhouden, ging ik een bezoek geven aan den Colonel WESTERLOO, aan boord van een West-Indisch Compagnie's Schip, het welk naar Holland onder zeil ging, Deeze Officier, die my te Devil's Harwar, op het oogenblik, dat ik aldaar in zulk een deerniswaardigen staat was, was opgevolgd, bevond zig tans van het gebruik van alle zyne ledematen beroofd. In zulk eenen beklaaglyken toestand, hoopte hy slechts op de vaderlandsche lucht, om zyne gezondheid te herstellen. Verscheide Officiers zagen zig, op dit zelfde oogenblik, genoodzaakt hunne goederen te verkoopen om te leven, vermits zy van den Colonel geene betaaling konden erlangen. Ik leed door dit onheil minder dan anderen; myne talryke vrienden lieten my aan niets gebrek lyden.
Den 28sten January, des morgens aan den oever wandelende, zag ik aldaar een visch uit het water ophalen, die van wegen zyn goed vleesch en grootte (hy woog by de twee honderd ponden) verdient gemeld te worden. Men noemt hem grow-mouneck, of de graauwe Monnik; men zegt dat hy tot het geslacht der kabeljauwen behoort, waar mede hy, zoo in gedaante als kleur, veel overeenkoomt, zynde zyn rug van een zeer donker bruine olyf kleur, en den buik wit. Men sneed hem dadelyk in groote stukken; ik kocht 'er verscheiden van, en zond dezelve aan myne vrienden. Van smaak scheen hy my zelfs den tarbot te overtreffen. Zomtyds vind men hem in de Rivieren; maar gemeenlyk leeft hy in 't zee-water. In dit Land zyn geene visschers, dan de Negers. Hunne meesters laaten hun dit ambagt leeren, en vorderen daar voor eene zekere somme ter week. Indien zy yverig zyn, verzamelen zy spoedig geld voor eigen rekening; en zommigen zelfs worden ryk. Maar indien zy integendeel agteloos zyn, en hunne verbintenissen niet volbrengen, kunnen zy wel staat maken van strengelyk gestraft te worden.
Dezelfde gewoonte heeft plaats ten aanzien van verscheide andere kostwinningen; en met onvermoeide vlyt en zuinigheid kunnen de Negers dan gelukkig leven. Overeenkomstig dit gebruik heb ik slaven, in Surinamen gekend, die andere slaven voor eigen rekening kogten. Verscheiden koopen hunne vryheid van hunne meesters; zommigen verkiezen liever hun geld te bewaaren, wanneer die meesters billyke menschen zyn, vermits zoo lang zy slaven blyven, zy van belastingen zyn vry gesteld, waar aan de vrygemaakte slaven onderworpen zyn. Ik heb een Neger gekend, zynde een smit, en genaamd JOSEPH, wien men, in aanmerking van zyne lange en getrouwe diensten, de vryheid had aangeboden, maar die dezelve zeer stellig weigerde, en liever verkoos slaaf by een goed meester te blyven. Deeze man bezat verscheiden slaven in eigendom; hy bewoonde een gemakkelyk en wel gemeubileerd huis, en zelfs bezat hy eenige stukken zilverwerk. Wanneer zyn meester en meesteresse hem kwamen zien, liet hy hun kostelyken wyn en sorbet toedienen. Men moet echter toestemmen, dat zulk een voorbeeld zeldzaam is: want zoo al eenige slaven te Paramaribo wel behandeld worden, het grootste getal is elendig: maar de ergste van allen zyn, die onder de beveelen staan van vrouwen, meer nayverig om rykdommen ten toon te spreiden, dan om menschlievenheid te doen blyken.
Het meest geachte zoort der slaven is dat der Cabougles, of Quarteronnés. Hunne verwandschap met de Europeanen is 'er de oorzaak van. Men weet, dat zy van een blanken en eene mulatte vrouw geboren worden: derzelver getal is in deeze Volkplanting zeer aanmerkelyk. Men plaatst de jongens van deeze kleur doorgaans by ebbenhoutwerkers, zilversmits, of handelaars in kostbaarheden, wier handwerk zy leeren. De meisjes zyn kameniers. Men leert haar naaijen, breijen en borduuren, het geen zy in de volkomenheid doen. Zy zyn over 't algemeen zeer schoon, en scheppen groot vermaak in zig op eene cierlyke en nette wyze te kleeden. De meeste, van eene hooge, rechte en wel gemaakte gestalte zynde, zyn zwieriger dan de mulatte meisjes, en gaan nooit met het bovenlyf naakt, gelyk de laatst-gemelde. Haare kleeding bestaat doorgaans in een klein overtrek van satyn, verciert met een belegzel van gebloemd gaas. Zy dragen een korte borstrok van Indisch catoen of zyde, van vooren geregen, welke boven het overtrek een hembd van zeer fyn mousseline doet te voorschyn komen: schoenen en koussen dragen de slaven in dit Land nooit. Het hoofd van deeze meisjes is met fraay zwart hair verciert, het welk natuurlyke en korte krullen heeft. Wanneer zy uitgaan, dragen zy een hoed van zwart of wit vilt, met een knoop en gouden lis daar aan. Om den hals, aan de armen en enklauwen dragen zy halsbanden, kettingen, armringen, goude penningen, en vercierselen van verschillende koraalen. Alle deeze lievelingen leven met Europeanen, het geen voor de Creoolsche vrouwen een groot hartzeer is. Indien men echter wist, dat eene Europeaansche vrouw met een slaaf iets uitstaande had, zoude zy by de blanken in verachting zyn, en de minnaar zoude zonder genade ter dood verwezen worden.--Dusdanig zyn, in Hollandsen Guiana, de wreede wetten der mannen tegen de schoone kunne.
Maar laaten wy van onderwerp veranderen.--De dwinglandye van onzen Bevelhebber, den Colonel FOURGEOUD, vermeerderde van dag tot dag. De Lieutenant Graaf van RANDWYK, die ziek was, en zig gereed maakte, om met den Colonel WESTERLOO te scheep naar Holland te vertrekken, ontfing bevel, om in de Volkplanting van Surinamen te verblyven, alleenlyk vermits hy gezegd had niet wel behandeld te zyn geworden. Om van des Colonel's rechtvaardigheid een denkbeeld te geven, zal ik eenvoudig opmerken, dat de Officiers moesten leven van eene gelyke portie gezouten vleesch, als de soldaaten kregen; alleenlyk geduurende het verblyf van eenige weeken te Paramaribo, wierd deeze levens-regel niet gevolgd. Deeze schikking kostte my dertig ponden sterling; maar ik heb reeds gezegd, dat de Colonel ons onze betaaling onthield; waarom zou hy ons ook ons eeten niet onthouden hebben? Dit zyn beuzelingen, waar over een soldaat zig niet ontrusten moet.
Den eersten February egter wierd ons bericht, dat wy geene kosten zouden behoeven te maken, zoo wy ons, met het geen men ons gaf, wilden te vreden houden; en dat, zoo wy daar over niet voldaan waren, men ons tien ponden sterling s'jaars voor de kosten van ons gezouten ossen- en varkens-vleesch in rekening zoude brengen.
Den 2den, vernam ik, dat de Lieutenant Colonel BECKER schielyk gestorven was. Zyne compagnie kwam my, van wegen den rang, dien ik bekleedde, toe; het zoude een zoort van vergelding geweest zyn voor zoo veele moeiten en afmattingen. Om echter een evenwicht tegen dit voordeel te maken, deed eene getrouwde vrouw, wier man my de grootste vriendschap betoonde, toen een aanbod, het welk de eerbaarheid my verbood aan te nemen. Zy hield aan, en ik bleef haare gunsten en geschenken weigeren; maar wel dra ondervond ik de gevolgen van den haat en wraakzucht van eene vrouw. Haar man wierd eensklaps myn doodelykste vyand. Verzekerd van myne onschuld, en grootsch, dat ik geene misdaad begaan had, waar op verscheide anderen roem gedragen zouden hebben, verdroeg ik dit ongeluk met geduld. Kort daar na egter, toen de man zag, dat hy misleid was, schonk hy my zyne vriendschap weder, en wy waren betere vrienden dan ooit. Ik breng dit geval alleenlyk by, om te doen zien, welke over 't algemeen de zeden in dit Land zyn.
Den 6den, bragt een arme trommelslager van het krygsvolk der Societeit my een geschenk van orange-appelen, en West-Indische Abricoosen, om dat ik hem, zoo hy zeide, in Holland tegen myn knecht, die zig veroorloofd had hem te slaan, de hand had boven 't hoofd gehouden. Deeze daad van erkentelykheid deed my meer genoegen, dan de verkoeling van mynen vriend my moeite gedaan had. De West-Indische Abricoos is groot, en naar myn smaak de uitgelezenste van alle vruchten, welke men in deeze Volkplanting, en misschien in de weereld vindt. Van binnen is dezelve geel, en de pit is omwonden in een zoort van huid, even als de kastanje. Het vleesch van deeze vrucht is zoo voedzaam en gezond, dat men het zomtyds het merg der Planten noemt; en men eet het dikwils met peper en zout. Ik kan dezelve niet anders vergelyken dan by een persik; zy smelt ook als zoodanig in den mond; zy is minder zoet, maar onvergelykelyk lekkerder. De boom, waar aan deeze vrucht groeit, is meer dan veertig voeten hoog, en gelykt veel naar den nooteboom.
In Surinamen zyn drieërleije zoorten van oranje-boomen; met zuure, met bittere en met zoete vruchten: de jonge boomen zyn uit Spanjen of Portugal aangebragt. De zuure oranje-appelen zyn een uitstekend hulpmiddel tegen de zweeren, die in dit Land zoo gemeen zyn; maar het is zeer pynlyk; men gebruikt het daarom niet, dan voor de Negers, welken men meent dat alles verdragen moeten. De bittere oranje-appelen worden alleenlyk gebruikt, om met suiker in te maken. De smaak van de zoete is uitgelezen, en men kan er zonder schroom van eeten; dit kan men niet zeggen van de China's-appelen, welken ik hier na beschryven zal. Alle deeze verschillende oranje-boomen zyn zeer fraay, en brengen, in alle jaar-getyden, bloemen en vruchten voort.
Den 16den, vernamen wy, dat de Colonel FOURGEOUD, met het overschot van zyne manschappen, den post van la Rochelle verlaten had, en door de muitelingen aangetast was geworden. Hy had verscheiden gekwetsten, en in 't byzonder den Capitain FREDERIK, die voor uit trok, en aan beide de dyen gewond wierd. Deeze dappere Officier, uit vreeze dat zyn volk den moed verliezen mogt, hield de beide handen op zyne wonden, en zat tot de borst toe in het water, op dat men het loopen van zyn bloed niet bemerken zoude. Hy bleef in die gesteldheid tot op het oogenblik, dat de Heelmeester hem verbonden had; en toen droegen hem twee Negers in zyne hangmat.
Het is onmogelyk meerder yver te betoonen, dan gemelde Capitain FREDERIK, en de Capitain VAN GUERIKE, adjudant van den Colonel, geduurende deezen geheelen tocht betoonden. Zy waren altyd op de been, of hunne gezondheid het toeliet, of niet. De eer was byna de eenige vrucht, die zy van eenen buitengewoonen en aanhoudenden dienst van vyf jaaren, trokken; de Colonel FOURGEOUD, naar myn inzien, beloonde hen nimmer naar verdiensten; en hy behandelde de hoogere zoo wel als de laage Officieren, zoo als ik myne Corporaals niet zoude willen behandeld hebben.
Ik deed hem op dit oogenblik het aanbod, om my by hem in de bosschen te vervoegen; maar in plaats van myn verzoek toe te staan, zond hy my bevel, om my naar de Plantagie, de Hoop genaamd, en gelegen aan de Commewyne, te begeven, om aldaar, geduurende zyne afwezigheid, over al het krygsvolk, het welk by deeze Rivier gelegerd lag, het bevel te voeren. Zulk een last was nieuw voor my, en ik maakte my gereed om denzelven met blydschap te volvoeren.