Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2

Part 16

Chapter 16 3,965 words Public domain Markdown

De Secretaris van zyne Excellentie, den Gouverneur, Een Provoost, met het doen vervolgen der Negers belast, De Commissarissen van de Magazynen der levensmiddelen, Vier Opzichters over den uitvoer van de suiker, Een Opzichter over de vaten melasse, of syroop van suiker, Een Opzichter over alle de Noord--Americaansche schepen. Twee Omroepers, Twee Sergeanten of Boden van den Raad, Twee Landmeeters, Drie Meters van timmerhout, Een Opzichter over het vee, enz. Een Opzichter over de maaten en gewichten, Drie Hollandsche Predikanten, Een Fransch Priester,

Een Lutersch Predikant, Drie Meesters van openbaare Schoolen, enz.

De krygsmacht bestaat uit elf Compagniën. Elk van dezelve heeft tot Officiers, een Capitain, een Lieutenant, een Ouder-Lieutenant, een Vaandrig, een Secretaris, en een Kassier. De Capitains zyn doorgaans gezworen Priseerders by het verkoopen der Plantagiën, aan de verschillende Rivieren in hunne wyk gelegen.

Zie daar, welke de voornaamste amptenaaren van het bestuur in de Volkplanting van Surinamen zyn. Dit bestuur zoude niet kwaad zyn, indien het niet door eene snoode gierigheid besmet wierd, tot groot nadeel van deeze schoone Bezitting in 't algemeen, en van derzelver inwooners in 't byzonder. Deeze Volkplanting, wel bestuurd wordende, zoude een hof van Eden zyn, niet alleen voor de Europeaanen, maar zelfs voor de slaven. Het zoude niet moeielyk zyn verbeteringen op te geven, noch ook dezelve uit te voeren. Ik zal by eene andere gelegenheid de aanmerkingen mededeelen, welken ik ten deezen opzigte gemaakt heb; en ik twyfele geenzints, of een weinig oplettenheid op een enkel punt, zal de gelukkigste uitwerkingen voortbrengen. En kan ik dan al, even gelyk de Samaritaan, geen balsem op alle wonden gieten, ik zal ten minsten het geneesmiddel kunnen aanwyzen, het welk, op eene gepaste wyze gebezigd wordende, de kwaaien van een groot getal lieden geneezen zoude.

Ik heb de onaangenaame taak ondernomen, om te bewyzen, hoe deeze Volkplanting, door bloeddorstige en gewelddadige middelen, zig zoo dikwils op den oever van haaren ondergang gezien heeft. Hoe roemryker zoude het zyn voor hun, die 'er de magt toe in handen hebben, om niet alleen haar te redden, maar ook met haar, veele fraaie Volkplantingen in de West-Indiën! zy zouden dit doen door middel der beöeffening van eene uitdeelende en algemeene gerechtigheid, en door het geven van een loffelyk voorbeeld van goedwilligheid en menschelykheid.

Ik kan van de verhandeling van het staatkundig bestuur in Surinamen niet afstappen, zonder het afschryven van deszelfs zinspreuk, die met de daaden zoo weinig overëenkomstig is. Zy is deeze: "Justitia, pietas, fides." De wapens zyn in drie deden verdeeld, bevattende, zoo ik meen die van 't Huis van Sommelsdyk, van de West-Indische Maatschappye, en van de Stad Amsterdam: zy worden gedragen door twee klimmende leeuwen, en dienen om het papieren geld te zegelen, enz.--Maar laat ik myn verhaal vervolgen.

Den 30sten, ontmoette ik dien goeden matroos, CHARLES MACDONALD, en dewyl ik dertig kruiken Jamaicasche rhum gekocht had, gaf ik 'er hem eenige van, om hem het geschenk van een ham en van een hond te vergelden; ik voegde 'er een schulp van paerel d'amour by, met zilver beslagen, welke ik hem verzogt tot eene gedachtenis te bewaren. Deeze brave jongen ging des anderen daags weder naar Virginie scheep, aan boord van de Peggy, waar van Capitain was LOUIS, die my beloofde hem tot zynen Stuurman te zullen bevorderen.

De hond, waar van ik zoo even sprak, herïnnert my twee aanmerkingen, welke ik in Guiana omtrent dit zoort van dieren gemaakt heb. De eerste is, dat zy aldaar het vermogen of de hebbelykheid van blaffen verliezen: het is zelfs eene zeer bekende zaak, dat de honden, die aldaar geboren zyn, nooit geblaft hebben. De tweede is, dat zy aldaar nooit door de watervrees worden aangetast, ik herïnner my ten minsten niet een enkelen dollen hond in deeze Volkplanting gezien te hebben, noch 'er van te hebben hooren spreken; deeze laatste byzonderheid is des te opmerkelyker, om dat deeze verschrikkelyke ziekte, in andere Landstreeken, doorgaans word toegeschreven aan de drukkende hette van de honds-dagen, het geen die benaming genoegzaam aanduidt. De Indianen, of inboorlingen van Guiana, hebben allen honden, waar van zy zig tot de jagt bedienen. Deeze dieren zyn mager en klein, zy hebben kort hair van eene vuile witte kleur, een langwerpigen snoet, en recht op staande ooren; zy zyn zeer bekwaam om het wildt op te spooren; maar zy hebben alle de gebreken van de kleine jagthondjens. Ik moet niet vergeten op te merken, dat, schoon de Americaansche honden niet blaffen, zy niettemin een zeer sterk geknor doen hooren. De myne, die, zoo als ik gezegd heb, uit Virginie kwam, was in dit stuk zoo lastig, dat één van myne buuren hem, na verloop van veertien dagen, dat hy by my was, met een snaphaan dood schoot.

Byna op deezen zelfden tyd, kwamen verscheide huisgezinnen van Americaansche vluchtelingen te Paramaribo aan, die verjaagd waren door den oorlog, welke tusschen myn geboorteland en deszelfs Volkplantingen ontstaan was; ik was in de daad over hun lot aangedaan, en ik moet verklaaren, dat niemand ooit meer vriendschap aan een Engelschman betoonde, dan zy my by een groot aantal gelegenheden bewezen.

Den 3den Augustus, wanneer de heer DE GRAAF, die alles met den heer LOLKENS op de Plantagie Fauconberg regelde, in de stad te rug kwam, dacht ik, dat het voegzaam was, om zelf met hem eene schikking te maken, en hem voor te stellen van my een handschrift aan te nemen, tot dat ik de somme dadelyk betaald zoude hebben, waar voor men toestond JOANNA, en mynen zoon aan my te verkoopen, eene somme, die ik bereid was op myne verteeringen uit te spaaren, door, indien het mogelyk was, alleen van brood, zout en water te leven; en zelfs, in weerwil van deeze ongemeene soberheid, had ik twee of drie jaaren noodig, om dezelve by één te halen. De Voorzienigheid liet my niet in deeze verlegenheid; zy zond ter myner hulp die uitmuntende vrouw, Mevrouw GODEFROY, die zoo dra niet onderricht was van de smartelyke gesteldheid, waar in ik my bevond, of zy noodigde my by haar ten eeten, en na den maaltyd, sprak zy my in deezer voegen aan:

"Ik weet, myn lieve STEDMAN, welke uwe gevoelens zyn, en dat het voor een Officier volmaakt onmogelyk is, zoodanig ontwerp, als het uwe, met zyne inkomsten uit te voeren; maar begryp, dat men, zelfs in Surinamen, in zyne vrienden eenige deugd kan ontmoeten: uwe blakende liefde voor deeze jonge vrouw, die dezelve zoo waardig is, en voor uwen zoon, moet, ten spyt van dwaasheid en onverstand, u de achting van alle weldenkende lieden doen verwerven. Ik ben over uwe handelwyze in deeze zaak dermaten getroffen, dat ik my zelve zoude te beschuldigen hebben, indien ik u in de volvoering van zulke loffelyke oogmerken niet behulpzaam was; staa my derhalven toe, om in uw geluk, en in dat van de deugdzaame JOANNA, en haaren zoon, deel te nemen, door u te verzoeken, eene somme van twee duizend guldens, of zelfs eene grootere somme, zoo gy die benoodigd hebt, aan te neemen. Zie daar dit geld, STEDMAN; ontruk daarmede de onschuld, de deugd, de schoonheid, aan de dwinglandye, aan de onderdrukking, en aan de verguizing".

Deeze achtenswaardige vrouw, ziende dat ik haar aankeek, in een staat van volmaakte verstomming, en als of ik het vermogen van spreken verloren had, vervolgde haar gesprek, met eene aanbiddelyke goedheid:

"Laat uwe kieschheid, myn lieve vriend, zig niet ontrusten, noch over deeze zaak bekommeren. Soldaten en zeelieden moeten geene groote plichtplegingen maken. Alles wat ik van u vorder, bestaat hier in, dat gy van dat alles geen enkel woord spreekt".--Zoo dra ik weder in staat was om te spreeken, antwoordde ik haar: "Dat myne geheele verlegenheid daar in bestond, op welke gepaste wyze ik aan haar betuigen zoude, hoe zeer ik van haare edelmoedige goedheid doordrongen was." Ik voegde 'er by: "Dat JOANNA, die my zoo dikwerf het leven had doen behouden, zekerlyk myne onöphoudelyke liefde verdiende, maar dat myne dankbaarheid niet minder duurzaam zyn zoude omtrent iemand, die my in de mogelykheid stelde, om eene jonge vrouw van zulke groote verdiensten van de slavernye vry te koopen;" en ik eindigde, met aan deeze Mevrouw te kennen te geven; "Dat ik voor het tegenwoordige niet het minste gedeelte van die somme zoude aanraken, maar dat ik des anderen daags de eer zoude hebben haar wederom te zien;" en oogenblikkelyk vertrok ik.

Ik was zoo dra niet t'huis gekomen, of ik verhaalde JOANNA, het geen 'er was voorgevallen. Zy smolt dadelyk in traanen weg, en riep uit: "Gado sa bresse da woma! God zegene deeze vrouw." Zy hield aan, dat ik haar aan Mevrouw GODEFROY verpanden zoude, tot dat de geheele somme aan dezelve zoude zyn te rug gegeven. JOANNA verlangde wel vuuriglyk, om haaren zoon vry te zien; maar zonder de voorwaarde, door haar opgegeven, weigerde zy volstrektelyk de vryheid voor haar zelve aan te neemen. Ik zal geen tafereel pogen te schetsen van den stryd, dien ik tusschen liefde en plicht moest doorstaan; ik zal my bepaalen met te zeggen, dat ik het verlangen van dit beminnelyk schepzel, wier gevoelens my meer en meer bekoorden, inwilligde. Ik verklaarde derhalven by geschrift, en overëenkomstig haare toestemming, dat JOANNA, van dien dag af aan, aan Mevrouw GODEFROY toebehoorde, tot dat ik haar de geheele somme, welke zy my geleend had, betaald zoude hebben; en des anderen daags bragt ik haar, met toestemming haarer nabestaanden [14] by deeze Mevrouw, alwaar zy zig voor haare voeten werpende, haar het geschrift ter hand stelde. Maar de onvergelykelyke Mevrouw GODEFROY had het zelve zoo dra niet doorloopen, of zy riep uit: "Laat dit alzoo geschieden! koom, myne JOANNA, ik neem u, niet voor myne slavin, maar tot myn gezelschap. Ik zal voor u eene wooning in myne orangerie doen bouwen; myne slaven zullen u aldaar dienen, tot dat de Voorzienigheid over my beschikt; dan zult gy u volmaakt vry zien, zoo als gy in de daad zyn zult op het oogenblik, dat gy uwe vryheid begeert, als welke gy, zoo door uw goed gedrag, als van wegen uwe afkomst, [15] ontwyffelbaar verdient." Op deeze voorwaarden ontfing ik den 9den het geld, en ik bragt het den zelfden dag in myn hoed aan den heer DE GRAAF. Het zelve op zyne tafel hebbende nedergelegd, verzogt ik hem eene behoorlyke quitantie; en JOANNA was niet meer afhangelyk van de elendige Plantagie Fauconberg, maar alleen van de bescherming der eerbiedwaardigste vrouw, die in de Hollandsche bezittingen, ja misschien in de geheele weereld, gevonden word. Zy bedankte my met eenen oogwenk, welke geen Engel zelfs met een bekoorlyker indruk konde toevoegen.

De heer DE GRAAF, het geld hebbende nageteld, zeide my: "Myn lieve STEDMAN, van deeze somme komen my, als bestuurder der Plantagie, twee honderd guldens. Gedoog, dat ik dezelve niet aanneeme, en alzoo in deeze gelukkige gebeurtenis deele. Ik zal my volkomen betaald oordeelen door het genoegen, van tot het geluk van twee lieden, die zoo veel achting verdienen, te hebben mogen medewerken."

Na deezen belangloozen vriend bedankt, en hem vriendschappelyk de hand gedrukt te hebben, bragt ik oogenblikkelyk de twee honderd guldens aan Mevrouw GODEFROY te rug, en wy waren allen gelukkig.

De menschlievenheid van deeze vrouw bepaalde zig toen niet tot den dienst, dien zy ons deed, want, de deerniswaardige gesteldheid der zieken op Maagdenberg vernomen hebbende, zond zy hun ten geschenke een vaartuig, beladen met vruchten, groenten, en allerleie zoorten van ververschingen.

Den 7den Augustus, schreef ik aan den heer LUDEN, om hem van deeze schikking kennis te geven, en hem te bedanken, dat hy van het gewichtigste gedeelte van zynen eigendom wel hadde willen afstand doen. Myne enklauw op dit oogenblik byna genezen zynde, schreef ik ook aan den Colonel, dat ik de eer zoude hebben, my binnen eenige dagen by hem te vervoegen. Ik zond deezen brief naar Barbacoeba, want hy bevond zig aldaar; steeds, terwyl de onverschrokken Capitain STOELEMAN, met eenige Neger-Jagers de bosschen van eenen anderen kant doorkruistte: dien zelfden dag had hy vier der oproerige Negers naar Paramaribo gezonden. [16]

Den 10den, volmaakt hersteld zynde, en my gereed bevindende om in de bosschen te trekken, nam ik afscheid van myne vrienden, en van myn klein huisgezin, het welk ik by den heer DELAMARE liet, die 'er my om verzogt. Ik vertrok dus wel gemoed in een overdekt vaartuig, om mynen vyfden veldtocht te beginnen, en in de hoop van den Colonel FOURGEOUD te vergezellen. Hy verëenigde alle zyne kragten, en maakte de noodige toebereidzels, om binnen eenige dagen den vyand te gemoet te trekken.

Den 14den, kwam ik te Barbacoeba, aan het bovenste gedeelte van de Cottica; de zelfde plaats, waar ik my bevond, toen ik den slang Aboma doodde. Ik vond aldaar den Bevelhebber, die my zeer vriendelyk ontfing, en gereed stond om des anderen daags te vertrekken. Nooit zag ik de soldaten zoo bemoedigd, noch zoo stipt den dienst waarnemende. Zy wierden door verschillende beweegredenen aangezet: de één, door het vermaak om te vechten; de ander door een geest van wraakzucht tegen de muitelingen; zommigen, die de bedaardsten waren, door de hoop van deezen oorlog te zien eindigen; anderen eindelyk hadden verdriet in een leven, dat door een gestrengen dienst en door ziekten beurtelings wierd afgewisseld, en verlangden, om een roemryk einde aan hunne elende te maken; want 'er is geen ongelukkiger leven, dan dat van een soldaat of matroos, die aan vochtigheid, of aan de hette van eene brandende zon, in het midden van eindelooze bosschen, onder den zonne-keerkring gelegen, by aanhoudenheid is blootgesteld.

EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.

BERICHT VOOR DEN BINDER.

XVII. Wachtpost van Vrydenburg, aan de Rivier Maroni.--Mitsgaders gezicht van drie Legerplaatsen, aan de Wana-Kreek: te plaatsen tegen over [20]

XVIII. Gezicht van de Reede en Stad Paramaribo [40]

XIX. Platte grond der Stad Paramaribo [44]

XX. Eene Slavin, behoorende tot het geslacht der Quarteronnés Slaven [54]

XXI. Eene Samboe Slavin, wier lichaam door zweepslagen is van één gereeten [88]

XXII. Eene Indiaansche Familie, tot het geslacht der Caraïben behoorende [158]

XXIII. Wapenen, Huisraad en Cieradiën der Indianen [206]

XXIV. Gezicht van den Wachtpost de Hoop, en van de Plantagie Klarenbeek, beiden aan de Commewyne [212]

XXV. De Aapen, genaamd Coiata, en Saki-Winki [224]

XXVI. Tak van den Roucou- of Arnotta-Boom.--Riviervisch, genaamd Dago-Faisy.--En de New-Mara [236]

XXVII. Een Surinaamsch Planter, in zyn morgen-gewaad [282]

XXVIII. De Koolboom; en Palmboom, Mauricy genaamd [302]

XXIX. Post van Maagdenberg, aan de Tempaty-Kreek.--En Post van Calais, aan de Cassivica-Kreek [306]

NOTES

[1] Volgens Mejuffrouw MERIAN en LINNAEUS is STEDMAN in dit verkeerd begrip gevallen. De eijeren van de Pipal, uit het lichaam van het wyfjen uitkomende, worden door het mannetjen vruchtbaar gemaakt; op de zelfde wyze, als die van alle andere kikvorschen of padden. Het mannetje duwt ze te gelyker tyd onder zyn buik, en spreidt ze uit op den rug van het wyfjen: de eijeren kleeven aan de huid vast, en het vruchtbaarmakend vocht van het mannetje, het geen dezelve besproeit, doet de bekleedzelen van den rug opzwellen. De eijeren intusschen worden dik, de jongen broeien uit, komen uit hunnen dop, en een waarnemer, die hen op dit oogenblik ontmoet, zou gelooven, dat zy op den rug zelven van hunne moeder zyn voortgebracht.

Aantekening v. d. Franschen Vert.

[2] Men leest in de Beschryving der Dieren van den heer PENNANT, dat deeze zelfde ARSCOTT, een Engelschman, zoo verre gekomen is, dat hy eene gemeene padde eenigermaten heeft tam gemaakt. Dezelve was van eene ongemeene grootte; het was omtrent zes-en-dertig jaaren geleden, dat deeze padde zig voor de eerste maal aan den vader van ARSSCOTT vertoond had; hy had langen tyd onder een trap gehuisvest. De zorg, die men voor zyn onderhoud droeg, maakte hem tot een huisdier, zoodanig dat hy alle avonden, wanneer hy licht in huis bemerkte, voor den dag kwam, en de oogen opsloeg, als of hy verwagtte, dat men hem zoude opvatten, om op de tafel zetten. Aldaar vond hy zyn eeten klaar gemaakt; dit bestond uit wormen, van het zoort, zoo als men op bedorven vleesch ziet te voorschyn komen: men bewaarde dezelve voor hem in zemelen. De pad ging dezelve met aandacht na; en wanneer zig één van deeze wormen onder zyn bereik bevond, bespiedde hy dien met het oog, en bleef eenige oogenblikken onbeweeglyk; vervolgens wierp hy eensklaps zyne tong van verre op den worm, die 'er aan bleef hangen, door middel van een lymig vocht, waar mede dezelve aan het einde bestreeken was; deeze beweeging van de tong was zoo gezwind, dat 'er de toekyker geen oog op houden konde.

Het is waarschynlyk, dat deeze padde zeer lang geleefd zoude hebben, zoo niet een huis-raaf hem op zekeren tyd by den ingang van zyn hol had aangepakt. De pogingen, welke ARSSCOTT deed, om de padde aan zynen vyand te ontrukken, konden niet beletten dat deeze hem een oog uitpikte; schoon hy naderhand nog een jaar geleefd heeft, wierd hy treurig en kwynende. Hy had veel moeite, om zynen buit meester te worden, dewyl het verlies van zyn oog hem het vermogen benam, om denzelven juist te mikken.

Aanteeken. v. d. Franschen Vert.

[3] Indien men zommige reizigers gelooven mag, maakt de Trompetter zig meester van de voorplaats. Des morgens jaagt hy alle de kalkoenen, eendvogelen en andere huisdieren naar buiten; en des avonds noodzaakt hy dezelve om te rug te komen: hy zelf sluit zig niet op; hy slaapt of op het dak van de voorplaats, of op een naby staande boom.

Aant. v. d. Fransschen Vert.

[4] Deeze driehoeken hebben drie punten, zynde lang en met weerhaken, gelykende naar kleine dreggen, en die uit een yzeren halsband uitkomen.

Aanteek. v. d. Schryver.

[5] De Lepelaar, of Bécharu, is de Flamant van BRISSON, of de Flamant van BELON, en de Phoenicopterus der ouden. Men zegt, dat de laatstgemelde naam, afgeleid van den naam, dien de Grieken aan deezen vogel gegeven hebben, volgens deszelfs oorsprong beteekend, een vogel met vuur-kleurige vlerken, en schildert zeer wel den Phoenicopterus, wiens vlerken in de daad van een zeer levendig roode kleur zyn. De naam van Bécharu is hem gegeven uit hoofde van de byzondere gedaante van zyn bek, die gekromd is als het kromhout van een ploeg.

Deeze vogel is eenig in zyn zoort, en maakt een geslacht op zig zelf uit. Men vind die op 't oude vaste Land; en in Europa, op de kusten van Spanjen, Italiën, Provence, en Languedoc. De Americaansche Indianen maken, van zyne fraaije vederen, halsbanden, mutsen, gordels, waar mede zy zig vercieren. Het vleesch van den jongen Phoenicopterus wierd door de ouden als eene uitgezochte spyze beschouwd.

[6] Het schynt, dat dezelve de pacobe of bacove van Cayenne is. Men noemt de vrucht van den Bananen- en Plantain-boom doorgaans bananen; maar wy hebben dezelven, met den Schryver van dit werk, onderscheiden, door aan de vrucht van den laatstgemelden, den naam van plantain te geven. Dit was noodzakeiyk, want hy verwart ze niet, en spreekt dikwils van beiden te gelyk.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[7] De Schryver van deeze reize verwyst hier den lezer tot de meer uitgebreide opgaven, door Dr. BANCROFT aangaande dit vergift gegeven in zyne natuurlyke Geschiedenis van Guiana, een werk, weinig of in 't geheel niet in Frankryk bekend.

BANCROFT begint met te verhaalen, het geen DE LA CONDAMINE voor hem nopens dit vergift gezegd heeft; zie het zelve hier: "De Yamcos zyn zeer afgericht op het maken van lange pylkokers, die het gewoonste jagt-wapen der Indianen zyn. Zy doen daar in kleine pylen van palmhout passen, welke zy, in plaats van met vederen, met een kleine kloen catoen voorzien, die de buis naauwkeurig vult. Zy werpen dezelve door blaazen dertig of veertig schreden ver, en missen byna nooit te raken. Een zoo eenvoudig werktuig vervult by alle deeze volken met zeer veel voordeel het gebrek van schietgeweer. Zy doopen de punt van deeze kleine pylen, als mede die van hunne bogen, in zulk een scherp vergift, dat het zelve, wanneer het versch is, in minder dan één minuut het dier doodt, het welk door den pyl gewond is. Schoon wy snaphaanen hadden, hebben wy, aan de Rivier, nooit wildt gegeten, het welk op eene andere wyze gedood was, en dikwils hebben wy de punt van den pyl onder den tand gevonden; daar by is geen gevaar hoe genaamd; dit vergif werkt niet, dan wanneer het onder het bloed koomt. Dan is het voor den mensch niet minder doodelyk, dan voor andere dieren. Het tegengift is het zout, en nog zekerder de suiker"--Op een andere plaats:

"Dit vergift is een uittrekzel, door middel van het vuur gemaakt, uit de sappen van onderscheidene planten, en in 't byzonder van zekere heestergewassen. Men verzekert, dat het vergift, ticunas genaamd, zynde het zelfde, waar mede ik de proef genomen heb, het welk onder de verschillende zoorten, die langs de Rivier der Amazonen bekend zyn, het meest geacht is, uit meer dan dertig zoorten van kruiden is zaamgesteld". (Verkort verhaal van eene reize door de binnen-lánden van Zuid-America gedaan.)

"De ticunas (dus vervolgt Dr. BANCROFT) wordt waarschynlyk gemaakt van de zelfde kruiden, als de wourara, een vergift, het welk zynen naam ontleent van het heestergewas, het welk 'er de grondslag van uitmaakt. Het vergift der Accawaus-Indianen, het welk voor het geweldigste gehouden wordt, bestaat slechts uit vyfderley kruiden, wel verre, dat het uit dertig zoude bestaan, zoo als de heer DE LA CONDAMINE van de ticunas opgeeft. Andere volken echter, en in 't byzonder de Arrawks, voegen 'er naar goedvinden de tanden en lever van een vergiftige slang, als mede roode peper, by; het laatste, om 'er de werking van te vermeerderen. De Worrows mengen 'er een grooter getal kruiden onder, misschien uit bygeloovigheid, of om dat zy zig door onkunde verbeelden, dat zy, meerder dingen onder elkander mengende, de verlangde uitwerking des te zekerder bekomen zullen.

"Zie hier het voorschrift van het vergift der Accawaus, het welk verscheiden van hunne Peji of Geneeskundigen my op verschillende tyden gegeven hebben: allen stemden zy over één met opzigt tot het zoort en getal der planten; zy verschilden alleenlyk in de hoeveelheid of gifte.

Men neemt van alle de kruiden, waar uit dit mengzel bestaat, even veel.

Men neemt zes deelen van de schil van den wortel van wourara, twee van de schors van warra cobba courra; één van de schil van den wortel van concassapi, één van balleti, en eindelyk één van hatchybaly.

Men schraapt alles fyn, doet het in een kruik, en giet 'er water op. Men zet deeze kruik op een matig vuur, zoo dat het na verloop van een vierde van een uur begint te koken. Dit gedaan zynde, moet men het sap met de hand uitdrukken, zorg dragende, dat de huid niet ontvelle. Men werpt de bast weg, en doet vervolgens het sap op een matig vuur uitdampen, tot op de dikte van pik en teer. Dan neemt men het af, en men doopt daar in kleine platte stukken cokarito hout, (een zoort van palmhout,) waar aan het vergift, wanneer het koud is, blyft hangen, en dan de gedaante heeft van een roodachtig bruine gom. Deeze stukken hout dus bestreken zynde, steekt men dezelve in groote holle rottingen, aan beide einden met een huid toegemaakt. Wanneer men een pyl wil vergiftigen, werpt men één van deeze stukken hout in 't water, of men houdt het zelve boven den rook van 't vuur, om door dien damp week te worden; in het eerste geval doopt men de pyl in 't water, en in 't tweede wryft men die tegen dit stuk hout. De kleinste hoeveelheid van dit vergift, door eene wonde in de bloedvaten van een dier gebragt zynde, doet het zelve in minder dan één minuut sterven, zonder eene blykbaare waare pyn, schoon men zomtyds ligte stuiptrekkingen op het oogenblik van den dood bemerkt.