Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2

Part 11

Chapter 11 4,014 words Public domain Markdown

Den 11den, kwamen wy op de Plantagie Crawassibo, alwaar wy den nacht doorbragten. De Opzigter van deeze Plantagie dreef aldaar zyne onbeschoftheid tot die hoogte, dat ik, die reeds tegen al dit zoort van lieden was vooringenomen, hem een frisschen vuistslag in 't aangezicht gaf. Hy rekende zig daar door zoo beledigd, dat, schoon hy vry wat bloedde, hy zig met een enkelen Neger in een kano begaf, en in dien staat te middernacht op 't alleronverwagtst voor den Colonel FOURGEOUD verscheen, die in plaats van zyne klagten te beantwoorden, hem al vloekende wegjoeg.

Den 12den kwamen wy op Maagdenberg, te weten, de Colonel FOURGEOUD, de Officiers en de vaartuigen met zee-soldaten beladen. Zedert dat wy de Hoop verlaten hadden, wierden de Plantagiën zeldzaamer, en na dat wy die van Goed-Accord, welke tien of twaalf mylen verder ligt, voor by waren, zagen wy geene bebouwde landen meer. De muitelingen hadden, zoo als ik reeds gezegd heb, alle de Plantagiën, die hooger op lagen, verwoest, uitgenomen eene kleine bezitting, zoo ik meen, Jacob genoemd, alwaar men Negers hield, om hout te hakken. De Rivier word boven Goed-Accord zeer naauw, en is van wederzyden door ondoordringbaare heesterstruiken bezet, even als de Cottica, tusschen Devil's Harwar en de Patamaca-Kreek. De Tempaty-Kreek, welke men als den oorsprong van de Commewyne kan aanmerken, vernaauwde zig op gelyke wyze zeer sterk. Maagdenberg, liggende honderd mylen van Paramaribo, was voor deezen eene Plantagie; maar 'er zyn aldaar geene andere overblyfzels van bebouwing, dan een oude oranje-boom: deeze plaats geeft thans niets meerder dan een dor en woest gezicht.

Wy zagen hier en daar kleine schelpen verspreid, die het voorkomen hadden van die geene, welke men de moeder der peerlen noemt, en ten naasten by zoo groot waren als een Engelsche, schelling. Men vindt in verscheiden gedeelten der Volkplanting van Surinamen, voetstappen van bergwerken en mineraalen. De yzer-mynen zyn 'er gemeen; en ik twyffel niet of men zoude 'er ook goud en zilver ontdekken, indien de Hollanders 'er de noodige kosten toe wilden doen, en daar toe onvermoeid lieten arbeiden. Ik heb reeds gesproken van den diamant van Maroni, en van de roode en witte agaat, in het bovenste gedeelte der Rivier van Surinamen.

De lucht was zuiverder en frisscher, en gevolgelyk veel gezonder op Maagdenberg, dan in eenig ander gedeelte deezer Volkplanting.

Den 17den, vernamen wy, dat het transportschip de Maria Helena, hebbende twee andere divisiën van honderd twintig mannen aan boord, onder bevel van den Capitain HAMEL, den 14den deezer maand in de Rivier Surinamen mede was binnen geloopen: dus bestond de geheele versterking in twee honderd en veertig man, die den 3den Maart in vaartuigen op Maagdenberg aankwamen, alwaar de geheele krygsmagt van den Colonel FOURGEOUD zig toen by den anderen bevond. Den zelfden dag kwamen 'er ook honderd Negerslaven aan, die bestemd waren om op onzen tocht de pakken te dragen. Een van deeze Negers aan boord van één der vaartuigen vermist wordende, wierd de bevelhebbende Officier, genaamd CHATEAUVIEUX, en een schildwacht, welken men met bloed besmet vond, in arrest genomen, om als beschuldigden van eene moord gevonnisd te worden. Deezen zelfden dag hadden twee van onze Capitains een tweegevecht, en één van hun wierd aan het voorhoofd gewond.

Den 13den, vond een vaartuig, met mondbehoeften geladen, van Paramaribo komende, den Neger, die den 5den vermist was; hy lag aan den waterkant in de heesterstruiken, zynde in de strot gestoken, maar nog levend, vermits de steek de lugt-ader niet geraakt had. Het vaartuig nam deezen ongelukkigen op, en bragt hem te Maagdenberg, alwaar door een bekwaam Heelmeester, den heer KNOLLAERT, de wond wierd toegenaait, en deeze man op eene wonderbaarlyke wyze herstelde, schoon hy negen dagen zonder voedzel en zonder hulp gebleven was, in zyn bloed badende.

In de daar aan volgende week verloor ik byna door een toeval het leven. Zie hier de zaak. De Colonel FOURGEOUD gebruikte twee Negers van de Plantagie Goed-Accord, om voor hem te jagen en te visschen. Een van hun, PHILANDER genaamd, stelde my voor, om hen in de bosschen te vergezellen, alwaar wy eenige pingos, of eenige powesas zouden kunnen ontmoeten; maar wy hadden nog geen twee mylen afgelegd, of wy wierden door eenen geweldigen slagregen overvallen, die ons noodzaakte om dit ontwerp te laten varen, en op den hoek lands, Jacob genaamd, de wyk te nemen. Om daar te komen, moesten wy een moeras doorwaden, zoo diep dat wy het water tot onder de armen hadden. PHILANDER (de schoonste manspersoon, dien ik immer gezien heb,) begaf zig tot zwemmen, en zyn medgezel van gelyken. Zy kliefden het water alleenlyk met de eene hand; met de andere hielden zy hunne jagt-geweeren in de hoogte. Zy noodigden my om hen daar te volgen, zoo als ik ook deed, niets anders dan myn borstrok en broek aan hebbende; maar na het maken van eenige bewegingen, zonk ik met myn snaphaan naar den grond. Ik liet hem daar, en weder boven water komende, verzogt ik PHILANDER te duikelen, en den snaphaan van den grond te haalen; toen lag hy de zyne op een Palmiet boom, en haalde vervolgens de myne zonder moeite. Op dit oogenblik hoorden wy een donderende stem uit het midden der doornstruiken roepen:--"qui somma datty? en door een ander, Souto, Souto da BONNY kiry da dago? Wie is daar? geef vuur! 't is BONNY! slaat den schelm dood!" Ons oprichtende, zagen wy vyf of zes snaphaanen, op eenen korten afstand op ons aangelegd. Ik duikte dadelyk onder water; maar PHILANDER geantwoord hebbende, dat wy tot den post van Maagdenberg behoorden, veroorloofde men ons, om één voor één naar de Plantagie Jacob te gaan. Zy, die ons gezien hadden, waren Neger-slaven, die in 't water hoorende roeren, naar den kant, van waar dit gerucht kwam, keeken, en drie gewapende mannen in het moeras ontdekten. Zy geloofden, dat het de muitelingen waren, die voorwaarts trokken, onder geleide van BONNY zelven, voor wien zy my aanzagen, om dat ik byna naakt, en myn lichaam door de zon verbrand was; myne hairen, die kort en gekruld waren, deeden my naar eenen Mulat gelyken. Na een weinig rhum gedronken, en onze kleederen voor een goed vuur gedroogd te hebben, keerde men naar Maagdenberg te rug, alwaar men my geluk wenschte met aan dit gevaar ontsnapt te zyn.

De Colonel FOURGEOUD toen van eene versterking van versche manschappen voorzien zynde, deed, den 9den, alle zyne verminkten naar Holland inschepen. Myn vriend HENEMAN vertrok ook, den 6den February, naar dit zelfde Land, in eenen aller elendigsten staat.

Op den zelfden bodem, als deeze jongman, bevonden zig verscheide andere Officiers, die gedwongen waren te vertrekken, niet door ziekte, maar door afkeer en mismoedigheid, welke de onrechtmatige behandeling van den Colonel, die, zoo als ik op het einde van het tiende hooftstuk gezegd heb, hunne bevordering had tegengehouden, aan hun veroorzaakte. Zy hadden gezien, dat jongelingen, die nog ter school gingen, wanneer zy zelven in 't jaar 1772 reeds in dienst der Volkplanting waren, aan hun wierden voorgetrokken. Die geenen, welken de Colonel, den 6den December 1774, in arrest had doen zetten, om in Holland gevonnisd te worden, wierden op het zelfde schip gebragt. Dit schip was niets anders dan een hospitaal, maar zeer slecht van ververschingen voorzien.

Den 21sten, deed de Colonel met genoegen de monstering van zyn klein leger, en het smertte my zeer de Neger-Jagers daar niet by te zien. De eerste zorge van den Bevelhebber was vervolgens, om eene wacht aftezenden, tot het bespieden der omleggende streeken van zyne nieuwe legerplaats, en ik had de eer daar toe te behooren. Geduurende deezen kleinen tocht viel 'er niets merkwaardigs voor, dan het ontmoeten van eene groote meenigte Coïatas (quoata in Guiana, quatto in Surinamen, chameck in Peru genaamd) zynde een zoort van aapen, die zeer veel opmerking verdienen, uit hoofde van hunne overëenkomst met den mensch, eene hoedanigheid, welke ik niet met stilzwygen mag voorby gaan. Op zekeren avond met mynen kleinen QUACO buiten de legerplaats wandelende, naderden deeze aapen van zeer naby, om ons te bekyken, en zy wierpen kleine stukjens hout, en hunne vuiligheid naar ons toe. Wy bleven staan, en ik konde hen gemakkelyk waarnemen. De Coïata is zeer groot, en zyne staart ongemeen lang. Zyne armen en beenen zyn met lange zwarte hairen bedekt, het welk een zeer onaangenaam gezicht maakt. De huid van zyn aangezicht is rood, en zonder hair, de oogen zyn ingedoken, en ten dien opzigte gelykt hy niet kwalyk naar een oud Indiaansch wyf. Zyne ooren zyn kort; zyne handen of voorpooten hebben vier vingeren en geene duimen; maar de agterpooten hebben vyf toonen, allen met zwarte nagels. Het uiteinde van zyne staart is krulswyze gedraait; zy is zonder hair en eeltachtig, vermits hy 'er dikwils gebruik van maakt, om aan de takken der boomen te blyven hangen, en dan dient zy hem tot een vyfde lid. De gezwindheid, waar mede de Coïata van de eene boom op de andere overgaat, is wonderbaarlyk; maar ik heb hem niet zien springen. Het schynt, dat deeze eigenzinnigheid, om kleine stukjens hout, en vuiligheid te werpen, slechts eene naarbootzing van de bewegingen der menschen is; want hy doet het altyd in 't wild, en heeft de behendigheid noch kragt niet, die 'er noodig zyn, om het door hem gemikte voorwerp te raken; en zoo dat al gebeurt, het is by louter toeval. Maar in de Coïata is dit zeer merkwaardig, dat zoo dra hy door een snaphaanschoot of pyl gewond is, hy aanstonds zyn poot op de wonde legt, zyn bloed ziet vloeijen, en met behulp van zyne medemakkers, boven op den boom klimt, een droevig geschreeuw makende. Hy maakt zig aldaar met de staart aan een tak vast; en gaat voort zyn lot te betreuren, tot dat hy, door het verlies van zyn bloed verzwakt, voor de voeten van zynen vyand dood nedervalt. [9]

Het is niet verwonderlyk, dat deeze aap, wanneer hy gewond is, door de dieren van zyn zoort geholpen word, om op den top van eenen boom te klimmen; maar dat zy kennis genoeg van de kruidkunde hebben zouden, om de wond-planten uit te zoeken, te kaauwen, en op den wond te leggen, dit is iets het geen ik niet gelooven kan, schoon zeker reiziger het nog onlangs verzekerd heeft. Betreffende de hulp, welke zy elkander toebrengen, om over een Rivier te komen, en die daar in bestaat, dat zy de staart van den één aan den ander vastbinden, tot dat de laatste van de reije zig van boven van een tak van een boom geworpen heeft, hoe groote achting ik ook heb voor ULLOA, die dit verhaalt, en die zulks in eene plaat vertoond heeft, durve ik echter, dewyl hy 'er geen ooggetuige van geweest is, hier aan twyffelen, en zelfs aan hem, die beweert het zelve gezien te hebben. [10]

Ik moet ook nog spreken van een anderen aap, dien ik by den Colonel FOURGEOUD zag, en wien men in Surinamen den naam van Wanacoe geeft. Hy is met lange zwarte hairen bedekt, even als de Coïata, maar zyne ledematen zyn veel korter, hairachtiger, en zyn aangezicht is van eene vuile witte kleur: deeze aap is de eenige van zyn zoort, die voor geen maatschappelyk leven is; men vindt hem altoos alleen. Dit eenzaam dier word door de aapen van andere zoorten zoo veracht, dat zy hem by aanhoudenheid slaan, en hem zyn voedzel ontsteelen; hy is al te langzaam om hun te ontsnappen, en al te lafhartig, om hen te bevechten.

De Saki-winki is de kleinste van de aapen met lange hairen, en misschien van die van Guiana, zoo niet van de geheele weereld; want hy is niet veel grooter dan een Noorweegsche rot.

Deeze aap is een allerliefst diertje, hebbende gekruld en zwart grys hair, een aangezicht van eene witte kleur, en zeer schitterende oogen. Zyne ooren zyn breed en kaal, maar weinig zichtbaar, zynde bedekt door een baard, die hem rondom het aangezicht groeit; zyne pooten gelyken naar die van een eekhoorntje; zyne staart is dik en met ringen. Hy is zoo vatbaar voor de koude, dat men hem naauwlyks levendig in Europa brengen kan, en dat hy, aldaar aankomende, gaat kwynen en sterft. De Hollanders noemen hem chagryntje, om dat hy zig ligtelyk aan treurigheid overgeeft. Ik heb de groote Coaïta, en de kleine Saki-winki op de nevensstaande plaat afgeteekend, ten einde myn penceel de onvolmaaktheid van myne pen mogt aanvullen.

By myne te rug komst op Maagdenberg, wierd ik door eenen zwaaren boom, die van ouderdom voor myne voeten nederviel, byna verpletterd. Dit toeval gebeurt in de bosschen van Guiana meenigmaal, en zelfs wierden twee of drie zeesoldaten op die wyze, maar ligtelyk, gewond. Geduurende al den tyd, dat onze ronde duurde, hadden wy veel regen, en doorwaadden eene kleine Kreek. Wy hakten een palmboom om, die aan den waterkant stond; hy viel aan de andere zyde over, en diende ons alzoo tot een brug.

Te rug gekomen zynde, ging ik den ongelukkigen Neger bezoeken, dien men met een steek in de strot gevonden had, en die op dit oogenblik vry wel hersteld, en in staat was, om te kunnen spreken. Hy verklaarde my, dat hy zig zelf zoodanig verminkt had. Ingevolge deeze verklaaring, wierden de Officier en de schildwacht, welken men verdacht gehouden had, oogenblikkelyk weder in vryheid gesteld. Ik vroeg deezen man, welke reden hem had kunnen bewegen, om zig zelven te willen van kant maken? Hy antwoordde my:--Geene hoe genaamd.

"Ik heb, zeide hy my, ik heb den besten meester, en de beste meesteresse van de weereld; ik heb eene familie, welke ik bemin, en die my bemint. Ik had den geheelen nacht, tot vier uuren des morgens, sterk geslapen, toen ik, ontwakende, het mes nam, om met de punt myne tanden schoon te maken, en op 't oogenblik stak ik my in den strot, zonder te weten waarom. Een oogenblik daar na had ik berouw over 't geen ik gedaan had. Ik stond toen uit myne hangmat op, en ging in de kano, om my te wasschen, en de wond, zoo mogelyk, toe te maken. Gebukt hebbende, om water te scheppen, en by aanhoudenheid veel bloed kwyt raakende, stortte ik in eene flaauwte, en viel in de Rivier. Toen had ik geen kracht meer, om my op te richten, noch zelfs om hulp te roepen. Echter gelukte het my, na veele pogingen, den oever der Rivier te bereiken, alwaar ik op nieuw flaauw viel, en alleen bleef leggen, tot op het oogenblik, dat het vaartuig, het welk naat Maagdenberg ging, my aan boord nam. In al dien tusschentyd, die negen dagen duurde, bleef ik volkomen by myne kennis, en zag een Ouarini, (mier-eeter,) die aan het bedorven bloed, het welk ik rondom den hals had, kwam ruiken; maar ik maakte eenige beweging, en hy keerde naar het bosch te rug".

Ik gaf aan deezen ongelukkigen eenige beschuit, welke men my van Paramaribo gezonden had; ik voegde 'er een groote calebas vol garst by, om soup voor hem te maken, en een fles wyn. Deeze Neger scheen my toe omtrent zestig jaaren oud te zyn.

Ik ontfing op dit tydstip, en met moeite, eenen brief van den heer KENNEDY, die zig gereed maakte, om naar Holland in te schepen, en my verzocht, om mynen kleinen QUACO naar zyne Plantagie te rug te zenden; het geen ik oogenblikkelyk deed, aan deezen jongen slaaf eenen brief medegevende, waar by ik aan zynen meester een aanbod deed, om denzelven van hem te koopen, zoo dra het in myne macht zoude zyn, om 'er hem den koopprys voor te betaalen.

Den 2den April gaf de Colonel FOURGEOUD aan alle de zieken, die in de Volkplanting gebleven waren, bevel, om zig naar Maagdenberg te begeven, alwaar hy een hospitaal en een groot Magazyn voor de mondbehoeften liet oprichten. Dus kwamen alle de verminkten van Klarenbeek alhier aan, vergezeld van heelmeesters, apothecars, derzelver knechts, enz. De lucht was in de daad, zoo als ik hier boven heb aangemerkt, op deeze hoogte beter, dan ergens elders. De Colonel was op dit oogenblik in een zeer kwaden luim, en mishandelde vriend en vyand, zonder onderscheid. Hy zwoer, dat geen krygsman, onder zyn bevel staande, van den dienst ontheven zoude worden, indien hy slechts op zyne beenen staan konde. Byna te gelyker tyd zond men eene aanzienlyke krygsbende naar de Plantagie Brouyingsbourg, aan de Commewyne, alwaar men voor eenen opstand beducht was, om dat de Negers geweigerd hadden des Sondags te werken: men dwong 'er hen echter door zweepslagen toe.

Wy waren in het midden van het regen-saisoen, het welk den Bevelhebber niet wederhield, om ons zyn oogmerk tot het doorkruissen der bosschen te verklaaren; en dienvolgende gaf hy last, ten einde twee sterke kolommen des anderen daags zouden optrekken.

De reden, die hem bewoog, om zulk een gevaarlyk jaargetyde te verkiezen, bestond hier in, dat indien het hem nu gelukte de muitelingen te doen verhuizen, hy hen tot hongersnood zoude doen vervallen, het geen in het saisoen van droogte, wanneer de bosschen van allerleije zoort van vruchten en wortelen rykelyk voorzien zyn, niet geschieden konde. Dit was echter, naar myn inzien, eene verkeerde rekening; want men moest ook in 't oog houden, welke verwoestingen zulk een ongezond jaargetyde, het welk twintig van onze soldaten tegen éénen muiteling zoude doen omkomen, onder ons krygsvolk stond aan te rechten.

De Colonel was van een zeer sterk gestel, en hy had byna zyn geheele leven in de oeffeningen der jagt doorgebragt. By deeze gave der natuur voegde hy eene andere, de gematigdheid, en voorts gebruikte hy dagelyks zynen geneesdrank.

Zyne geheele kleeding bestond in een overrok, waar in zyn degen door een knoopsgat doorging. Op zyn hoofd droeg hy een catoene muts, met een witte hoed 'er op. In zyn hand hield hy een rotting, maar zelden droeg hy zyn snaphaan of pistolen. Ik heb hem wel gezien, zeer slecht gekleed en blootsvoets, als de gemeenste soldaat.

Den 3den April, des morgens ten zes uuren, trokken de twee colommen op weg, de eene onder bevel van den Colonel FOURGEOUD, de andere van den Colonel SEYBOURG; ik had de eer tot de eerste te behooren. Onze arme soldaten waren verschrikkelyk beladen; zy hadden bevel ontfangen, om hunne snaphanen in hun knapzak te steeken, den mond derzelve alleen uitgezonderd: dit geschiedde, om hun geweer voor de stortregens te beveiligen. Wy trokken zuidoost-waarts langs de oevers van de Tempaty-Kreek, en wel dra ontmoetten wy moerassen, waar in wy tot over de kniën door 't water gingen.

Geduurende den tocht van den eersten dag, ontmoetten wy eenige fraaije eekhoorntjes, van welke dieren in dit Land verscheide zoorten zyn. Die wy zagen, waren bruin, den buik wit, en de staart een weinig dik; zy waaren zoo groot niet, als die in Europa. Men vindt 'er in Guiana, die wit zyn, met roode oogen; 'er zyn 'er ook die vliegen. Men weet, dat de laatstgemelde geene vlerken hebben, maar dat een vlies, een gedeelte van hunne huid uitmakende, van wederzyden tusschen de voor- en agter-pooten geplaatst, hun daar voor dient. Deeze huid, wanneer zy springen, spreidt zig uit als de vlerk van een vledermuis; door dit middel vliegen deeze dieren door de lucht tot eenen zeer verren afstand.

Des anderen daags, den 4den April, vervolgden wy onzen tocht zuidoost-waarts, tot twee uuren toe; maar vervolgens namen wy onzen weg ten zuid-zuidwesten.

Deezen dag trokken wy voorby eenige hoopen fraay werkhout, het welk op den grond lag te verrotten zedert het jaar 1757, wanneer de Plantagiën door de Neger-slaven, die toen in opstand geraakt waren, waren vernield geworden. Onder dit hout ontdekte ik, dat van den rood- of purper-hout boom, van den yzer-hout boom, en van de bourracourra.

De purper-hout boom groeit zomtyds tot de hoogte van veertig voeten, en heeft een stam van eene geëvenredigde dikte. Zyn schors is bruin en glad; zyn hout is van eene fraaije purper kleur, en van eene aangenaame reuk. Men waardeert hem zeer, uit hoofde van deszelfs vastheid.

De yzer-hout boom, aldus van wegen deszelfs hardheid genoemd, verheft zig byna tot de hoogte van zestig voeten. Zyn schors heeft eene heldere kleur. De Indianen en Europeanen maken veel werk van deszelfs hout, om dat het zoo hard en in één gedrongen is, dat het zelfs de byl wederstaat, en voor eene zeer schitterende gladheid vatbaar is: in het water gaat het te niet.

De bourracourra verheft zig tot de hoogte van dertig of veertig voeten; maar hy is niet zeer dik, en zyn schors is rood. Het hart alleen van dit hout is goed; maar wanneer men 'er het spint afneemt, is deszelfs middellyn merkelyk verkleind. Intusschen is het zoo wel fraay als nuttig, zynde van een zeer fyne karmosyn-kleur, met onregelmatige en zwarte moesjes gevlakt, waarom de Franschen 'er den naam van letterhout aan gegeven hebben. Het is in één gedrongen, vast, en hard, schoon een weinig tot breken geneigd, en het neemt ook den schitterendsten glans aan. Het letterhout is zeldzaam in Guiana; maar de twee eerstgemelde zoorten zyn 'er in meerder overvloed, en groeien op de hooge gronden. Men vindt in dit Land ook ebbenhout. De boomen van hard hout, tot planken voor de suiker-molens gezaagd, worden voornamelyk verzonden naar de Engelsche Eilanden in de West-Indiën; men verkoopt dezelve zeer duur.

Het bevel tot den tocht op den 5den gegeven zynde, vouwden wy onze hangmatten op, en wy trokken ten zuid-zuid-oosten, vervolgens ten zuid-oosten, door gevaarlyke en diepe moerassen, alwaar wy tot aan de borst toe door het water gingen, en de regen viel als met bakken van den hemel. In deeze elendige gesteldheid, hadden wy eene onaangenaame ontmoeting, niet door de muitelingen veroorzaakt, maar door een hoop groote aapen, die wy vervolgens boven in de boomen vernamen, Zy sloegen een zoort van noten tegen de takken, om 'er de pit uit te haalen; het geen zy met eene groote regelmatigheid deeden, laatende tusschen elken slag eene tusschenpoozing van tyd verloopen. Sommigen van hun wierpen van die noten naar ons toe; en zelfs bekwam één van onze soldaaten daar door een gat in 't hoofd. Het geraas, het welk deeze aapen by het breken van die noten maakten, had ons in de gedachten gebragt, dat het de muitelingen waren, die in het bosch, met een byl hout hakten.

Des avonds sloegen wy ons neder by de Tempaty-Kreek. Wy ontstaken op deeze plaats groote vuuren, en bouwden aldaar vry goede hutten: dus bragten wy deezen nacht door, beveiligd voor de vochtigheid. Wy vonden hier het beste water, het welk ik immer gedronken heb; en ik zag op de legerplaats twee merkwaardige hagedissen, dragende in dit Land den naam, de één van bosduivel, en de andere agama. De eerste is klein en leelyk, en van eene zeer hoog bruine, of zelfs zwartachtige kleur. Hy klimt op de boomen, en koomt met eene ongelooflyke schielykheid weder naar beneden; hy heeft geene schubben; zyn kop is breed, en men zegt, dat hy byt, het geen de hagedissen anders niet gewoon zyn. De tweede heeft ook den naam van de Mexicaansche Kameleon. Hy is ongemeen schoon, en even als alle anderen van dit zoort, bezit hy het vermogen om van kleur te veranderen; maar geen tyd gehad hebbende, om hem met aandacht te onderzoeken, kan ik van zynen aart en hoedanigheden niets meer zeggen. In Surinamen is ook nog een zoort van Hagedis, bekend onder den naam van Salamander; maar ik heb hem nooit gezien.

Den 6den, vervolgden wy onzen tocht, nemende den weg westwaarts tot den middag toe. De regen viel steeds geweldig, en wy liepen door het water. Op het gemelde uur, veranderden wy onzen weg, om noordwaarts te gaan, en wy trokken langs zeer hooge bergen, die, zoo als ten minsten veelen vooronderstellen, in hunnen boezem schatten bevatten:

"Rotsen met kostbaare gesteenten verrykt; bergen, waar op de glinsterende aderen van schitterende mynstoffen blinken; die ketenen vormt, boven den middaglyn in hoogte verheven; waar uit talryke beken ontspringen, om over het gouden zand heen te rollen; ontzag verwekkende bosschen, wier bladeren allerleije levendige kleuren vertoonen, die uwe golfswyze toppen op een onmeetlyk toneel in evenwicht houdt. (THOMSON)"