Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 2

Part 10

Chapter 10 3,934 words Public domain Markdown

Ik moet ook niet vergeten, dat elke Indiaan ter zyner verdediging een knods draagt, welke men apoutou noemt, van het zwaarste hout uit het bosch gemaakt: dezelve is agttien duimen lang, aan de twee einden plat en vierkant; maar aan het eene einde veel zwaarer, dan aan het andere: in het midden is dezelve het dunst; hy is omwonden met zeer sterke draden catoen, dienende om hem met des te meerder vastheid aan te vatten, en door een zoort van stootplaat gedekt, om de voorhand te bewaaren. Door een slag met deezen knods, waar aan dikwils een puntige steen word vast gemaakt, slaat men iemand de herssens in. De Indianen van Guiana snyden dikwils op hun apoutou beeldspraakige vertooningen, en het getal der vyanden, welken zy gedood hebben. Om den steen aan deezen knods vast te maken, steekt men dien in den boom zelven, die het hout levert, terwyl die in zyn groei is; dezelve hecht zig daar aan als dan zoo vast, dat het niet mogelyk is 'er dien uit te trekken; vervolgens hakt men dit hout, om 'er het fatsoen aan te geven.

De vrouwen houden zig bezig, om de maniok, de bananen, de ignames, en andere wortelen te planten; zy maken de levens-middelen gereed, maken aarde potten, catoene hangmatten, armbanden, en manden of korven. De beste derzelve worden pagala genoemd; zy zyn van een dubbele rieten mat gemaakt, die den naam van warimbo draagt, en eene witte of bruine kleur heeft; en deeze dubbele mat is tusschen beiden met bladeren van tas of trouly gevuld, om ze voor de vochtigheid te beveiligen. Het dekzel is gewoonlyk veel hooger en breeder, dan de mand zelve; het gaat over de geheele mand heen, en maakt dezelve op die wyze nog sterker: de bodem rust op twee stukken hout, kruislings gelegd. De hangmatten zyn geweven; het geen veel moeite en tyd vordert; want men moet elke draad, één voor één, in de scheering steeken, byna op dezelfde manier, waar op men koussen weeft. Men legt vervolgens deeze hangmatten in eene verwe, van schorssen van boomen gemaakt, volgens de kleur, die men 'er aan geven wil.

De Indiaansche meisjes bereiken de huwbaarheid voor den ouderdom van twaalf jaaren, en zomtyds zelfs veel eerder. Men huwd ze op die jaaren uit. De geheele plechtigheid bestaat, ten aanzien van den jongman, daar in, dat hy aan de jonge dogter eene zekere hoeveelheid wildt en visch, door hem gevangen, aanbied; en, wanneer zy dit aanneemt, doet hy haar deeze vraag: "Wilt gy myne vrouw zyn"? Indien zy dit met ja beantwoordt, is de zaak klaar; en wanneer het huis en de huisraad gereed zyn, viert men de bruiloft door een feest, waar op men zig dronken drinkt. De zwangere vrouwen kramen zonder hulp, en met zoo weinig moeite en pyn, dat men haar schier ontheven zoude oordeelen van het vonnis, tegen de eerste moeder van het menschelyk geslacht uitgesproken. Zy verrigten alle de bezigheden van het huishouden en bedienen haare mannen op den dag van haare verlossing zelven. Hoe belachelyk en ongeloofbaar deeze gewoonte ook schynen moge, is het niet minder waar, dat de man in dat geval, geduurende meer dan een maand, in zyne hangmat leggen blyft, alwaar hy steent en zucht, als of hy zelf van een kind stond te verlossen; en geduurende al dien tyd, moet zyne vrouw hem zorgvuldig oppassen, en hem het beste voedzel geven. Dit zyn de Indianen gewoon te noemen genot van zig zelven te hebben, en van hunne vermoeidheid uit te rusten. Verscheiden van deeze volken beschouwen een plat voorhoofd als eene groote schoonheid, en zoo dra hunne kinderen geboren zyn, drukken zy derzelver voorhoofd plat, zoo als eenige wilden in het Noorden van America doen.

De Indiaansche vrouwen eeten niet met hunne mannen, en zy bedienen hun als slavinnen, het geen haar belet, om alle mogelyke zorge voor haare kinderen te dragen; deezen zyn echter steeds wel gesteld en sterk. Wanneer zy reizen, dragen zy dezelve in kleine hangmatten, die op één der schouderen hangen; het kind zit in dezelve, met de beenen, het één voor, het ander agter de moeder geplaatst.

Deze Indianen neemen sap van tabak, in plaats van een braakmiddel. Wanneer één van hun op sterven ligt, het zy van ziekte, het zy van ouderdom, (en dit laatste overkoomt hun meer dan het andere) bezweert de Peji, of Priester, den Yawahou, of duivel, te middernacht, door het roeren van een calebas, gevuld met steentjes, erweten, en koraalen, geduurende welke verrigting hy eene lange redenvoering doet. Het ampt van Priester is by deeze volken erffelyk; en, zoo als ik reeds gezegd heb, hy, welke dien post vervult, heeft de eerstelingen van alle zoorten van spyzen of dranken, en zelfs een gemakkelyker leven. Wanneer een Indiaan gestorven is, wascht men hem, wryvt hem met olie, en steekt hem in een zak van nieuw catoen; hy zit daar in, met de elleboogen op de kniën, het gezicht met de palm van beide handen bedekt, en al zyn krygs- of jagt-gereedschap word by hem gelegd. Geduurende deeze plechtigheid, doen zyne nabestaanden, zyne vrienden, zyne gebuuren, de lucht van een jammerlyk geschreeuw weergalmen, maar kort daar na drinken zy zig aan sterke dranken dronken, en spoelen dus hun hartzeer af, het welk niet voor het volgende jaar weder te voorschyn koomt. Deeze gewoonte heeft daar door eenige overëenkomst met die der Berg-Schotten, by het begraven hunner dooden. Op het einde van het jaar haalt men het lyk uit den grond; het vleesch is 'er dan van afgescheiden, en men verdeelt de beenderen onder de nabestaanden en vrienden; men volgt dezelfde plechtigheden, als de eerste keer; waar na de geheele buurt naar eene andere geschikte verblyfplaats zoekt. Eenige byzondere stammen van Indianen volgen nu en dan een verschillend gebruik. Na het lichaam van hunne overledene nabestaanden of vrienden in de zoo even beschrevene houding geplaatst te hebben, leggen zy het zelve in 't water, en laten het verscheiden dagen daar in. De visschen eeten 'er wel dra het vleesch af, en wanneer 'er niet meer aan is, haalt men het geraamte uit 't water, laat het in de zon droogen, en hangt het vervolgens van binnen aan het dak der hutten of carbets. Dit is het grootste bewys van teedere liefde en achting, welke men, by deeze volken, aan de dooden bewyzen kan.

Wanneer deeze Indianen te land reizen, neemen zy altoos hunne kano met zig, welke gemaakt is van den stam van een grooten boom, door middel van het vuur uitgehold. Dezelve dient hun dan tot het overbrengen van hun reistuig, wanneer zy moerassen doorwaden, of kreeken of rivieren over moeten; en is, even als zy zelven, geheel rood geverwd. Indien zy te water reizen, gaan zy doorgaans tegen den stroom, om het wildt, het welk zy op de boomen, of aan den oever zien, des te gemakkelykcr te kunnen dooden; indien zy met den stroom mede roeiden, zou de kragt van 't water hen noodzaaken om gezwind voort te gaan. Wanneer zy de zeekusten volgen, gebeurd het dikwils, dat eene golve hunne cano met water vult; maar in weerwil van dit ongeluk, lyden zy nooit schipbreuk. In zoodanig geval werpen zy allen, mans en vrouwen, zig oogenblikkelyk in het water; met de eene hand houden zy zig aan de kano vast, en met de andere maken zy dezelve met calebassen ledig.

Schoon de Indianen van Guiana zeer vreedzaame volken zyn, voeren zy echter zomtyds oorlog, eenvoudiglyk om gevangenen te hebben: de Europeanen zetten hen maar al te dikwils daar toe aan, om dezelven van hun te koopen, en 'er slaven van te maken; maar zy dienen niet meer dan tot eene uiterlyke vertooning, dewyl zy volstrekt weigeren te arbeiden: indien men hen mishandelt, en vooral indien men hen slaat, kwynen zy, teeren uit, en weigeren alle voedzel, tot dat zy eindelyk van verzwakking en smarte sterven.

De Indianen doen altyd hunne aanvallen midden in den nacht; hunne krygsverrigtingen gelyken meer naar die van een beleg, dan naar die van eenen veldslag; zy bestaan in het omcingelen der vyandelyke gehuchten, terwyl derzelver bewooners in diepen slaap liggen; in het gevangen nemen der vrouwen en kinderen van beiderleije kunne; in het dooden der mannen met hunne vergiftigde pylen, of in dezelven met hunne apoutous, of knodsen, de herssenen in te slaan. Zy ontnemen ook aan de laatstgemelden het hoofdhair, en brengen het als een zegenteeken t'huis, om het aan hunne kinderen en vrouwen te toonen, of zy verkoopen het aan de Europeanen op Paramaribo. In de vechteryen van twee partyen, maar die zeer zeldzaam onder hun voorvallen, zyn de boog, en met weerhaaken voorziene pylen, hunne voornaame aanvallende wapentuigen. Deeze raaken den vyand, en doen denzelven omkomen, op den afstand van meer dan zestig schreden. De ligtste vogel zelf in zyne vlugt, indien hy slechts de grootte van eene kraay heeft, kan hun niet ontsnappen.--De behendigheid van deeze volken, in alle hunne krygsoeffeningen, is zoo groot, dat de beste schutters, in de veldslagen van Crecy, van Poitiers en van Agincourt, voor hun zouden hebben moeten onderdoen.--Ik moet 'er nog byvoegen, dat wanneer deeze Indianen gaan oorlogen, zy eenen Generaal verkiezen, wien zy den titel van Outil geven.

De koophandel, welken de Indianen van Guiana met de Hollanders dryven, bestaat in ruilingen. Zy leveren slaven, waterkruiken, kano's en hangmatten, Brasilie-hout, hiary wortelen, kapellen, papegaijen, apen, copaiva-balsem, arracocerra-gom, oly van acajou-noten, en arnotta; waar voor zy wederkeerig ontfangen gecouleurde stoffen, snaphaanen, kruid, bylen, messen, scharen, glaswerk, spiegels, visch-haaken, kannen, naalden, spelden, enz. De copaïva-balsem druipt van de schors van eenen dikken boom, die zeer verre binnen in het Land groeit, welks bladeren breed en puntig zyn, en die eene vrucht draagt, als een komkommer. Deeze gom is geel, hard, doorschynend, en naar amber gelykende. Wanneer men ze ontbindt, geeft ze een aangenaame geur van zig, en dient tot een water-afdryvend middel, en tot een vernis. De gom, aracocerra genoemd, loopt uit een boom, die men insgelyks in het binnenste des lands vindt. Zy is geel, gelyk de eerstgemelde, maar zwaar, en zacht in het aanraken: derzelver reuk is ook veel geuriger. De Europeanen en Indianen waardeeren dezelve zeer, uit hoofde van haar krachtig vermogen tot geneezing van wonden en andere kwaalen. De caraba, of oly van acajou-noten, word op deeze wyze gemaakt: men klopt, stampt en kookt de pitten, welke men uit de hoekachtige en bruine vrucht haalt, groeiende aan een boom van denzelfden naam, die de gedaante van een goeden kastanje-boom heeft. Deeze oly is bitter. De Indianen bedienen 'er zig van, om 'er het lyf mede te besmeeren, en de Europeanen gebruiken ze tot verschillende einden. De boom, wiens bladeren naar die van den laurierboom gelyken, groeit tot de hoogte van meer dan vyftig voeten; maar dewyl ik denzelven, noch ook de twee eerstgemelden, niet gezien heb, kan ik 'er niet meer van zeggen. De Mawna-boom is hoog, recht, en van een helder bruine kleur; deszelfs bladeren zyn eirond, en de noten gelyken naar muscaat noten; maar zy hebben 'er de geur niet van. De gom loopt uit den stam door insnydingen, welke men 'er in maakt; de Indianen laaten dezelve in water ontbinden, en, zoo als ik reeds gezegd heb, zy mengen die onder de arnotta, om zig te beschilderen. De Palma-Christi by de kruidkundigen onder den naam van Ricinus, of den Wonderboom, bekend, is een heester van omtrent vier voeten hoog. Hy is recht op geschoten, en met breede gevingerde bladen bedekt, hangende aan lange steelen, en zulks zoo wel de stam, als de takken. Deeze heesters zyn van tweederley zoort, roode en witte. Zy brengen driehoekige nooten voort, zittende in groene schillen, die bruin worden, en afvallen, wanneer de vrucht ryp is. Men perst uit deeze noten de oly, aan welke men in Surinamen den naam geeft van carapat. Derzelver smaak gelykt veel naar die van olyf-olie.

Onder alle de Indiaansche volken, onderscheiden zig de Caraïben door hun getal, werkzaamheid, en dapperheid. Zy woonen grootendeels naar den kant der Spaansche bezittingen, die zy dikwils ontrusten door een geest van wraakzucht over de wreedheden, omtrent de volken van Mexico en Peru, welken de Caraïben als hunne voorvaderen beschouwen, door deeze Europeanen zynde gepleegd geweest; zy hebben een Capitain aan hun hoofd, en verzamelen zig by elkander op het geluid van een zeeschelp; dikwils leveren zy ook slag aan de Indianen uit hunne nabuurschap; maar eene byzonderheid, die schier ongelooflyk schynt, en sterk is tegengesproken geworden, steldt hen beneden alle de andere volken van het vaste Land; zy zyn Cannibalen, of menschen-eeters. Dit is ten minsten zeker, dat zy hunne vyanden eeten, wier vleesch zy met de gretigheid van een gier inslokken, schoon men in algemeen vooronderstelt, dat zy daar toe meer door wraakzucht, dan door een bedorven smaak, gedreven worden.

De Accawaus-Indianen zyn weinig in getal, en van de zee-kusten meer af gelegen, dan de eerstgemelden. Zy leven in goede verstandhouding met de Hollanders; maar zy zyn valsch, en weeten een langzaam vergift te bereiden, het welk zy onder hunne nagels verbergen. Hunne hutten zyn omringd met staketzels, van palen gemaakt, waar van de punten ook vergiftigd zyn.

De Worrows-Indianen, zoo zy niet de wreedsten zyn, mogen ten minsten voor de verachtelyksten van alle de Indianen in Guiana gehouden worden. Zy woonen langs de Orenoco, tot aan de Volkplanting van Surinamen. Hunne kleur is onaangenaam en bleek. Zy zyn wel sterk, maar kleinmoedig. Hunne natuurlyke vadzigheid en hunne elende, een gevolg van hunne gevoelloosheid, is zoo groot, dat zy naauwlyks zoo veel hebben om die deelen te bedekken, welke de schaamte gebiedt te verbergen, en dat zy zig daar toe dikwils van den schors van een palmboom in plaats van linnen bedienen. Zomtyds gaan zy geheel naakt, en geven een ondraaglyken stank van zig. Hunne luiheid noodzaakt hen den meesten tyd, om alleen van wilde vrugten te leven, en niets dan water te drinken. Het moge vreemd dunken, wanneer men zegt, dat dit volk wel te vreden is; maar men moet begrypen, dat deszelfs verlangen zig tot deeze genietingen bepaalt, en dat men nooit een Indiaan hoort klagen, dat hy ongelukkig is.

De Tajiras bewoonen ook de zeekust, tusschen de Volkplanting van Surinamen, en de Rivier der Amazonen; hun getal is het meest aanzienlyk; men berekent ze op byna twintig duizend zielen in deeze bezitting alleen. Deeze Indianen zyn vreedzaam; maar zeer ongevoelig, en in veele opzigten gelyken zy naar de Worrows.

De Piannacotaus leven zeer verre in de binnen landen, en zyn vyanden van de Europeanen, met wien zy weigeren te handelen, of in de minste betrekking te staan. Dit kan ik 'er bovendien van zeggen, dat zy alle de Christenen in Guiana vermoorden zouden, indien zy 'er de magt toe hadden.

De eenige Indiaansche natie in dit Land, die my nog staat op te noemen, is die der Arrowouks: ik verkies dezelve boven alle anderen;--maar dewyl dit hooftstuk reeds vry lang geworden is, zal ik 'er by eene andere gelegenheid van spreken. Ik stap derhalven voor een oogenblik af van dit gelukkig volk, het welk noch van onderscheidingen van rang, noch van verdeelingen van landen, de bronnen van wanorde en twist by de verlichtste volken, eenige kennis heeft. Dit zelfde volk weet, in deszelfs gelukkig Land, alwaar groente en bloemen zig onophoudelyk vertoonen, in 't geheel niet wat behoefte en moeite is. De wenschen van hun, die deeze volken uitmaken, zyn bepaald, maar altyd voldaan. Deeze gelukkige Indianen hebben, met het denkbeeld van een toekomend leven, geene de minste ongerustheid over deeze toekomste, en sterven in vrede. Men kan van hun, naar de letter, zeggen, dat zy dikwils niet op den dag van morgen denken; maar met hun dit zoort van ontkennend geluk toe te staan, beweere ik egter niet, dat het zelve voor een Europeaan benydens-waardig is.

Om een naauwkeuriger denkbeeld van de wapenen, huisraad, werktuigen, en onderscheidene cieradiën der Indianen van Guiana te geven, verwyze ik den lezer naar de daar van gemaakte afteekening. Zie hier de lyst der dingen, die daar op vertoond worden. [8]

1. Eene Coriola, of Indiaansche kano, doorgaans van den stam van een boom gemaakt. 2. Een Pagaije, of roei-riem. 3. Een zeeft, manary genaamd. 4. Een Indiaansche blaasbalg, of way-way. 5. Een stoel, of zitbank, mouly genaamd. 6. Een korf, of pagala. 7. Een pers voor de cassave, matapy genaamd. 8. Een Indiaansche boog. 9. Een pyl om de visch te dooden. 10. Een pyl met een ronde knop voor de vogelen. 11. Een gewoone pyl met weerhaken. 12. Een kleine vergiftigde pyl. 13. Een pyp of fluitje, waar door men blaast, om de pylen te doen afgaan. 14. Een kroon van verschillende vederen. 15. Een voorschoot, queiou genaamd. 16. Een Indiaansche aarde pot. 17. Een Indiaansche knods, of apoutou. 18. Een catoene hangmat. 19. Cieradiën, van tanden van tygers, of wilde zwynen gemaakt. 20. Een toover-schelp, of calebas. 21. Een Indiaansche fluit, tou-tou genaamd. 22. Een fluit, van het been van een vyand gemaakt. 23. Een Indiaansche fluit, quarta genaamd. 24. Een steen, om de maniok te malen, genaamd matta.

ZESTIENDE HOOFTSTUK.

Versterking van krygsvolk, uit Holland aangekomen.--De Goijava-boom, en deszelfs vrucht.--Legerplaats by Maagdenberg aan de Tempaty-Kreek.--Verschillende zoorten van Aapen.--Een zeer maanzieke Neger.--Eekhoorntje van Guiana.--Verscheidene zoorten van boomen.--Hagedissen.--Bergen van mynstoffen voorzien.--Treffelyke gezichten.--De Roucou-boom.--Fraaije Kapel.--Palmboom-worm.

Ik keere tans tot de krygs-verrigtingen van den Colonel FOURGEOUD te rug. Ik heb reeds gezegd, dat men nieuw krygsvolk wagte, om ons zwak en elendig leger te versterken; en den 30sten. January 1775, ontfing men te Paramaribo de tyding, dat het transport-schip Maasstroom, Capitain LEG, in de Rivier Surinamen was binnen geloopen, en voor het Fort Amsterdam het anker geworpen had; twee divisiën van honderd twintig mannen, onder bevel van den Colonel SEYBOURG, aan boord hebbende: en men verwagtte nog twee andere.

Des anderen daags zakte ik de Rivier met eene kleine roeischuit af, om deeze nieuw aangekomenen te gaan verwelkomen. Ik hield het middagmaal aan boord met de Officiers, waar na men het anker ligte, en ik voer met hun schip mede tot het Fort Zelandia, alwaar het aan den wal ging leggen en door eenige kanon-schoten begroet wierd. Ik had het genoegen, om onder de Officiers mynen ouden Hoog-Bootsman, den Vaandrig HESSELING, te vinden, dien wy aan de Helder hadden agtergelaten, aan de kinderziekte gevaarlyk ziek leggende, wanneer wy uit Texel zeilden. Deeze jongman, die tans met den rang van tweeden Lieutenant by ons was, was zedert zyne herstelling aller ongelukkigst geweest. Zyne reize naar Surinamen hebbende willen voortzetten, ging hy aan boord van een schip, het welk in de baay van Biscaije eenen storm beliep, en na kaap Finisterre te zyn voorby gezeild, zyne gangen en roer verloor: dit zelfde schip verloor vervolgens ook nog zyn fokke-mast en steng. In deezen kommerlyken staat, en geen wind genoeg hebbende, om Lissabon te bereiken, was hy verpligt het op Plymouth aan te zetten. Van daar begaf zig de heer HESSELING aan boord van eene kleine sloep, met kolen geladen, en waar op hy niet gelukkiger was; want door onachtzaamheid van den schipper, stootte dit schip op rotzen, waar door de kiel los geraakte, en het schip dadelyk zonk. De heer HESSELING had echter, eer de sloep verging, den tyd om zyn maal te openen, en 'er zyn linnen, en eenige der noodzakelykste goederen uit te nemen, vervolgens ging hy in een slecht vaartuig over, en kwam eindelyk te Brest aan. Hy ging aldaar spoedig scheep naar Amsterdam op een Hollandsch schip, waar van de schipper niet veel bekwaamer dan de voorgaande was, en zyn schip op het drooge liet loopen, alwaar het byna aan stukken stootte. De heer HESSELING kwam nochtans gezond en behouden te Texel aan, alwaar hy tweemaalen te vergeefs moeite deed, om zig naar Zuid-America in te schepen. Hy slaagde eindelyk daar in, en op zynen tocht had hy zulk een zwaaren storm, dat alle de sloepen, schapen, varkens en gevogelte door de zee verzwolgen wierden.

By het aankomen van dit nieuw krygsvolk, noodigde de Colonel FOURGEOUD de Officiers op het middagmaal, en deed hun niets anders dan gezouten ossen- en varkens-vleesch, en oude erweten, voorzetten. Ik had de eer, om mede aan deezen disch te zitten, en het vermaakte my zeer te zien, met hoe veel verwondering de Colonel en zyne tafel door de gasten wierd aangekeken. Des avonds geleidden wy hen naar den Schouwburg, alwaar men den dood van CESAR, en CRISPYN den Doctor, vertoonde: het eerste van deeze stukken wierd gespeeld op eene manier, die zoo wel als het tweede deed lagchen. Des anderen daags hield de Gouverneur ons des middags en des avonds ten eeten. Zyne tafel schitterde van rykdom en pracht. Onze nieuwe medgezellen waren over deeze kostbaarheid zoo zeer verwonderd, als zy het des avonds te vooren over de karigheid van den Colonel geweest waren.

Op deeze maaltyd eenige ingelegde vruchten, waar onder de guava was, ontmoet hebbende, zal ik deeze gelegenheid waarnemen, om 'er iets van te zeggen. De Guava-boom, die deeze vrucht voortbrengt, groeit tot de hoogte van vier-en-twintig voeten. Deszelfs schors is van een heldere kleur, en het hout tusschen beiden; maar de vrucht, die geel en eyrond is, en ten naasten by de grootte van een renet-appel heeft, bevat een roodachtig vleesch, vol kleine zaden of korrels. Dit vleesch is van een zeer zoeten smaak, en men kan het rauw eeten; men maakt 'er ingelegde geley van, die ongemeen lekker is. 'Er zyn tweërleije zoorten van guavas: de zoetsten bevatten het minste zaad.

Den 3den February wierd het krygsvolk, het welk ontscheept was, naar het bovenste gedeelte van de Commewyne gezonden, om zig aldaar neder te slaan. Ik spreek egter alleenlyk van de soldaten, want de meeste Officiers bleven, om een festyn aan het huis van den heer MARCELLUS by te woonen. Deeze Colonist, om aan de maaltyd luister by te zetten, deed door een half douzyn Negers op trompetten en jagthoorns blazen, tot dat eindelyk het geheele gezelschap door dit geraas verdoofd was.

Den 6den, ontfing de geheele krygsbende, zonder onderscheid, bevel om Paramaribo te verlaten, en op den Maagdenberg, aan de Tempaty-Kreek gelegen, dicht by dat gedeelte van de Commewyne, werwaarts men, den 3den, de nieuw aangekomene manschappen gezonden had, te gaan legeren. Dienvolgende alles tot een vierden veldtocht hebbende gereed gemaakt, nam ik afscheid van myne kleine familie, en van myne vrienden, en ik ging naar den oever, alwaar ik my in het zelfde vaartuig, als de Colonel SEYBOURG, moest inschepen: maar deeze, te onrecht vooronderstellende, dat het krygsvolk, met hem uit Holland gekomen, eene bende uitmaakte, van die van den Colonel FOURGEOUD afgescheiden, gaf last aan de Negers om voort te roeijen, op het oogenblik, dat ik niet verder dan een pistoolschoot van hem afwas, en liet my, ten uitersten daar over verwonderd, aan den wal staan. Ik wist, dat de Colonel FOURGEOUD gezworen had, dat hy deezen Officier tot gehoorzaamheid zoude noodzaken, zoo wel als den jongsten Vaandrig van het Regiment, en daar in had hy volmaakt gelyk. Een ander vaartuig genomen hebbende, haalde ik den Colonel SEYBOURG in, die over deeze myne daad zeer verwonderd scheen, en wy kwamen te gelyker tyd op de Plantagie Vossenburg, aan de Commewyne. Des anderen daags bereikten wy de Plantagie Arentslust, na de zwaare vaartuigen, die den 3den Paramaribo verlaten hadden, te hebben agtergelaten. Den 10den, kwamen wy aan de Hoop, alwaar ik bevorens verscheiden maanden had doorgebragt. Ik voege hier by eene afteekening van het gezicht deezer Plantagie, en van den post Klarenbeek, alwaar ons Hospitaal steeds bleef. De Colonel FOURGEOUD vertrok ook den zelfden dag als wy, en sliep op Wajampibo.