# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 4

## Part 12

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-c7834062/index.md

Een zestigtal van huisgezinnen uit Duitschers en inboorlingen van Acadia bestaande, ontsnapte echter aan de algemeene verwoesting. Zy sloegen zig neder aan de Sinamari, wier oevers nimmer door de zee overstroomd worden, en vonden aldaar eenige natuurlyke velden, en een grooten overvloed van Schildpadden. Die zwakke Volkplanting heeft zig, langs deeze Rivier, in stand gehouden. De visscherye, de jagt, de vee-fokkerye in de uitgestrekte zand-woestynen, welken de Natuur in deeze streeken gevormd heeft, het planten van een weinig ryst, Turksch graan en catoen; deeze leverden hun het noodige middel van bestaan op.

VIERDE HOOFTSTUK.

Bevolking van Fransch Guiana.

Na zoo veele noodlottige omstandigheden, en de verachting, waar toe Fransch Guiana vervallen is, is het niet te verwonderen, dat de bevolking van dit Land zeer zwak is.

De inwooners bestaan uit Europeanen, Mulatten, Negers en Indianen. De eerstgemelden of blanken, bedragen slechts een getal van agt of negen honderd, zoo in de hoofdplaats Cayenne, als door het overige gedeelte van het Land verspreid. Verscheiden van hun zyn ongelukkig en arm. Zy, die meer op hun gemak leven, bestaan van ampten, jaargelden en soldyen, ten kosten van de algemeene schatkist. Het vertier van levensmiddelen, het welk de bezetting en het verblyf der geenen, die zig aldaar van 's Lands wegen bevonden, noodzakelyk maakt, doet het grootste getal der inwooners aan den kost geraken. Men zoude moeite hebben, om vyf-en-zeventig eigenaars van Plantagiën op te tellen, die van den opbrengst van hun land bestaan. Verscheiden woonen op eenen zeer verren afstand van de hoofdplaats. Het getal der Mulatten is vier of vyf honderd, en dat der Negers negen duizend.

De Mulatten, die overal onderdrukt worden, hebben dit misschien meer in Guiana, dan ergens anders, ondervonden.

"Schoon de Creolen, van een blanken en eene zwarte voortgeteeld, zegt de Burger LESCAILLIER in zyn te meermalen aangehaald Exposé des moyens &c., over 't algemeen veele lichamelyke voorrechten hebben, vlugheid, eene onbedwongene en bevallige houding, een zeer geregeld gestel en voorkomen, worden zy zeldzaam voor goede voorwerpen gehouden, wanneer men hen in den rang der slaven plaatste, uitgenomen de geenen, welken men tot huisselyke diensten gebruikte. De reden daar van is gemakkelyk naar te gaan; daar zy uit de gemeenschap van eenen blanken, die tot de Plantagie niet behoorde, ten gevolge van eene ongeoorloofde verbintenis, waren voortgesproten, verbeterde de opvoeding het gebrekkige van hunne geboorte niet. Zy verachtten de Negers, en werden door dezelven wederkeerig veracht. Zeldzaam gelukte het hun, wanneer zy, onder de zwarten vermengd, op de Plantagiën arbeidden.

De algemeene laagheid, waar in men dit zoort van menschen in de Volkplantingen hield, en die alle nayver in hun uitdoofde, had te Cayenne hun tot eene zwervende en ongebondene hoop volks gemaakt; byna geen enkele onder hun was of tot den landbouw, of tot eenig handwerk geschikt.

"De middelen, die men wel eer te werk stelde, met oogmerk om hen nuttig te maken, hebben het kwaad nog verërgerd. De Gouverneurs hebben gemeend de vrygelatenen te moeten beschouwen als lieden, die verpligt waren op het eerste bevel op te trekken. Dienvolgende waren alle de manspersoonen boven de veertien jaaren, getrouwd en ongetrouwd, landbouwers, werklieden, of andere, zonder onderscheid, begrepen onder eene zoogenaamde Compagnie Jagers, zonder soldy, staande onder bevel van een zeker zoort van Officiers, maar die ook geen soldy trokken, nog eenigen rang hadden. Deeze ongelukkigen, verpligt om op het eerste gegeven sein op te trekken, hebben zig, uit dien hoofde, nimmer op eenen vasten voet kunnen nederzetten, trouwen, zig tot eenig vast handwerk begeven, en nog minder zig op den landbouw toeleggen. Den dienst, die hun bevolen werd, zeer slecht uitvoerende, alleenlyk betaald wordende voor de dagen, dat zy werkelyk dienst deeden, hadden zy, by hunne te rug komst, geen eerlyk en zeker middel van bestaan, het geen hen dikwils noodzaakte om door wandaaden en strooperyen den kost te zoeken.

"'Er was ook nog een ander zoort van Creolen, van een vrye vader en moeder geboren. Zy oeffenden handwerken of den landbouw, en leefden daar van met hunne huisgezinnen. Derzelver getal is in Fransch Guiana oneindig klein."

De blanken, die geene eigendommen bezaten, het zy werklieden, het zy anderen, maakten het aanzienlykst gedeelte der bevolking van hun zoort uit: zy hebben een getal van dertien honderd bedragen, van allerleyen ouderdom en kunne, zonder de bezetting daar onder te rekenen; maar men verzekert, dat zy thans tot een getal van zeven of agt honderd versmolten zyn.

Onder dit aantal van persoonen vindt men byna twee derde van het mannelyk geslacht, om reden, dat het getal der genen, die zig buiten 's Lands begeven, ten aanzien der mannen altyd veel aanmerkelyker is. Indien men van dit aantal manspersoonen de zieken, oude lieden en kinderen aftrekt, bleven 'er ten hoogsten vier honderd mannen overig, die in staat waren om de wapenen te voeren.

Onder de laatstgemelden waren niet meer, dan honderd-en-vyftig eigenaars van middelmatige en kleine Plantagiën, die, hoe zeer grootendeels van geen belang tot bevordering van 's Lands voorspoed, en den uitvoer der koopwaaren, echter tot onderhoud van derzelver bezitters als voldoende beschouwd konden worden, 'Er bleven derhalven tweehonderd vyftig mannen (blanken) overig, die in dit Land hun bestaan vonden, behalven door den landbouw; de één door posten en ampten tot het bestuur, of tot den krygsdienst betrekkelyk; de anderen, als werklieden, daglooners, of bedienden van allerleije zoort, hunne soldyen uit de algemeene schatkist, en hunne wedden van de Regeering ontfangende.

Indien nu de dienst zoo van het Land, als van byzondere persoonen, slechts honderd en vyftig van deeze menschen bezig hield, zoo bleven 'er dus honderd overig, wier bestaan zeer wisselvallig was. Het was van aanbelang zig bezig te houden met dit klein getal persoonen, die van middelen ontbloot waren.

Men vergrootte eenige bezittingen, men ondernam nieuwen arbeid, men deelde eenige landeryen uit, en bezorgde daar by tevens gereedschappen en vee. De arbeiders en bouwlieden vonden bezigheid, en de laatstgemelden begonnen voordeel te doen.

Eene bevolking van zes honderd mannen (blanken) tegen drie honderd vrouwen, had geene evenredigheid tot vermeerdering der bewoners, noch tot bevordering der goede orde, in een Land, alwaar men de vermenging met Zwarten en Mulatten aan de hand gaf, en alwaar by gevolg de wet zelve tot hoerereije en overspel scheen uit te noodigen. Zulk een staat is schadelyk voor de maatschappy. Het was dus van een dringend aanbelang daar in te voorzien.

Men had eene Volkplanting te Iracoubo begonnen, bestaande uit dertig mannen, uit een zeker getal afgedankte soldaten uitgekozen. Men moest ontwyffelbaar aan deeze mannen bezorgen verstandige, arbeidzaame en bekwame vrouwen. Om dit oogmerk te bereiken, verzogten de Bestuurders van Guiana aan de Regeering, en wel tot eene eerste proeve, een getal van vyf-en-twintig of dertig weesmeisjens, die met weinige kosten hadden kunnen overkomen. In geval deeze poging gelukt was, zoude men van dit zelfde middel wederom hebben gebruik gemaakt, en nieuwe bezitingen in deeze uitgebreide Volkplanting hebben kunnen aanleggen: men sloeg geen acht op dit belangryk voorstel, noch op veele anderen, die tot bevordering en verbetering des Lands zouden hebben kunnen medewerken.

Het is waarschynlyk, dat deeze bezittingen verlaten zyn geworden, en dat de meeste blanken, die 'er hun bestaan uit moesten vinden, uit de Volkplanting vertrokken zyn.

De Negers bedroegen in Fransch Guiana een getal van negen duizend. De Burger LESCAILLIER meldt ons, dat men, in 't jaar 1788, hem over de mogelykheid van de afschaffing der slavernye raadpleegde. Deeze Bestuurder verklaarde van begrip te zyn, dat men in de Volkplantingen de akeligste gebeurtenissen te duchten had, indien men niet langzamerhand den weg tot deeze gelukkige omwenteling baande. Drie jaaren lang deedt hy alle moeite, om de mogelykheid van dusdanige verandering zeker te stellen: hy toonde het voorbeeld van eene betere bestuuring, ten aanzien van de Negers van den Staat: hij bezorgde hun een gezonder en vaster voedzel: hy liet hen kleeden en in hunne ziekten oppassen. Op zynen raad en volgens zyn voorbeeld, heeft men de zwangere en zogende vrouwen ontzien: men droeg zorge voor kinderen en jonge lieden: men betoonde ontzag voor oude lieden en zieken: men moedigde het aangaan van huwelyken aan: men arbeidde, om goede zeden, vlyt en bedaardheid in de Negers aan te wakkeren: juiste belooningen vervulden de plaats van harde en willekeurige kastydingen.

Zulk eene handelwyze heeft de gelukkigste uitwerkingen gehad. Het werk werd met yver en arbeidzaamheid verrigt, en het gelukte door dit middel, om aan de Negers hunnen staat van slavernye te doen vergeten.

Men dagt niet meer aan wegloopen: vyf of zes schuilplaatsen der weggeloopen Negers, van alle gemeenschap verwyderd, in ontoegangelyke Landen en ondoordringbaare bosschen verzonken, zyn van tyd tot tyd vernield, of door de vredelievende middelen van onderhandeling, tot de stem der menschelykheid, die tot in deeze verblyfplaatsen was doorgedrongen, te rug gebragt.

De optochten met krygs-geweld waren tegen deeze arme schepzels byna onuitvoerlyk: zy kostten aan zommigen van hun het leven, en maakten de anderen altyd nog afkeeriger. Men moest dus tot eenig ander middel zyn toevlucht nemen. Een zendeling, met een kruis in de hand, en onder het geleide van een getrouwen Neger, ging hun de woorden van vrede brengen, hun kwytschelding beloven, en allen kwamen zy, met hun volkomen genoegen, hunne yzere kluisters hernemen. Een deezer verblyfplaatsen onder anderen, verscheiden dagreizens van alle woningen afgelegen, was, zedert verscheiden jaaren, eene veilige wykplaats voor een groot getal van weggeloopene Negers. Men had slechts eene oppervlakkige kennis wegens het bestaan van deeze wykplaats. Een Priester begaf zig te voet derwaarts, vergezeld van eenige ongewapende Mulatten, en bragt van deeze plaats, op ééne keer, drie-en-veertig persoonen mede, waar onder verscheiden kinderen waren, in de bosschen geboren, en die nooit een blanken gezien hadden. Het gebeurde werd van wederzyden vergeten. De eigenaars leerden 'er door, om nuttige voorwerpen, die hun ontloopen konden, zonder mogelykheid van ze wederom te krygen, met meerder geschiktheid te behandelen, en de Negers hernamen met onderwerping hunnen gewoonen arbeid.

Men heeft voorgegeven, dat de Negers in Guiana beter behandeld werden, dan in de andere Volkplantingen. Dit voorgeven wordt door geen bewys gewettigd. 'Er zyn in deeze landstreek weinig groote Plantagiën en gegoede Planters; en deeze laatstgemelde behandelden, over 't algemeen gezegd, hunne slaven het best, het zy om dat zy meerder middelen bezaten, het zy om dat ze meerder doorzicht hadden.

Zeer geringe Planters, van alle toevoorzicht verre verwyderd, oordeelden beter hun fortuin voort te zetten, door van drie of vier Negers, welken zy in het geheel bezaten, eenen onmatigen arbeid te vorderen. Zy lieten hun zelfs den Saturdag niet, welken men anders gewoon was aan hun tot bebouwing van hunnen eigenen tuin toe te staan, en zomtyds ontnamen zy hun zelfs den Zondag: zy bekreunden zig over hun in 't geheel niet, noch by ziekte, noch by gezondheid: zy bezorgden hun geen behoorlyk voedzel noch kleeding, en nimmer heeft men ten deezen opzigte in Guiana kunnen verwerven de uitvoering van het geen by de wetten, le Code noir genoemd, bepaald was.

Op de Plantagiën, waar men rykelyker bemiddeld was, doch welker getal ongelukkig zeer klein is, werd dit gebrek verbeterd door de zorge der eigenaars, door overvloed van groenten tot levensmiddelen, door het visschen en jagen in zekere landstreken, en door de kleine geld-sommetjes, die de Negers zig bezorgden, door het overschot van hun gevogelte en levens-middelen op de markt te verkoopen.

Zommige eigenaars der Plantagiën maakten in geschrifte menschlievende en verstandige Reglementen, die aan de Negers werden bekend gemaakt. De ondervinding heeft bewezen, dat, wanneer de slaven beter behandeld werden, zy met meerder yver tot bevordering van de belangen hunner meesters medewerkten. Eén deezer Planters had aan elke Negerin, die zes kinderen behoorlyk zoude opvoeden, de vryheid beloofd. Wanneer die voorwaarde eenmaal vervuld was, werd de belofte met veel statie ter uitvoer gebragt.

Brave en verstandige Planters, volgden natuurlyker wyze de beginzels van menschlievendheid en de goede voorbeelden. Redeneeringen onder allen, en blyken van misnoegen, aan wreede meesters te kennen gegeven door den verstandigen, bestuurder, den Burger LESCAILLIER, van wien wy deeze byzonderheden ontleend hebben, hebben langzamerhand op het bestaan der Negers in deeze Volkplanting, en op den staat van derzelver bebouwing, invloed gehad. Maar naderhand is de al te groote zorgloosheid der Regeering oorzaak geweest, dat het getal der Negers niet aanmerkelyk is aangegroeid, gelyk had moeten gebeuren, zoo uit hoofde van de gemakkelykheid van het bekomen van levens-onderhoud in dit Gewest, als van den zeer aanzienlyken invoer van slaven.

Misschien is het aan eenige van de hier boven opgegevene voorzorgen toe te schryven, dat de afschaffing der slavernye in Fransch Guiana zulke akelige gevolgen niet veröorzaakt heeft, als te St. Domingo. Deeze omwenteling werd op eene rustige wyze bewerkt, en men verhaalt, dat men verscheiden Negers gezien heeft, die de gehechtheid aan hunnen ouden meester aan den dag leiden, door op zyne Plantagie te blyven, en denzelfden arbeid te verrigten, als of de wet 'er hun toe noodzaakte.

VYFDE HOOFTSTUK.

Zeden en gewoonten der Indianen.

De volken, die in het ukgestrekte vaste Land van Guiana, voor de aankomst der Europeanen, omzworven, waren verdeeld in verscheidene natiën, die over het geheel niet zeer talryk waren, Zy hadden geene andere zeden, dan die der Wilden van het zuidelyke vaste Land. Deeze volken leven altyd van elkander afgescheiden, en dikwils verre verwyderd. Men onderscheidt dezelven in Indianen aan de kusten, en in Land-Indianen, dat is, die het binnenste gedeelte van het Land bewoonen. Deeze Land-Indianen, die weinig of geen omgang met de blanken hebben, behouden hun oorsprongelyk character en hunne gebruiken meer volkomen. Zy maken een groot getal van onderscheidene natiën uit, wier aanwezen zig niet tot eenig gedeelte van den grond van dit Land bepaalt; maar die, zonder verwarring van woonplaats veranderende, elkander op zeer verre afstanden wederom vinden.

De Galibis zyn onder deeze natiën de voornaamste en talrykste; hunne taal wordt door alle de anderen over 't algemeen het best verstaan. Zy strekken zig van Cayenne tot aan de Orenoco uit. De Arouaques, de Acoquas, de Aramichaux, de Armancoutous, de Pourpourouis, de Pirious, de Mayés, de Palicours, de Puchicours, de Maraones, de Ouroukouyennes, de Macoussis, de Nouragues, de Emerillons, de Taryaras, de Ouins, de Calicouchiennes, de Coussaris, de Tocoyennes, de Maourious, de Mayecas, de Itoutanes, de Calipournes, zyn andere Indiaansche volken van deeze zelfde landstreek.

De Wilden of Indianen van het vaste Land van Guiana, zyn van eene middelmatige gestalte; [15] de vrouwen zyn klein en niet zoo wel gemaakt als de mannen. Hunne huid heeft eene rood koperachtige kleur. Zy hebben zeer zwarte en zeer gladde hairen. Hunne trekken verschillen weinig van die der Europeanen. De vermenging van dit geslacht met dat der blanken, brengt, by de eerste voortteeling, menschen voort, die van de laatstgemelden niet onderscheiden zyn.

De vrouwen hebben eene zekere zoort van zachtheid in haar aangezicht; verscheiden zyn van een aangenaam voorkomen, en hebben niets wilds. Zy haten, zoo men zegt, de Franschen niet; maar eene minnestreek met eene getrouwde vrouw gaat met veel gevaar voor haar, en zelfs voor den minnaar, gepaard: op de minste verdenking maakt de man hen beiden van kant.

De meeste Indianen loopen byna naakt. Men beweert, dat zommigen, voor al die aan den kant van de Rivier der Amazonen woonen, geheel en al naakt loopen. Zy beschouwen het als een zeker voorteeken, dat hy, die de schaamdeelen bedekt houdt, ongelukkig zoude zyn, of in het loopende jaar sterven. De anderen dragen weinige kleederen. De mans kleeding bepaalt zig tot een linnen gordel, dien zy om het lyf winden, nu en dan op de manier van eene korte rok. Deeze gordels zyn doorgaans van catoen doek, blaauw, Guinée of Salempoure genaamd; zommigen dragen bovendien nog een zoortgelyke lap, waar mede zy hunne schouders bedekken.

De Indianen van de kust dragen niets op hun hoofd: hunne hairen, die van agteren kort zyn afgesneden, en over het voorhoofd nederhangen, maken hen in dit opzigt gelykvormig aan de oude Grieken en Romeinen. By de volken, die meer binnen in het Land wonen, ziet men echter nu en dan mutsen van vederen van verschillende kleuren, die, vooral op feest-dagen, tot opschik dienen, Deeze zelfde Indiaansche volken maken gebruik van onderscheidene kleedingen, insgelyks op eene vernuftige manier van vederen gemaakt; zy dragen dezelven voor de maag, tot voorschooten, gordels en halsbanden. Zy houden bovendien veel, om hunne armen, de voorhand, en de beenen met armbanden van glaaze koraalen te vercieren; en elk volk heeft ten deezen opzigte die kleur verkozen, welke hy het meest bemint, en waar by zy ook be/tendig volharden. Zy, die wegens hunne afgelegenheid geene gemeenschap met de Europeanen hebben, en daar door geen kraalwerk weten te bekomen, verstaan de konst, om kraalen van een zwart en zeer hard hout te maken, welken zy draaijen, polysten en op eene zeer aartige manier doorbooren. Zy maken 'er halscieraden van, die naar git gelyken, en een tak van koophandel voor hun opleveren.

De vrouwen maken insgelyks, van kraalen van onderscheidene kleuren, voorschooten ten naasten by van eene vierkante gedaante, maar van boven veel naauwer dan van onderen, en ten hoogsten twee handen breed. Haare geheele kleeding bestaat in één van deeze voorschooten, en zy vercieren zig met halsbanden, armbanden, en een zoort van ringen, zelfs tot aan de enklauwen. Zommige dragen ook aan het been, tot aan de hoogte van de kuit, een weefzel van catoen, op het vleesch zelf vast gemaakt, het welk zonder hun echter hinderlyk te zyn, de groeijing belet, en al de kragt en zelfstandigheid naar boven trekt, zoodanig, dat zy op stelten schynen te loopen. Dit belachelyk gebruik is niet algemeen.

Zoo is het ook gelegen met de Roucou, zynde eene roode verw, aan dit Land eigen, waar mede de meeste Indiaansche volken hun lichaam, aangezicht en zelfs hunne hairen besmeeren.

Twee redenen kunnen hen tot het aannemen van dit gebruik bewogen hebben. Voor eerst, om aan hunne huid eene kleur te geven, naar hunne natuurlyke kleur gelykende, en die hun toeschynt dezelve te versterken, te verfraaijen, en eene eenparigheid en weerschyn aan dezelve te geven: de tweede reden is, om door den olyächtigen aart en zeer sterke reuk van dit smeerzel, de groote muggen, en andere insecten te verdryven, waar door zy, zonder dit hulpmiddel, dikwils gekweld zouden worden; voor al zy, die dicht by de kusten woonen, en in zekere landstreeken, alwaar deeze ontrustende insecten in grooten overvloed gevonden worden.

Het is waarschynlyk, dat die volken, die van de Roucou geen gebruik maken, de Binnen-Landen bewonen, alwaar men het gemelde ongemak niet ondervindt.

Alle Indianen zyn overgegeven aan bygeloof, en zeer luy; maar het ontbreekt hun niet aan behendigheid, noch vernuft; en hoe koud zy ook schynen te zyn, 'er is misschien geen volk, dat meer levendigheid bezit. In weêrwil van hunne uiterlyke ongevoeligheid, zyn hunne driften ongemeen. Zy leven ongeregeld, en zyn zeer aan den drank overgegeven. Hunne haat is onverzoenlyk, en hunne wraakzucht geweldig, wanneer zy dezelve zonder gevaar kunnen uitöeffenen. Niettemin zyn zy begaafd met eene zekere natuurlyke billykheid, die in hunne daaden uitblinkt, en beginzels van rechtvaardigheid, die hun gedrag bestuuren. Zy hebben zelfs eene zoort van beschaafdheid en minzaamheid. Hunne onderlinge, gesprekken voeren zy altyd met gematigdheid en ingetogenheid. Hunne redeneeringen ademen zagtheid en beleefdheid. Zeldzaam hoort men van hun lompe, en nooit beledigende uitdrukkingen, Zy weten niet wat het is in scheldwoorden uit te vaaren, zelfs wanneer zy, iemand haat toedragen. Hunne burgerlyke beleefdheid jegens elkander is niet minder verwonderlyk. De mannen, wanneer zy niet naar het veld gaan, brengen doorgaans den dag door in eene groote hut, die in het midden van hun gehucht is opgeslagen, en het zy ze in of uitgaan, zy laten nimmer na elkanderen te groeten. Bevinden 'er zig eenige vreemdelingen, vervoegt men zig by hun het eerst. In de huisgezinnen heerscht veel eendragt en rust. De vrouwen zyn arbeidzaam, zachtzinnig, oplettend, en onderworpen. De mannen zyn aan hunne vrouwen zeer gehecht. De gastvryheid is by de Indianen zeer in gebruik. Nu en dan geven zy in grooten getale vriendelyke bezoeken aan nabuurige volken. Zy blyven verscheiden dagen by elkander, en brengen dezelven in vrolykheid door; maar gewoonlyk eindigen zy die, met zig gezamemtlyk dronken te drinken, het geen altyd twisten oplevert. Dit gebrek, het welk de blanken onder deeze volken maar al te veel hebben aangemoedigd, is echter niet moeielyk te verbeteren. Zy geven 'er zig meer aan over uit navolging, en by voorkomende gelegenheden, dan uit hoofde van eene bestendige gewoonte.

De Indianen, die het Christendom niet omhelsd hebben, schynen geenen uitwendigen Godsdienst te hebben: het is echter ontwyffelbaar, dat zy een denkbeeld hebben van het Opperwezen, en van de onsterffelykheid der ziele. De Godsdienst van de meesten gelykt veel naar die der Manicheen, en zy zyn, ten naasten by, met dezelfde vooröordeelen bezet. Zy hebben hunne Toovenaars en Waarzeggers, die tevens de Priesters en Artsen der natie zyn. Men heeft in de reize van STEDMAN gezien, welken eerbied zy in 't algemeen voor de dooden hebben, en dat zy denzelven zoo verre dryven, dat zy hunne beenderen bewaren.

Deeze volken rekenen den tyd naar het toe en afnemen der maan, en het zeven-gestarnte, Behalven deezen, onderscheiden zy nog verschillende hemelteekenen. Onder den lynrechten hemelkring wonende, bekommeren zy zig niet over den afstand der zonne.

De Indianen bemoeien zig bijna in 't geheel niet met de opvoeding hunner kinderen. De ouders betoonen eene ongemeene tederheid voor hunne kinderen, wanneer zy in hunne eerste jeugd zyn; maar in een meer gevorderden ouderdom, schynen zy dezelven niet meer te kennen. Zy gaan hun in niets te keer; zy beveelen hun niets; zy berispen hun nooit, en durven het zelfs niet doen; want het is niet zonder voorbeeld, dat men een zoon zijnen vader straffeloos heeft zien slaan.

Schoon de Indianen weinig spreken, en zelfs stilzwygende schynen, hebben zy echter een vrolyken geest, en eene geneigdheid tot spotternye: zy zingen by alle gelegenheden; en wanneer zy oploopend zyn, ontzien zy zig geene schimpredenen hoe genaamd.

