# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 1

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-b551aeae/index.md

Deeze hunne verblyfplaats was zeer sterk; een uitgestrekt moeras omringde die van alle kanten, en gaf daar aan de gedaante van een Eiland. Men konde 'er niet komen, dan langs voetpaden, die met water bedekt, en aan de muitelingen alleen bekend waaren: dezelve was bovendien door boomen, die als tot stormpaalen dienden, omringt; en het geheel van deeze versterking was niet ligt te achten, BARON had daar aan den naam van Boucou gegeven, het geen zeggen wil, dat deeze verschansing geheel en al vernielt zoude zyn, eer zy in de macht der Europeaanen komen konde. Hy vermoedde bovendien, dat zy van derzelver gelegenheid steeds onkundig waaren.

Echter wierd, na verscheide optochten en tegen-tochten, deeze schuilplaats der wanhoopigen ontdekt. Men was dit verschuldigt aan de onvermoeidheid en yver van 's Compagnies krygsvolk, en van de Neger-Soldaaten of Jagers, welke ik voortaan onder dien naam zal aanduiden, zynde hunnen dienst denzelfden, als die der Jagers van. Virginien tegen de Cherokeesche Indianen. De muitelingen hadden nog eene andere bezitting, genaamd Seashore, gelegen tusschen de Rivier Surinamen en Sarameca. Men wist dit wel; maar derzelver ligging in het midden der moerassen, modderpoelen, vlietende en slykerige wateren, beveiligde dezelve tegen alle de aanvallen der Europeaanen: ja, de Neger-Jagers zelven konden 'er niet by komen; zulke hinderpaalen maakten de dikte van het bosch, de heestergewassen, en de doornstruiken van deezen kant.

De muitelingen begaven zig uit deeze roofnesten in kleinen getaale en geduurende den nacht, om de buitenplaatsen en tuinen van Paramaribo te plonderen, als mede om jonge vrouwlieden op te ligten.

Een jong Officier, de Lieutenant FREDERIK, geraakte, ter gelegenheid van eene jagt-party, geduurende twee of drie dagen in deeze wildernissen verdoold; en waarschynlyk zoude men nooit meer van hem hebben hooren spreken, zoo de Gouverneur geen bevel gegeven had, om by tusschenpoozingen een kanonschoot te doen, ten einde hem in het wederom vinden van zynen weg behulpzaam te zyn: dit middel was van goede uitwerking, en gaf den jongeling aan zyne vrienden weder.

Toen besloten was, dat men de muitelingen, die te Boucou verschanst lagen, belegeren zoude, zond men tegen hen eene aanzienlyke krygsbende van blanken en zwarten, onder bevel van den dapperen Capitain MYLAND, die byzonderlyk aan 't hoofd der eersten was. De zelfde Lieutenant FREDERIK, een zeer kundig Officier, trok met de Aanvoerders der Neger-Jagers, aan het hoofd der tweeden op. Deeze afgezondene manschappen, by het moeras gekomen zynde, waaren verpligt aan deszelfs oevers halte te houden, vermits de diepte van de modder het hun onmogelyk maakte verder voort te rukken.

De Neger BARON, dit krygsvolk vernomen hebbende, plantte een wit vaandel in hun gezicht, niet tot een teeken van onderwerping, maar van uitdaging. Een aanhoudend vuur begon van wederzyden; de uitwerking daar van egter was niet noemenswaardig.

Toen maakte men het ontwerp, om zig een weg van takkenbossen te baanen; maar na eenige weken vrugteloos beproefden arbeid, en na door het vuur der belegerden veel volk verloren te hebben, was men genoodzaakt van dit ontwerp af te zien. Alle hoop, om dwars door het Moeras in de verschanssing te komen, was gevolgelyk verloren. Het verlies der manschappen, dat men geleden had, de weinige krygsbehoeften die nog overig waaren, hadden daarenboven de zaaken in dien staat gebragt, dat men naar Paramaribo zoude hebben moeten te rug keeren, waare het niet, dat de Neger-Jagers, door hunne onvermoeide pogingen, en, het geen vreemd kan dunken, als een gevolg van hunne onverzoenbaare vyandschap tegen de muitelingen, onder water ontdekt, en aan de Europeaanen aangewezen hadden de voetpaden, die naar Boucou leidden; maar verscheiden van hun wierden by het bewyzen van deezen gewichtigen dienst gedood, of verdronken.

De Capitain MYLAND begaf zig aan het hoofd van zyne soldaaten, uit geregeld krygsvolk bestaande, in het moeras, en deed een gemaakten aanval op de verschanssing, van den eenen kant, om alle de muitelingen, en BARON zelven, derwaarts te lokken: de Lieutenant FREDERIK te gelyker tyd met de Jagers van de tegenzyde aangerukt zynde, sprong met den degen in de vuist, zonder tegenkanting, de stormpaalen over.

Hier op volgde toen eene verschrikkelyke slagting, en de verschanssing Boucou wierd ingenomen; maar BARON vluchtte, met het grootste gedeelte der muitelingen, in de bosschen; en vooraf doodde hy tien of twaalf Neger-Jagers, die in de moerassen waaren verdwaald geraakt. Aan eenen anderen deed hy eene verschillende behandeling aan; hy sneed hem ooren, neus en lippen af, en zond hem in dien staat aan zyne medgezellen te rug; maar de ongelukkige bestierf het wel dra.

BARON was slaaf geweest van een Zweed, genaamt DAHLBERGH, die hem uit hoofde van zyne handigheid en verstand met onderscheiding behandelt had. Hy had hem leezen, schryven, en het ambacht van metzelaar laaten leeren. De slaaf had zynen meester in Holland vergezeld, en deeze had hem by zyne te rug komst in de Volkplanting zyne vryheid beloofd. Maar hy hield zyn woord niet, en verkogt BARON aan een Jood.

De Neger weigerde hardnekkiglyk te werken, en wierd dienvolgende in 't openbaar aan een galge-paal gegeesseld. Hy was daar over zoo vergramt, dat hy van dit oogenblik af aan niets meer dagt dan om zig over alle de Europeaanen zonder onderscheid te wreeken. Hy vluchte weg in de bosschen, alwaar hy zig aan 't hoofd der muitelingen stelde, zyn naam verspreidde verschrikking, en hy zwoer van nimmer de wapenen te zullen nederleggen, voor dat hy zyne handen in het bloed van zynen geweldenaar DAHLBERGH gebaad zoude hebben.

Zy die weten, hoe de menschen door eigenbelang gedreven worden, zullen niet verwonderd zyn over den haat der Neger-Jagers tegen hunne landgenoten en oude vrienden. Wat zoude men niet doen, om uit een staat van zoo wreede slavernye verlost te worden? en het was veel voordeeliger en zekerder, deeze vryheid van de Europeaanen te verkrygen, dan dezelve in de bosschen te gaan zoeken. Eenmaal aan deezen dienst verbonden zynde, is het klaar, dat deeze Jagers by hunne tegenpartye voor overloopers en verraders van de zaak der Negers moesten worden aangezien. Zy waaren bovendien verzekerd, dat eene nederlaag hen niet alleen aan den dood, maar zelfs aan de wreedste folteringen zoude blootstellen; zy streeden dus voor iets meer, dan voor vryheid en leven: overwinnende, konden zy op gewisse voordeelen staat maaken; overwonnen wordende, was hun lot verschrikkelyk.

Het inneemen der verschanssing Boucou wierd van zeer veel gewicht, en van het grootste nadeel voor de muitelingen geoordeelt. De geregelde krygsbenden en Jagers betoonden eene onverschrokkenheid, waar van geen voorbeeld was. De Capitain MYLAND wierd voor zyn goed beleid en betoonden moed eerlyk beloond. De Maatschappy van Surinamen gaf aan den jongen Lieutenant FREDERIK ten geschenke een snaphaan, een koppel pistoolen, en een fraaijen fabel met zilver beleid, en verciert met zinnebeelden, die tot deezen dienst betrekkelyk waaren: hy wierd daarenboven tot den rang van Capitain verheven. Men moet toestemmen, dat allen, die deeze krygsbende uitmaakten, zwarten en blanken, zonder onderscheid, door hunne dapperheid en yver, de regtmatige blyken van goedkeuring verdienden, welke zy ontfingen.--Dusdanig was de staat der zaaken in Surinamen, toen in den jaare 1773, onze vloot op de reede van Paramaribo ten anker kwam.

VYFDE HOOFTSTUK.

Het toneel verandert.--Beschryving van eene schoone Slavin. --Manier om door Surinamen te reizen.--De Colonel FOURGEOUD neemt den loop der Rivieren op.--Barbaarsheid van eenen Planter.--Elendige behandeling, welke zommige bootsgezellen ondervinden.

In de voorige Hooftstukken de oprigting onzer krygsbende, onzen overtocht, onze ontscheeping, en de wyze, waar op wy in de Volkplanting van Surinamen ontfangen wierden, hebbende opgegeven; de grensscheidingen en omwentelingen deezer Volkplanting, van het oogenblik der ontdekking van Guiana af, beschreven hebbende, zal ik tans myn verhaal vervolgen, door de verrigtingen van ons krygsvolk aan den draad der gebeurtenissen zaam te knoopen; en ik zal schryven het geen ik met eigene oogen gezien heb,

Ik heb reeds gezegd, dat wy zedert onze aankomst tot op den 27. February in dit Land alleenlyk scheenen ontscheept te zyn, om ons aan ydele vermaaken over te geven. De lezer tot dit tydperk, waar in het regen-saisoen begint, te rug brengende, zal ik, om alle de schriktoneelen, waar mede ik hem heb bezig gehouden, door tegengestelde af te wisselen, hem de beeldtenis schetsen van een schoon meisjen, eene Mulattin, genaamd JOANNA. Het was aan 't huis van den heer DEMELLY, Geheimschryver der Kamer van Politie, by wien ik alle dagen het ontbyt nam, dat ik dit jong en bevallig mensch voor de eerste maal zag. Zy was ten hoogsten vyftien jaaren oud. Van gestalte eer hoog, dan middelmatig, had haare gedaante al den cieraad en volkomenheid, welke de natuur schenken kan: de gemakkelykheid haarer lichaams bewegingen gaf eene ongemeene bevalligheid. De zedigheid en zachtaartigheid waaren op haar gelaat geschilderd. Haare groote oogen, zoo zwart als ebbenhout, en vol van nadruk, kondigden de goedheid van haar hart aan: onaangezien de donkerheid der kleur van haar aangezicht bedekte een lieffelyk rood haare wangen, wanneer men 'er wel op lette; naar neus, volmaakt regelmatig, was vry klein; haare lippen, een weinig vooruit staande, bedekten egter, als zy sprak, twee reien tanden, zoo wit als de sneeuw van het gebergte. Haar hair, van een byna zwart bruine kleur, vormde een eindeloos getal van natuurlyke krullen, met goude spelden en bloemen verciert. Aan den hals, aan de gewrichten van de hand, en aan de enklauwen, droeg zy insgelyks goude ringen, met een gesp van dezelfde stof. Een smalle sluijer van Indisch neteldoek, luchtig om haare schouderen gehangen, bedekte met bevalligheid aan den eenen kant haaren schoonen boezem; een enkel klein overtrek van eene zeer fyne en met levendige kleuren beschilderde stoffe, maakte haare kleeding uit. Bloots-hoofds en bloots-voets zynde, vertoonde zy daar door eenen dubbelen luister, vooral wanneer zy in haare poes'le hand een vilten hoed hield, met een zilveren lis vercierd. De gedaante, de gestalte, en het voorkomen van dit bevallig meisjen moesten noodwendig myne aandacht tot haar trekken; en zy verwekte die zelfde uitwerking op allen, die haar zagen. Door de grootste verwondering vervoert, vroeg ik aan Mevrouw DEMELLY, wie deeze jonge dogter was, die boven alle andere van haar zoort in de Volkplanting zoo zeer uitmuntte?

Deeze Vrouw antwoordde my:--"Zy is een dogter van den heer KRUYTHOF, een der fatsoenlykste Colonisten, en van eene Negerin, genaamd CERY, welke aan den heer D. B. toebehoord, en haar verblyf houd op zyne Plantagie, genaamd Fauconberg, gelegen aan de oevers van het bovenste gedeelte der Rivier Commewyne.

"Het is eenige jaaren geleden, dat de heer KRUYTHOF, die nog vier andere kinderen by deeze zelfde vrouw had, meer dan duizend ponden sterling aan den heer D. B. aanbood, om hen in vryheid te stellen, of hen aan hem te verkoopen. Het wierd hem geweigerd. Dit had zoodanig gevolg op zynen geest, dat hy 'er het gebruik der reden door verloor, en korten tyd daar na van hartzeer stierf, laatende twee zoons en drie schoone dogters, waar van deeze de oudste is, in slavernye, en onder eenen wreeden meester. [10]

"Deeze cieradien, waar mede zy pronkt, en die u schynen te verwonderen, zyn een geschenk van haare moeder, eene vrouw vervult met teederheid voor haare kinderen, en onder die van haaren rang vry wel geacht; haare trouw voor haaren minnaar is steeds standvastig gebleven; en eenige oogenblikken voor zynen dood stelde hy haar deeze kostbaarheden ter hand.

"De heer D. B. intusschen ontfing wel dra de belooning van dit gedrag. Door zyne onrechtvaardigheid en gestrengheid, deed hy zyne beste Negers, die timmerlieden waaren, in de bosschen wegvlugten, en wierd daar door bedorven. Genoodzaakt zynde de Volkplanting te verlaaten, liet hy alle zyne goederen ter beschikking zyner schuldeisschers. Toen vonden CERY en haare kinderen eenen beschermer in een van die ongelukkige weggeloopen slaaven, wiens naam is JOLI-COEUR; hy is tans de eerste Capitain onder BARON: gy kunt hem in de legerplaats der muitelingen ontmoeten, daar hy niets dan haat en wraak tegen de Europeaanen ademt.

"Mevrouw D. B bevind zig steeds te Surinamen, alwaar de schulden van haaren man haar houden, tot dat Fauconberg verkocht is, om dezelve te betaalen. Deeze vrouw is tegenwoordig by my gehuisvest, alwaar de ongelukkige JOANNA haar bedient; en zy behandelt dit jong meisjen met veel tederheid en achting."

Mevrouw DEMELLY voor haare beleefdheid bedankt hebbende, keerde ik naar myne wooning te rug, van droefheid overstelpt, en van verwondering opgetogen. Hoe vergroot, of van weinig aanbelang dit verhaal aan eenige lieden moge voorkomen, ik hoop dat het voor anderen niet belangloos wezen zal; en ik verklaare, dat het de stiptste waarheid in zig vervat.

Overweegende de slavernye in 't algemeen, en vermoeit van steeds te hooren de geesselslagen en het kermen der ongelukkige Negers, op wien dezelve van den morgen tot den avond vielen; vooral bedenkende, dat dusdanig het lot van de ongelukkige JOANNA wezen zoude, indien zy in de handen van eenen ontmenschten meester viel, konde ik my niet wederhouden, om de wreedheid van den heer D. B. te vervloeken, die haar van eenen tederen vader beroofd had, van wien zy waarschynlyk eene geschikte opvoeding, en eenige bekwaamheden ontfangen zoude hebben, door middel van welke zy het cieraad der beschaafdste gezelschappen geworden zoude zyn, en hulpeloos, zoo als tans, zig aan de verschriklykste beledigingen niet zoude hebben zien bloot gesteld.

Om, zoo veel my mogelyk was, het verdriet van deeze aandoenlyke aanmerkingen te verminderen, en het lot van ten minsten een deezer slaven, van welken ik omringd was, te verzagten, begon ik my met mynen armen kleinen Neger QUACO bezig te houden. Ik schepte van toen af aan meer vermaak in zyn gebabbel, dan in het schitterend gezelschap der meest bezogte lieden in deeze Volkplanting. Maar altoos was myn geest neergeslagen; en in den tyd van vier-en-twintig uuren vond ik my zeer ongesteld. Geduurende deeze ziekte ontfing ik van een onbekend persoon een hartsterkend middel, eenige ingelegde tamarinden, en een mand met beste orange-appelen. Het hartsterkend middel en de tamarinden bragten veel tot myne herstelling toe; en my hebbende doen aderlaten, was ik den vyfden dag in staat, om den Capitain MACNEYL te vergezellen, die, om my van lucht te doen veranderen, my naar zyne fraaije Koffy-Plantagie, genaamt Sporkesgift, gelegen by de Matapaca-Kreek, geleide.

Dewyl ik van tamarinden gesproken heb, zal ik deeze gelegenheid waarnemen, om 'er eene korte beschryving van te geven, alvoorens het verhaal deezer reize te vervolgen.

De boom (tamarinden-boom), waar aan de vruchten van dien naam groeijen, heeft ten naasten by de gedaante van een grooten appelboom. Hy groeit recht op, en is met een schors, die naar het bruine helt, bedekt. Hy schiet takken uit, die zig van alle kanten, en in eene gepaste evenredigheid, als armen uitspreiden: de bladen zyn beurtelings op deeze takken geplaatst, en bestaan uit negen, tien, en zomtyds twaalf paaren kleine blaadjes, aan een steel vast zittende, en van steelschubbetjes (stipula) voorzien; zy zyn van een vrolyk groene kleur, van onderen een weinig ruig, loopende dwars door derzelver lengte een kleine draad. Hunne smaak is zuurachtig. Tusschen de blaaden spruiten peulen uit, die de vrucht in zig vervatten, waar van het vleesch bruin is, wanneer zy ryp zyn; het zelve zit rondom een purperkleure noot. Het bovenste gedeelte der bladen is van een doffer groen, dan het benedenste. De schaduw van deezen boom is alleraangenaamst, en men plant denzelven daarom dikwils in de boschjens.

Het mannetje en vrouwtje kunnen door hunne kleur gemakkelyk worden onderscheiden; die van de eerstgemelde is veel donkerder.

Het vleesch der tamarinden vervat eene geneeskragt, waar van ik zelf het vermogen ondervonden heb: in 't water geweekt zynde, is het een ontlast-middel, en geeft een verkoelenden en aangenaamen drank, die in veele ziekten, en vooral in de koorts word aangepreezen: om het zelve te bewaaren, word het in suiker ingelegd.

Wy vertrokken van Paramaribo naar Sporkesgift in een boot, die door agt der beste Negers van de plaats van den heer MACNEYL wierd voortgeroeit: want, gelyk ik reeds gezegd heb, men reist in deeze Volkplanting niet dan te water.

Deeze booten zyn dikwils met een groote pracht vercierd. Zy hebben vergulde cieradien; zomtyds zyn ze vol musikanten, en bevatten alle zoorten van gemakken. Ligt opgetimmert zynde, gaan zy met eene ongemeene gezwindheid voort. De roeijers eens aan 't werk zynde, houden niet langer stil, dan terwyl het gezelschap ontscheept word. Het zy dat de vloed hun mede, of tegen is, blyven zy dikwils vier-en-twintig uuren lang met roeijen bezig, en zy moedigen elkander met zingen aan: wanneer deeze arbeid geeindigd is, dompelen zy zig in de rivier, schoon geheel met zweet bedekt zynde.

Wy voeren verscheide fraaije Plantagien voorby, en ik kan my niet wederhouden om een gezicht van die, welke den naam van Alkmaar draagt, en aan den rechten oever van de Rivier Commewyne gelegen is, af te teekenen: zy is niet minder merkwaardig door haare fraaiheid, als Mevrouw GODEFROY, die 'er eigenaresse van is, door haare beleefdheid aanpryzing verdient. Ik zal my altoos met dankbaarheid herinneren de vriendschap, die deeze achtenswaardige weduwe my wel heeft willen betoonen.

By onze aankomst op Sporkesgift, had ik het genoegen om aanschouwer te zyn van eene daad van rechtvaardigheid, die my een levendig genoegen deed gevoelen. De heer MACNEYL dankte zynen Opzigter af, en gaf hem te kennen, dat hy op 't oogenblik zyne Plantagie ruimen moest. Hy gaf hem, om zig naar Paramaribo te begeven, of naar zoodanige andere plaats, als hy zoude gelieven te verkiezen, een vaartuig, genaamt Ponkee, [11] waar van het gemeene volk zig bedient. Het bevel wierd onverwyld uitgevoerd. De wreedheid van deezen man, en zyne mishandelingen omtrent de Negers, hadden 'er drie of vier doen sterven, en bragten hem eindelyk in ongenade. Zyn vertrek was een feestdag voor de slaven; zy vierden denzelven met gezang, handgeklap, en dansen in 't groen voor het huis van hunnen meester.

Het oogenblik, dat de Opzigter zyne wegzending vernam, maakte dezelve voor hem nog meer gevoelig en schandelyk: hy liet zig de schoenen aantrekken door een Neger, aan wien men bevel gaf, om op 't oogenblik zig van het doen van deezen dienst te onthouden. Het verstandig gedrag van den Planter, de blydschap van zyne Negers, de gezondheid der lucht, en de vriendelyke bejegening, die men ons op deeze Plantagie aandeed, bragten zulk eene gelukkige uitwerking op my te weeg, dat ik den negenden dag naar Paramaribo te rug keerde, zoo al niet volmaakt geneezen, ten minsten in veel beter staat.

Ik zoude egter aan partydigheid schuldig zyn, indien ik niet een geval verhaalde, het welk over de menschlievenheid van den heer MACNEYL eenigermaaten een ongunstig licht verspreid. Myne opmerking gevallen zynde op eenen jongen Neger van een goed voorkomen, die zeer langzaam liep, terwyl de anderen sprongen en dansten, vroeg ik daar de oorzaak van. De heer MACNEYL zelf antwoordde my, dat deeze Neger verscheiden maalen zyn werk hebbende laaten staan, om ginds en herwaards te loopen, hy genoodzaakt was geweest hem de pees van Achilles, boven een van zyne hakken of hielen, te doen doorsnyden. Hoe wreed dit blyk van dwinglandye ook schynen moge, het is niets by die dingen, welke ik by vervolg gelegenheid zal hebben te verhaalen.

Te Paramaribo te rug gekomen zynde, vernam ik geen ander nieuws, dan eenige ysselyke strafoeffeningen, en de aankomst uit Holland van het oorlogschip de Boreas, onder bevel van den Capitain VAN DE VELDE.

Byna op deezen zelfden tyd, wierd ik door eene ziekte aangetast, die de Colonisten roodvonk noemen. De huid word in het begin zoo rood als scharlaken, het geen veroorzaakt word door een eindeloos getal puisjes, wier onbegrypelyke jeukte overal verdubbeld, waar de omloop van het bloed word te rug gehouden.

Allen de geenen, die nieuwlings uit Europa gekomen zyn, worden door deeze pest besmet. Men word 'er van geneezen, door het zieke deel met limoen-sap, in water verdund, te stoven, gelyk men met de beeten der muggen doet. De inwoonders beschouwen deeze ziekte als de voorbode van eene goede gezondheid: ik heb reden dit te gelooven, dewyl de myne naderhand volmaakt hersteld wierd; en ik was te Paramaribo zoo gelukkig, als ik immer wezen konde.

De Colonel FOURGEOUD vertrok in dit zelfde tydstip met een boot, om de ligging der Rivieren Commewyne en Cottica te onderzoeken, in gevalle men noodig mogte hebben van ons krygsvolk gebruik te maken. By zyn vertrek wierd hy door het geschut van 't Fort Zelandia, en dat der Schepen, die op de reede lagen, begroet. Dusdanige eerbewyzing verwonderde my, daar ik wist, welke vyandschap 'er, toen tusschen den Gouverneur en hem plaats had.

My altoos vry en zonder werk bevindende, deed ik een anderen uitstap met den heer KAREL RYNSDORP, naar zes schoone Plantagien, de eene een Suiker-Plantagie, en de vyf andere Koffy-Plantagien, gelegen aan de Mattapaka-, Paramarica- en Werapa-Kreeken. Ik zal 'er op een anderen tyd de beschryving van geven: maar op een van deeze Plantagien, genaamt Schoonoort, was ik getuige van eene onmenschelyke vertooning, die ik my niet wederhouden kan te schetsen.

Het slagtoffer deezer onmenschelykheid was een oude Neger van een goed voorkomen, die ten onrecht veroordeeld was, om eenige honderde geesselslagen te ontfangen. Midden onder de strafoeffening trok hy een mes, en wilde den Opzigter daar mede treffen, maar hier in niet geslaagt zynde, duwde hy het zig zelf verscheide maalen geheel en al in den buik, en viel voor de voeten van zynen geweldenaar neder. Hy stierf 'er egter niet van, en om hem over zyne misdaad te straffen, ketende men hem aan een fournuis, waar op men de Kill-devill [12] overhaalde, ten einde aldaar nacht en dag een geweldig vuur te verdragen, en zoo van ouderdom, of door zyn verschrikkelyk lyden, maar minder schielyk van het een, dan van het ander, om te komen. Zyn geheele lichaam was met bladders overdekt. Hy toonde my zyne wonden al glimlachende; ik antwoordde hem met een zucht en eenige stukken geld. Ik zal dit ongelukkig mensch, in ketenen geboeid, en tot deeze verschrikkelyke foltering verwezen, nimmer vergeten. Al het voortreffelyke en cierlyke, dat ik zag, en het vriendelyk onthaal, dat ik op de Plantagien ontfing, konden den schrikbaarenden indruk, welken dit helsch fournuis op mynen geest maakte, niet uitwisschen.

Onder alle deeze Koffy-Plantagien is die van Limeshope, aan den heer SIMS toebehoorende, de prachtigste, en kan met recht voor de rykste van de Volkplanting doorgaan. Den 6. April keerden wy naar Paramaribo te rug, alwaar wy het Schip Westellingwerf aantroffen, het welk in zeven-en-dertig dagen was aangekomen. Men herinnere zig, dat dit Schip tot de punt van Portland, met ons in gezelschap gezeilt zynde, door lekkagie op deeze hoogte genoodzaakt was geworden te Plymouth binnen te loopen, om zig aldaar te herstellen.

