# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 1

## Part 18

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-b551aeae/index.md

Den 18den, vernamen wy, dat de arme CAMPBELL des avonds te vooren was overleden. De Majoor RUGHCOP zelve ging mede vertrekken, uitermaten ziek zynde: hy was de elfde Officier, die onder de vermoeienissen van deezen korten veldtocht bezweek. Een byna volkomen gebrek aan levensmiddelen hebbende, vervulden wy dit gebrek gelukkiglyk door eene groote meenigte visschen, waar onder de Jacky was, die ik reeds beschreven heb, en zig in een kikvorsch verandert. 'Er was ook een visch, genaamd Warappa, die dezelfde gedaante heeft, en mede goed is; beiden hebben veel vleesch, en zyn zeer vet. Deeze visschen wierden zoo overvloedig in de moerassen gevonden, alwaar het afloopend water dezelve agterlaat, dat de Negers hen met de hand vongen; maar nog meer, wanneer zy by toeval met hunne snoeimessen of fabels in den modder hakten; zy verzamelden vervolgens de ftukken by elkander, en wy namen die mede: zy vongen in de Kreek ook nog een andere visch, genaamd Coemma-coemma, zynde van een tot drie voeten lang: hy is van een zeer zoeten smaak, maar zoo lekker niet, als die ik bevoorens genoemd heb. De Negers laaten denzelven droogen, door hem op stokken voor het vuur te plaatsen. Dan is hy veel beter, en men eet hem zonder andere toebereiding. Deeze visch alzoo gerookt zynde, kan verscheiden weken bewaard worden.

Den 20sten, wierd een Capitain met twintig Zee-soldaaten en twintig Neger-Jagers afgezonden, om de verwoeste vesting Boucou te gaan opzoeken. Daags daar aan overleed de Majoor RUGHCOP. De Colonel, op dien dag naar den bovengemelden post zelf willende vertrekken, liet my het bevel over vier honderd mannen, blanken en zwarten, waar van de helft ziek was. Ik zond 'er dertig van naar Devil's Harwar om te sterven, en gaf aan zestig Jagers verlof om zig naar Paramaribo te begeeven. Zy verklaarden aldaar, dat de onderneemingen van den Colonel FOURGEOUD meer geschikt waaren om zyn eigen krygsvolk, dan dat van den vyand, van kant te helpen. Zoo bestaan de Negers; wanneer zy denken dat 'er niets te doen valt, willen zy niet optrekken. Het is zeer moeielyk de krygstucht onder hen te bewaaren; en wanneer zy zig voorstellen den vyand te zullen ontmoeten, kan men hen niet wederhouden om voorwaarts te rukken. Het is verwonderlyk, met welke behendigheid zy de voetstappen van anderen ontdekken. Terwyl een Europeaan den minsten voetstap van een mensch in het bosch niet kan onderscheiden, bemerkt het doordringend oog van den Neger den gebroken tak, het verdorde blad enz. Indien deeze de voetstappen van den vyand zyn, is niets in staat om hem te rug te houden. Zulk eene drift is ongetwyffeld met de hedendaagsche krygskunde niet overeen te brengen; maar zy kondigt dien geest van vryheid aan, die in oude tyden den dapperen soldaat uitmaakte. Zie daar, welk op dit oogenblik het caracter der menschen was, die slechts zedert korten tyd de slavernye kenden.

Des anderen daags, zynde den 21sten, maakte ik gebruik van het voorrecht, dat ik had met het bevel te voeren, door twee vaartuigen met krygsbehoeften geladen, het een naar den post van la Rochelle, het andere naar Devil's Harwar te zenden. De laatstgemelde bragt my een kist met Bostonsche beschuit mede, die aan my van Paramaribo was afgezonden.

Op deezen dag wierden twee slaaven, die beschuldigd waaren van varkensvleesch uit het magazyn gestolen te hebben, in gevangenis gezet, en het krygsvolk verzogt my om daar over eene voorbeeldige straffe te oeffenen. De Zee-soldaaten beschouwden de Neger-slaven met verachting; zy zagen hen dwaaslyk aan als verre beneden hen zynde, en als de oorzaak van alle hunne onheilen. Men vond, wel is waar, een stuk varkensvleesch in den zak van de beschuldigden; maar 'er waaren geene bewyzen, die den diefstal konden zeker stellen, en ik vond my zeer verlegen om naar den zin van beide partyen recht te doen. De Europeaanen mishandelden de ongelukkige slaven met woorden; en deezen beantwoordden zulks vry vinnig, en al het volk was in beweging. De eersten verweeten den beschuldigden, dat zy dit vleesch gestoolen hadden; de beschuldigden beweerden, dat zy het op hun aandeel hadden uitgespaard, om het aan hunne nabestaanden of vrouwen te geven. Als toen den toon van eenen onafhanglyken alleenheerscher aanneemende, deed ik de klagers in het rondt plaatsen, en gelastte om de gevangenen in het midden te zetten. Vervolgens gaf ik met een luide en sterke stem bevel, om een blok en byl te brengen. Deeze plechtige vertooning deed zulk eene uitwerking op de soldaaten, welke voor de uitvoering van eene ysselyke en barbaarsche daad vreesden, dat alle wraakzucht in hun hart wierd uitgedooft; en zy verzogten my zelve om genade te bewyzen. Ik leende het oor aan hunne aanzoeken, en gaf bevel aan den Negerslaaf, om den byl op te ligten; hy deed het, maar dit was alleen, om het stuk spek, dat zoo veel beweging veroorzaakt had, in drien te klooven. De beschuldigers kregen 'er een deel van, de beschuldigden het tweede, en de uitvoerder het derde, om dat hy zyn plicht zoo wel betracht had. Alles eindigde tot algemeen genoegen, en ik hoorde van geene dieveryen meer spreken.

De Colonel FOURGEOUD kwam, den 26sten, van Boucou te rug. Hy had aldaar drie Negers der muitelingen, zynde Jagers en ongewapend, verrast, op het oogenblik, dat zy een Chou van een Palmboom sneden tot hun levens-onderhoud. Men had 'er egter maar twee van gekregen; en een van hun door een snaphaan-schoot het dye-been gebroken hebbende, had men hem handen en voeten zamengebonden, en alzoo gehangen aan een stok, door twee slaven gedragen. Men kan over zyne akelige gesteldheid oordeelen: het geheele gewicht van zyn lichaam deed hem de ledematen uit elkander zakken. Niets hebbende, waar op zyn hoofd rustte, viel dit onophoudelyk naar den grond. Men had geen het minste verband om zyne wonden gelegt, en zyn bloed verwde de plaatsen, waar hy was voorby gekomen. Op die wyze wierd deeze ongelukkige jongman, (want hy scheen niet meer dan twintig jaaren oud te zyn,) in de legerplaats gebragt, welke zes mylen af lag van de plaats, alwaar men hem had gevangen genomen. Men had hem immers wel in een hangmat kunnen leggen, en door dit middel zoude men hem voor verschrikkelyke folteringen bewaard hebben. Ik was verwonderd, en met misnoegen aangedaan over deeze daad van wreedheid in den Colonel, wien ik in koelen bloede nimmer wreed gezien had. Ik moet hem zelfs het recht doen van te zeggen, dat hy zig nooit moeielyk maakte, dan wanneer men zig tegen hem aankantte; het geen ik nu en dan wel eens gedaan had. Maar op dit oogenblik was hy over zyn zegepraal zoo verrukt, dat alle gevoel van menschelykheid in hem uitgedoofd scheen. De gewonde Neger op een tafel gelegt zynde, verzogt ik een Heelmeester om hem te bezichtigen en te verbinden. Hy leide hem eenige pleisters, en verklaarde, dat hy 'er niet van zoude opkomen: dit ongevoelig mensch zong, terwyl hy dit werk verrigtte.--De arme Neger! wat moest hy al lyden! De koorts verdubbelende, verzocht hy om een weinig water. Ik schepte wat met mijn hoed, en bood het hem zelf aan. De ongelukkige, over deeze oplettenheid gevoelig, zeide my: Moi, remercie vous, masera; vervolgens loosde hy een zucht, en stierf. Hy wierd door de Neger-slaven begraven, die hem blyken van mededogen beweezen, zoo als zyn ongelukkig lot ook verdiende. Volgens hunne gewoonte overdekten zy zyn graf met Palmboom-bladeren, en zy plaatsten aldaar een gedeelte van hun eeten als eene offerhande. De andere gevangen, genaamt SEPTEMBER, was gelukkiger. De Colonel, hoopende, dat hy hem met het doen van eenige ontdekking behulpzaam zyn mogte, behandelde en onthaalde hem met meerder onderscheiding, dan hy immer voor eenigen zyner Officiers betoond had. SEPTEMBER had nochtans het voorkomen van een vos, die in den strik gevangen is, en des nachts sloot men hem in een magazyn op.

Des anderen daags kwam de heer STOELEMAN, Capitain der Militie, in onze legerplaats aan, alwaar hy den dag moest doorbrengen: ik nam deeze gelegenheid waar, om aan den Bevelhebber te herinneren, het geen hy my omtrent de gesprekken van deezen Officier gezegd had, en verzogt hem zulks in zyne tegenwoordigheid te herhaalen; maar de Colonel stelde alles op rekening van den Majoor RUGHCOP, die overleden was, en verzogt my over die zaak niet meer te spreken: ik verliet hem oogenblikkelyk. Myne vooronderstelde tegenpartye weder ontmoetende, drukte ik hem de hand, en verhaalde hem het voorgevallene. Zyne verwondering was ongemeen; vervolgens vertrok hy, in minder dan twee uuren van Jerusalem, en wierd gevolgd door alle de Neger-Jagers, die ons nog overig waaren.

Den 29sten, wierd de Capitain DE BORGNES tot Majoor aangesteld, maar 'er geschiedden geene andere bevorderingen. De Colonel verklaarde, dat hy niemand in staat kende om Officier te zyn: dit konde waar zyn met opzigt tot de Sergeants; maar wy hadden onder ons twee braave jongelingen van goeden huize, die als vrywilligers dienden, en die de vermoeienissen en gevaaren van deezen veldtocht hadden doorgestaan; men liet hen zonder eenige belooning: zoo gaat het, als men geene voorspraaken en middelen heeft.

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

NOOTEN

[1] Na den dood van den zee--braassem verwelkt dit blaauw, en word donker. (Aant. v. d. Franschen Vert.)

[2] Ik weet niet, dat men van deeze noodzakelykheid immer eene voldoende reden gegeven heeft: die slymige stof, die de vinnen of wieken bedekt, verhardt misschien zoodanig door de hette der zon en de werking van de lucht, dat alle beweeging voor hun onmogelyk word; of misschien kan deeze visch niet lang leven buiten het element, dat hem natuurlyk eigen is. De eene of andere van deeze vooronderstellingen wyst aan, waarom hy zoo dikwils, en als tegen zynen wil, op de Schepen, en in den bek van zyne vyanden, den Dolphyn, de Zeebraassem, enz. nedervalt.

(Aant. v. d. Schryver.)

[3] Guiana heeft ten minsten twee honderd mylen van het noorden tot het zuiden, en meer dan drie honderd van het oosten naar het westen. (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)

[4] Derzelver Kusten strekken zig uit van de Noord-Kaap, gelegen op omtrent twee graaden noorder-breedte, tot de groote uitloop van de Orenoco, die op agt graaden breedte ligt; maar in de lengte bevatten zy meer dan tien graaden, liggende de Noord-Kaap op twee-en-vyftig graaden dertig minuuten ten westen van den Parysschen middaglyn, en deeze mond van de Orenoco op twee-en-zestig graden; bevattende in dit vak meer dan twee honderd vyftig mylen aan zee-kusten. (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)

[5] CHRISTOPHORUS COLUMBUS, in den jaare 1498, zig zuidwaarts van de Antillische Eilanden begeven hebbende, ontdekte den 10 Augustus het Eiland la Trinidad, en des anderen daags kreeg hy kennis aan het naby gelegen vaste Land, het welk hy Terre de Paria noemde, naar den naam, door de Indiaanen van de Kust daar aan gegeven.

Het was op deeze reize, dat hem een der monden van de Orenoco bekend wierd, welke hy Bocca del Drago noemde, uit hoofde van 't gevaar, dat zyn Schip daar liep; maar zig westwaarts begeven hebbende, had hy geen kennis aan de Orenoco, nog aan Guiana.

In 't jaar 1499, landde ALPHONSUS OJEDA, een Spaansch Edelman, vergezelt door AMERICUS VESPUTIUS, een Florentyn, en JUAN DE LA COSA, de bekwaamste Stuurman die toen in Spanjen was, in het vaste Land van America aan, op tweehonderd mylen oostwaarts van de Orenoco, en doorreisde de geheele kust, het westen naderende. Maar deeze reize verschafte nog geene groote kennis van Guiana.

In 't jaar 1535, ondernam DIEGO D'ORDAZ, een Spanjaard, om in de monden van de Orenoco binnen te loopen; zyne pogingen waaren vrugteloos: hy verloor zelfs aldaar een gedeelte zyner Schepen en van zyn volk. Deeze dappere Spanjaard was op eene andere keer gelukkiger; hy kwam in de Orenoco binnen, en zeilde dezelve zeer hoog op, tot dat hy in den mond van de Meta, eene aanzienlyke Rivier, die zig, meer dan vierhonderd mylen van derzelver inkomen, in de Orenoco ontlast, ten anker kwam. Maar dit geschiedde niet zonder het uitstaan van veele zwarigheden en vermoeienissen; want hy verloor zyne Schepen, en byna al zyn volk, in de onderscheidene gevechten, die hy genoodzaakt wierd aan de Indianen te leveren: zoo dat hy in wanorde te rug keerde, zonder eenige bezitting te hebben kunnen vestigen.

In weerwil van deezen nadeeligen uitslag van der Spanjaarden onderneming, had zig een gerucht verspreid, dat, in het binnenste gedeelte van dit uitgestrekt Land, eene landstreek was, die men el Dorado noemde, en onmeetelyke rykdommen in goud en kostbaare gesteenten bevatte: men zeide dat 'er een Meir was, zoo groot als een zee, genaamt het Meir van Parimo, waar van het zand vol goud-poeder en goud-korrels was. Drie Spaansche Capitains, GONZALO PIZARRA, broeder van den geen die Peru veroverde, PEDRO DE ORDAZ, en GONZALO XIMENES DE QUESEDA ondernamen deeze ryke ontdekking: het was, zoo men weet, eene ingebeelde hoop.

Terwyl zy dit poogden tot stand te brengen, kwam DIEGO DE ORDAZ, die het eerst de Orenoco was opgevaaren, uit Spanjen te rug, met brieven van Keizer KAREL V, waar by deeze Vorst aan hem alleen het recht en de vryheid vergunde om de Dorado te gaan opzoeken, en de ontdekkingen van de Orenoco nader op te spooren. De geheele uitslag zyner onderneeming bepaalde zig tot het bouwen van eene Stad aan den oostelyken oever van deeze Rivier, meer dan zestig mylen van derzelver mond af, welke hy St. Thomas van Guiana noemde.

De Engelschen, over de ontdekkingen der Spanjaarden in Guiana jaloers zynde, en benydende den koophandel, welken de Franschen aldaar van toen af aan dreeven, waar van men wonderen vertelde, wilden daar in deel nemen. Een van hunne bekwaame zeelieden, de heer WALTER RALEIGH, was de eerste Engelschman, die den 6den February van 't jaar 1595 [*] vertrok, om in deeze ryke landen eenige onderneeming te beproeven: dus maakte men in Europa de Orenoco en Guiana bekend.

RALEIGH hield zig van het wezentlyk aanzyn deezer rykdommen zoo vast overtuigt, dat hy niet schroomt in het verhaal van zyne reize te zeggen: Dat hy, die Guiana veroveren zal, meer goud bezitten, en over meer volken heerschen zal, dan de Koning van Spanje en de Turksche Keizer, (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)

[*] Men zal opmerken dat onze Reiziger hier het volgende jaar 1596 noemt.

[6] SOMMELSDYK had het caracter van een dwingeland. Onder een godsdienstig uiterlyk, was hy oploopend, onbeschoft, een geweldenaar en wreedaart. Op zekeren tyd liet hy aan een hoofd der Indianen den kop afslaan, alleenlyk om dat dezelve aan eenig huislyk wangedrag schuldig stond.

Aant. v. d. Schryver.

[7] In den jaare 1667, zoo als ik hier boven gezegd heb, gaf Capitain ABRAHAM CRUISSEN aan deeze Stad den naam van Nieuw-Middelburg; maar zy behield altoos dien van Paramaribo, welken men voorgeeft een Indischen naam te zyn, en te beteekenen Bloem-veld. Dit is het algemeen gevoelen; maar ik vermeene, dat de punt Parham, de Para-Kreek, de Stad Paramaribo, en zelfs die groote uitgestrektheid van water, welke Golden-Parima genoemt word, hunnen naam ontleenen van Lord FRANCIS WILLOUGBY DE PARHAM, die een der eerste bezitters van deeze schoone landstreek was. De Hollanders geeven aan het grondgebied van Surinamen ook den naam van Provintie; maar men bedient zig in 't algemeen meer van den naam van Volkplanting of Bezitting.

Aant. v. d. Schryver.

[8] Men heeft naderhand by dit krygsvolk eenige jagers gevoegd.

Aant. v. d. Scryver.

[9] Men had ook een ontwerp gemaakt om jagthonden te leeren, de oproerige Negers in de bosschen op te zoeken en aan te vallen, maar zulks is nimmer aangenomen, uit hoofde van de moeielykheid om deeze dieren te geleiden.

Aant. v. d. Schryver.

[10] De kinderen volgen, in Surinamen, den staat van hunne moeder. Indien zy in slavernye is, behooren zy aan haaren meester, al was hun vader een Prins.

Aant. v. d. Schryver.

[11] Het is een plat vaartuig met vier of zes riemen, welks gedaante veel overeenkomst heeft met die van een schoen. Dan eens is het met een tent overdekt, dan eens niet.

Aant. v. d. Schryver

[12] De Kill-devill (een woord, zaamgestelt uit de woorden dooden en duivel, en het geen waarschynlyk zeggen wil: wie zou de duivel dooden,) is een zoort van rhum, die men maakt van schuim en droessem van suiker. Deeze drank is in de Volkplanting zeer gemeen, en de eenige, die men aan de Negers toestaat. De zuinigheid beweegt verscheiden Europeaanen, om daar van mede gebruik te maken; maar het is ten naasten by een langzaam vergift voor hun.

Aant. v. d. Schryver.

[13] Het schynt dat de vogel, waar van STEDMAN hier spreekt, is de Toucan van Caijenne met een witten hals, of het vrouwtje van den Toucan met een geelen hals.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[14] Verscheiden beminnaars der Natuurlyke Geschiedenis, hebben aan deeze laatste herschepping getwyffeld. Het staat aan hunne beoordeeling, of het bewys, door onzen Reiziger bygebragt, gegrond genoeg is, om hun gevoelen te bepaalen. Mejuffrouw DE MERIAN, van wien hier gesproken word, was eene jonge Duitscheresse van Frankfort aan den Main, die, in 't jaar 1699, de reize naar Hollandsch Guiana deed, om aldaar insecten en kapellen af te teekenen.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[15] De heer GREENWOOD, uit den omtrek van. Leicester, heeft my verzekerd 'er een gedood te hebben van twaalf voeten lengte.

Aant. v. d. Schryver.

[16] Het schynt, dat het woord harwar is een bedorven spelling van het Engelsch en Hollandsch woord Haven. Dus zoude Devil's-Harwar beteekenen Duivels-haven.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[17] "Het Kabinet van Natuurlyke Geschiedenis bezit het beruchte hoofd, te Maastricht gevonden, en zelfs eenige wervelbeenderen van zommige deelen van het geraamte, waar toe die kop behoord heeft.... Ik had dit beruchte hoofd, het welk myne nieuwsgierigheid had gaande gemaakt, doen afteekenen: het zelve is thans in het Magazin in 't koper gesneden.

"Het is gemakkelyk te zien in deeze versteening, dat 'er verscheiden koppen van beesten van een en het zelfde zoort zyn; maar welk is het zoort, waar toe deeze behoord? dit staat nog te beslissen; men heeft derzelver classe nog met geene zekerheid kunnen bepaalen....

"Dit stuk, eenig in zyn zoort, heeft de aandacht van veele waarneemers tot zig getrokken.... Het heerschend gevoelen tegenwoordig is, dat deeze kop tot een nieuw zoort van Krokodillen behoord". (Getrokken uit een brief van L. A. MILLIN aan Dr. HERMAN, ingelascht in 't Magazin Encyclopedique, 't 1ste jaar, 6de Deel, bladz. 34., alwaar men ook eene in 't koper gesnedene afbeelding van deezen zelfden kop vind, waar van de Burger FAUJAS-SAINT-FOND, Hoogleeraar in 't Museum der Natuurlyke Geschiedenis, eene beschryving belooft.)

Aant. v.d. Franschen Vert.

[18] Het is de Passiebloem. Mejuffrouw DE MERIAN noemt dezelve Marquias.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[19] Dr. LABORDE zegt drie zoorten van Otters in Guiana te hebben waargenomen.

1º. De grootste, die van veertig tot vyftig ponden weegt, en wiens hair zwart, en byna kaal is; hy houd zig op in de Rivieren.

2º. Die geene, waar van de huid geel-achtig is, van de kleur der Gummi-gutta, en wegende twintig tot vyf-en-twintig ponden; hy bewoond insgelyks de Rivieren.

3º. De gryze, niet meer dan drie of vier ponden wegende; hy houd zig op in de gaten by de Rivieren, en is zeer gevaarlyk voor de honden.

Allen ontwyken zy het water, alwaar ebbe en vloed is, en houden zig alleenlyk op in zoete wateren, in de meiren, of boven in de Rivieren; zy gaan troepsgewyze naar de verdronken Savanen. Men maakt 'er jagt op, om hunnen buit te hebben, tot dit einde gaat men in eene hinderlaag aan den waterkant leggen. Zy zyn wild; en zoo men op hen schiet, terwyl zy zwemmen, zinken zy naar den grond, en zyn voor den jager verlooren.

De wyfjes werpen maar een jong, zelden twee; zy zyn minder vruchtbaar dan in Europa. Zy werpen haare jongen in de holen, die zy aan den waterkant graven. Op de landhuizen voed men deeze dieren op.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[20] Dusdanige kruik houd vier pinten, Parysche maat.

Aant. v. d. Franschen Vert.

