Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 1
Part 17
Na den Latanusboom beschreven te hebben, zal ik insgelyks beschryven den Kokosboom, die, onder alle zoorten van Palmboomen, met denzelven de meeste gelykheid heeft. Deeze boom, zoo geroemd, dat ze aan den mensch voedzel, kleederen, huisvesting, enz. verschaft, heeft, naar myne gedachten, alle deeze hoedanigheden niet; maar niettemin is hij steeds merkwaardig. Hy groeit als de Latanusboom, met een hooge stam, die zelfs tot de hoogte van zestig, ja zomtyds van meer dan tachtig voeten opwast; hy is groot in evenredigheid, maar zeldzaam recht. De bast is grauw; het hout, van buiten hard, is van binnen vol merg. De takken zyn breeder, en van een donkerer groen, dan die van den Latanusboom, en van weerskanten van bladeren voorzien, als die geene, welke ik in den laatstgemelden boom by groene linten vergeleken heb. Deeze bladen echter hangen niet lynrecht neder: de takken zyn ook zoo regelmatig niet gebogen, maar zy hebben het voorkomen van groote vederen, en groeien aan den top des booms. De Kokosboom brengt ook een zoort van kool of moes voort, maar van al te weinig waarde, om zig door het afsnyden van dezelve aan het verlies van den boom bloot te stellen; het geen, zoo dikwils men dit doet, onvermydelyk gebeurd. Na verloop van vyf of zes jaaren draagt hy nooten, en zulks in alle jaar-getyden. Deeze nooten groeien doorgaans zes of agt by elkander, die uit den stam van den boom voortspruiten. Zy hebben de grootte van een menschenhoofd, maar eene meer kegelachtige gedaante.--Men weet, dat de noot, wanneer zy van haar buitenste bast ontdaan is, zoo hard is, dat men een hamer noodig heeft om dezelve te breken, en de daar in besloten pit 'er uit te haalen. Wanneer deeze vrucht jong is, bevat ze een wit vocht, het welk ik niet beter kan vergelyken, dan by water en melk met suiker, en een zoo aangenamen, als frisschen drank verschaft: wanneer zy ryp word, vormt zy zig tot een breekbaare pit, ter dikte van een duim, zig aan het binnenste der schaal vast hechtende, waar van het overige volmaakt ledig is. Deeze kern of pit, van een lekkeren smaak, en gelykvormig aan den smaak der melk, waar van zy is voortgekomen, is goed om te eeten, het geen verscheiden myner lezers ongetwyffeld zoo wel als ik weeten. Dog laaten wy ons verhaal vervolgen.
Op zekeren morgen, geduurende myn verblyf op deezen wachtpost, van eene ronde, die ik met twintig zee-soldaaten en twintig Neger Jagers gedaan had, te rug komende, wierd ik grovelyk gehoond door den heer MEYLAND, Capitain van 's Compagnie's krygsvolk, die, zoo als ik gezegd heb, met den Lieutenant FREDERIK, de vesting Boucou had ingenomen, en de landgenoot en vriend van den Colonel FOURGEOUD was. Wy zaten met andere Officiers rondom een zoort van tafel te eeten. MEYLAND, hun allen van een zekere wyn gediend hebbende, waar van hy niet meer dan eene enkele fles had, zonderde my op eene beledigende manier uit, schoon ik myn glas in de hand had, om 'er mede van te ontfangen. Verdenkende, dat deeze hoon door den Bevelhebber moest zyn ingeblazen, en het voorkomen niet willende hebben van geschil te zoeken, zeide ik aan den Capitain, dat ik door onoplettenheid gezondigd had, my niet verbeeldende, dat ik van myne medgezellen moest onderscheiden worden. Ik verzekerde hem, dat het niet de trek tot den wyn was, die my deeze aanmerking deed maken, en ik verzogt den geen, die naast my zat, my een glas wyn in te schenken, het geen hy ook deed. Deeze inschikkelykheid van myn kant had geen ander gevolg, dan dat het mynen vyand nog meer verbitterde, die zig waarschynlyk verbeeldende, dat dit uit lafhartigheid voortsproot, een onbeschaafden en gekscheerenden toon aannam. Hy wierd door alle de Duitschers en Zwitsers, die zig aldaar bevonden, zonder uitzondering, verwonderlyk geholpen; ik sprak geen woord; ik sneed een vlerk van eenig gevogelte af, dat voor my stond; ik at dezelve op, en verliet oogenblikkelyk de tafel, met het vast besluit, om myn caracter te handhaven of te sterven. Met dit stellig voorneemen, begaf ik my naar de hut van eenen zieken soldaat, en leende van hem zyn sabel, (de myne was gebroken,) onder voorwendzel, dat ik dien noodig had, om een of twee stokken te snyden. Vervolgens ging ik den heer MEYLAND opzoeken: ik vond hem zyn pyp rookende aan den waterkant, en naar een van zyne vrienden, die met visschen bezig was, kykende. Ik sloeg hem op den schouder, en zeide hem, dat zoo hy my niet oogenblikkelyk voldoening gaf, zoo als een eerlyk man betaamde, ik my over hem wreeken zoude, door hem met het platte van den sabel op zyn gezicht te kloppen. Hy antwoordde my, dat hy niets dan gekscheerende gedaan had, en scheen eene bevrediging te verlangen; maar ziende dat ik daar niet heen wilde, stootte hy met veel koelbloedigheid de asch uit zyn pyp; vervolgens zyn wapentuig hebbende gaan haalen, gingen wy te zamen, en zonder medehelpers, in het bosch, op den afstand van byna een halve myl. Toen hield ik stil, en myn sabel trekkende, waarschuwde ik den Capitain van op zyn hoede te zyn. Hy deed dit; te gelyker tyd deed hy my opmerken, dat wy met ongelyke wapenen streden; dit was waar: maar zoo al de punt van zyn sabel was weggenomen, was dezelve wel een voet langer dan de myne. Ik antwoordde hem, dat het scherp van den sabel veel meer diende dan de punt, en ik bood hem aan te ruilen. Om hem daar toe te bewegen, stak ik die geene, welke ik in de hand had, in den grond, en trachtte hem de zyne te ontwringen, tot dat ik myne vingers geheel bebloed zag, want ik had de kling aangevat. Toen nam ik myn wapentuig weder op, en zocht verscheiden maalen, maar vruchteloos, hem te raaken: hy keerde my met het grootste gemak af. Hy zelf, alle zyne krachten inspannende, wilde my een slag op 't hoofd toebrengen; maar gevoelende, dat myne handigheid onvoldoende zoude zyn, bukte ik om den slag te ontwyken. Ik maakte van dit myn postuur gebruik, trachtende hem in den hals te raaken; ik slaagde daar niet in, maar ik bragt hem een houw van zes duimen lang in het vleezigste gedeelte van den rechten arm toe. Ik zag dezelve dadelyk dwars door de opening van zyn rok, en zyn hand hing op zyde. Ik zelf echter was het gevolg van den slag, dien hy op myn hoofd gemunt had, niet geheel ontsnapt; die slag was op myn rechter schouder neergekomen, en maakte my aldaar een wond van een duim diepte. Toen vorderde ik, of dat MEYLAND my vergiffenis vragen zoude, of dat wy het gevecht met de pistool zouden vervolgen, schietende met de linke hand; maar hy verkoos het eerste. Ik deed hem gevoelen, dat de kortswyl van een Zwitser geen beuzeling was, die een Engelschman verdragen konde. Vervolgens gaaven wy elkander de hand, en ik bragt hem, geheel bebloed, by den Heelmeester van ons krygsvolk, die zyne wonde verbond. Dit afgeloopen zynde, kwam hy by zyn hangmat te rug, en het was hem, verscheiden weeken lang, onmogelyk eenigen dienst te doen. Op deeze wyze verzoende ik my met den Capitain MEYLAND; maar het geen my het grootst genoegen deed, was zyne verklaaring, dat hy my alleenlyk beledigd had in 't denkbeeld, dat de Colonel FOURGEOUD veel vermaak zoude scheppen, met my eenige onaangenaamheid te doen ondervinden. Zedert uit voorval verkeerden wy te zamen als de beste vrienden. De vreede echter mocht myn deel niet zyn, want denzelfden achter-middag was ik genoodzaakt twee andere Officiers uit te dagen, die zig op deeze maaltyd in het geschil van den Capitain tegen my gemengd hadden. Ik had echter het geluk, om hun zonder geweld of bloedvergieten myn caracter te doen kennen. Deeze heeren erkenden hunnen misslag; en dadelyk wierd ik onder ons volk met een goed oog aangezien.
Den 9den November, ontmoetten de twee kolommen elkander, en sloegen zig gezamentlyk neder aan den westelyken oever van de Wana-Kreek, omtrent daar dezelve in de Cormoetibo-Kreek uitloopt. Aan beide Kreeken plaatsten wy voorposten een myl van elkander. Dien zelfden avond had ik gelegenheid, om den Colonel FOURGEOUD te doen verstaan, dat ik aan zynen landgenoot in een tweegevecht byna het hoofd had ingehouwen. Ik had besloten hem dit zelf te zeggen, wel wetende, dat hy vroeg of laat door anderen 'er van zoude zyn onderrigt geworden. Hy antwoordde my, dat hy my dit verlies vergeven zoude hebben, en dat ik een braave jongen was; maar deeze woorden gingen met een glimlach gepaart, die 'er een geheel anderen zin aan gaven.
Indien ik aan deeze betuiging van vriendschap geloof gegeven had, zoude hy 'er my niet lang mede misleid hebben, want myn eenigen vriend, den heer CAMPBELL, ziek geworden zynde, en zig in een vaartuig naar het Hospitaal te Devil's Harwar begeevende, wilde de Colonel hem niet toestaan te wagten, tot dat ik een brief, waar by ik aan JOANNA om linnen verzogt, had afgeschreven. Een Neger-jager bezorgde my echter een kleine kano, waar mede ik my by den jongen en ongelukkigen CAMPBELL vervoegde, dien ik voor de laatste maal omhelsde, want hy stierf eenige dagen daar na.
De Colonel FOURGEOUD toen besloten hebbende, om den westelyken oever van de Cormoetibo-Kreek van muitelingen te zuiveren, trokken wy in twee kolommen op. Hy zelf was aan het hoofd der eerste; de Majoor RUGHCOP voerde het bevel over de tweede, waar toe ik behoorde; en wy lieten agter ons eene sterke wacht met voorraad voor de zieken. Zie hier den zakelyken inhoud van onze beveelen op deezen tocht.
ART. I. De vreedzaamheid en matigheid wierden daar by ten sterksten aanbevolen.
II. Niemand vermogt, op doodstraffe, vuur geven, zonder dat het hem bevolen was.
III. De straffe des doods tegen een iegelyk, die zyne wapenen zoude verliezen of wegwerpen.
IV. Gelyke straffe tegen den geenen, die geduurende den slag zoude durven plonderen.
V. Een Officier en een Sergeant moesten op de uitdeeling der levensmiddelen ten allen tyde toezicht houden.
VI. Het getal der Negers, tot dienst van elken Officier, wierd daar by uitgedrukt en bepaald.
Verdere beveelen bragten bovendien mede, dat ingevalle onze zee-soldaaten in twee of drie kolommen zouden optrekken, zy de boomen met een sabel of snoeimes zouden merken, om aan de overige krygsbenden te kennen te geven, dat zy aldaar reeds waren voorby-getrokken. Elk derzelve was door byzondere teekenen onderscheiden. Het krygsvolk der Compagnie had ook de hunne. Men moest die merken alleenlyk op de boomen aan de linke hand stellen. Het volk wierd ook aanbevolen, om, wanneer zy de Zand-woestynen of Savanen doortrokken, de takken van het geboomte of der heestergewassen kruisgewyze op te binden. Elke divisie, de legerplaats opbreekende, moest een fles en een stuk wit papier daar ter plaatse laaten; en zoo aan haar iets byzonders was voorgekomen, moest het worden opgeschreven. By eenen aanval lag het bevel om eene kleine verschanssing met de legerkisten te maaken, agter welke de Neger-Slaven op hun buik plat op den grond zouden gaan leggen. De achterhoede alleen moest zig verdedigen. Aan de slagleverende krygsbende was voorgeschreven, om zig niet tot enkele verdediging te bepaalen, maar integendeel met de bajonetten voor uit, op den vyand, in weerwil van deszelfs vuur, in te dringen. Niettemin wierd bevolen, om 't leven te schenken aan elken muiteling, die zig zoude willen overgeven, en de gevangenen op eene menschelyke wyze te behandelen. Deeze waaren de regels, die wy by vervolg moesten in acht nemen, want ik moet zeggen, dat tot heden toe alles in de grootste verwarring was. Intusschen trokken wy op die manier naar den mond der Cormoetibo-Kreek voort. Elke Officier had een zak-compas by zig, om zynen tocht dwars door de dikke bosschen naar te richten, vermits men midden in dezelve niets dan boomen en lucht bespeurt, gelyk men op zee niets dan water en wolken ziet. Die geenen derhalven, welke de Zeevaart-kunde het best verstonden, liepen het minste gevaar, om in de eenzaame bosschen, wier uitgestrektheid schier zonder einde was, verdoold te geraaken. De ongelukkigen, die thans myn mededogen het meest gaande maakten, waaren die arme Neger-slaaven, die onder hunnen last gebukt gingen, en slechts een halve portie eeten kreegen, schoon hunne arbeid twee maalen zwaarder dan de gewoonlyke was. Tot overmaat van elende, begon de regen stroomsgewyze te vallen, en hield alzoo den geheelen nacht aan, schoon wy nog in het jaargetyde van droogte waaren. Intusschen moesten wy zonder hutten, of andere zoorten van schuilplaatsen woonen. Wy waaren dus genoodzaakt, om onze hangmatten aan takken van boomen op te hangen, en ons schiet-geweer daar onder te plaatsen, om het voor de vochtigheid te bewaaren. Op die wyze had de Colonel zyne gemaakte schikkingen voorgeschreven. Niettemin, in weerwil van wind en regen, viel ik in eenen diepen slaap.
Den 14den, des morgens ten vyf uuren, wierd ik wakker gemaakt door een geroep van staat op! staat op! De regen hield bestendig aan, en de meesten van onze Officieren en soldaaten waaren ziek. Ik stond uit myne hangmat op, zoo nat, als of ik uit een badkuip kwam. Op raad der Neger-Jagers, de plaat van myn snaphaan met een stuk van den bast van een Palmboom bedekt hebbende, at ik een weinig scheeps-beschuit voor myn ontbyt, en wy trokken voort. Ik kan niet voorby alhier op te merken, dat de Negers, die den geheelen nacht op den grond en in het water hadden doorgebracht, veel welvarender waaren, dan de Europeaanen. Indien de vyand toen op ons was aangevallen, waaren wy onvermydelyk verlooren geweest. De loop van onze snaphaanen, en onze kardoesen waaren geheel en al doorwatert. Men had dit ongemak kunnen voorkomen, door onze wapentuigen met wasch te besmeeren, en die in kokers te sluiten, gelyk de Vrybuiters in America deeden: maar dit waaren beuzelingen, waar op men de moeite niet genomen had te denken. Het was echter geen beuzeling, en het ontrustte ons zeer, dat onze mond-behoeften byna op waaren, en dat de geene, die wy aan de Kreek vermeenden aan te treffen, niet aankwamen. Men had verzuimt dezelve af te zenden, en uit hoofde van dit toeval waaren wy toen genoodzaakt, Officiers zoo wel als soldaaten, zonder onderscheid, ten einde niet van honger te sterven, vier-en-twintig uuren lang ons middel van bestaan in beschuit en water te zoeken. In het midden deezer elenden, bood een Neger-Jager ons een groote vogel aan, alhier genaamd Coussycalcou, en zynde een zoort van kalkoensche haan. 'Er wierd besloten, om van deezen gelukkigen vondeling soup voor 's avonds te maken. Op het oogenblik, dat de ketel begon te koken, wierp elk 'er een stuk beschuit in; en het water, dat onophoudelyk in de ketel liep, vermeerderde geduurig onze portie. Geduurende deeze verschrikkelyke regenbui waaren wy zonder hutten, even als den voorgaanden nacht. Zorge gedragen hebbende, om eenige kleederen om myne schouders te hangen, bragt ik deezen nacht by het vuur door. Ik had aldaar minder te lyden, dan myne ongelukkige medgezellen, die in hunne hangmatten lagen, en zonder ophouden hoestten. Maar om tot den gemelden vogel weder te keeren, alles wat ik 'er van zeggen kan, is, dat hy weinig verschilde van de gewoone kalkoensche haanen, die hier meer dan twintig ponden weegen.
De grootste vogel van Guiana word in Surinamen door den een Toijew, en door den ander Emou genaamt. Hy behoord tot een zoort van vogelen tusschen den Struisvogel en de Casoar, ten minsten zoo men my gezegd heeft, want ik heb nooit een enkele in dit Land gezien. Men zegt, dat deeze vogel zes voeten hoog is, gerekend van de pooten tot den kop. Hy heeft een kleinen kop, en platte bek; de hals en pooten zyn langwerpig; het lyf is rond, zonder staart en van een licht graauwe kleur. De bouten zyn zeer dik en sterk; en elke poot heeft drie nagels, verschillende daar in van den Struisvogel, die 'er slechts twee heeft. Men geeft voor, dat deeze vogel niet kan vliegen, maar zeer schielyk loopt; en dat hy, even als de eerstgemelde, met zyne vlerken, zyn tred verhaast; men vind hem voornamelyk by het opvaaren van de Maroni en de Sarameca.--Dewyl ik van vogels spreek, moet ik zeggen, dat schoon men 'er geene in Guiana ontmoet, die eenen zachten zang hebben, een gebrek, het welk de fraaiheid van hunne pluimaadje naar den smaak van veelen vergoed, ik 'er op deezen tocht in 't byzonder twee hoorde, wier gekweel my zoo veel genoegen deed, dat ik het oogenblikkelyk opteekende.
Dit gezang was zoo regelmatig en zoo zacht, dat ik op alle andere plaatsen gedacht zoude hebben, dat het een bekwaam zanger was, die op de fluit speelde. Dewyl ik beide deeze vogels nimmer dan onvolkomen en van verre gezien heb, bestaat alles wat ik van hun weet, hier in, dat men hen dikwils in de nabyheid der moerassen hoort.
Des anderen daags morgens vervolgden wy onzen tocht door zulk een zwaaren regen, dat wy in de bosschen tot de knien toe door 't water gingen, en dat wy een brug moesten maaken, om een kleine Kreek, die op onzen weg was, over te komen.
Ik stelde de Neger-Jagers en eenige slaven te werk om die te maken, en dezelve wierd in den tyd van een uur afgemaakt: zy hakten een zeer recht staande boom om, en wierpen die op de kreek of beek, na aldaar een hoop aarde of zoort van borstweering gelegt te hebben. De Majoor RUGHCOP, onze Bevelhebber, die een ongemakkelyk man was, en wiens lichaams gestel door zoo veele vermoeienissen begon te verzwakken, was over deezen arbeid t'onvreden; hy betaalde de Jagers met vloeken en verwytingen, maar zy beantwoordden hem met een verachtende glimlach: zy lieten hem praaten, en gingen over de kreek, de een over de brug, de ander zwemmende, en een derde klauterde over de boomen, welker takken tot aan de andere zyde overhelden, en aldaar op den grond nederhingen. Ik volgde het voorbeeld der laatstgemelden, en wy wachten eenigen tyd naar den armen Majoor, die met twee derde van zyne krygsbende, zoo zwak en ziek als hy, langzaam aankwam.
Ik was steeds welvaarend, maar de insecten en doornen reetten my van een. Onder de laatstgemelde merkte ik een zeker zoort op, welks zwarte, harde en lange punten, verscheide duimen lang zynde, zeer vinnig in de huid indringen, en die op een zoort van lage Palmboom, Cocarita genaamd, groeien, waar van de breede takken zig wyd verspreiden. Een ander ongemak, waar aan men op alle de moerassige plaatsen der bosschen is bloot gesteld, word veroorzaakt door een zoort van heestergewas, genaamd Mataki, het welk twee of drie voeten uit den grond groeit. De heestergewassen van dit zoort loopen op die wyze tot eenen merkelyken afstand voort, en hunne draaden zyn zoo verward onder elkander, dat een hond moeite heeft 'er door te komen: het is zeer moeielyk om 'er over heen te gaan, de voeten blyven 'er in hangen, en men loopt gevaar om alle oogenblik te vallen, zoo men niet zorgt om ze van elkander te verwyderen, het geen voor kleine menschen volstrekt onmogelyk is. Wy ontmoetten dezelve op onzen geheelen tocht, maar wy zagen nog rivieren, nog plantgewassen, nog eetbaare vruchten, uitgenomen eenige Maripas: dit zyn nooten, die aan een grooten Palmboom groeien, en vry veel overeenkomst hebben met die van de Aouarra, welke ik reeds beschreven heb; zy zyn echter veel grooter, en van een minder hoog roode kleur: de pit en de noot zyn volmaakt gelykvormig.
Het weder wierd eindelyk een weinig beter, en wy kwamen voor den middag te Jerusalem, by den mond van de Cormoetibo-Kreek, alwaar ik geduurende mynen eersten tocht had stil gehouden. De Colonel FOURGEOUD bevond zig aldaar zedert eenige oogenblikken, met zyne afgematte soldaaten. Geene beschryving is in staat, om een naauwkeurig denkbeeld te geven van de akelige gesteldheid, waar in wy waaren: het zal genoeg zyn te zeggen, dat dit geheele legertje, uitgenomen eenige manschappen, door vermoeienis en honger was uitgeput; verscheiden Soldaaten konden niet meer gaan, en de Negers moesten hen dragen in hunne hangmatten, aan stokken hangende. Zoo veele onheilen werkten niets, hoe genaamt, uit, want wy hadden niets ontdekt. De Colonel intusschen, schoon een man van jaaren, wederstond alles, als of hy van yzer was; het geen ons voor een gedeelte het recht van klagen benam. Wat my betrof, ik dompelde my, als naar gewoonte, in de Rivier, om my te wasschen, en my van de modder en het bloed, waar mede ik bedekt was, te zuiveren: ik zwom 'er ook eenigen tyd in, en uit 't water gekomen zynde, zogt ik myne Negers, om my een hut op te richten; maar de Majoor gebruikte hen, om voor hem een keuken te bouwen, schoon 'er niets viel klaar te maken. Ik sloeg geen acht op deeze onwellevenheid. De Jagers maakten my een eenvoudig bed van bladeren van een Latanusboom, want 'er waaren aldaar geene boomen, om myne hangmat aan op te hangen; zy leiden een goed vuur aan dicht by dit bed, waar op ik ging leggen, en zeer gerust sliep, in weerwil dat de maan my in de oogen scheen, het geen minder onaangenaam was, dan de regen. Ik ontwaakte egter twee uuren eer de dag aankwam; het vuur brandde niet meer, de maan was verdwenen, en ik was byna dood van koude. De vochtigheid, die uit den grond opsloeg, en de dauw, waar aan ik was bloot gesteld geweest, hadden my zoodanig verstyst, dat ik moeite had, om op handen en voeten voort te kruipen, ten einde een van myne Negers te doen ontwaken. Ik liet hem het vuur aan brand maken, het geen my in staat stelde, om ten zes uuren op te staan; maar dit geschiedde met zulk een pynlyke steek in de zyde, dat ik my niet wederhouden konde overluid te schreeuwen. Van den Colonel en zyne vrienden niet gehoord willende worden, nam ik de wyk naar den kant van het bosch. De pyn intusschen steeds verdubbelende, was het my wel dra niet meer mogelyk, om zonder de grootste moeite adem te halen, en eindelyk viel ik aan den voet van eenen boom neder. Een der Neger-slaven, die hout ging hakken, my in die gesteldheid ziende, dagt, dat ik dood was, en bragt dezen alarm-kreet naar de legerplaats over. Men nam my dus op, en droeg my naar myne hangmat, op last van den Capitain MEDLER, die my onder eene goede hut deed plaatsen, en my dadelyk een van 's Compagnies Heelmeesters zond, om voor my te zorgen. Ik was oogenblikkelyk door toekykers omringd, en myne pyn in de zyde wierd zoo nypend, dat ik myn hembd met myne tanden van een scheurde, en in alles beet wat my naderde: door eene aanhoudende wryving met de hand, en een zoort van smeering, verdween echter de pyn schielyk, en ik gevoelde my volmaakt hersteld.
Om eene instorting voor te komen, ging ik, zoo dra myne kragten het toelieten, een stok snyden, waar mede ik zwoer den schelm, die het opzicht over de Neger-slaven had, te zullen vernielen, zoo hy my niet oogenblikkelyk een hut liet maken, al had hy zelfs tegenstrydige beveelen; want myn leven was tog de eerste zaak, waar op ik acht moest geven. Ik kwam by hem, met myn stok op den schouder, en hem myn oogmerk hebbende te kennen gegeven, volgde ik hem zoo kort agter op, dat ik in den tyd van twee uuren het genoegen had van my wel gehuisvest te zien. Ik moet niet vergeeten te zeggen, dat, toen myne ziekte op het ergst was, de Colonel FOURGEOUD my had aangeboden, om my naar Devil's Harwar te doen overvoeren; maar ik stemde daar in niet toe.