Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 1

Part 16

Chapter 16 4,122 words Public domain Markdown

Van mynen kant vervolgde ik myne reize tot aan de Plantagie Myn Genoegen. Na de puinhoopen van die Plantagien, welke verbrand waaren, toen ik het bevel op Devil's Harwar voerde, bezigtigd te hebben, kwam ik op de Plantagie van LE PAIR. Alhier verhaalde my een der Opzichters de verwonderlyke manier, op welke hy aan de muitelingen ontsnapt was. "Zy hadden reeds, zeide hy, het voornaamste huis omringd, toen ik nog niet wist, dat zy zig op de Plantagie bevonden, en bezig waaren met dezelve aan vier hoeken in brand te steeken. Te willen wegloopen, was niets anders, dan zig aan een wissen dood bloot te stellen. In dit dringend gevaar, nam ik de vlucht naar den zolder, alwaar ik op een balk plat op den buik ging leggen, in de hoop, dat de vyanden wel dra verdwynen zouden, en dat ik zoude kunnen ontsnappen, eer de vlammen tot my kwaamen, maar ik bedroog my, en zy bleeven 'er bestendig. De brand nam te gelyker tyd dermaten toe, dat op de plaats, alwaar ik my bevond, de hette ondraaglyk wierd, en dat my niets overbleef, dan een van beiden, of levend te verbranden, of van een hoogen zolder naar beneden te springen, midden onder woedende vyanden. Echter besloot ik tot deezen laatsten maatregel, en ik had niet alleen het geluk, om op myne voeten neer te komen, maar zelfs om my te redden zonder eene enkele kwetsuur, schoon de Negers met sabels en haaken gewapend waaren. Ik nam oogenblikkelyk de vlucht naar de Rivier, alwaar ik met het hoofd naar beneden dadelyk in sprong. Doch niet kunnende zwemmen, zonk ik wel dra naar den grond; maar ik verloor den moed niet; het gelukte my eenige takken van een Palmietboom te vatten, en myn hoofd boven water te steeken, om vryelyk te kunnen adem haalen. Door middel van het dik geboomte, waar agter ik my verborg, bleef ik aldaar, tot dat de muitelingen vertrokken waaren, het geen zy deeden na alle de andere blanken vermoord te hebben; en een vaartuig kwam my eindelyk verlossen uit den deerniswaardigen staat, waar in ik my bevond."

Den 30sten January, kwam ik te Devil's Harwar aan, en des anderen daags voer ik de Cormoetibo-Kreek op. Het vaartuig aldaar aan een boom hebbende doen vast maaken, waar van de takken ons overdekten, besloot ik den nacht aldaar door te brengen: ik ging op de banken leggen, en myn kleine QUACO plaatste zig by my; de andere Negers gingen onder hunne roeiriemen leggen slapen, uitgenomen die geenen, welke beurtelings de wacht hielden, en wien ik gelastte my op het minste gerucht, dat zy in de bosschen hooren mogten, wakker te maken; ik droeg ook zorge om hun volstrektelyk te verbieden van te spreken, of eenig gerucht te maken, uit vreeze dat de muitelingen, die aan den kant van deeze Kreek rond zworven, ons niet hooren en verrassen zouden; want de eenige blanke onder myne bende zynde, was ik zeer zeker hunne woede niet te zullen ontsnappen. Alle deeze voorzorgen genomen zynde vielen wy in eenen diepen slaap, van negen uuren des avonds tot drie uuren des morgens, toen QUACO en ik van onze banken wierden afgeworpen door eene beweeging van het vaartuig, het welk oogenblikkelyk zoodanig op zyde overhelde, dat alle de Negers in 't water vielen. Ik greep naar myn pistool, en dadelyk op staande, vroeg ik, wat 'er te doen was. Ik had besloten my tot het uiterste te verdedigen, liever dan om in de handen van eenen onverzoenbaaren vyand te vallen. Geduurende eenige minuuten gaf my niemand antwoord: maar na deeze korte tusschenpoozing, hernam het vaartuig zyne rigting door eene tegenovergestelde beweging, en die my het evenwigt deed verliezen. Toen riep my een van de Negers al zwemmende toe: "Masera da wan sea cow"; en hy had gelyk, want het was niet anders dan een Manati, of Zee-koe, aan wien men in Cayenne den naam van Lamentin geeft. Volgens het verhaal van myne Negers, had dit dier onder het vaartuig geslapen; toen hy wakker wierd, had hy het zelve op zyde geworpen, en zig van daar verwyderende, had hy het in zyne natuurlyke rigting hersteld. Ik zag hem niet, en de Negers zelven vernamen hem ter naauwer nood, uit hoofde der donkerheid van den nacht, die nog eenige uuren duurde, maar geduurende welken tyd wy geen meer lust tot slapen hadden. Eindelyk begonden de straalen van een schitterende zon dwars door de takken der boomen heen te schieten, en aan de bladeren een gouden glans te geven. Toen voeren wy de Carmoetibo-Kreek, die zeer naauw wierd, weder bovenwaarts op. Dit duurde tot den middag, wanneer wy rook ontdekten, en eindelyk kwamen wy aan den mond van de Wana-Kreek, die in de Rivier Maroni uitloopt, en het geen de plaats der bestemming was, alwaar echter het krygsvolk nog niet was aangekomen. Aan de overzyde, waaren eenige Neger-Jagers gelegerd, die de krygsbehoeften bewaarden.

Een van deeze Jagers een Armadil, of Tatou, een dier, in Surinamen den naam van Capasce dragende, gedood hebbende, zal ik deeze gelegenheid waarneemen, om denzelven te beschryven. Hy word zomtyds gepastelyk het geharnast varken genoemd. Zyn kop en ooren gelyken veel naar die van een gebraden varken. Zyn geheele lyf is met schubben bedekt, zo als die op een schild zyn afgebeeld, en hebbende de gedaante van beweegbaare ringen, even als de Que-que, een dier, waar van ik reeds gesproken heb. Deeze ringen loopen over elkander, uitgenomen op de schouders en op het gat; zy zyn met eene beenachtige zelfstandigheid bedekt, even als de kop van een schildpad, en waar aan zommigen den naam van een stormhoed of harnas geven. 'Er zyn verscheiden zoorten van dieren van deezen naam in Guiana. De grootste heeft van den bek tot agter aan de staart, meer dan drie voeten lengte. De Armadil is van een roodachtige kleur, en heeft het lyf met zeshoekige beeldtenissen geheel bedekt. Zyne oogen zyn klein, en zyn lange staart, die aan den wortel dik is, word trapsgewyze al langer hoe dunner, eindigt puntsgewyze, en is even als het lyf met beweegbaare ringen bedekt. Dit dier heeft vier laage, maar langwerpige pooten, elk met vier nagels, met klaauwen gewapend; de voorpooten hebben 'er slechts twee, maar de agterpooten vyf. De Armadil gaat alleenlyk des nachts uit; zelden ziet men hem over dag; hy brengt dien slapende door in zyn hol, het welk hy met het grootste gemak graaft. Hy zinkt daar zoo diep in, dat de sterkste man niet in staat is 'er hem uit te trekken, schoon hy hem dikwils de staart aftrekt. Wanneer men op hem aanvalt, of wanneer hy verschrikt is, wind hy zig in elkander, zyn stormhoed en harnas dicht by een voegende, waar in de kop en pooten dan besloten zyn.

De vogelen, de insecten, de vruchten, de wortelen, enz. dienen hem tot voedzel. Ik heb niet bevonden, dat hy kwaad was om te eeten; maar de Europeaanen maaken 'er weinig werk van. De Indianen integendeel houden ongemeen veel van deszelfs vleesch.

Het is tans, zoo ik meen, ook eene gepaste gelegenheid om te spreken van het Stekel-varken van Guiana, het welk men alhier Adjora noemt, Dit dier heeft zomtyds drie voeten lengte, gerekend van den bek tot het begin der staart. Hy is geheel met harde stekels bedekt. De kop, de staart, en de pooten echter, hebben 'er geene. Deeze stekels hebben omtrent de lengte van drie duimen, een geele kleur by het lyf, een donker kastanje bruin in 't midden, en wit aan het einde. Zy zyn zeer scherp, zeer glad, zeer beweegbaar, en dienen tot verdediging van het dier, het geen dezelve in de hoogte steekt, wanneer het booshartig is; en zyn gezicht is dan een der verschriklykste voor zynen vyand. Op alle andere tyden leggen deeze stekels op zyn rug, ten naasten by als de varkens-borstels. De kop van het Stekel-varken is van eene ronde gedaante, en door een ongemeen dikken en korten hals aan het lyf vast. Zyne oogen zyn groot, zeer schitterend, en by zyne kleine en ronde ooren geplaatst; aan elke kant van den neus heeft hy groote knevels, gelykende naar die van een Otter of Kat. Dit dier byt nooit. Zyne pooten hebben byna de gedaante van die van een aap; hy bedient 'er zig van, om op de boomen te klauteren, en aldaar zyn voedzel te zoeken; zyne lange staart is hem tot dat einde zeer dienstig; hy hecht die aan de takken, en zy dient hem tot een vyfde lidt; aan het einde is dezelve bedekt met hair, even als hoofdhair, uitgenomen echter het benedenste gedeelte, het welk volmaakt eeltachtig en zwart is; zoo zyn ook insgelyks de binnen-kanten van zyne vier pooten.

De Egel is, zoo ik meen, in dit Land niet veel verschillende van die van het oude vaste Land. Hy heeft zeven of agt duimen lengte, en is geheel bedekt met stekels van een ligt geele kleur; maar hy heeft geen hair op den kop, nog onder den buik, en de zyne is veel zachter en langer, dan die van den Europeeschen Egel. Hy heeft op de oogen bruine vlakken, even als wenkbrauwen; maar hy is zonder ooren, of heeft alleenlyk gaaten, om tot een doorgang voor het gehoor te dienen, en hy heeft vyf klauwen met kromme nagels aan elke poot. Zyn staart is zeer kort, en zyne verdediging bestaat daar in, dat hy zig, even als de Armadil, in elkander rolt. Hy voedt zig met vrugten, wortelen, plantgewassen, insecten, enz. De Indianen eeten zyn vleesch ook.

De Colonel FOURGEOUD nog niet aangekomen zynde, vermaakte ik my met my te baden, en een kano aan den mond der diepe Wana-Kreek te stuuren. Geduurende deezen tyd, zag de heer ROUBACK, een van onze Officiers, die my vergezelde, boven op een Palmietboom, een gevecht tusschen een slang en een kikvorsch. Ten bewyze dat men dieren van dit laatste zoort op de boomen vind, verwyze ik den leezer naar de Monthley Review, voor de maand Maart 1783, bladz. 199, in de Verhandeling van den Abt SPALLANZANI, over de Kikvorsschen, alwaar de boom, die dezelve bevat, in 't byzonder beschreven is. Het verwonderde my niet, dit dier op de takken te zien, maar wel deszelfs gevecht tegen den slang, een gevecht, het geen ik zal beschryven, en het welk de arme kikvorsch verloor. Toen ik de laatstgemelde vernam, was zyn kop en halve lyf reeds in den bek van den ander, die my in de lengte uitgerekt voorkwam, en wiens staart om een tak van den Palmietboom gewonden was. De kikvorsch scheen de grootte van een vuist te hebben, en haakte met zyne voor- en agterpooten in een tak. In deeze gesteldheid streeden zy, de een voor zyne maaltyd, de ander voor zyn leven, en maakten eene rechte linie tusschen twee takken. Geduurende eenigen tyd bemerkte ik, dat zy geheel in stilstand waaren, en geen beweging maakten. Ik had nog hoop, dat de arme kikvorsch zig door haare pogingen uit het ongeval redden zoude; maar het tegendeel had plaats; want de kakebeenen van den slang zig trapsgewyze vergrootende, en door middel van haar opspannend vermogen, eene ongeloofbaare opening maakende, verdweenen het lyf en de voorpooten van den kikvorsch langzamerhand. Wel dra zag men niets meer dan de agterpooten en klaauwen, die eindelyk van den tak los geraakten. Het arme beest wierd ras geheel en al in de keel van zynen geduchten vyand ingezwolgen, die het zelve eenige duimen diep liet nederzakken. Hy bewaarde het op die plaats, alwaar het een dikte of zwelling vormt; terwyl het kakebeen en de keel van den slang weder te zamentrokken, en derzelver natuurlyken staat dadelyk hernamen. Dewyl hy buiten ons bereik was, konden wy hem niet dooden, het geen wy wel gewenscht hadden, om hem met des te meer naauwkeurigheid te onderzoeken. Dus lieten wy hem zonder beweeging, en altoos rondom den tak gedraait.

Den 3den November, kwam een gedeelte van het krygsvolk aan, en sloeg zig aan den oever neder, ten zuidwesten van de Cormoetibo-Kreek, omtrent een myl van den mond van de Wana-Kreek. Ik ging met twee jagers naar hen toe. De Majoor RUGHCOP, die het bevel over hen voerde, berigtte my, dat de krygsbende van den Colonel FOURGEOUD, laatstelyk de Patamaca-Kreek in twee colommen verlaaten had; de Majoor geleide 'er eene van, en de andere verwagtte men alle oogenblik. Deeze Officier deed my ook verstaan, dat het overig gedeelte deezer zelfde krygsbende, uitgenomen de zieken, die op Paramaribo waaren, verscheide divisien aan de Rivieren Pereca, Cottica en Commewyne uitmaakte. Ik was toen in goeden welstand, en had een gerusten geest. Hoopende dat dit vrywillig bewys van mynen yver voor den dienst my met den Colonel verzoenen zoude, keerde ik naar de legerplaats der Neger-Jagers te rug, om aldaar zyne aankomst af te wagten. Ik kende, wel is waar, de onbuigzaamheid van zyn caracter; en aan den anderen kant was ik niet onbewust, hoe moeielyk ik my gemaakt had, toen ik meende onrechtvaardig behandelt te zyn; maar ik vergat wel dra het ongelyk, en op dit oogenblik had ik besloten, om, zoo mogelyk, door myn yverig en schikkelyk gedrag, de vriendschap van mynen Oversten te verkrygen.

Het verlangde uur kwam eindelyk aan. Ik vernam de aankomst van den Colonel, en ik ging hem, op den afstand van een halve myl van de legerplaats, te gemoet. Ik zeide hem, dat ik gekomen was, om in zynen roem te deelen, en onmiddelyk onder zyne beveelen te dienen. Hy antwoordde my met een groet, waar op ik hem weder groette, en tot in de legerplaats vergezelde.

Het krygsvolk van den Colonel maakte zig in zynen optocht meester van drie dorpen der vyanden, by een van welke men een uitgestrekt veld vond, met rype en in bloei staande ryst bedekt, maar het welk geheel en al verwoest wierd, na dat de muitelingen waren op de vlucht gedreven. Zy stonden onder het bevel van eenen Mulat, genaamd BONNY, die in de bosschen gebooren was. Deezen maakten eene party uit, geheel afgescheiden van die van BARON, welke men laatstelyk van Boucou verjaagd had. Ik vernam ook, dat men op een ledig vak hoofden van lyken gevonden had, die op staaken, in den grond geplant, gestoken waaren. Het waaren de overblyfzels van den ongelukkigen Lieutenant LEPPER, en zes van zyne soldaaten. De anderen waaren grootendeels levendig gevangen genomen, en door de Negers naar hun dorp gebragt. Aldaar had BONNY hen geheel naakt doen uitkleeden, en om de vrouwen en kinderen der muitelingen te vermaaken, had men hen laaten dood geesselen. Wy ontfingen dit bericht uit den mond van eene Negerin, welke de Colonel op zynen tocht gevangen genomen had, en door ons wel behandeld wierd.

Dit onmenschelyk gedrag van BONNY was juist het tegenovergestelde van dat van BARON, die, in weerwil van alle de bedreigingen, verscheide soldaaten, welke hy had kunnen ombrengen, naar Paramaribo had te rug gezonden. Hy hielp hun zelfs om te ontsnappen, en verschafte hun levensmiddelen, want hy gevoelde wel, dat het onbillyk was hun iets te wyten. Maar gelyk ik hier boven reeds gezegd heb, elke Neger-Jager, die het ongeluk had in zyne handen te vallen, kon de ontembaare woede, waar mede hy bezield was, niet ontduiken.

Ik vergat te zeggen, dat de geheele krygsbende van den Colonel, byna uitgehongerd zynde, met een groot geschreeuw om brood gevraagd had. 'Er was een meenigte brood in de legerkisten; maar men had geduurende drie dagen de uitdeeling daar van opgeschort, en ryst in de plaats gegeven. Om dit zoort van muiterye te doen eindigen, wierpen zig de Officiers gewapend midden onder de soldaaten, en naamen zonder onderscheid de eersten, die hun in handen vielen, gevangen, waar onder zig bevond zekere SCHMIDT, dien die de anderen verklaarden onschuldig te zyn. Men sloeg geen acht op hunne betuigingen, en dewyl men een voorbeeld stellen wilde, wierd hy verwezen tot de straf van stokslagen, welke hy ook onderging, tot dat hem het bloed als een fontein uit den mond sprong.--Op die wyze eindigde deeze opstand. Een der geleiders, genaamt MANGOL, een walg hebbende om onder de beveelen van den Colonel FOURGEOUD te dienen, verliet hem zonder zyn afscheid te vragen, en kort daar na liet hy den dienst geheel en al vaaren. Zie hier de byzonderheden van deezen tocht in twee kolommen, van Crawassibo aan de Commewyne tot de Wana-Kreek.

Op zekeren dag, tegen den middag, leggende in myn hangmat te slapen, kwam de Lieutenant CAMPBELL, myn vriend, my met de traanen in de oogen zeggen, dat des avonds te vooren de Colonel FOURGEOUD, in tegenwoordigheid der Officiers van 's Compagnies krygsvolk, van de Engelschen ongemeen veel kwaad gesproken had. Ik beefde van kwaadheid, en stond oogenbliklyk op. Na my het gezegde van CAMPBELL door anderen te hebben doen bekragtigen, ging ik naar den Colonel, en vroeg hem naar de reden van de door hem gehouden lasterlyke redeneeringen. Hy ging een stap agter uit, en antwoordde my, dat de gemaakte aanmerkingen alleen betrekkelyk waaren geweest tot myn lange broek en borstrok, welke ik als de gemakkelykste en koelste kleeding droeg, zoo als verscheiden Engelsche zeelieden doen, maar het geen de Colonel op de Zwitsersche bergen niet gezien had. Voor 't overige leide hy de schuld geheel op den Capitain STOELMAN, die afwezig was. Ik moest my dus te vreden houden met opentlyk tegen deezen eerdief wraak te roepen. Ik beloofde vervolgens aan den Colonel myne kleeding te veranderen, en wy scheidden zeer koeltjes van elkander.

Een uur daar na, ontfing ik last, om de Rivier Cormoetibo over te steken, en aldaar onder het bevel van den Majoor RUGHCOP te verblyven, die met zyn detachement of kolom aan den zuidelyken oever van den mond der Wana-Kreek gelegerd was. Ik gehoorzaamde oogenblikkelyk.

Op de legerplaats van den Majoor aangekomen zynde, met twee Negers, om my te bedienen, was myne eerste zorg, om voor my een hut te doen oprigten, of, om netter te spreken, een zoort van overdek, ten einde myne hangmat voor zon en regen te beveiligen; het werk was in een uur ten einde gebragt. Dewyl deeze hutten van een zeer algemeen en belangryk gebruik zyn in het open veld, en op de tochten, die onder den zonne-keerkring geschieden, alwaar men geene tenten kan oprichten, zal ik de manier van derzelver zamenstelling, die allermerkwaardigst is, beschryven. Men heeft geen spykers, nog hamer, nog eenig ander timmermans gereedschap noodig; men behoeft niets meer, dan een sabel of snoeimes. Deeze hutten, schoon in een oogenblik gebouwd, maaken eene vry geschikte en aangenaame wooning, die zomtyds zelfs twee verdiepingen heeft. Om deeze te bouwen, gebruikt men het hout van den Latanusboom, alhier genoemd Parasalla, (Pinot, in Cayenne,) en banden van heestergewassen, genaamd Bejucos by de Spanjaarden, en Tay-tay in Surinamen.

De Latanusboom is een zoort van Palmboom, die men voornamelyk op moerassige plaatsen vind, en altyd, een bewys van een ryken grond is. Hy is ten naasten by zoo dik als de dye van een mensch, en verheft zig tot de hoogte van dertig tot vyftig voeten. De stam, die zig eerst op den afstand van twee of drie voeten van den grond vormt, is van een helder bruine kleur, van buiten zeer hard, tot op de dikte van een halve duim, maar na dit zoort van schors, is hy vol merg, als de Engelsche vlierboom, en is van geene waarde, dan in de hoogte, alwaar hy groen word, en een lekkere en witte vrucht bevat, genaamt Chou, die aan alle zoorten van Palmboomen eigen is, en welke ik by vervolg beschryven zal. Op den top van deezen boom verspreiden zig zeer schoone groene takken, welker bladeren, even als zyde linten, lynrecht naar beneden hangen, en een zoort van zonnescherm uitmaken. De manier, om zig tot het bouwen van hutten van den stam te bedienen, bestaat hier in, dat men denzelven aan stukken hakt, zoo hoog als men zyne verblyfplaats hebben wil, het geen wy vooronderstellen op zeven voeten, als de gewoone maat zynde. Vervolgens splyt men deeze stukken, neemt 'er het merg uit, en maakt 'er een zoort van planken van, ter breedte van de hand van een mensch, die goed zyn om oogenblikkelyk te gebruiken. Na zoo veele van dezelve gemaakt te hebben, als men noodig heeft, blyft 'er niets meer overig, dan om ze recht over einde te plaatsen, de eene naast de andere, op twee dwarshouten, aan de hoekpaalen vast gemaakt. Alles hangt aan elkander vast door middel van banden van heestergewassen, wier naam Tay-tay, afkomstig is van het Engelsch werkwoord to tie, (zamenbinden,) het geen niet te bevreemden is, dewyl wy deeze Volkplanting bezeten hebben. Deeze heerstergewassen, wat daar ook van zy, leveren koorden op van allerleije zoort, groote of kleine, die in de bosschen groeien, en zig in allerleije richtingen om de boomen winden. Zy zyn in zoo grooten getal, en zoo wonderbaarlyk verspreid, dat zy aan het bosch de gedaante geven van eene groote vloot, die ten anker ligt; zy doen verscheiden boomen sterven, alleenlyk door hun gewicht, en vlechten zig de een om de ander, tot dat zy de dikte van een kabeltouw vertoonen. Zy klimmen, zomtyds kruisgewyze, tot in den top der hoogste boomen, van waar zy weder op den grond vallen, om wortel te schieten, en dan weder naar boven te klimmen. De dunste heestergewassen zitten dikwils zoo in elkander verwardt, als visschers netten, en het wild kan ze niet aan stukken breken. Zy zyn uittermaten taay, en men kan 'er zig van bedienen, om groote Schepen aan vast te leggen. Ik zal 'er alleenlyk byvoegen, dat 'er eenige vergiftige zoorten zyn, voornamelyk die plat of hoekig zyn, en ik zal tans myne beschryving vervolgen, met op te geven, hoe men het dak der hutten maakt.

Dezelfde boom, de Latanusboom, levert 'er al mede de stof voor op; men gebruikt daar toe deszelfs takken of armen. Elk van dezelve, wier gedaante ik niet beter, dan by die van een veder, vergelyken kan, is zoo breed als een mensch. Men splyt dezelve van boven naar beneden in twee gelyke deelen, en men knoopt die beide met hunne eigene bladen te zamen: men neemt vervolgens verscheide van deeze alzoo te zamen vereenigde takken, waar van men bondels maakt, met banden aan elkander gehecht, zorg dragende, dat het groen naar beneden valt, even als de maanen van een paard. Dit overdekzel, het welk in 't begin, groen is, krygt wel dra een roozenkleur. Het is zeer fraay, zeer sterk, zeer vast in elkander; en, zoo als ik reeds gezegd heb, het gebouw word zonder hamer of spykers voltooit. De vensters, de tafels, de stoelen, zyn op dezelfde wyze gemaakt. 'Er is geene andere sluiting voor de tuinen en waranden, waar in men beesten houd. Dus ontbreekt het de kastanje-bruine Negers nooit aan goede wooningen, dewyl, zoo men een dorp van hun verbrand, zy morgen een nieuw gebouwd hebben; maar wel zorge dragende, dat zy het niet weder bouwen op de plaats, alwaar de Europeaanen het eerste dorp ontdekt hebben. De Indianen, in plaats van takken van den Latanusboom te gebruiken, bedekken doorgaans hunne karbetten met de takken van eenen anderen boom, dien zy Tas noemen, en waar van ik by vervolg spreeken zal. Ik moet niet vergeeten te zeggen, dat het zaad van den Latanusboom vervat is in een bloei-hoos of kelk by den top des booms, en bestaande uit dertig of veertig houtachtige vezels, die de gedaante van een zoort van bezem hebben, waar van men zig in deeze Volkplanting bedient; dus levert deeze boom de bouwstoffen tot een huis op, tevens met de gereedschappen, om het zelve schoon te houden.

De hut, welke ik voor my liet bouwen, was niet ingericht op de manier, als ik zoo even beschreven heb; dit was der moeite niet waardig voor den korten tyd, dien wy doorgaans op eene en de zelfde plaats verbleeven: zy bestond slechts in een enkel overdek, zonder eenige afschutting. Dit zoort van schuilplaats, welke ieder soldaat voor zig zelven opricht, kost weinig arbeid. Men begint met vier puntige staaken in den grond te steeken, zoo verre van elkander af staande, dat iemand gemakkelyk tusschen dezelve leggen kan. Vervolgens maakt men daar aan twee dwarshouten vast, het een aan de voorstaaken, en het ander aan de agterstaaken; en men draagt zorge om ze zoo sterk te nemen, dat ze het gewicht van 't lichaam dragen kunnen. Om het dak te ondersteunen, maakt men twee afschuttingen van eene schuinsche gedaante; de takken, die men daar over heen spreid, behoeven niet gespleeten, nog vast gebonden te zyn, en men werpt 'er zoo veele op, als 't jaargetyde vordert. Zoo dra deeze hut afgemaakt is, is dezelve voldoende, om den bewooner tot eens schuilplaats te dienen. Daarenboven hangt men, door middel van banden van heestergewassen, en als aan een kapstok, den snaphaan, degen, pistoolen, enz.