# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 1

## Part 12

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-b551aeae/index.md

Ik heb gezegt, dat wy geen Heelmeester hadden, maar dat ik eenige geneesmiddelen had medegebragt, bestaande in braakmiddelen, ontlast-middelen, en poeders, waar van ik het waar gebruik niet kende. Ik deed daar van dagelyks uitdeeling onder de soldaaten, die hunne maag met gezouten vleesch overladende, en geen lichaams-beweging hebbende, dikwils noodig hadden, dat een weinig konst aan de natuur te hulpe kwam. De Colonel FOURGEOUD beweerde, dat dit zoort van voedzel in de gewesten onder de zonne-keerkring gezonder was, dan versch vleesch, het welk door de hette in de maag bedorf, terwyl het andere veel gemakkelyker verteerde. Ongelukkig voor ons, waaren 'er weinig menschen aan boord van de Cerberus, of de Charon, die tot een bewys van het vermogen van deezen levens-regel dienen konden. Ik had ook eenige pleisters aan boord; maar door de ontallyke zweeren, waar mede het scheepsvolk als bedekt was, waaren zy in 't kort verbruikt. Men kan dit gemakkelyk naargaan, wanneer men weet, dat in deeze luchtstreek, alwaar de lucht met geheele zwermen van onzichtbaare insecten vervult is, de ligtste steek wel dra eene groote wonde word. Limoen- of citroen-sap is onder allen het beste voorbehoed-, en het zekerst genees-middel; maar wy hadden 'er niet meer van. Men moet zig in alle gevallen, hoe gering die ook zyn mogen, wel wachten om de steek aan de lucht bloot te stellen; maar integendeel moet men zorge dragen, op het oogenblik zelve, dat men gestoken word, de huid te bedekken met een stuk graauw papier, met eenig geestryk of ander vocht doorweekt, op dat het 'er aan vast kleeve. Wat my betreft, niemand was gezonder dan ik. Ik droeg alleenlyk myn lange broek en een hembd, het geen ik zelfs niet aan den hals vast maakte, en waar van ik de mouwen opstroopte. Wanneer de zon niet al te brandend was, trok ik deeze ligte kleeding uit, en baadde my regelmatig twee keeren daags in de Rivier. Door dit middel had ik de huid altyd zindelyk, en de zweetgaten meer open: dagelyks nam ik ook een glas wyn, na de fles eenige vademen onder water gedompeld te hebben, om den drank aangenaamer en frisscher te maaken.

Ik moet niet vegeeten te spreeken van het genoegen, het welk wy op zekeren tyd onder al dit lyden hadden, door eenige Marcusas te vinden, die altoos op deeze plaats groeiden, schoon zedert verscheiden jaaren de Plantagie vernielt was. Wy zagen, dit is waar, alleenlyk een ouden boom, of, om beter te zeggen, een stronk, want deeze plant verdient veel eer deezen naam. Deeze aangenaame vrucht [18] is van eene eironde gedaante, en van eene orange- of goud-kleur. Zy is gewoonlyk een weinig grooter, en zomtyds een weinig kleinder dan een hoender-ei. Men vind daar in een zoort van sappige en aschkleurige geley, vol kleine korrels. Vermits deeze geley zeer zoet is, kan men dezelve met eenig zuur mengen, het welk daar aan de uitstekendste geur bezorgt; en dan is ze zoo koud even of men ys at. Derzelver bloem gelykt naar de Passiebloem.

Wy ontmoetten hier eene groote verscheidenheid van heerlyke kapellen, en in 't byzonder eenige van 't schoonste hemelsblaauw. Allen zyn ze zeer groot. Onder de slagregens, maakten zy eene huppelende beweging op de groene uitspruitende takjes; en door haare schoone blaauwe kleur, welke de zonnestraalen nog meer deeden schitteren, maakten zy aldaar eene overheerlyke te rug kaatzing. Maar ik konde, zoo lang ik hier was, 'er geene enkele van vangen; ik zal dus de beschryving 'er van tot een ander gedeelte van dit werk bespaaren.

Wy hoorden des avonds het slaan van den tamboer, en vooronderstelden, dat het by de muitelingen was. Niettemin hielden wy aan, met onze levensmiddelen aan land gereed te maken; maar wy waaren steeds op onze hoede, overeenkomstig den raad van den heer KLEYNHANS.

Den 29sten, bevond zig de heer MACDONALD veel zieker; echter ziende dat ik een brief van den Colonel FOURGEOUD ontfing, scheen hy te herleven, het geen wy ook deeden, in de hoop, dat wy uit onze verschrikkelyke gesteldheid verlost zouden worden. Maar hoe smertelyk viel het ons te ontwaaren, dat men ons daar in by aanhoudenheid deed blyven! Deeze brief ging vergezelt met een geschenk van lynen en haaken, om door onze visscherye het gebrek aan alle andere versche levens-behoefte te vervullen, gelyk mede dat van gezouten vleesch, het welk van dag tot dag slechter wierd, en begon te verminderen.

Op het ontfangen van deeze akelige tyding, schreeuwde al het volk uit, dat men ons opofferde zonder de allerminste reden van nuttigheid. De Negers zugteden, onder het uitspreeken van deeze woorden: Ah! poty Backera! (Ach! arme Europeaanen!) Met het uitdeelen nogtans van eenige tamarinden, orange-appelen, limoenen en Madera-wyn, die men my ter deezer zelfde gelegenheid van Paramaribo gezonden had, vond ik middel, om niet alleen aan myne Officiers, maar zelfs aan myne zieke soldaaten, eenige verkwikking te bezorgen. Maar dit konde niet lang duuren, en des anderen daags waaren wy ongelukkiger dan ooit. Ik nam dus myne toevlucht tot de bewoonders van het bosch, en schoot twee aapen, die op den top van een Palmietboom, waar op zy in een groot aantal waaren, aartig speelden.

Den 11den, zond ik twee myner zieken naar het ziekenhuis, en den zelfden avond hoorden wy op nieuw trommelslagen. Des anderen daags op den middag wierden wy door een orkaan overvallen; de Charon brak van zyne ankers los, en wierd tegen den oever aangesmeten, alwaar de deelen van het Schip, die boven water zyn, door de takken van boomen, over de oevers der Rivier heen hangende, merkelyk beschadigd wierden. Wy wierden door den regen, als door een stroom. overstort, en ik verwagtte niets minder dan schip-breuk te lyden.

Den 15den, kwam een ander Officier, de Lieutenant Baron OWEN, van den wachtpost van de Cerberus; hy was ziek, en op zyn verzoek waagde ik het, om hem naar Paramaribo te zenden. Ik ontfing den zelfden dag een tweeden brief van den Colonel FOURGEOUD. Dezelve deed aan de soldaaten eenig geld toekomen, om ververschingen te koopen op een plaats, alwaar men niets van dien aart vond; maar hy sprak niet om ons te doen aflossen.

Den 20sten vernam ik, dat de Cerberus, niet meer dan vier man hebbende, die niet ziek waaren, naar den post van la Rochelle de wyk genomen had. Ik zond aan dezelven, den 21sten, twee van myne soldaaten, met last om op hunne eerste wachtplaats te rug te keeren.

Eindelyk wierd ik zelf door de koorts aangetast, en ik bevond my in een elendigen staat. De ziekte beroofde my van myne beide Officiers en van mynen Sergeant. Myne soldaaten, op de drie wachtplaatsen, namelyk op de twee vaartuigen, en te Devil's Harwar, waaren versmolten van twee-en-veertig op vyftien, zonder eenen enkelen Heelmeester, en zonder de minste verkwikking. Wy waaren omringd door dikke bosschen, en blootgesteld aan de woede van eenen vyand, waar onder wy ontwyffelbaar bezweeken zouden zyn, zoo hy de elende van onzen staat geweten had. Zy, die nog eenige kragten behielden, zeiden opentlyk, dat men hen aan een onvermydelyken dood bloot stelde. Het was dus niet dan met groote moeite, dat ik hen wederhouden konde aan 't muiten te slaan, en de Cottica tegen myn bevel weder af te zakken.

Zekerlyk, ik was toen niet ontheven van ongerustheden. In de daad, men had tegen den vyand, toen hy de Patamaca-Kreek overstak, eenig krygsvolk van alle de posten, namelyk van dien van la Rochelle, van Devil's Harwar, en van de Pereca, moeten doen optrekken. De muitelingen, van drie verschillende kanten aangevallen, zouden, zoo al niet geheel verslagen, ten minsten voor hunne roekeloosheid zwaar gestraft zyn geworden. Ik spreek nog niet van het voordeel, het welk uit zulk een verlies zou zyn voortgesproten, en waar door het leven en de eigendom der ongelukkigen, wien de muitelingen in deeze strooperyen aan hunne woede opofferden, zouden zyn behouden gebleven.

Ik bevond my den 23sten een weinig beter; en in de tusschenpoozingen van myne koorts, doodde ik twee groote zwarte aapen, om 'er my soup van te laaten koken. De dood van een deezer dieren ging vergezeld met omstandigheden, die my beletteden, om immer weer van deeze jagt gebruik te maken: my in een kano dicht by den oever ziende, hield hy eensklaps op om met zyne medemakkers te springen; en op een tak gezeten zynde, keek hy my aandachtig en met de grootste nieuwsgierigheid aan. Ongetwyffeld zag hy my aan voor een reus van zyn eigen zoort. Hy babbelde onophoudelyk, en danste op deeze beweegbaare tak met zoo veel kragt, als vaardigheid. Ik mikte hem toen, en deed hem weldra in de Rivier vallen.--Ik hoop zulk een schouwspel niet weer te zien! Het ongelukkig dier leefde nog, maar het was doodelyk gewondt. Om aan zyn lyden een einde te maaken, nam ik hem met twee handen by de staart, en hem in de rondte gedraait hebbende, om hem duizelig te maaken, sloeg ik hem met den kop tegen de kant van de kano; maar het arme beest konde tot geen sterven komen; het keek my op de aandoenlykste wyze aan; en ik vond geen beter middel om hem af te maken, dan hem met den kop in 't water te houden, tot dat hy verdronken was. Myn hart bloedde echter: de stervende oogen van het dier zogten steeds naar de myne, en scheenen my myne wreedheid te verwyten: zy doofden eindelyk langzamerhand uit, en hy stierf. Ik was over zyne straf zoodanig aangedaan, dat, toen zy gereed gemaakt waaren, ik nog van hem, nog van zynen medemakker proeven konde, schoon ik zag, dat zy aan zommige anderen eene lekkere maaltyd verschaften.

De aapen, vooral wanneer ze jong zyn, zyn niet kwaad om te eeten. Men kan dit gemakkelyk begrypen, dewyl zy zig niet dan met vrugten, nooten, eijeren en jonge vogels, enz. voeden. Naar myne gedachten, zyn alle jonge viervoetige dieren eetbaar; maar indien men eenigen der aapen, welke men in de bosschen dood, vergelykt by die walgelyke en vuile beesten, die langs de straaten loopen, is het niet te verwonderen, dat een kiesche maag een afkeer van dit voedzel heeft. Ik heb de eerstgemelden verscheiden maalen gekookt, gebraden en gestooft gegeeten, en ik heb hun vleesch altyd wit, sappig en goed gevonden. Het eenige dat my stuitte, waaren hunne kleine handen en kop, die gevilt zynde, naar die van een kind geleeken.

Ik heb reeds opgemerkt, dat 'er verscheiden zoorten van aapen in Guiana zyn, van den grooten Orang-Outang, tot de kleine Saki-Winki toe. Ik heb den eersten echter nooit gezien: ik heb hem zelfs, zoo lang ik in dit land was, niet hooren beschryven. Wat den laatsten betreft, ik zal 'er by eene andere gelegenheid van spreeken; ik zal my tans vergenoegen met den leezer te onderhouden over die geene, welke ik op deezen tocht zag. De aap, dien ik de tweede keer doodde, is van het zoort dat in Surinamen den naam van Micou draagt. Hy is ten naasten by van de grootte van een Vos, en van roodachtig gryze kleur; hy heeft een zwarte kop en een zeer lange staart. Die ik den 10den doodde, waaren zeer fraai, en toen ze klaar gemaakt waaren, veel lekkerder dan de eersten. De aap van dit zoort word door de inwoonders genoemd kesee-kesee: hy heeft byna de gedaante van een konyn, en is ongemeen vaardig. Zyn hair is rosachtig, zyne staart, die zeer lang is, is aan het einde zwart: maar de voorpooten zyn van orange kleur. Hy heeft den kop zeer rond, het aangezicht zoo wit als melk, met een zwarte vlak in 't midden, en waar in de neusgaaten en de mond gevonden worden: deeze tegen elkander inloopende kleuren, geeven hem het voorkomen van een mom-aangezigt. Zyne oogen zyn zwart en zeer levendig. Dagelyks zagen wy deeze aapen aan weerskanten van de Rivier, maar voornamelyk op den middag. Zy sprongen in een groot getal van boom tot boom, de een na den ander; zelfs in een geheele reeks agter malkander. Zie hier hunne manier van reizen: de eerste begeeft zig op het einde van een tak, van waar hy op een naby staanden boom springt, maar dikwils ver afgelegen, zonder ooit in zyn oogmerk te missen, en met zoo veel juistheid als kragt. De anderen, en zelfs de wyfjes, hunne jongen op den rug dragende, alwaar zy zig zeer vast haaken, volgen hunnen geleider, de een voor, de ander na, en doen dien sprong met het grootste gemak. Het is zeer merkwaardig, met welke ligtheid zy op die natuurlyke koorden loopen, welke in een groot gedeelte der bosschen de boomen zamenvlegten, en die aan de takken vast hangende, op het eerste gezicht, de beeldtenis van eene vloot, die ten anker ligt, vertoonen.

De wyfjes der aapen, zoo men my gezegd heeft, zoogen dikwils twee jongen, even gelyk de vrouwen. By het ondergaan der zon, heb ik deeze dieren den top der palmboomen zien beklimmen, waar van zommigen niet minder dan honderd voeten hoog waaren. Zy sliepen aldaar gerust, onder de breede bladeren van deezen boom. De Kisi-Kisi is zoo fraai, en van zulk een beminnelyken aart, dat verscheiden lieden hem met zig voeren, aan een zilvere ketting vast gemaakt zynde. Hy maakt duizend kromme sprongen en wendingen, babbelt zonder ophouden, en roept zonder tusschenpoozen pitico-pitico. Men maakt hem gemakkelyk tam, en vangt hem door middel van een lym, het welk de Indianen maken, en vry wel met ons vogellym overeenkoomt.

De aapen van dat zoort, wier verschrikkelyken dood ik verhaald heb, wierden door myne Negers Monki-Monki genaamd. Alles wat ik 'er van zeggen kan, bestaat hier in, dat zy onder de geenen, welken ik beschryf, van eene middelmatige grootte zyn, en dat zy den rug geheel zwart hebben. Eene zeer merkwaardige omstandigheid, en die ik niet vergeeten moet, is, dat ik uit myn vaartuig een aap van dit zoort naar den waterkant zag naderen, met zyn poot daar uit scheppen, zyn mond spoelen, en den vinger daar in steken, als of hy zig de tanden wilde schoon maken. Dit wierd door een der Negers opgemerkt, die my groot vermaak deed met my zulks aan te wyzen.

Ik zal, om dit stuk voor het tegenwoordige te eindigen, 'er byvoegen, dat deeze beesten gezellig en zeer levendig zyn, zoo als ik heb doen zien. Het is byna overtollig op te merken, dat het gewoon onderscheid tusschen de aapen en de meerkatten daar in bestaat, dat de eersten geen staart hebben en de andere wel: maar dewyl ik 'er geene van het eerste zoort in Guiana ontdekt heb, geloof ik, dat zy meerder Asia en Africa, dan dit gedeelte der nieuwe weereld, het welk onder den naam van Zuid-America bekend is, bewoonen. De aapen doen dikwils veel schade op de Plantagien, alwaar zy het suikerriet, enz. om ver haalen; ik heb dit egter maar eenmaal gezien.

Dewyl ik van de dieren spreek, welke ik in dit gedeelte van Guiana gevonden heb, zal ik niet vergeeten melding te maken van de Otters, welke men hier Tavons noemt, en die in de Cormoetibo-Kreek ons dikwils met hun onaangenaam geschreeuw vermoeiden. Deeze halfslachtige dieren leeven voornamelyk van visschen. Zy zyn ten naasten by drie voeten lang, asch-graauw, en over 't geheel wit gevlakt; zy hebben korte, platte pooten, met vyf genagelde vingeren, die vliezen hebben. De kop is rond, de bek plat, en van weerskanten van knevels voorzien, even als de katten; de oogen zyn klein, en boven de ooren geplaatst. De staart is zeer kort. Deeze dieren loopen kwalyk, maar zy zwemmen met een groote kragt. Men zegt, dat 'er nog een ander zoort van Otters in Guiana is, veel breeder zynde; ik heb 'er nooit een gezien. [19]

In weerwil van den gunstigen oogenschyn van des avonds te vooren, bevond ik my den 24sten zeer ziek. Ik had moeite om over eind te blyven zitten in myne hangmat, waar onder myn kleine Neger QUACO over den staat van zynen meester ontroostbaar was; en des anderen daags wierd de arme jongen zelf ziek. Ik was ter zelfder tyd genoodzaakt, om drie mannen, die door de koorts waaren aangetast, naar Devil's Harwar te zenden. De ongelukken komen zelden alleen; ik ontfing, in dit elendig tydstip, de tyding, dat de Officier OWEN by zyne aankomst op de Plantagie Alida gestorven en aldaar begraven was. Myn Vaandrig, COTTEMBERG, had ook daags te vooren zyne levensdagen geeindigt. Wat my zelven betrof, my stond tans een gelyk lot te wagten. Ik zag my tans door eene heete koorts aangetast, zonder Officiers, zonder soldaaten, hebbende geene andere hulp, dan die my de ongelukkige Neger-slaaven bezorgen konden, en welke zig bepaalde tot het koken van water voor de thee. Men kan oordeelen, hoe troostelyk het voor ons was, toen ik denzelfden avond, op welken zulk eene opeenstapeling van onheilen onzen ondergang scheen te bedreigen, van den Colonel bevel ontfing, om my met de vaartuigen naar Devil's Harwar te begeeven, alwaar ik ook mynen wachtpost aan den oever neemen zoude, en aldaar den heer ORZINGA, Capitain in dienst der Compagnie, af lossen, als welke zig met zyne manschappen naar la Rochelle, aan de Patamaca-Kreek, begeeven moest, om het krygsvolk, zig aldaar reeds bevindende, te versterken. Deeze tyding, hoe ziek ik ook was, bragt zulk eene uitwerking op my te weeg, dat ik oogenblikkelyk bevel zond naar de Cerberus, om tot aan den mond der Cormoetibo-Kreek te rug te komen, alwaar hy my den zelfden avond aantrof.

Den 26sten namen wy ons afscheid van deezen vernielenden post: wy ligtten het anker, om ons naar Barbacoeba te begeeven; en onze reize was merkwaardig door eene omstandigheid, die waarschynlyk den leezer meer vermaaken zal, dan alle die meenigvuldige verhaalen van ziekten en sterfte.

Ik lag in myne hangmat uitgestrekt, geduurende eene tusschenpoozing van myne koorts, en de Charon bevond zig ter halver weg, tusschen de Cormoetibo- en Barbacoeba-Kreeken, wanneer de schildwagt my riep om my te zeggen, dat hy iets zwarts zag, het welk zig in de doornstruiken aan den oever bewoog, en niet antwoordde, maar dat men, volgens deszelfs uiterlyke gedaante, moest besluiten, dat het een mensch was. In de gedachten komende, dat het voorwerp, door den schildwagt gezien, een spion konde zyn, of een voor uit gezonden muiteling, ging ik aan land, om 'er zeker van te zyn: toen verklaarde een der slaven, genaamt DAVID, dat het geen Neger was, maar een groote halfslachtige Slang, die ongetwyffeld niet verre van den oever af was, en dat, zoo ik wilde, ik hem gemakkelyk zoude kunnen dooden. Ik was daar toe in 't geheel niet gesteldt. De buitengewoone grootte van het dier, myn zwakkelyke staat, de moeielykheid om dwars door de struiken, die aan den waterkant van eene ongemeene dikte waaren, door te dringen, hielden my te rug, en ik gaf bevel om weder naar boord te keeren. DAVID verzogt my toen verlof om zig dieper in te mogen begeven, ten einde alleen den slang te dooden, die op geenen verren afstand wezen konde, en hy verzekerde my, dat 'er geen gevaar by was. Zyn besluit wakkerde myn hoogmoed en nayver zoodanig op, dat ik besloot zyn eersten raad te volgen, en den slang zelf te dooden. Ik vorderde echter van den Neger, dat hy my het dier zoude aanwyzen, en aan myne zyde blyven; hem tevens verklaarende, dat, zoo hy een voet dorst verzetten, ik hem de harssens zoude inschieten.

Hy stemde in alles gewillig toe: ik laadde toen myn snaphaan met schroot, en 'wy gingen voort. DAVID baande den weg door de struiken af te snyden, en wy wierden dooreen zee-soldaat gevolgt, welke drie gelaaden geweeren droeg, om in geval van nood van dienst te zyn. Naauwlyks waaren wy vyftig treden door slyk en water voortgestapt, of de Neger, die alles met veel behendigheid en de naauwkeurigste opmerkzaamheid waarnam, hield agter my stil, en zeide my: Ik zie den slang reeds. In de daad het was dit dier, liggende onder de bladeren, en zoo wel overdekt, dat ik eenigen tyd werk had, eer ik zyn kop, die meer dan zestien voeten van my af was, onderscheidentlyk zien kon: zyn gespleeten tong bewoog zig in zyn bek; en zyne oogen, op eene buitengewoone wyze schitterende, scheenen vuurvonken uit te werpen. Ik plaatste toen myn wapentuig op den tak van een boom, om des te zekerder te mikken, en ik schoot af; maar den kop niet geraakt hebbende, kreeg hy den kogel in het lyf. Het dier, voelende gewond te zyn, stelde zig in eene woedende beweging, met zulk eene verbaazende kragt, dat hy de doornstruiken, waar door hy omringd was, weg sneed, even gemakkelyk als iemand het gras afmaait. Hy stak zyn staart met geweld in 't water, en bedekte ons daar door met een stroom van slyk, die tot op een grooten afstand heen vloog. Echter deed hy op ons de uitwerking niet van den krampvisch, en wy bleeven geene onbeweeglyke getuigen van dit schouwspel: wy naamen de vlucht zoo schielyk wy maar loopen konden, en wy gingen in aller yl in de kano. Toen wy weder tot bedaaren gekomen waaren, verzogt my de Neger om den aanval te hervatten: hy verzekerde my, dat in eenige oogenblikken de slang in rust zoude zyn; en dat hy nog de kragt, nog het voornemen had om ons te agtervolgen. DAVID, om zyn gezegde te bekrachtigen, ging voor my uit, tot dat ik gereed was om te schieten. Ik vernieuwde dus de proef, vooral na de verzekering van den slaaf, dat hy zelf in 't begin ter zyde gegaan was, alleenlyk om plaats voor my te maken. Deeze tweede keer vond ik den slang een weinig uit zyne eerste ligging verplaatst, maar zeer rustig, en de kop, zoo als bevoorens, onder bladeren, verrotte schors van boomen, en oude boom-mos verborgen. Op 't oogenblik gaf ik vuur, dog met even weinig goeden uitslag als te vooren. Het dier, niet meer dan ligt geraakt zynde, veroorzaakte ons een wolk van stof met modder gemengd, hoedanige ik nimmer dan in een orkaan gezien heb; en wy keerden zeer schielyk naar de kano te rug. In zulk eene onderneeming een weerzin hebbende, gaf ik bevel om weder aan boord van ons vaartuig te gaan: maar DAVID my zyn verzoek hernieuwende, om hem toe te staan, dat hy alleen het dier mogt dooden, liet ik my overhaalen, om met hem een derde proef te nemen. De verblyfplaats van den slang ontdekt hebbende, schooten wy onze drie snaphaanen te gelyk af, en een van ons had het geluk het monster in den kop te treffen. DAVID, over deezen goeden uitslag van blydschap opgetogen, liep zonder tyd-verzuim naar het vaartuig, en bragt wel dra het touw van de sloep met zig, om onzen buit naar de kano te trekken: maar dit was geene gemakkelyke onderneeming; want de slang, schoon doodelyk gewond, bleef zig steeds buigen, en weder in een krommen, zoo dat het ten uitersten gevaarlyk was hem te naderen. De Neger echter, een lisknoop gemaakt hebbende, kwam, na eenige vrugtelooze pogingen, zoo verre, dat hy dicht by hem was, en hem met veel knaphandigheid het touw om den hals wierp. Wy trokken hem toen allen tot aan den oever, en wy maakten hem agter aan de kano vast, om hem alzoo voort te slepen. Hy leefde steeds, en zwom als een aal. Ik had waarlyk geen lust om een dergelyk passagier aan boord van zulk een ligte boot, als de onze, te hebben, daar zyne lengte (schoon de Negers my, tot myne uiterste verwondering, verklaarden, dat het niet meer dan een jonge slang was, die slechts de helft van zyne volwassene grootte had,) volgens eene naauwkeurige meeting, twee-en-twintig voeten en eenige duimen bedroeg: zyne dikte was als die van mynen kleinen Neger QUACO, oud omtrent twaalf jaaren, wiens kamisool ik op de huid van dit dier pastte.

