Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 1
Part 11
De Kayman is een halfslagtig dier, het welk men in de meeste Rivieren van Guiana vind. Het heeft van vier tot agttien of twintig voeten lengte; zyn staart is van dezelfde uitgestrektheid, en over het geheele bovenste gedeelte als een zaag getand; het lyf is zulks insgelyks. De gedaante van den Kayman gelykt na genoeg naar die van de Hagedis. Zyn rug, van een geelachtig bruin, naar heL zwarte hellende, heeft aan de kanten verscheiden groenachtige schaduwen; en de buik heeft een vuile witte kleur. Zyn breede kop heeft een kakebeen, en zyne oogen zyn byna als die van eene zeuge, maar minder onbeweeglyk, en waar van elk door een uitwas, of een zoort van zeer harde knobbel, beveiligd word. Zyn bek en keel zyn uittermaten breed, en van eene dubbele reije tanden voorzien, die alle zoorten van beenderen doorknagen kunnen. De Kayman heeft vier pooten, met zeer spitse klaauwen gewapend. Hy is geheel bedekt met breede schubben, en zulk eene harde huid, dat hy niet dan in den buik of aan den kop gewond kan worden. De Indianen eeten van zyn vleesch; maar het heeft een smaak van muskus, zoo men zegt, naar zakken of beursen die inwendig by elk lid geplaatst zyn. Het wyfje van den Kayman legt haare eijeren in grooten getaale in het zand aan den oever, alwaar de hette der zon dezelve uitbroeid, en het mannetje slokt 'er een groot gedeelte van op. Dit dier is niet zeer gevaarlyk op het land, alwaar het zig niet gemakkelyk bewegen kan; maar in de Rivieren ziet men hem dikwils op zynen buit loeren, houdende den bek alleen boven 't water, wanneer hy het voorkomen heeft van een stuk dryvend hout. Hy is waarlyk geducht voor alles wat hy nadert. Echter heb ik gezien, dat hy voor een mensch bang was, zoo lang dezelve handen en voeten bewoog, maar ook langer niet. Zommige Negers hebben moeds genoeg gehad, om hem in zyn eigen element aan te tasten en te overwinnen, in weerwil van zyne ongemeene sterkte en woede, die by deeze gelegenheid door zynen onverzadelyken lust tot menschen-vleesch nog merkelyk vergroot word.
Het verschil tusschen den Kayman en de Krokodil, die men al mede in Guiana vind, bestaat niet alleen in den naam, maar ook in beider onderscheiden aart en gedaante, zynde de laatstgemelde veel langer, in evenredigheid veel fynder, en minder vraatachtig. Voor 't overige ontmoet men dezelve zoo dikwils niet als de eerstgemelde, waarom men misschien denkt, dat hy minder verslindend is. Ik zal 'er alleenlyk byvoegen, dat men in Asien op het eerste gezicht een groot verschil ontdekt tusschen deeze twee kruipende dieren, alwaar zy ook veel grooter zyn dan in America.
Het groot voordeel der verzamelingen van voorwerpen, tot de Natuurlyke Geschiedenis behoorende, zoo als het Brittannisch Museum, bestaat daar in, dat de beminnaar der natuur en waarheid het genoegen verkrygt, om de ongeloofbaarste voortbrengzels der schepping met eigen oogen te aanschouwen. In die verzameling, welke ik hier aanhaale, vind men een Krokodil, in eenige opzigten, maar vooral in de maat, van alle de dieren van dien naam in beide Indien verschillende. Schoon zy op Bengalen in grooten getaale zyn, heb ik nimmer, volgens een geloofwaardig bericht, hooren staande houden, dat 'er grootere zouden zyn, dan deeze, welke een-en-twintig voeten lang is. Hy wierd in de Indus gevangen, maar men moest vooraf drie ponden kogels op hem verschieten, waar van verscheiden op zyne schubben geene uitwerking doen konden.
Dewyl ik niet wel voor deeze verzekering kan instaan, stelle ik myne geloofbaarheid niet te pand, dan voor een voorwerp, het welk ik zelf gezien heb, en my bewees, dat 'er eenige dieren van dit zoort zyn, twee maal zoo groot, dan het geen ons Museum bezit.
Ik heb aldus, in 't jaar 1781, te Maastricht den kop van een versteenden Krokodil gezien, welken men by het graaven in den berg St. Pieter gevonden had. Naar evenredigheid moet het lyf wel zestig voeten lang geweest zyn. Wanneer, of op welke wyze kwam dit dier aldaar? Echter ik heb dien kop gezien; een Priester was 'er bezitter van, en naderhand heeft hy dien als eene groote zeldzaamheid naar Parys gezonden. [17]
Men zegt, dat 'er in Guiana Hagedissen zyn van vyf of zes voeten lang; maar die geene, welke behooren tot het zoort, in dit Land den naam dragende van de Iguana, en by de Indianen dien van Wayamaca, hebben 'er zelden meer dan drie. Van het hoofd tot onder aan de staart, is de Iguana bedekt met zeer kleine schubben die in de zon met de levendigste kleuren schitteren. De rug en de pooten zyn donker blaauw; de zyden en de buik zyn van een zoort van geelachtig groene kleur. Even als de zak of die losse huid, welke hem onder de keel hangt, is het lyf van dit dier op verscheiden plaatsen zwart en bruin gespikkelt. Zyn oogbol is van een fraay bleek rood; zyne klaauwen zyn donker kastanje bruin.
Deeze Hagedis heeft, even als de Kayman, een getande rug en staart, en beiden hebben de laatstgemelde zeer spits. Het wyfje legt haare eijeren insgelyks in het zand. Men ziet dit dier dikwils op gronden, die met heestergewassen en planten bedekt zyn, alwaar de Indianen het zelve met pylen doodschieten. Zy eeten gaarn van deszelfs vleesch, het welk zeer wit en zeer lekker is. Men verkoopt het zelve zeer duur te Paramaribo; en verscheiden Europeanen eeten 'er van, als van eene groote lekkernye. De beet der Hagedis van Guiana is zeer pynlyk, maar heeft zelden, schadelyke gevolgen.
Laaten wy tot mynen Neger CARAMACA te rug keeren. Zyne verhaalen, raakende den Kayman, hadden my den lust benomen om my dagelyks te baden; maar bevindende, dat ik, volgens zyne raadgevingen, alle gevaar ontwyken konde, besloot ik dezelve op te volgen, en ik trok uit zyne manier een groot voordeel, geduurende al den tyd, dat ik in deeze Volkplanting verbleef. Hy raadde my ook om blootsvoets, en ligt gekleed te gaan. "Het is tans noodig, Masera, zeide hy my, dat gy uwe voeten verhardt, door zonder schoenen of koussen op het Schip te kuijeren. De tyd kan komen, dat u dezelve in het midden der distelen en doornen ontbreeken, zoo als aan anderen wedervaaren is. De gewoonte, Masera, is een tweede natuur: wy hebben allen de voeten van een gelyk maakzel. Luister naar my, en eindelyk zult gy den ouden CARAMACA dank zeggen. Wat uwe kleeding betreft, vervolgde hy, een hembd en een lange broek zyn voldoende; dit zal u moeite en geld uitspaaren. Het lichaam heeft zoo wel lucht, als water noodig. Gebruik dus baden van deeze tweeerlei zoort, wanneer gy 'er de gelegenheid toe vinden moogt". Van dit oogenblik af volgde ik zynen raad, waar aan ik, behalven de zindelykheid, grootendeels het behoud van myne levensdagen verschuldigd was. Ik dacht toen meenigmaal aan Paramaribo, alwaar ik alle de aangenaamheden des levens genoot, terwyl ik hier meer, dan immer iemand der wilden, genoodzaakt was van voorbehoed-middelen een aanhoudend gebruik te maaken. Het zoude my egter niet verdrooten hebben, zoo maar iemand van ons lyden nut getrokken had.--Maar ik vergeete, dat men in den krygsdienst blindeling, en zonder aanmerkingen te maken, moet gehoorzaamen.
Den 22sten, zond ik mynen Sergeant, en een soldaat, die beiden ziek waaren, naar het ziekenhuis van Devil's Harwar. Vervolgens zeilden wy weder opwaarts naar het middenpunt van onze wachtpost, naar de Cormoetibo-Kreek.
Een van onze Negers vong hier eenige visschen, waar onder de Krampvisch was, welke ik reeds beschreven heb: denzelven hebbende doen koken, at hy dien met zyne medgezellen. Hy vong ook een Pery en een Que-quee. De eerste zeide my de oude slaaf, dat zoo wel gevaarlyk als vraatachtig was. Zomtyds is hy by de twee voeten lang; hy is vry plat, schubbig, en van een blaauwachtige kleur. Zyn bek is breed, en voorzien van eene reije dicht geslotene en puntige tanden, welke zoo veel kracht hebben, dat hy de pooten der eendvogels verbreekt, wanneer ze zwemmen: hy doet het zelve aan de toonen en vingers, en ryt met zyne tanden den boezem der vrouwen van een. De Que-quee kan voor een geharnaste visch doorgaan. Hy is van het hoofd tot de voeten van beweegbaare ringen voorzien, die de een op de ander loopende, en zig vereenigende als die van een Kreeft, hem tot verdediging en tot schubben dienen. Hy is van zes tot tien duimen lang, en heeft een breeden kop van eene ronde gedaante. Deeze beide visschen zyn zeer goed om te eeten.--Maar hut word tyd de beschryvingen daar te laaten, en myn verhaal weder op te vatten.
Den 23sten, zynde den dag, welken ik daar toe met den Capitain Orzinga was overeengekomen, namen wy, net op den middag, eene proeve met onze seinen, door een algemeen lossen van onze musketten en ander wapentuig, zoo op Devil's Harwar, als aan boord van de Charon en de Cerberus, zynde de laatstgemelde altyd op den wachtpost aan de Patamaca. Zy waaren van geene uitwerking: niemand op deezen eersten post, zoo min op het een als op het andere der beide vaartuigen, hoorde 'er iets van. Ik zelf, een musketschoot doende, kreeg, door myne eigene onoplettenheid, een klein ongeluk. Het wapentuig tegen myn schouder geplaatst hebbende, viel ik door den te rug stoot op een ton, en myn rechte schouder was daar door byna ontwricht.
Den 26sten, kreeg ik door een vaartuig, het welk my van de Patamaca-Kreek gezonden wierd, bericht, dat de Cerberus gevaar liep, om door de muitelingen, welken men in den omtrek had zien rond zwerven, aangerand te worden. Het gedeelte der Rivier, alwaar dit Schip lag, zeer naauw zynde, oordeelde ik het zelve in een zeer bedenkelyken staat. Dienvolgende deed ik de Charon tot de Pinnenburg-Kreek opvaaren. Vervolgens in de sloep, als welke ligter was, gegaan zynde, trok ik met zes mannen dit Schip te hulp: maar ik wierd zeer aangenaam verrast, toen ik by myne komst vernam, dat het slechts een valsch alarm geweest was; en wy keerden den zelfden avond naar onzen post te rug. Geduurende mynen tocht was ik zeer verwonderd my te hooren begroeten door eene menschelyke stem, welke my, om Gods wil, bad aan land te komen. Ik deed dit, vergezeld van twee soldaaten, en ik wierd aangesproken door eene oude Negerin, die my smeekte, om haar eenige hulp te verschaffen. Het scheen my toe, dat zy aan een Jood, die eigenaar was van den grond, waar op ik haar vond, toebehoorde. Dit arm elendig schepzel leefde aldaar eenzaam in eene kleine hut, en omringd door eene woeste wildernis, alwaar zy tot haar voedzel niets had dan eenige bananen, ignames en cassave. Zy was niet meer in staat om op de voornaame Plantagie van haaren meester te arbeiden, en deeze had haar dus naar deeze plaats verbannen, om aldaar een blyk te behouden van zynen eigendom, welken de muitelingen vernielt hadden. Aan deeze ongelukkige een stuk gezouten vleesch, een weinig garst, en een fles rhum agterlaatende, bood zy my tot een tegen-geschenk een van haare katten aan, maar ik wilde dit niet aanneemen; en, volgens haar aanbod, beweerden myne roeijers, dat deeze vrouw eene tooverheks was: men ziet daar uit, dat het bygeloof de grenzen van deszelfs ryk niet tot Europa bepaalt.
In deeze Kreek, welkers oevers met Palmietboomen, struiken en doornen bedekt zyn, vonden wy groote witte nooten, die op het water dreeven, en die tot rypheid gekomen zynde van zelf scheenen te zyn afgevallen. Zy zyn zoet, knappende, en zeer goed om te eeten: maar ik verzuimde ongelukkiglyk naar den naam van den boom, die dezelve voortbrengt, te verneemen. Men vind in eene groote meenigte op deeze zelfde plaats een zoort van water-heester, genaamd mocco-mocco. Het zelve groeit tot de hoogte van zeven of agt voeten. De stronk, die vol met scherpe punten, is, is van onderen zeer dik, en word in de hoogte al langer hoe dunner, dezelve eindigt in drie of vier eironde en gladde breede bladen, die eenigermaaten de kragt bezitten van trekpleisters, om dat ze zeer sterk aan de huid vast kleeven.
Des avonds by de Charon komende, vond ik de schildwagt in diepen slaap, het welk my dermaten moeijelyk maakte, dat ik stilletjes in het vaartuig gegaan zynde, myn pistool boven zyn hoofd afschoot, om hem te doen ontwaken, en ik verzekerde hem, dat de eerste keer dat het weer gebeurde, ik hem de harssens door en door zou schieten. Al het volk kwam in de wapenen, en het verschilde weinig, of deeze knaap wierp zig in 't water. Maar hoe noodzakelyk zulk een dreigement ook was op een post, alwaar eene overrompeling doodelyk zyn konde, zoude het uittermaten wreed geweest zyn, dezelve dadelyk ter uitvoer te brengen. Het steken van de muggen belette, om gerust te slaapen, en de stooring van den slaap op den eenen tyd gedoogde niet denzelven op een anderen tyd uit de oogen te houden.
Wy zeilden den 27sten hooger op, naar de Cormoetibo-Kreek. Myne Negers stapten aan land om hout te hakken, en bragten een arm dier met een krommen bek aan boord, wien zy de vier pooten hadden afgesneeden; en in dien staat op den bodem van hunne kano nederwierpen. Ik gaf hem een slag op den kop, het welk een einde aan zyn lyden maakte, en ik vernam, dat het de Luijaart was, door de inwoonders genaamt Loijaree, of Ai, uit hoofde van zyn klaagende stem. Hy heeft byna de grootte van een kleine water-patryshond; zyn kop is rond, ten naasten by als die van een aap, maar zyn bek is uittermaten groot. Zyne agterpooten, om het dier in het klauteren te ondersteunen, zyn veel korter dan de voorpooten, en met drie sterke zeer spitse klaauwen gewapend, door middel van welke hy zig aan de takken vast houd, maar die myne Negers aan dien, welken ik toen zag, hadden afgehouwen, om dat zy een zeer beledigend wapen verschaffen. Zyn gezicht is flaauw, en hy laat een gemaauw hooren, gelykende naar dat van een jonge kat. Het geen in dit dier echter het meest zonderling is, bestaat in zyne beweeging, of liever derzelver langzaamheid, welke zoodanig is, dat hy dikwils twee dagen werk heeft, om boven op een middelmatigen boom te komen, en hy verlaat denzelven nooit, zoo lang hy 'er iets op vind, dat hem tot voedzel verstrekken kan. By het opklauteren, verteerd hy alleenlyk zoo veel als hy noodig heeft, om op zyne reize te leven, maar op den top gekomen zynde, ontbladert hy den boom geheel en al. Hy handelt op deeze wyze, ten einde geen gevaar te loopen van uitgehongerd te zyn, wanneer hy op de eerste takken te rug koomt, om een anderen boom te gaan zoeken; want hy beweegt zig op den grond niet, dan met eene ongelooflyke langzaamheid. Zommigen beweeren, dat hy, om de moeite te spaaren van zyne ledematen te bewegen, zig als een kloot in een rold, en zig zoo van den boom naar beneden laat vallen. Ik weet niet of dit waar is; maar dit weet ik, dat hy zynen tred niet verhaasten kan.
Deeze dieren zyn in Guiana van tweederlei zoort. De eersten draagen den naam van Ai, en de anderen dien van Unaru: maar in Surinamen noemt men hen Sicapo en Dago luijaree, of het luije Schaap en de luije Hond, uit hoofde van hun verschillend hair. De hairen van den een zyn dik, en van een vuil gryze kleur; die van den ander zyn rosachtig en lang. De laatste heeft aan elke poot alleenlyk twee klaauwen; en zyn kop is ook minder rond, dan van den eersten. Deeze dieren, zig alzoo als eene kluwe in een rollende, hebben meer het voorkomen van een uitwas op de schors van den boom, dan als wezens, die zig met blaaden voeden. Dit vermogen veroorzaakt dikwerf, dat zy door de Indianen en Negers, die hun vleesch met graagte eeten, niet ontdekt worden.
Den 28sten, kwam de Lieutenant STROMER, Bevelhebber op de Cerberus, van de Patamaca-Kreek, zynde in een open kano aan de hitte der brandende zon bloot gestelt. Hy was door eene hevige koorts aangetast, en zyne eenige verkwikking bestond in water uit de Rivier te drinken. Een Joodsch soldaat, uit de haven van la Rochelle, vergezelde hem, en had last om my te zeggen, dat de muitelingen, twee dagen te vooren, de Kreek waaren overgekomen, op den afstand van een myl van de laatste Plantagie, zoo als men zoo aanstonds gezegt had, dat is te zeggen, dat zy van het oosten naar het westen trokken. In het zelfde vaartuig bevond zig ook een Negerin, met een kind aan de borst, welke, door de muitelingcn gevangen genomen zynde, ontvlucht was. Ik vernam bovendien, door middel van de wachtposten, die beneden my geplaatst waaren, dat de Majoor MEDLAR twee handen van muitelingen, die door de Neger-Jagers gedood waaren, naar de Savane der Joden gezonden had; dat een Officier, aan het hoofd van tien mannen, en met eenige krygsbehoeften, te Devil's Harwar was ontscheept, om zig by myne afgezondene krygsbende te voegen; en dat eindelyk een van myne Zee-soldaaten op die plaats overleden was. De brieven, die ik ontfing, hielden ook bevel in, om een drooge streek lands te zoeken, en, zoo 't mogelyk was, aldaar eene bergplaats voor levensmiddelen en krygsbehoeften te bouwen.
Ik zond dadelyk mynen Lieutenant HAMER af, om het bevel over de Cerberus op zig te nemen; en na het anker geligt te hebben, zakten wy af tot aan de Casepory-Kreek, alwaar wy een nacht doorbragten, hoedanige de bekwaamste pen niet in staat is te beschryven. De zieken kermden, de Jood bad met luider stemme, de soldaaten vloekten, de Negers smeekten, de Negerin, die op den grond lag, was in doods-angst, het kind schreeuwde, 'er viel onophoudentlyk een stortregen, en de muggen staaken geduuriglyk allen de geenen die in het schip waaren. Ten zes uuren des morgens echter drong eene verkwikkende zon door de wolken heen, en wy kwamen te Devil's Harwar aan.
Den 29sten bragt ik den Officier, en vyf zieke soldaaten, in het ziekenhuis. Ik liet ook op deezen post myne andere passagiers, voor wien ik alles deed wat ik konde, schoon het weinig te beduiden had. Vervolgens mynen nieuwen voorraad op eene geschikte plaats gebragt hebbende, keerde ik op nieuw naar myne akelige wachtpost te rug, alwaar ik den eersten Augustus het anker wierp.
Des anderen daags, tusschen de onderscheidene slagregens, zagen wy een groot getal aapen, en ik doodde 'er een van. Zedert lang geen versch vleesch gehad hebbende, liet ik den zelven klaar maken, en at 'er met groote smaak van. Wy waaren toen in eene akelige gesteldheid. De hangmatten en kleederen der soldaaten verrotten van dag tot dag, niet alleen uit hoofde der aanhoudende vochtigheid, maar ook om dat ze van slegte stoffen, uit Holland gezonden, gemaakt waaren.
Den 3den ontfing ik de tyding van den dood van den Lieutenant STROMER, op Devil's Harwar.
Den 4den, begaaven wy ons derwaarts, om hem de laatste eer te helpen aandoen. Wy maakten voor hem een kist van oude planken; maar deeze het lyk niet kunnende houden, viel het zelve 'er uit, eer wy aan het graf kwamen, en vertoonde ons een treurig schouwspel. Toen lag men een hangmat daar over, om voor een lyk-laken te dienen; en allen, die de kragt hadden om hun geweer te dragen, deeden drie eereschooten. Deeze plechtigheid geeindigd zynde, onthaalde ik de Officiers op een glas wyn, en zeide andermaal vaarwel aan Devil's Harwar.
Ik schreef den 6den aan den Colonel FOURGEOUD, om hem kennis te geven, dat de muitelingen boven den post van la Rochelle de Rivier waaren overgevaaren, en dat ik te Barbacoebo een streek lands gevonden had, die geschikt was om 'er een bergplaats voor goederen op te rigten; ik gaf hem ook bericht van het overlyden van den heer STROMER, en beval hem, tot vervulling van deszelfs plaats, mynen Sergeant aan, die Officier onder de Hussaaren geweest was.
Om aan den leezer eenig denkbeeld te geven van den wachtpost, Devil's Harwar genaamt, waar van ik hem reeds zoo dikwils gesproken heb, zal ik dit oogenblik waarneemen, om denzelven te beschryven.
Deeze post was eerst eene Plantagie geweest, maar was tans alleenlyk bezet door krygsvolk, het welk men aldaar plaatste, om het bovenste gedeelte van de Cottica te verdedigen. De grond is hoog en droog, het geen echter niet wegneemt, dat deeze plaats zeer ongezond is: want 'er zyn verscheiden honderde soldaaten van ziekte omgekomen. Devil's Harwar ligt aan de regte hand, als men de Rivier opvaart, en voorheen was aldaar een voetpad, op de Pereca uitkomende, waar op een wacht van eenige manschappen geplaatst was; maar het zelve wierd niet meer gebruikt, en was met struiken en doornheggen geheel bedekt.
De huizen op deezen post zyn allen van palmboomen hout gemaakt: ik zal by vervolg, zoo deeze zoort van palmboom, als de manier om denzelven tot timmerhout te gebruiken, beschryven. Een huis, uit vier goede kamers bestaande, voor den bevelhebbenden Officier; een ander voor de Onder-Officiers; een geschikt verblyf voor de soldaaten; een zeer ruim ziekenhuis, het welk aller noodzakelykst is, want het is altyd vol met zieken; een kruid-magazyn; een ander voor levensmiddelen; hutten voor keukens; een huis om zig te baaden, zyn alle de gebouwen op deezen post. Ik moet niet vergeeten te zeggen, dat aldaar ook een put met versch water gevonden word. Het krygsvolk van de Compagnie onderhoud aldaar eene meenigte schaapen, duiven en gevogelte, alleenlyk tot gebruik van het ziekenhuis. 'Er was daarenboven tegenwoordig eene koe, welke door de Neger-Jagers na het inneemen van Boucou aldaar gebragt was. Zy had een kalf, en verschafte aan de Officiers melk voor hunne thee, enz. maar wy, ongelukkige bewooners der vaartuigen, wy hadden niets van dat alles! ik zal 'er byvoegen, dat verscheiden Officiers van deezen post ook tuinen hadden, waar uit zy groenten en salade trokken.
Het geen, naar myne gedachten, Devil's Harwar zoo ongezond maakt, zyn de groote muggen, en de meenigte zand-muggen, waar door men gekwelt word.
Den 7den, kwam ik weder aan de Cormoetibo-Kreek aan, alwaar ik besloot het te wagen, om aan land te stappen, op dat myne soldaaten aldaar hun ossen-vleesch en garst zouden kunnen koken; ik oordeelde, dat het op 't zelfde uitkwam, door de hand des vyands om te komen, dan wel ons zelven, aan boord van de Charon, de een na den ander te verteeren. Het was echter niet gemakkelyk eene enkele kleine plaats te vinden, tot de uitvoering van dit ontwerp geschikt, en wy hadden veel moeite om daar in te slagen, vermits de grond onbruikbaar was door de heester-gewassen, en overal dras lag. Myne Negers maakten een zoort van een beweegbaare brug, om de sloep op een droog plekjen lands te brengen. Zy rigtten vervolgens een zoort van hut op, met palmboom bladeren bedekt, alwaar men tegen den regen beveiligd was, en waar in men vuur konde maaken: wy waaren aldaar veel beter dan in ons vaartuig. Ons gevaar was in die gesteldheid ongetwyffeld veel grooter, dewyl eene oude verblyfplaats der muitelingen, genaamt Pinnenburg, naar eene naby gelegen kreek den naam dragende, 'er niet verre van af lag; zommigen beweerden, dat deeze benaaming haaren oorsprong had van de groote meenigte van paalen of zoogenaamde vriesche ruiters, welke deeze zelfde muitelingen in den grond gestoken hadden, om hunnen post te versterken en te verdedigen. Schoon deeze sterkte vernielt was geworden, wist men, dat de vyand dikwils op deeze plaats kwam, om aldaar eenige ignames en maniok-wortelen op te gaaren, welke de grond aldaar, schoon onbebouwd, altyd voortbragt. Wy waaren daarenboven volstrekt overtuigt, dat die muitelingen, welke laatstelyk boven den post van la Rochelle naar de Patamaca-Kreek waaren overgestoken, tegenwoordig op Pinnenburg gelegerd lagen, en gereed stonden om de nabuurige Plantagien aan de Cottica en Pereca te plonderen, zoo al niet om zelfs ons aan te tasten. Gevolgelyk had ik altyd eene dubbele schildwagt rondom onzen post, en ik verbood aan een ieder, zoo lang wy op deeze plaats blyven zouden, om hard te spreeken, of het minste geraas te maken, ten einde wy de geringste beweging zouden kunnen hooren, en dus, door waakzaam te zyn, ons gevaar verminderen.
Den 8sten wierd myn andere Officier, de heer MACDONALD, ziek: maar hy weigerde my te verlaaten, en naar Devil's Harwar te gaan.