Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 1

Part 10

Chapter 10 3,980 words Public domain Markdown

Denzelfden dag deeden wy ook een ander vaartuig vertrekken, met twee Officiers, een Sergeant, een Corporaal, en veertien man, allen onder bevel van den Lieutenant Graaf VAN RANDWYCK. Deeze manschappen wierden afgezonden naar de Rivier Pereca. Deezen avond, eenigen myner beste vrienden by my ter maaltyd gehad hebbende, nam ik myn afscheid van myne geliefde JOANNA, aan wien ik de geheele zorge myner kleine bezittingen overliet. Haar zelve vertrouwde ik aan haare moeder en haare moeije toe; en ik had aan dezelve myne beveelen gegeven, om haar in een zoort van school te plaatsen, tot dat ik te rug gekomen zoude zyn: ik begaf my vervolgens aan boord met vier Onder-Officiers, twee Sergeanten, drie Corporaals, en twee-en-dertig soldaaten, allen onder myn bevel. Wy besloegen twee vaartuigen, en onze bestemming was naar het bovenste gedeelte van de Cottica.

Deeze vaartuigen waaren met ringen en kleine musketten enz. gewapend, en voor een maand van krygsbehoeften voorzien. Onze beveelen, (uitgenomen die, welke wy in de Savane der Jooden ontfingen,) bragten mede, om het bovenste gedeelte der Rivieren op en af te vaaren. Elk vaartuig had ten dien einde een Stuurman en tien Neger-slaaven om te roeijen; het welk in 't geheel onder myn bevel, myn kleine QUACO daar onder gerekend, vier-en-zestig man uitmaakte, waar van vyf-en-dertig zig in myn vaartuig bevonden; dat van mynen Lieutenant was gevolgelyk een weinig minder geladen dan het myne.

Ik moet opmerken, dat zedert onze ontscheeping in Surinamen tot heden toe, onze soldaaten betaald waaren in klinkende munt, welke men had voorgeslagen, om hun tegen het papieren geld der Volkplanting te verwisselen. Het voordeel zoude bedragen hebben tien ten honderd; en elk man zou dus, by het einde van het jaar, twee of drie ponden sterling meer getrokken hebben, die hem hadden kunnen dienen, om zig eenige versnapering te bezorgen, maar de Colonel stelde zig daar tegen, en begeerde, dat de betaaling altoos ontfangen wierd in gemunt geld, het welk in kleine sommen uitgegeven wordende, geene meerdere waarde dan het papier had. Deeze tegenstreeving van zynen kant kwam my belachelyk en kwalyk geplaatst voor, dewyl zy voor allen nadeelig was, zonder iemand voordeel toe te brengen. Ik moet ook opmerken, dat elk Officier, die met afgezondene manschappen vertrok, egter by aanhoudenheid zyne tafel moest betaalen, het welk, voor een Capitain, byna veertig ponden sterling 's jaars beliep. Men gaf hem, tot schadeloos-stelling, in zyn vaartuig levensmiddelen mede ter waarde van tien ponden, (dus verloor hy 'er dertig,) bestaande in gezouten ossen- en varkens-vleesch, en in erweten, alles op den zelfden voet als de soldaaten, op eenige flessen wyn na. Ik vermeene echter, dat men een weinig meer verpligt was aan Officiers, die zig geenerhande ververschingen bezorgen konden op eene legerplaats, door de vervaarlykste en ondoordringbaarste bosschen omringd, in het midden van welke zy zig van alle wooningen verwyderd zaagen, en op eenen afstand, van waar men het schieten van 't geschut niet hooren konde. Men had iets minder noodig te doen ten aanzien van de andere vaartuigen, die geplaatst waaren midden tusschen de schoonste Plantagien, alwaar overvloed en vrede heerschten. Dienvolgende wierden wy door lieden van allerleijen rang beklaagd, die, voorziende aan welke noodlottigheden wy stonden te worden bloot gesteld, myn vaartuig omringden, en my noodzaakten een aantal levensmiddelen aan te nemen. De lezer zal over de edelmoedigheid myner weldoeners door de volgende lyst beter oordeelen, dan door alle de lofspraaken, die ik hun zoude kunnen toebrengen.

24 Flessen besten rooden wyn. 12 Flessen Madera wyn. 12 Flessen Engelsche Porter; zynde een zoort van bier. 12 Flessen Appel-drank. 12 Flessen Jamaicasche Rhum. 2 Zeer groote witte Suiker-brooden. 2 Kruiken Brandewyn. (Omtrent agt pinten.) 6 Flessen Muscaat-wyn. 2 Kruiken Citroen-sap. 2 Kruiken Koffy-Syroop. 2 Gerookte Westphaalsche Hammen. 2 Gerookte Ossen-tongen. 1 Pot met Mostaard van Durham. 6 Dozyn Spermaceti-kaarssen.

Men kan hier uit zien, dat zoo al eenige inwoonders der Volkplanting van Surinamen, door hunne woestheid en wreedheid, zig als het afgryzen der natuur betoonden, anderen wederom door hunne maatschappelyke gevoelens en weldadigheid, 'er het cieraad van waaren.--Ik zal met deezen trek van milddadigheid dit hooftstuk besluiten; en ik durve verzekeren, dat men my altoos meer geneigd zal vinden om de schoone daaden van mynen evenmensch te schetsen, dan om hunne gebreken te doen opmerken.

ZEVENDE HOOFTSTUK.

Vertrek der gewapende vaartuigen tot verdediging der Rivieren.--Beschryving van het Fort Amsterdam.--Krygstocht naar het bovenste gedeelte van de Rivieren Cottica en Patamaca.--Groote sterfte onder het krygsvolk.--Gezicht van de wacht-post van Devil's Harwar.

Den 3den July 1773, des morgens ten vier uuren, ligtten onze beide vaartuigen het anker, en met behulp van het vallend water zakten wy af tot het Fort Amsterdam, alwaar wy wind, eb en vloed hebbende, onder de battery het anker lieten vallen.

Het zal misschien niet ongepast zyn alhier de monteering van onze zee-soldaaten te beschryven: dezelve bestond in een kamisool van een blaauwe kleur, met rood gevoerd. Zy waaren met musketten, sabels en pistolen gewapend, en droegen kruislings een groote haverzak aan de eene, en hunne hangmat aan de andere zyde. In de bosschen waaren zy gekleed met een lange broek en met een linnen overtrek, de geschiktste kleeding in dit Land; allen hadden zy ledere mutsen op.

Na myne beschikkingen gemaakt, en alle myne manschappen gemonstert te hebben, stelde ik de aan my gegevene beveelen te werk, waar by my wierd voorgeschreven de Rivier Cottica op en af te vaaren, tusschen de posten van de Compagnie, de Rochelle, aan de Patamaca, en 's Lands Welvaaren, boven de laatste Plantagie, om de muitelingen te beletten de Rivier over te steeken; dezelven te dooden of krygsgevangen te maken, zoo het my mogelyk was; en eindelyk de Plantagien tegen allen aanval van hunne zyde te beschermen. Ik konde my, zoo ik het noodig vond, in alle deeze verrigtingen door het krygsvolk van de Compagnie, dat op de gemelde posten de wagt had, doen bystaan; en ik moest met hunne Bevelhebbers overeenkomen over het sein, dat ik in geval van alarm geven zoude.

Ik bezigtigde tans het Fort Amsterdam, dewyl ik den tyd en de gelegenheid had, om het te doen.

Het zelve wierd aangelegd in 't jaar 1734, en voltooit in 't jaar 1747: het heeft de gedaante van een geregelde vyfhoek, die door vyf bolwerken gedekt word. Deszelfs omtrek is omtrent van drie Engelsche mylen. Een breede gracht, die haar water uit de Rivier trekt, omringt het zelve, en word verdedigd door een bedekte weg, zeer goed van paalwerk voorzien. Deszelfs grondvesten zyn van een zoort van rotssteen gemaakt. De voornaamste sterkte van den kant der Rivier bestaat in een groote bank of plaat van slyk, die zig langs de voorpunt uitstrekt, en in een battery van geschut, die zelfs platte Schepen belet derwaarts te naderen. Het vuur van dit Fort zig kruisselings vereenigende met dat der Schanssen Leyden en Purmerendt, belet ook het inkomen in de beide Rivieren Surinamen en Commewyne, gelyk ik reeds elders heb gezegt. Het heeft daarenboven kruid-magazynen, en andere, om levensmiddelen te bergen. Men vind aldaar ook alle de gebouwen, die noodig zyn tot verblyfplaatsen voor eene sterke bezetting. Het bevat zelfs tot een windmolen en een regenbak, die meer dan duizend tonnen water houd, het welk, in de daad, min noodzakelyk is, vermits men, naar myne gedachten, de geheele krygsmacht der Volkplanting noodig had, om eenigen tyd lang eene Vesting van zulk eene groote uitgestrektheid te verdedigen. Dicht daar by vind men een groot stuk land, met ignames en andere wortelen beplant, welke dienen tot voedzel voor de slaven van de Compagnie, die men hier houdt, om, onder het opzigt van eenen Commandeur, aan de vestingwerken te arbeiden.

Men houd in het Fort Amsterdam bestendig eene kleine bezetting, onder bevel van een Officier van de artillerie: dezelve verpligt alle Schepen, om de vlag te stryken, en met zeven kanonschooten te groeten: zulks word hun door drie schooten beantwoord, en men rigt een vaandel op de wallen op. Ik zal hier nog byvoegen, dat ten noordwesten dit Fort omringt is met modderpoelen, en ondoordringbaare doornhagen, het geen in den beginne aan dit vak den naam deed geven van het hol van den Tyger.

Na deeze beschryving, zal men my ten goede houden, dat ik met een enkel woord spreke van zekere zeer merkwaardige visschen, die men altoos in een groot aantal by het Fort Amsterdam ziet, en hebbende vier oogen, waar van zy 'er aanhoudend al zwemmende twee boven en twee onder 't water houden. Deeze visschen hebben ten naasten by de gedaante van een spiering, en zwemmen troeps-gewyze met eene ongelooflyke schielykheid. Zy schynen zig vooral te behagen in brak water. Men zegt, dat ze niet kwaad zyn om te eeten, en zy worden door de inwoonders deezer Volkplanting coot-eijes genoemt.

Myne schildwagt wierd deezen avond door een roeischip gehoont. Die 'er op waaren, wenschten ons allen naar den duivel, en zeiden duizend gruwelen van ons. Ik liet aanstonds de kano wapenen, en zette hun agter na: maar door middel van een klein zeil, en de donkerheid van den nacht, naamen zy de wyk naar de punt Parham, en hadden het geluk tot myn groote spyt te ontvlugten. Des morgens van den 4den July, ligtten wy het anker. Den hoek voorby gezeilt zynde, zakten wy met de vloed af, tot aan Elizabeth's Hoop, eene schoone Koffy-Plantagie, waar van de eigenaar, de heer KLEYNHANS, ons noodigde om dezelve te bezichtigen, ons alle mogelyke vriendelykheden bewees, en myn vaartuig met verkoelende vruchten en groenten vulde. Hy zeide ons, dat hy ons lot beklaagde, en voorzeide ons alle de onheilen, waar mede wy gedreigd wierden, voornamelyk uit hoofde van het regen-saisoen, het welk te wagten stond, en zelfs reeds begonnen was door veelvuldige plasregens, met zeer zwaare donderslagen vergezelt. "Wat uwe vyanden betreft, voegde hy 'er by, maakt staat, dat gy 'er, geen een zien zult. Zy zullen u nimmer voor de vuist durven aantasten, en zullen veeleer u altyd overrompelen: zyt dus wel op uw hoede, myn Heer.--Maar de luchtstreek! de luchtstreek zal u het leven kosten! Echter, vervolgde hy, ik moet den yver van uwen Bevelhebber bewonderen, die u liever op deeze wyze wil bloot stellen, dan u te Paramaribo werkeloos te houden". De heer KLEINHANS eindigde deeze zonderlinge aanspraak met my de hand te drukken. Wy naamen toen afscheid van hem, als mede van zyne dogter, een jong en schoon meisjen, die, toen ze ons zag vertrekken, traanen stortte.--Den zelfden avond wierpen wy het anker voor de Matapaca-Kreek.

Ik maakte alhier van myne vaartuigen twee oorlogschepen; het een wierd genoemd de Charon, en het ander de Cerberus; naamen, onder welken ik dezelven geduurende het overige van mynen tocht onderscheiden zal. Wy vervolgden onzen weg met de Cottica op te zeilen, om de Rivier Commewyne te kunnen inloopen, en wy zeilden voorby aangenaame Suiker- en Koffy-Plantagien, die aan den oever deezer beide Rivieren, op den afstand van een of twee mylen van elkander, gelegen zyn.

Den 6den, maakten de soldaaten van myne krygsbende hunne maaltyd aan den wal gereed, en wandelden op de fraaije Plantagie, genaamt het Geval. Des avonds van den zelfden dag, wierpen wy het anker voor de Pereca-Kreek.

Des anderen daags voeren wy steeds de Cottica op, en wy stapten aan wal op de Plantagie, genaamt Alia. Wy wierden op alle die Plantagien, welke wy aandeeden, zeer wel ontfangen, maar zy wierden al langer hoe minder in getal, naar maate het bed der Rivier naauwer wierd.

Den 7den vervolgden wy onzen weg. Wy stapten ook aan land op de Plantagie genaamt Bockkestein, die de laatste is aan de rechter zyde van de Cottica, uitgenomen echter twee andere zeer kleine Plantagien aan de Patamaca-Kreek; en des avonds wierpen wy het anker aan den mond van de Koopmans-Kreek. Den zelfden dag ontstond 'er brand in de Charon, maar dezelve wierd spoedig gebluscht.

Den 8sten, voeren wy aanhoudend de Rivier op: des morgens ten elf uuren, kwamen wy aan het Fort of den Post 's Lands-Welvaaren, door krygsvolk van de Compagnie bezet wordende. Ik stapte aldaar met myne Officiers aan land, om met den Capitain ORZINGA, Bevelhebber van deezen Post, een mondgesprek te houden. Ik zond hem drie mannen, die ziek waaren, om dezelve te doen oppassen in zyn Gasthuis, alwaar ik een schouwspel van smert en elende zag, het welk alle verbeelding te boven gaat. Deeze plaats was in 't eerst genoemd geworden Devil's Harwar, [16] uit hoofde van deszelfs ondraaglyke ongezondheid. Ik zal het by vervolg met dien naam bestempelen, als zynde denzelven veel gesschikter, dan die van 's Lands-Welvaaren, welke juist het tegendeel beteekend.

Ik vond hier eenige ongelukkige gekwetsten, wien het had mogen gebeuren te ontsnappen na de nederlaag, waar in de Lieutenant LEPPER en zoo veele manschappen waaren omgekomen. Een van hun verhaalde my de byzonderheden van zyne vlucht. "Ik kreeg een kogel in de borst, zeide hy my. Het was onmogelyk, om aan het bieden van wederstand of aan vluchten te denken. Om eene poging tot behoud van myn leven te doen, ging ik midden onder de doodelyk gekwetste en doode soldaaten op den grond leggen, alwaar ik wel zorge droeg van geene de minste beweging te maken. Het hoofd der muitelingen, op den avond van den dag der overwinning het slagveld beschouwende, gaf aan een van zyne Capitains bevel, om oogenblikkelyk aan de lyken het hoofd af te houwen, om deeze zegeteekenen naar hun dorp over te brengen. De Capitain begonnen hebbende met dat van den Lieutenant LEPPER, en van twee of drie anderen af te houwen, zeide tot zynen medemakker: Sonde go sleeby, caba mekewe liby den tara dogo tay tamara; de zon gaat onder, laaten wy deeze honden tot morgen laaten. Na deeze woorden geduurende welke ik myn adem inhield, en myn hoofd op den rechten arm rustte, (dus vervolgde de soldaat,) bragt de Neger, die zyn byl op myn schouder liet vallen, my die verschrikkelyke wond toe, welke gy ziet, en waar van ik misschien nimmer geneezen zal.--Zy vertrokken egter allen, met zig voerende de hoofden van myne ongelukkige medemakkers, benevens vyf of zes gevangenen, met de handen agter op den rug gebonden, waar van ik niet meer heb hooren spreeken. Toen alles stil, en het zeer duister was, kroop ik op handen en voeten uit het midden deezer slagtbank, en ik zogt eene schuilplaats in het bosch, alwaar ik een van myne medemakkers vond, minder gewond dan ik. Wy dwaalden tien dagen lang, als een prooi van lyden en wanhoop; wy hadden niets, dat ons tot een verband dienen konde; wy wisten niet werwaarts onze schreden te zetten; en een enkel roggen-brood was al ons voedzel, tot aan de wachtplaats van Patamaca, alwaar wy uitgemergeld, en door onze wonden, die van wormen krielden, van een gereten, aankwamen".

Ik gaf aan deezen ongelukkigen een halve kroon. Na met den Capitain ORZINGA wegens de seinen te zyn overeengekomen, verliet ik zyne elendige wachtplaats, en keerde in myn vaartuig te rug. Wy hielden steeds aan met de Rivier op te vaaren, tot dat wy ons voor een Kreek, Barbacoeba genaamd, bevonden, alwaar wy het anker wierpen.

Des anderen daags verrigtten wy het zelfde werk, tot aan de Cormoetibo-Kreek, alwaar wy volgens bevel van den Colonel FOURGEOUD, onze vaartuigen vast leiden. Dit was het middenpunt van myne wachtpost: wy zagen aldaar niet dan bosschen, water en wolken; geen voetstap van een mensch was daar te bekennen; dienvolgende kan men over derzelver verschrikkelyk en eenzaam gezicht oordeelen.

Ik zond den 10den het volk van de Cerberus naar hunnen post, te weeten, naar het bovenste gedeelte van de Patamaca. Zy gingen oogenblikkelyk weder scheep, en zulks volgens myne onderrigtingen, met een groot getal aanbeveelingen, die van geene nuttigheid waaren.

Wy tragtten tans onze levensmiddelen aan boord te kooken. Tot een haart naamen wy een groote tobbe vol met aarde. Deeze proeve gelukte ons, maar zy kostte byna het leven aan een van myne soldaaten, die zig vreeslyk brandde. Dewyl wy geenen Heelmeester hadden, nam ik de zorge deezer geneezing op my; en met geneesmiddelen, die ik in een koffertje had, wierd deeze man in eenige dagen volmaakt hersteld.

Om echter zulk een ongeval voor het vervolg voor te komen, zogt ik eene uitgeholde plaats in de Kreek, en dezelve niet verre van den mond af gevonden hebbende, gelaste ik aan myne Negers, aldaar een hut te bouwen, en aan de soldaaten, om aldaar hunne levensmiddelen gereed te maken. Beducht voor overrompeling, droeg ik zorg om schildwachten rondom te plaatsen; en voor den nacht kwamen wy op onzen post te rug. Wy gingen aldus dagelyks voort tot op den veertienden dag, wanneer wy weder naar Barbacoeba afzakten.

Ik liet aldaar den 15den eene andere hut, tot het zelfde gebruik geschikt, oprigten. Maar dewyl de regen dwars door myn verdek doordrong, keerden wy naar Devil's Harwar te rug, om zulks aldaar te herstellen. Ik bragt aldaar ook een van myne Negers in het ziekenhuis.

De kalfatering was den 16den geeindigt; en den zelfden dag meldde ik myne aankomst aan den Colonel FOURGEOUD.

Den 17den keerden wy naar de Cormoetibo-Kreek te rug, en wy verlooren een anker, het welk in de wortels van den Palmietboom, die aan de oevers van alle de Rivieren deezer Volkplanting groeit, hangen bleef. 'Er zyn twee zoorten van boomen van dien naam, de roode en de witte; van de eerste is myn oogmerk tans te spreeken. De roode Palmietboom spruit voort uit een groot getal wortels, die zig verscheiden voeten boven den grond vertoonen, alvoorens zig te vereenigen tot het vormen van den stam, die dik en hoog is: de schors is grysachtig van buiten, maar rood van binnen, en men bedient 'er zig van voor de leertouweryen. Het hout is roodachtig, hard, en tot timmerhout en ander gebruik geschikt. In deezen boom is het meest merkwaardig, dat uit zyne takken, en zelfs uit den stam, een eindeloos getal vezels uitspruit, even als het touwwerk van een Schip, welke naar den grond ombuigen, alwaar zy wortelen schieten, om op nieuw uit te spruiten. Zy vormen op die manier eene ondoordringbaare doornstruik, terwyl zy, als even zoo veele vaste steunpaalen, den boom ten allen tyde onderschragen. De witte Palmiet-boom vind men gewoonlyk in de landeryen buiten het water.

Den avond van dien zelfden dag, wanneer het een zeer donkere nacht was, riep myn schildwagt, dat hy een Neger zag, die met een brandende pyp in den mond, de Kreek in een kano overstak. Wy stonden oogenblikkelyk uit onze hangmatten op; maar wy stonden niet weinig te kyken, toen een slaaf ons verzekerde, dat het een vuur-mug was, die vloog; en hy had gelyk.

De insecten van deezen naam hebben een duim lengte, en een doorschynende en groenachtige vlak onder den buik, die in den donker als een kleine kaars schynt. Zyne oogen zyn ook zeer schitterend; en by het licht van twee deezer muggen zou men zeer gemakkelyk kunnen leezen. 'Er zyn nog anderen van een veel kleiner zoort: men kan dezelve niet bemerken, dan wanneer zy op zekere hoogte vliegen, en men zoude ze dan voor vonken aanzien, die uit een smeedereije komen.

Den 18den niets te doen hebbende, vermaakte ik my met vogelen te schieten. Ik doodde 'er een, dien men hier noemt tigri-fowlo, of den tyger-vogel, maar dien ik veel eer voor een zoort van reiger aanzie. Hy heeft byna deszelfs gedaante. Zyne vederen zyn roodachtig, en met regelmatige en zwarte vlakken bedekt, waar van hy zyn naam ontleent. De beenen, de voeten en de klaauwen zyn lang; de bek is spits en langwerpig; en hunne ligt groene kleur schynt aan te duiden, dat deeze vogel van visschen leeft. De hals, waar aan een bos witte vederen hangt, is ook zeer lang. Op den kop, die klein is, ziet men een roode en zwarte vlak; zyne oogen zyn van een zeer fraaije geele kleur.

Ik ontfing door eene wacht, die te scheep de ronde deed, bericht, dat de manschappen van de Cerberus begonden ziek te worden. Des anderen daags vernam ik ook, dat op de plaats, alwaar wy onze levensmiddelen hadden toebereid, in de Cormoetibo-Kreek, en welke gelegen is aan de oevers der Rivier van den kant der muitelingen, deezen nu kortlings eene zeer sterke afgezondene krygsbende vermoord hadden. Dienvolgende gaf ik last om de hut te verbranden, en wy hielden onze keuken aan boord van de vaartuigen. Alle de elementen scheenen tans tegen ons zamen te spannen. Het water stortte, als of wy met eenen nieuwen zondvloed gedreigd wierden: het drong zelfs in onze vaartuigen door, alwaar alles dryvend lag. De lucht was vol groote muggen, die, van het ondergaan tot het opgaan der zonne, ons getrouw gezelschap houdende, ons beletteden eenige rust te smaken; en des morgens waaren wy met puisten en bloed als geheel bedekt. De rook van het vuur en van de tabak, die wy brandden om hen te verjagen, deed ons byna verstikken. Het was ons onmogelyk een hoek lands te vinden, om ons gezouten vleesch aldaar veiliglyk te braaden. Tot een overmaat van elende, was tusschen de Zee-soldaaten en de Negers tweedragt ontstaan: dewyl nog beloften, nog dreigementen, hen konden te vreden stellen, nam ik myn toevlucht tot andere middelen. De muitzuchtigsten van beide partyen hebbende doen in boeijen sluiten, veroordeelde ik de eersten, om door de spitsroeden te loopen, en de anderen om gegeesselt te worden, een half uur lang. Na hen geduurende een geruimen tyd in de ongerustheid gelaaten te hebben, gaf ik hun allen vergiffenis, zonder hun een enkelen slag te hebben doen toebrengen. Myne goedertierenheid deed zoo veel uitwerking, als de kastyding gedaan zou hebben, en de vrede wierd volmaakt hersteld. Het was niet even zoo in myne macht, om het toeneemen der ziekte te beletten. Alle de regels, welke in het uitmuntend vaers van Dr. ARMSTRONG over de gezondheid zyn voorgeschreven, zouden in dusdanige omstandigheid nutteloos zyn.

Den 20sten zakten wy tot de Casepoere-Kreek af, in de hoop van het aldaar eenigzints beter te zullen vinden; maar te vergeefs. Het getal der groote muggen was toen zoodanig, dat ik, myne handen de een tegen de ander slaande, in eenen slag 'er agt-en-dertig doodde.

Te Barbacoeba te rug komende, zagen wy eenige fraaije slangen, die de Rivier overzwommen. Wy ondervonden een weinig verkwikking op onzen tocht, door nu en dan aan land te stappen, om ons aldaar onder de schaduwe te verfrisschen. Ik maakte hier gebruik van den raad van eenen ouden Neger.--"CARAMACA, zeide ik tot hem, wat doet gy toch om uwe gezondheid zoo wel te bewaaren?--Myn meester, Masera, antwoordde hy my, ik zwem twee of drie maalen daags in de Rivier. Dit dient my niet alleen tot eene lichaamsoeffening, wanneer ik niet gaan kan, maar door dit middel houde ik my de huid ook frisch en zuiver. De zweetgaaten open zynde, is de uitwaasseming des te gemakkelyker; in het tegengestelde geval, zouden zy gesloten zyn, de vochten zouden, door stil te staan, bederven, en ziekte zoude 'er ontwyffelbaar op volgen". Ik beloonde deezen grysaard, en oogenblikkelyk sprong ik in het water, met het hoofd 't eerst. Ik was 'er zoo dra niet in, of hy bad my, om toch weder aan boord te komen; het geen ik niet zonder verwondering deed.--"Denk om de Kaymans als mede de Perys, (een zoort van visschen, welke in Surinamen zoo genoemd worden,) zeide hy my, beiden zyn ten uitersten gevaarlyk, maar zoo gy myn raad volgt, loopt gy geen gevaar. Gy kunt geheel en al naakt zwemmen; alleenlyk draag zorg, om altoos in beweging te blyven; want zoo gy een oogenblik stil blyft, kan het dier u het een of ander lidt afbyten, of u naar den grond trekken".

Schoon de leezer in verscheidene Reisbeschryvingen, eene beschryving van den Kayman heeft kunnen leezen, zal hy het wel ten goede willen houden, dat ik hier omtrent dit dier eenige byzonderheden verhaale, die ik zelf heb waargenomen, of waar van ik door de zekerste berichten ben onderricht geworden.