Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3

Part 9

Chapter 9 3,897 words Public domain Markdown

Men betaalt bovendien jaarlyks, voor het onderhoud der wyken; namelyk van elk huis, volgens deszelfs uitgestrektheid.

van een koets fl 20:--:-- van een chais fl 10:--:-- van een rypaard fl 10:--:--

Het welk de bovengemelde belastingen vermeerdert met de somme van fl 12,000:--:-- ----------------- Alle welke sommen, by elkander getrokken, niet minder opbrengen dan fl 1,282,000:--:--

Na duidelyk te hebben aangetoond, zoo met behulp van het Tafereel der Surinaamsche Volkplanting van Dr. FERMIN, als volgens myne eigene kundigheden, dat de innerlyke waarde deezer bezitting meer dan een millioen ponden sterling aan inkomsten bedraagt, die door een verstandig bestuur nog merkelyk zouden kunnen vermeerderen; na al mede betoogd te hebben, dat het grootste gedeelte deezer inkomsten ten voordeele der Republiek koomt, terwyl de Colonisten met belastingen bezwaard zyn, die hen noodzaken tot vreemde middelen hunnen toevlucht te nemen, en misschien eerlyke lieden in schurken doen verkeeren; zal ik thans, by wege van een vervolg, een korten staat opgeven van den koophandel der Noord-Americaanen met deeze Volkplanting.--Zy komen aldaar uit Virginië, Rhode-Island, Nieuw-York, Boston, Jamaica, Grenada, Antigoa, het Eiland Barbados, enz. in kleine brikken, sloepen, enz. Zy brengen meel aan, ossen- en varkens-vleesch, haring, zout, makreel, bladen tabak voor de Negers, denne planken, rhum, sterke dranken, suiker-brooden, [24] spermaceti-kaarssen, uijen enz. Elk schip is daarënboven verpligt een paard aan te brengen: de eigenaar van 't schip ontheft zig daar van dikwils door een list: hy vertoont den kop van zoodanig dier, en verzekert, dat hy het aan boord genomen heeft, maar dat het op de reize gestorven is. Tegen deze koopwaaren voeren de Americanen al de Surinaamsche suiker-syroop (melasse) uit, waar van zy rhum by hun maken, en dikwils laden zy hunne schepen geheel en al met koopmanschappen en andere voortbrengsels van deeze Volkplanting, schoon zy het niet dan ter sluik doen mogen: maar kooper en verkooper vinden 'er hun voordeel by; de een koopt goed koop, en de ander ontfangt gereed geld. Van de Eilanden onder den wind voeren zy quarteron- en mulatten-slaven van beiderlei kunne aan, die over 't algemeen jong en fraay zynde, voor zeer hoogen prys verkogt worden, hoe zy ook anderzints gesteld mogen zyn.

Alle de onderrichtingen, door my omtrent den koophandel en wezentlyken rykdom deezer schoone Volkplanting opgegeven, zyn naar de naauwkeurigste berigten gevolgd. Het zy my geöorloofd van dit onderwerp thans af te stappen, en myn verhaal te vervolgen.

Den 21sten February, nam de heer REYNSDORP, schoonzoon van Mevrouw GODEFROY, my in zyn zeil-jacht mede; en om my van lucht te doen veranderen, bragt hy my op eene zyner Koffy-plantagiën, genaamd Nut en Schadelyk. Ik zag aldaar een blanken, die door de steek van een Vampire, of Guiaansch spook, in éénen nacht zyn gezicht verloor. Des anderen daags voeren wy de Commewyne op, en gingen naar Alkmaar, eene aangenaame Cacao-Plantagie, die aan dezelfde Mevrouw GODEFROY in eigendom toebehoorde. Hier wierden de slaven door haare meesteres behandeld, als haare eigene kinderen, en zy beschouwden allen haar als hunne moeder. Men hoorde aldaar geen geraas van yzeren ketenen, geene zuchtingen; men zag aldaar geen blyk van gestrengheid. Alles was eendracht en vergenoegen. Ik heb reeds bevoorens [25] eene afbeelding gegeven van het voortreffelyk huis en deszelfs toebehooren, op deeze fraaie Plantagie, alwaar onophoudelyk genoegen heerscht, alwaar men de edelste gastvryheid uitoeffent. De tuinen, de velden, de hutten zelfs der Negers, duiden aldaar overvloed en vrede aan.

De Cacao-boomen worden voortgeplant van jong plantsoen, het welk men tot dit einde aankweekt. Men plant dezelven doorgaans op eenen afstand van tien of twaalf voeten van elkander, en zy groeien op tot de hoogte van onze Engelsche Kersseboomen. Maar deeze Plantagiën moeten wel beschut zyn, zoo voor zwaare winden, als voor de brandende straalen der zon, wanneer de boomen jong zyn, want dan zyn derzelver wortels niet diep genoeg in den grond ingedoken, om dezelven staande te houden, en zy zouden geene groote hitte kunnen doorstaan. Dienvolgende plant men 'er heester-gewassen (b. v. maniok) en Plantain-boomen tusschen, die tevens het onkruid tegengaan, het welk in de luchtstreken onder den zonne-keerkring zoo overvloedig voortteelt. Door middel van deeze voorzorgen, dragen de Cacao-boomen vruchten, eer zy drie jaaren oud zyn: als dan brengen zy jaarlyks twee oogsten voort; maar zy moeten echter twaalf of veertien jaaren oud zyn, eer zy hunnen volkomen wasdom bereikt hebben. Het blad van den Cacao-boom heeft meer dan agt duimen in de lengte, en byna drie in de breedte: het zelve is langwerpig, taay, en van een schitterend groene kleur. De gedaante der vrucht is byna dezelfde, maar echter een weinig breeder. Wanneer die vrucht jong is, heeft zy het voorkomen van een komkommer; maar wanneer zy ryp is, word ze geel als een limoen, en scheidt zig dan af in ribben, even als een meloen. Het zaad of de pitten zitten langwerpig in de vrucht of bast; ryp zynde hebben zy de dikte van olyven, en een purper kleur. Elke boom word gerekend by den oogst van dertig tot drie honderd vruchten te geven, die elk omtrent dertig pitten bevatten, een pond wegende; en langs dien weg kan men den jaarlykschen opbreng berekenen. Weinige dagen na dat de oogst geschied is, haalt men de pitten uit de schil; men laat ze in de schaduw droogen, en in dien tyd raaken zy een zoort van vochtige zelfstandigheid kwyt, het geen men noemt dezelve te laten uitzweeten; men pakt ze vervolgens in vaatjes om vervoerd te worden, en 'er die aangenaame koek van te maken, welke wy Chocolade noemen.

Men zegt, dat de Cacao-boomen oorspronglyk in Guiana groeien, en natuurlyk in groote meenigte by de Rivier der Amazonen gevonden worden. Wat daar ook van zy, de zoon van den Gouverneur CHATILLON plantte den eersten boom in 't jaar 1684 in Surinamen; en de eerste oogst, die naar Holland werd uitgevoerd, geschiede in 't jaar 1733. Een der groote voordeelen van het aankweeken der Cacao-boomen bestaat hier in, dat daar toe minder slaaven, dan tot alle andere zoorten van Plantagiën noodig zyn. Men kan naargaan, hoe aanmerkelyk de voordeelen zyn, uit den opbreng van het jaar 1774, wanneer men, alleen voor de Stad Amsterdam, 506,610 ponden Cacao-pitten uitvoerde; het welk 202,614 Hollandsche Guldens, of 18.419 ponden sterling opbragt. De prys verschilde van 4 tot 9 stuivers het pond. De middel bereekening is van zes- en een halve stuiver. De beste Plantagiën, en die van Alkmaar behoort daar onder, brengt jaarlyks meer dan 80,000 ponden op.

Den 27sten keerden wy naar de Stad te rug, alwaar men, des avonds te voren, een soldaat ter zaake van muiterye had doodgeschoten, en des anderen daags geraakte op de rheede een schip in brand. Byna ter zelfder tyd, vertrok de Neger QUACY, die de Propheet, en, om zoo te zeggen, de Koning zyner landgenooten was, naar Holland, om zyne opwagting te maken by den Prins van Orange, aan wien de Colonel FOURGEOUD hem aanbeval. Deeze Neger moest de roem van deezen Bevelhebber vermelden, en zig beklagen over den Gouverneur, die aan onzen Colonel geen eerbied genoeg betoonde. Ter gelegenheid, dat wy toen het tydstip der Zittingen van het Gerechtshof hadden, wierd aan een slaaf het been afgezet, om dat hy eenen arbeid, die boven zyne kragten was, geweigerd had. Twee anderen wierden veroordeeld om opgehangen te worden, om dat zy waren weg geloopen. Het heldhaftig gedrag, door één deezer ongelukkigen voor het Hof van Justitie gehouden, verdient alhier verhaald te worden.--Hy verzogt voor weinige oogenblikken gehoor, het geen hem wierd toegestaan; en hy liet zig toen in deezer voegen uit:

"Ik ben in Africa geboren, alwaar ik, mynen Vorst in een gevecht verdedigende, ben gevangen genomen, en door myne landgenooten op de Kust van Guinée voor slaaf verkocht.--Een van uwlieden, die thans myn Rechter is, kocht my; en ik ben door zynen Opzichter zoo deerlyk mishandeld, dat ik weg liep, en my by de muitelingen voegde.--Ik zag my gedwongen, om hun Opperhoofd BONNY te dienen, wiens dwinglandye nog ondraaglyker was, dan die der Europeanen. Een weêrzin in zulk eene handelwyze hebbende, besloot ik om het menschdom voor altyd te ontvlieden, en in de bosschen rustig te leven. Ik heb aldaar twee jaaren byna alleen doorgebragt, in de grootste ongerustheid van geest, en myn leven latende voortduuren alleenlyk in de hoop, om myn geliefd geslacht, het welk misschien, uit hoofde myner afwezigheid, in myn eigen Land van honger verging, nog eenmaal weêr te zien. Twee ellendige jaaren waren dan in deeze gesteldheid verloopen, toen de Jagers my ontdekten, my gevangen namen, en my voor deeze Rechtbank bragten, aan welke ik thans de geschiedenis van myn deerniswaardig leven open legge, en slechts de genade verzoek, om aanstaanden Saturdag, of zoo dra het mogelyk zyn zal, het vonnis aan my uit te oeffenen".

Deeze aanspraak wierd met eene ongemeene gematigdheid uitgesproken door één der schoonste Negers, dien men misschien immer zag. Zyn meester, die (zoo als hy te recht opmerkte,) onder het getal van zyne Rechters was, gaf hem dit kort antwoord:--"Schelm! alles wat gy ons vertelt, doet niets ter zaake. De pynbank zal u in een oogenblik de bekentenis van misdaden afperssen, die zoo verachtelyk zyn, als gy zelf, of uwe hatelyke medeplichtigen". De Neger, die alle zyne aderen van verontwaardiging voelde opzwellen, beantwoordde hem zulks op deeze wyze:--"Massera, de tygers in de bosschen hebben onder deeze handen (welken hy toen in de hoogte stak) gebeefd; en gy durft my met uwe armhartige werktuigen van foltering bedreigen! Neen! Neen! ik veracht de pynigingen, welken gy thans kunt uitvinden, even zeer, als den laaghartigen, die ze my aandoet". Op deeze woorden boodt hy zig zelf ter pyniging aan, en stond de ysselykste folteringen door, zonder een enkel woord uit te brengen; vervolgens weigerde hy zelfs te spreken, en eindigde zyn leven met de koord.--Maar laaten wy van dit naargeestig onderwerp afstappen.

Den 8sten Maart, hield ik het middagmaal by den Colonel FOURGEOUD, om aldaar den verjaardag van den Prins van Oranje te vieren. Dien zelfden dag gaf de heer REYNSDORP eene maaltyd aan alle de soldaten. De Colonel berigtte my, dat de Jagers, in dit oogenblik, by de Wana-kreek alleen gelegerd waren; dat de ongezonde post van Devil's Harwar geheel en al verlaten was; dat de twee Compagniën van vrywillige Negers, die kortlings waren aangeworven, op den weg, die met de Wanica agter Paramaribo gemeenschap heeft, eenige muitelingen gevangen genomen, en verscheiden anderen gedood hadden. Ik bevond my toen wel beter, schoon ik nog niet geheel en al hersteld was; en die zelfde Overste, die my voorheen zoo hard behandeld had, hield thans aan, dat ik my in de hoofdstad der Volkplanting nog eenigen tyd langer zoude blyven ophouden: hy boodt my zelfs verlof aan, om naar Europa te rug te keeren, het geen ik stellig weigerde; eindelyk, tegen het midden der maand, was ik zoo gezond, als ik in myn geheele leven geweest was. De Colonel FOURGEOUD en ik gaven toen dagelyks bezoeken aan vrouwen, in wier gezelschap zig niemand hoflyker gedroeg, dan hy, terwyl ik van myn kant mynen afkeer dikwils niet bedwingen konde. Zy keeken ons aan op eene manier, die haare bedoeling duidelyk te kennen gaf; verscheiden zelfs waren in haare gesprekken gantsch niet omzichtig; en zekere Mevrouw N. ging zelfs zoo verre, dat zy my, zonder omwegen, verzogt, of ik de plaats van haaren man wilde vervullen.

Den 17den, intusschen, vertoonde zig iets aan myn oog, het geen my meer bekoorde. By den heer TEXIER, Colonel van 's Compagnies krygsvolk, uit eeten gaande, deed ik vooraf eene wandeling in de oranjeboom-bosschen en de tuinen van den Gouverneur. Ik ontdekte aldaar wel dra dwars door de takken twee vrouwen van de cierlykste gestalte en de schoonste gedaante, die zig gebaad hadden. De eene was eene bekoorlyke en jonge Samboe-, de andere eene fraaie Qaurteron-Negerin. De trekken der laatstgemelde waren zoo regelmatig, en haare gedaante zoo bevallig, dat men byna geloofd zoude hebben, dat zy uit Griekenland geboortig was: haare roosenkleurige verwe was gelyk aan die, waar van het boschjen glinsterde. [26] Beide wandelden zy, elkander by de hand houdende, en praatten al lachende, in de nabyheid van een bed met bloemen, geplant aan den oever eener beek van vlietend en helder water, waar in zy zig als Syrenen indompelden, toen zy de bladeren van het geboomte hoorden ritselen. Ik liet haar het stil genot der onschuldige vermaken van het bad, en ik wagte het eetens-uur af, doorwandelende intusschen de beplantingen van boomen, die met vruchten beladen waren, en de bloem-tuinen, langs wandeldreeven van schoon rivier-zand. Ik zag in deeze tuinen meer Europeesche planten, dan ik dagt, dat 'er onder den zonne-keerkring waren, als kruis en munt, venkel, salie, rozemaryn, heidens wond-kruid, jasmyn, kruidje roer my niet; granaatboomen, rozenboomen, vygenboomen, en zelfs eenige wynstokplanten. De vygen waren van eene fraaije karmosyn kleur van buiten en van binnen, en de rozen van eene bleeke roode kleur. 'Er waren ook op deeze zelfde plaats eenige schoone pyn-appelen, en meloenen, waar van ik iets zeggen zal, schoon zy vry algemeen bekend zyn. De Koning van alle vruchten, ananas, of pyn-appel genaamd, groeit aan het einde van een stam, van eene zee-groene kleur, en agt duimen lengte hebbende, die zig uit het midden-punt van een fraay heester-gewas van de zelfde kleur verheft, welks langwerpige, effene, puntige, en van zeer harde stekels voorziene bladeren, op eenen kleinen afstand van den grond, in de rondte geschaard zyn. De gedaante der vrucht is ten naasten by die van een pynappel; dezelve is geheel en al met vierkante schubben bedekt, en van eene fraaije orange of goud kleur. Eene bos met bladeren, naar die der plant gelykende, maar echter veel kleiner, geeft 'er eene kroon aan, en in den grond gestoken zynde, koomt 'er, na verloop van agtien maanden, een andere ananas uit voort. De uitgelezene smaak, en de lekkere geur van deeze vruchten, zyn zedert byna een halve eeuw zoo bekend, dat ik 'er alleenlyk van spreek uit hoofde van derzelver overvloed in Guiana. De verschillende zoorten van gewoone ananassen groeien aldaar uit de natuur; en op verscheidene Plantagiën dienen zy aan de geringste dieren tot voedzel.

De Muskaat- en Water-Meloenen wassen ook overvloedig in dit Land. De eerste is volstrekt rond, van de grootte van een kleine hoed, met ribben, en van een buffels kleur, orange en groen. Derzelver vleesch is geel, vast, sappig, zacht, en van een lekkere geur.

De Water-meloen is van eene eironde gedaante. Derzelver schil is zeer effen, en gedeeltelyk van eene schitterende groene, gedeeltelyk van eene bleeke buffels kleur. Het vleesch van deeze meloen is roodachtig, van eene waterachtige en zachte zelfstandigheid, van een zeer zoeten smaak, van eene uitmuntende geurigheid, en zeer verkoelende. Deeze meloenen zyn een zoort van komkommers, en groeien aan het einde van zwaare steelen, met breede bladeren, die den grond bedekken. Het is merkwaardig, dat de Water-meloen, welke men, zonder eenige schadelyke gevolgen, in alle zoorten van ziekten eeten kan, het best word voortgeteeld in een droogen en zandachtigen grond.

Omtrent te deezer tyd zond ik eene fraaije verzameling van Surinaamsche Kapellen aan den heer REIGERSMAN in Holland. Deeze insecten zyn alhier zeer talryk, en zeer verschillende. Verscheide lieden, die hun werk maken om dezelven te vangen, scheppen 'er behagen in. Maar het denkbeeld, om een enkel levendig insect op een blad papier vast te maken, was voor my te weinig bekoorlyk, om ze zelf te gaan vangen.

Ter zelfder tyd wierden de Capitains VAN GEURICK en FREDERIK, vergezeld van den Sergeant FOWLER, naar de Oucas- en Sarameca-Negers afgezonden, om van hun eenige hulp tegen de muitelingen te verzoeken; zy beloofden dezelve, zoo lang de Colonel FOURGEOUD hun geschenken gaf, maar zy leverden ze nooit. Eenige andere Officiers bleven steeds by ons, zig bezig houdende met by de vrouwen op Paramaribo hunne opwagting te maken. Onder dit getal waren de Majoor MEDLAR, en de Capitain HAMEL, die beiden onder het Regiment van den Generaal DE SALVE, in de Volkplanting de Berbices, gediend hadden; de eerstgemelde was bevorens in Pruissischen dienst geweest. Het was voor ons, die nog zoo kortlings naar wilden geleeken, geene kleine verandering van staat, in dit oogenblik de straaten van deeze hoofdstad te bewandelen, als Fransche Marquisen uitgedoscht zynde.

Met den Gouverneur NEPVEU in goede vriendschap zynde, kreeg ik in de gedachten, om hem een onbebouwd stuk land in het bosch te verzoeken, en dadelyk stond hy my vier honderd akkers toe. By het doen van dit onbedacht verzoek had ik niet berekend, hoe veel geld 'er wel noodig was, om het hout 'er te doen uithaalen, slaven te koopen, en in alles, wat tot zulk eene onderneming verëischt word, te voorzien; maar wanneer ik de moeielykheid in aanmerking nam, om iemand te vinden, die met my zoude willen zamen doen, en de noodige gelden daar toe bezat, bedankte ik om deeze blyk van des Gouverneurs goedheid aan te nemen.

Den 26sten, bevryde ik eene arme Negerin, die een douzyn porcelein theegoed gebroken had, van eenige honderde geesselslagen, door het zelve te vergoeden. Dien zelfden dag wierd ook eene andere Negerin door een Franschman vermoord, die zulk eene scherpe knaging over zyn wanbedryf gevoelde, dat hy zig den hals afsneed; een Opzichter, die hem behulpzaam geweest was, hing zig zelven op. Na aan den armen Neger, wien men, uit kragte van een vonnis, het been had afgezet, een bezoek gegeven te hebben, maakte ik my gereed om naar mynen vierden veldtocht te vertrekken. Terwyl ik de toebereidzelen daar toe maakte, zag ik zes Neger-slaven by my binnen treden, beladen met geschenken, welken my myne vrienden zonden, en bestaande in al het beste, het geen Guiana voortbrengt. Ik moest het bevel aan de Commewyne op nieuw op my nemen.

VYF-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Grappige manier tot het ontdekken van een dief.--Het Brom-vogeltje.--Verschillende zoorten van planten.--Manier van visschen in Surinamen.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Moed van eene jonge Negerin.--De Pimpelmees.--De Americaansche Aloë.--De Banille-boom.--Huilende Aapen.--Verwonderlyke slimheid der wilde Byën.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt andermaal bevel, om naar Europa te rug te keeren.--De Guiaansche Nachtuil.

Den 27sten Maart 1776, nam ik op nieuw afscheid van de Stad Paramaribo, van JOANNA, en van mynen zoon.

Des morgens van dien dag, zelfs eer dat ik vertrok, wierd een Planter, HALBERG genaamd, door eene groote Iguana hevig gestoken, op het oogenblik, dat hy myne medgezellen en my noodigde, om ons nog eenige dagen langer op te houden, en by eene maaltyd, welke hy tot viering van zynen vyf-en-twintig jaarigen trouwdag gaf, tegenwoordig te zyn. Na hem ons leed betuigd te hebben over het ongeval, dat hem ontmoette, gingen wy in een overdekt vaartuig; en dien zelfden avond kwamen wy op de Plantagie Sporks-gift, aan de Matapica-kreek. Capitain MACNEYL ontfing ons aldaar, twee dagen lang, op eene zeer gastvrye manier. Ik verstikte aldaar echter byna door eene sterke reuk van groene koffy, leggende op den vloer van het kamertje, waar in ik myne hangmat geplaatst had.

Den 29sten des avonds, en wel zeer laat, kwamen wy op de Plantagie Goud-Myn, alwaar wy eenen jongen Neger en eene jonge Negerin vonden, die, dicht by elkander, aan een hoogen balk, met een touw, het welk aan de duimen van elk hunner was vast gemaakt, waren opgehangen. Dit touw was agter om hun rug gebonden, hunne schouders werden 'er byna door ontwricht, en het veröorzaakte hun de verschrikkelykste folteringen. Ik sneed het oogenblikkelyk af, zonder verlof of omwegen: ik zwoer daarënboven, dat ik den schelm van een Opzigter, die zulk eene nieuw uitgedachte en afgryselyke strafoeffening had aangedaan, vernielen zoude, ten minsten, dat hy my zoude moeten beloven aan deeze twee ongelukkigen kwytschelding te verleenen; het geen hy, by geluk, aanstonds en in myne tegenwoordigheid deedt.

Den 30sten, even voor dat wy aan de Hoop ontscheepten, vernam ik, dat myne Suiker, en het grootste gedeele van myn Rhum weg waren, maar ik ontdekte den dief door eene aartige list, waar van ik echter niet beweere de uitvinder te zyn. Ik zeide aan zes Negers, die met roeijen bezig waren, dat in zes minuten op den neus van hem, die de schuldigste was, een veder van een Papegaay zoude groeijen: tevens sprak ik eenige woorden uit, die geen zin hadden, en zwaaide twee of drie malen met myn sabel, waar na ik my in de hut opsloot. Ik keek aldaar door het sleutelgat, en hield een naauwkeurig oog op de roeijers, zonder dat zy 'er iets van bemerkten. Spoedig zag ik, dat één van hun, by elken slag met de roeyriem, de hand opligte, en aan zyn neus voelde. Ik kwam dadelyk weder te voorschyn, en regelrecht naar hem loopende, riep ik hem toe:--"Ik zie de veder, schurk! gy zyt de dief."--De arme schelm antwoordde my aanstonds:--"Ja, Masera!" Vervolgens, op de kniën vallende, bad hy den toovenaar, dat hy hem genade bewyzen wilde. De anderen verëenigden zig met hem, en ik schonk deezen bygeloovigen schelm, en zyne medeplichtigen vergiffenis, en gaf hun, om dat zy my de zaak openhartig bekend hadden, een stuk gezouten ossen-vleesch voor hun middagmaal, met een calebas vol rhum en water.

Ik nam dadelyk na myne aankomst op den wachtpost van de Hoop, het bevel der Rivier op my, en ik beschouwde my op nieuw als de Vorst van de Commewyne. Om eene goede woning te hebben, liet ik een Paleis in de hoogte bouwen, naar dat van den Generaal BONNY te Bousy-Cray gelykende. Deeze wooning, die byna eene lucht-woning was, was my van zeer groot nut. Het grootste gedeelte van het land aan deezen post stond, door de overstroomingen, onder water. Het was niets meer dan een moeras, zoo weinig acht had men 'er op geslagen, en 'er was geen voetstap meer van myne oude hut te ontdekken. Ik vond de ellendigste soldaten op deeze plaats. Zy waren aldaar byna naakt, en hadden tot hunne schoenen verkogt, om zig een maand lang verschen voorraad te bezorgen. Ik verzachtte intusschen hunne ellende door myne aanzoeken by den Colonel FOURGEOUD, in wiens gunst ik meer en meer deelde; en de wachtpost van de Hoop was wel dra een paradys, in vergelyking van het geen dezelve was, toen ik 'er kwam.

De jagt was toen, gelyk voorheen, myne dagelyksche bezigheid. Den 4den bragt ik Pluviers, Roodborsjes, en byna een dozyn Musschen uit de zand-woestyn mede.

De Pluviers van Guiana hebben de grootte van een duif. Zy hebben vederen van eene donker bruine kleur, met wit doormengd, en met dwarsloopende streepen. Men vindt 'er een groot aantal van in de verdronkene Savanen, en zy verschaffen een lekker eeten. De Roodborsjes zyn een zoort van dikke rood-staarten, en hebben het bovenste gedeelte van het lyf van eene donkere kastanje kleur, en al het overige van eene bloedkleur. Zy zyn zoo lekker als een leeuwrik, en op alle Plantagiën zeer gemeen. De wilde Musschen, die zommigen, zoo ik meen, Anacas noemen, zyn lieve diertjes van de gedaante van een Papegaay. Hunne vederen zyn volmaakt groen, en zy hebben een witten bek en roode oogen. Zy doen veel schade aan de ryst- en koorn-landen, en vliegen met eindelooze hoopen over de Plantagiën.

De Brom-vogeltjes plaatsten zig in zulk een groot getal op de tamarinde boomen aan de Hoop, dat men ze byna voor zwermen van wespen zoude hebben aangezien. De Lieutenant SWELDENS doodde 'er dagelyks verscheiden, door kleine erweten of korrels van Indisch koorn met een vogelspuit op hen te werpen.