Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3

Part 2

Chapter 2 3,870 words Public domain Markdown

Te meermalen gesproken hebbende van het onderscheid der menschen van eene midden-kleur, tusschen zwart en wit, moet ik ter opheldering daar van het volgende aanmerken. De Mulatten worden geboren van een blanken en eene Negerin, of van een Neger en eene blanke. De Samboes worden geboren van een Mulat en eene Negerin, enz. De Quarterons van een Mulat en eene blanke, enz. enz.--De zelfde Capitain HANNIBAL, noemde my ook den naam van verscheiden andere hoofden der muitelingen, tegen welken hy dikwils gestreden had. De eerste van allen was QUAMMY, hoofd van eene afzonderlyke bende, die met de andere muitelingen in geene betrekking stondt. Hy noemde my vervolgens COROMANTYN, COJO, ARICO en JOLI-COEUR. De twee laatstgemelden waren berucht van wegen den onverzoenlyken haat, waar mede zy tegen de blanken bezield waren; en JOLI-COEUR, van wien ik reeds gesproken heb, had 'er billyke reden toe. HANNIBAL dacht ook, dat de beruchte BARON op dit oogenblik onder het opperhoofd BONNY diende.

Hy ging vervolgens over tot de benamingen van de voornaamste bezittingen der muitelingen, waar van zommige reeds verwoest waren, andere zig in 't gezicht bevonden, en eenige ons slechts by naame bekend waren. Zy hadden allen eenige wezentlyke beteekenis; en dewyl zy, in zeker opzigt, de onderzoekingen der geleerden omtrent de verschillende volken onder de Negers kunnen ophelderen, heb ik gepast geöordeeld aan dezelven, met opgaave van de vertaaling, alhier eene plaats te vergunnen.

Boucou: Ik zal eerder tot stof vergruisd worden, eer ik genomen worde.

Gado Saby: God alleen kent my.

Cosaay: Koomt, zoo gy het hart hebt.

Tessy sy: Ruikt 'er aan, zoo gy lust hebt.

Mele my": Ontrust my, zoo gy durft.

Bousy cray: De bosschen schreiën.

Me salasy: Ik zal genomen worden.

Kebry my: Verberg my, ô loof der boomen, dat my omringt.

De verdere waren:

Quammy Condre: naar den naam van QUAMMY, hun opper-hoofd.

Pynenburg: van de Pyn- of Latanus-boomen, die deeze bezitting van vooren omringden.

Caro Condre: van de meenigte Koorn-velden, waar mede dezelve omringd was.

Reizy Condre: van de meenigte Ryst-velden, die rondöm lagen.

Ik drukte Capitain HANNIBAL, na dit gesprek, de hand, en hy ging van my af. Ik was vervuld met de hoop op eene overwinning, die door geene wreedheid bezoedeld zoude worden; en dewyl ik zeer vermoeid was, viel ik in een diepen slaap.

Den 20sten, des morgens, ontwaakte ik, zeer wel te vreden; zynde het toen het schoonste weder des weerelds. Deeze gelukkige gesteldheid verdween wel dra, toen ik zag, dat op een oogenblik, zoo netelig, en toen men op 't punt stondt slag te leveren, in plaats van goede behandelingen, welken het voorzichtig geweest zoude zyn te gebruiken omtrent hun, van wier welwillenheid wy het gunstig einde van ons lyden verwagtten, men integendeel by de Onder-Officiers en soldaten eene groote moedeloosheid verwekt had. Ik maakte toen tegen mynen wil deeze aanmerking:--Dat de Vorsten en hunne dienaars nimmer, zoo veel mogelyk, een byzonder persoon, wie hy ook wezen mogt, vooral in een afgelegen land, met eene onbepaalde magt bekleeden moesten, zonder zynen inborst en denkwyze zeer grondig te kennen; want niemand is waardig het bevel te voeren, indien hy zig niet tevens door dapperheid en menschlievenheid onderscheidt; naardien het eene wel bekende waarheid is, dat geene dapperheid met wreedaartigheid bestaan kan.

Des morgens ten zes uuren trokken wy noordoostwaarts ten noorden, onzen weg naar de moerassen nemende; en myne zwaarmoedigheid verdween met het doorbreken der zon.

Omtrent ten agt uuren, kwamen wy in dat verschrikkelyk moeras, alwaar wy schielyk tot aan ons midden door het water gingen. Niettemin maakten wy ons gereed, om het ernstig onthaal, het welk wy aan de overzyde te wagten hadden, vol te houden. Na een halve myl ver gezworven te hebben, beklommen onze grenadiers gezwindelyk den oever met de bajonnetten vooruit. Het hoofdleger volgde hen oogenblikkelyk, en wy plaatsten ons, zonder de minste tegenkanting, in gelederen. Wy zagen toen een schouwspel, het welk in staat was, om de onverschrokkensten te verzetten: de grond lag bezaaid met bekkeneelen, beenderen en ander overschot van de lyken der ongelukkige soldaten van den Capitain MEYLAND.--Deeze Officier had wel middel gevonden, om dezelven te doen begraven; maar de muitelingen hadden die weder opgedolven, om ze van hunne kleederen te berooven, om deeze lyken in stukken te houwen, en ze te verscheuren, zoo als verslindende dieren gedaan zouden hebben. Onder het getal deezer ongelukkige slachtöffers was de Neef van MEYLAND, een jongman van denzelfden naam als hy, en van de grootste verwagting. Hy was van de Zwitzersche gebergten gekomen, om met des te meerder spoed vorderingen in den krygsdienst te maken, en, korten tyd na zyne ontscheping, vondt hy zyn graf in een moeras van Surinamen. Zyn moed stondt gelyk met dien van zynen oom; zyne onverschrokkenheid, die hem bewoog om zig aan alle gevaaren bloot te stellen, kende geene paalen.--Zoodanig is de geestdrift der eerzucht van eenen krygsman.

Deeze hoop van menschen-beenderen was de tweede of derde, dien wy op onzen tocht ontmoetten. Ik erken opentlyk, dat zulk eene ontmoeting in my geen lust verwekte, om de muitelingen te bevechten. Dit droevig overschot echter ontstak in onze soldaten een levendige drift, om hunne ongelukkige medgezellen te wreeken.

Ik heb reeds zoo dikwerf gesproken van het doorwaden der moerassen, dat het, zoo ik denk, niet ongeschikt is, om door de nevenstaande plaat de beschryving op te helderen. Voor eerst wordt daar op vertoond de Colonel FOURGEOUD, vooraf gegaan door eenen Neger, die hem tot leidsman dient, en, waar het water op het hoogst is, overzwemt. Daar op volge ik zelf, en eenige andere Officiers en Zee-soldaten, allen in het midden van het moeras, en onze wapenen, krygsbehoeften, enz. op het hoofd dragende, om door het nat niet beschadigd te worden. Men kan daar op voorts de manier zien, waar op de slaven de pakken dragen, als mede hoe de muitelingen van boven uit de palmboomen op het krygsvolk vuur geven. Een tocht van dien aart, schoon by deeze gelegenheid zeer noodzakelyk, moet altyd één der gevaarlykste zyn: men is dan bloot gesteld aan de aanvallen van eenen vyand, die in 't verborgen vuurt, en men kan niet meer dan eenmaal vuur geven; want de soldaten zyn te diep in het water ingezonken, om hun geweer op nieuw te kunnen laden, zonder het slot nat te maken.

Wy volgden toen een zoort van voetpad, door de muitelingen gemaakt, waar na wy onzen weg een weinig westwaarts namen. De Sergeant FOWLER, die tans het bevel over de voorhoede voerde, kwam by my, geheel bleek en bevende, en verklaarde my, dat het gezicht van deeze lyken hem zeer ziek gemaakt had. Dit was waar, want hy scheen aan den grond als vast gehecht, zonder een enkelen tred te kunnen doen, noch zyne ontsteltenis te kunnen verbergen. Ik sprak hem aan met den naam, dien hy verdiende, en had slechts den tyd, om hem te beveelen van zig by de agterhoede te begeven.

Ten tien uuren, ontmoetten wy een klein gedeelte der muitelingen, elk van hun met een groene mand op den rug. Zy gaven vuur op ons, en hunne vracht op den grond werpende, keerden zy in aller yl naar hun gehucht te rug. Wy vernamen zedert, dat zy naar eene andere verblyfplaats ryst vervoerden, om daar van te leven, wanneer zy uit Gado-Saby (den naam van de plaats, werwaarts wy heen trokken,) verjaagd mogten worden, eene zaak, welke zy dagelyks te gemoet zagen, zedert dat dezelve door den dapperen MEYLAND was ontdekt geworden. Deeze groene manden, welken de Negers warinbos noemen, waren gemaakt van biezen, die met palmboom-bladeren konstig waren in één gevlochten. Ons volk dezelven met den sabel hebbende open gehakt, kwam 'er de zuiverste en schoonste ryst uit, die ik in myn leven gezien heb; maar men strooide ze overal heen, en trad ze met de voeten, want wy hadden geene gelegenheid om ze mede te nemen. Korten tyd daar na ontdekten wy eene ledige barak, waar in de muitelingen een wachtpost geplaatst hadden, om hen van alle gevaar te verwittigen; maar de lieden, die deeze wacht uitmaakten, waren met den meesten spoed weggevlucht. Wy verdubbelden toen met yver onze schreden tot op den middag, wanneer wy eene uitgezette wacht van den vyand ontmoetten, tweemaal vuur hoorden geven, het welk een met BONNY overëengekomen teeken was, om hem onze aannadering te berigten. De Major MEDLAR, ik zelf, met eenige soldaten van de voorhoede, en eene kleine krygsbende van Neger-Jagers, trokken voor uit, en wel dra kwamen wy op een schoon veld, met ryst en Indisch kooren bedekt. Hier hielden wy stil, om ons gezamentlyk krygsvolk in te wagten, en vooral om aan de achterhoede tyd te geven om aan te rukken, want eenigen van derzelver soldaten waren twee mylen agter ons. In dien tusschentyd liepen wy gevaar van in de pan gehakt te worden; want de vyand, zoo als wy naderhand vernamen, had dit veld omcingeld, zonder dat wy 'er iets van gezien hadden.

Een half uur daar na, verëenigde zig onze legerbende te zamen. Toen kapten wy ons een korten weg door het bosch heen; en wy waren daar even doorgedrongen, of 'er begon van alle kanten een hevig vuur. De vyand echter deinsde af, en wy trokken voort, tot dat wy op een schoon veld kwamen, met rype ryst beplant, en een lang vierkant uitmakende, aan welks einde het gehucht der muitelingen zig als een opgaande toneel vertoonde; het was door het lommer van verscheiden hooge boomen tegen de hitte der zon beveiligd; en dit alles leverde het treffendst en betooverendst gezicht op, het welk men zig verbeelden kan. Een onafgebroken vuur, veel naar donderslagen gelykende, duurde meer dan een uur op dit zelfde veld; en geduurende al dien tyd gedroegen zig de Neger-Jagers met zoo veel moed als bekwaamheid: maar de blanke soldaten waren al te driftig, en schooten mis; ik zag 'er echter veelen onder, die de grootste onverschrokkenheid betoonden, en de Jagers met eenen goeden uitslag navolgden. Onder deezen bevondt zig in dit oogenblik de arme FOWLER, die in het begin van den slag van zyne ontsteltenis was te rug gekomen. Zig eenmaal hersteld hebbende, begaf hy zig op zynen eersten post, en bekwam zyne achting weder volkomen, met aan myne zyde als een dapper krygsman te stryden, tot dat de loop van zyn snaphaan door een vyandelyk schot verbryzeld wierd, het geen hem belette, om daar van verder gebruik te maken. Een snaphaan-kogel doorboorde myn hembd en kneusde my den schouder. Myn Lieutenant, DE CABANUS, wierd de riem van zyn snaphaam weggeschoten; verscheiden soldaten wierden gewond, zommigen zelfs doodelyk; maar tot myne groote verwondering, zag ik niemand hunner op het slagveld sneven.--Dit kwam my wonderbaarlyk voor, maar ik zal 'er in 't kort de uitlegging van geven.

De muitelingen, om onze aannadering gevaarlyker en moeielyker te maken, hadden dit ryst-veld met dikke stammen van boomen, waar aan de wortels vastgebleven waren, omringd en doorsneden. Zy hielden zig agter deeze opgeworpen verschanssingen verscholen, en gaven van daar, byna zonder eenig gevaar, vuur op ons, die dit zoort van wallen beklimmen moesten, eer wy in hun gehucht komen konden: in weerwil echter van alle de hinderpalen, die zy ons in den weg leiden, geraakten wy altyd voorwaarts. Maar te gelyker tyd, dat ik het goed beleid van hunnen Generaal, in het regelen van hunne krygsverrigtingen, bewonderde, konde ik my niet wederhouden hen over hunne bygeloovigheid te beklagen. Een van deeze ongelukkigen in 't byzonder, al zyn vertrouwen Op zyn tooverband stellende, geloofde onkwetsbaar te zyn. Hy beklom te meermalen één van die stammen van boomen, die op den grond lagen; van daar schoot hy; vervolgens klom hy af om zyn snaphaan weder te laden; en weder te rug komende, schoot hy andermaal met de grootste koelbloedigheid, en in myn gezicht. Een der Zee-soldaten, onder myn bevel staande, met naame VALET, eindelyk op hem aangelegd hebbende, doorschoot hem de dye, en hy viel agter het bolwerk, door hem zoo meenigwerf beklommen; maar die zelfde soldaat, over hem heen gesprongen zynde, stak de tromp van zyn snaphaan in het oor van den ongelukkigen, en deedt hem de herssenen uit het hoofd vliegen: verscheiden zyner medgezellen ondergingen het zelfde lot, in weerwil van hunne tooverbanden, en bygeloovigheden.

Wy waren op het punt, om het gehucht der muitelingen in te rukken, toen één van hunne Capitains, een hoed met een goude lis op het hoofd dragende, en een brandende toorts in de hand houdende, hun onvermydelyk verlies voor oogen ziende, moeds genoeg had, om zig aldaar te blyven ophouden, en het gehucht in ons gezicht in brand te steken. Deeze houte huizen, met drooge bladeren overdekt, stonden spoedig in lichten laaijen vlam; maar toen begon het musketten-vuur in het bosch te verminderen. Dit manmoedig besluit van den vyand belette niet alleen het bloedbad, het welk de soldaten op het eerste oogenblik der overwinning gewoon zyn aan te rechten; maar het maakte 't bovendien voor de muitelingen gemakkelyk, om met hunne vrouwen en kinderen te rug te trekken, en de goederen, die hun meest dienstig waren, met zig te voeren. Het was ons derhalven toen onmogelyk om hen te vervolgen, en den minsten buit te maken; het waren niet alleen de vlammen, die ons zulks beletteden, maar wy zagen ook wel dra een moeras, het welk ons byna van alle kanten omringde.

Ik moet waarlyk erkennen, dat in het laatste uur van deezen slag, 'er niets verschrikkelyker was, dan het aanhoudend musketten-vuur, het vloeken en huilen der Negers, onder elkander gemengd; het gekerm der gekwetsten en stervenden, die in het stof lagen, en in hun bloed baadden; het scherp geluid der jagthoorns, het welk zig van alle kanten liet hooren, en het gekraak der brandende balken, waar van het gehucht, dat geheel in vlam stondt, weergalmde: terwyl de rook-wolken, die ons omgaven, de vlammen die zig zeer hoog verhieven, enz. een tafereel uitmaakten, het welk voor geene beschryving vatbaar is, en misschien het penceel van HOGARTH niet onwaardig geweest zoude zyn. Ik heb echter getracht dit toneel te schetsen; [2] ik heb my zelf daar by afgebeeld na de hitte van den slag; ik heb daar by het voorkomen van vermoeid en droefgeestig te zyn, een oog van medelyden werpende op het lichaam van eenen oproerigen Neger, die, zyne snaaphaan in de hand houdende, voor myne voeten uitgestrekt ligt.

Na ons gewasschen, en van het stof, zweet en bloed, waar mede wy besmet waren, gereinigd te hebben, namen wy allen een teug brandewyn, en aten een stuk brood. Het vuur begon ondertusschen te verminderen; en toen het ophieldt, onderzogten wy de rookende puinhoopen van het gehucht der muitelingen, bestaande in omtrent honderd huizen of hutten, waar van zommige twee verdiepingen hadden: uit den asch, die nog gloeiend was, haalden wy eenige kleinigheden, die aan het geweld der vlammen ontsnapt waren, als by voorbeeld zilvere borden, die wy uit hoofde van hun merk B. W. vooronderstelden, dat by het plunderen der Plantagie Brunswyk aan de Cottica geroofd waren: wy vonden ook eenige messen, gebroken porceleine potten, en aardewerk: één der laatstgemelden, zynde vol met ryst en palmboom-wormen, viel my ten deel. Dewyl men rykelyk vuur had, om deeze spyze te laten koken, en ik een zeer grooten trek tot eeten had, verschafte my dezelve spoedig eene uitmuntende maaltyd, en ik had wel dra alles opgegeten. Eenigen myner spitsbroeders waren beducht, dat dit eeten agtergelaten mogt zyn, met een oogmerk om ons te vergeven; maar, gelukkig voor my, bleek deeze verdenking zeer ongegrond te zyn.

De bovengemelde zilvere borden kogt ik van onze soldaten, om 'er een zoort van zegeteeken van te maken, en ik heb 'er my naderhand altyd van bediend. Wy vonden in dit zelfde gehucht drie menschen-hoofden op staken gezet; het waren de treurige overblyfzels van eenigen onzer dappere en ongelukkige soldaten, die bevorens door de muitelingen gedood waren. Maar, het geen ons het meest verwonderde, was, dat wy twee hoofden van Negers zagen, die het voorkomen hadden van in 't kort te zyn afgehouwen. Wy vernamen vervolgens, dat twee jonge lieden, om dat zy in ons voordeel gesproken hadden, geduurende den nacht van den 17den, ten tyde dat wy het gehuil en schieten met musketten hoorden, ter dood gebragt waren. Die hoofden waren de hunne.

Het droevig overschot deezer ongelukkigen begraven hebbende, hingen wy onze hangmatten op aan die fraaie hooge boomen, die het gehucht overschaduwden; maar ik was innerlyk getroffen over het ysselyk schouwspel, het welk zig toen aan ons oog vertoonde. De Neger-Jagers vermaakten zig met de afgehouwen hoofden hunner vyanden aan elkander toe te kaatsen. Het was vrugteloos geweest hen over dit onmenschelyk spel te bestraffen, en zy verzekerden ons, dat het was "condre fassy, de gewoonte van hun Land"; zy eindigden het zelve, door die hoofden, na 'er den neus, de lippen, de wangen, de ooren te hebben afgesneden, met den voet weg te schoppen; zy namen 'er zelfs de kakebeenen uit, welken zy in den rook lieten droogen, als mede de regte hand, om dezelve, ten bewyze hunner overwinning, aan hunne nabestaanden en vrouwen te vertoonen. Het is een zaak die over bekend is, dat eene zoo wreede gewoonte onder de wilden plaats heeft, en dat dezelve uit hunne onverzaadlyke wraaklust voortspruit; en schoon de Colonel FOURGEOUD met zyn gezag had kunnen tusschen beiden komen, om deeze hatelyke zegepraal voor te komen, of te doen ophouden, handelde hy naar myn inzien verstandiglyk, met daar van in dit oogenblik geen gebruik te maken. Dewyl overtuiging hier niets vermogt, zoude hy slechts deeze soldaten verbitterd hebben, en hun een weerzin doen krygen in eenen dienst, die ons zoo nuttig was, hoe bloeddorstig en wreed de gevolgen 'er ook van wezen mogten.

Deeze zelfde Jagers verhaalden ons, dat zy, by het bezigtigen van den bosch-kant, veel menschen bloed op onderscheidene plaatsen gezien hadden, en dat dit gevloeid was uit de wonden dier muitelingen, welken hunne medemakkers geduurende den slag hadden weggevoerd.

Ten drie uuren, op het tydstip, dat wy van onze vermoeidheid uitrustten, wierden wy eensklaps door een party vyanden aangevallen: maar zoo dra wy hen met eenige snaphaanschoten begroet hadden, trokken zy af. Dit onverwagt bezoek overtuigde ons, van hoe veel gewicht het was op onze hoede te zyn, voornamelyk des nachts; dienvolgende was het niet geoorloofd vuuren te stoken, en men zette dubbelde wagten uit rondom de legerplaats.

Door vermoeienis en eene ongemeene hitte afgemat, ging ik, na het ondergaan der zon, in myne hangmat leggen, en viel spoedig in een diepen slaap: maar na verloop van een paar uuren, deedt my myn getrouwe QUACO in het midden van den donker ontwaken, roepende: "Massera, Massera! bousy negro, bousy negro! Meester, Meester! zie daar den vyand, zie daar den vyand"! Op het zelfde oogenblik een aanhoudend vuur gehoord hebbende, besloot ik daar uit, dat de muitelingen in het midden van onze legerplaats waren. Vol verbaazing, en nog niet geheel wakker zynde, sprong ik uit myne hangmat, en nam myn snaphaan. Ik liep toen, zonder behoorlyk te weten wat ik deed, myn QUACO onder den voet; waar na ik zelfs viel over twee of drie lichaamen, die op den grond lagen, en welken ik my verbeeldde menschen te zyn, die reeds gedood waren. Een van hun ontdekte my spoedig myne dwaling, zeggende: "dat indien ik de minste beweging maakte, ik een kind des doods was". Dezelfde perfoon voegde 'er by: "dat de Colonel FOURGEOUD aan het krygsvolk bevel gegeven had, om plat op den buik te gaan leggen, en geen schot te doen, om dat men des avonds te vooren het grootste gedeelte van het kruid verbruikt had". Ik ontdekte wel dra, dat de geen, die tot my sprak, een grenadier was, THOMSON genaamd, en ik maakte van zynen raad gebruik. Wy bleven dus tot aan het opgaan der zon onder de wapenen, en geduurende al dien tyd wierd 'er een zoort van zamenspraak tusschen de muitelingen en onze Jagers gehouden: de één vervloekte en bedreigde op eene geweldige wyze den ander. De eersten scholden de laatstgemelden voor "lage zielen en verraders hunner landgenooten. Zy daagden hen tegen des anderen daags tot een afzonderlyk gevecht uit: zy zwoeren, dat zy niets vuuriger verlangden, dan hunne handen in het bloed van deeze schelmen te baden, daar zy de voornaame bewerkers waren van de verwoesting van hunne bloeijende en schoone verblyfplaats". De Jagers antwoordden hun; "dat zy niets anders waren, dan een hoop roovers, tegen wien zy bereid waren te vechten, al waren zy slechts half zoo talryk, indien zy hunne leelyke gezichten durfden vertoonen; en dat zy hunne meesters verlaten hadden, alleen om dat ze te lui waren om te werken". Na dit gesprek deeden zy elkander allerleije schampere bejegeningen aan, door krygsgeschrei van eenen byzonderen aart, door overwinnings liederen, en door het geluid van den jagthoorn tot een teeken van uitdaging. Vervolgens begon wederom het vuur van den kant der muitelingen, en duurde den geheelen nacht door, maar afgebroken door hun geschreeuw, het welk door den weergalm van het bosch herhaald wordende, zig met eene verdubbelde kragt liet hooren.

De Colonel FOURGEOUD nam eindelyk deel in dit gesprek, en de Sergeant FOWLER en ik dienden hem tot tolken. Wy moesten hard schreeuwen; maar ik heb my nooit beter vermaakt. De Colonel beloofde aan de muitelingen het leven, de vryheid, levens-middelen, en alles, wat zy mogten noodig hebben. Zy antwoordden hem, hem luidkeels uitlachende, dat zy niets van hem verwagtten; zy behandelden hem als een half uitgehongerden Franschman, die uit zyn land gevlucht was: zy verzekerden hem, dat, indien hy moeds genoeg had, om hun een bezoek te geven, zy hem geen kwaad doen, maar goed onthaalen zouden: tot ons zeiden zy, dat zy ons beklagenswaardiger oordeelden, dan hun zelven; dat wy blanke slaven waren, die voor vier stuivers daags gehuurd wierden, om ons te laten doodslaan, of om van honger te sterven; dat zy ons te veel verachtten, om hun kruid op ons te verschieten; maar dat indien de Planters, of hunne Opzichters, zig in de bosschen dorsten begeven, 'er geen enkele weder uit zoude komen; dat de verraderlyke Jagers een gelyk lot te wagten hadden, en dat zy dien dag, of daags daar aan, 'er een goed getal van zouden om hals brengen. Zy eindigden hun gesprek met te verklaren, dat BONNY wel dra Opperhoofd der Volkplanting zyn zoude.

Toen dit gesprek was afgeloopen, schoten zy hunne snaphanen af, waar op een drievouwdig krygs-geschrei volgde. De Jagers beantwoordden hun het zelve, en de muitelingen verdweenen by het opkomen van den dageraad.

Wy waren uittermaten vermoeid. Onäangezien echter de langduurigheid van het gevecht, hadden wy door het vuur van den vyand weinig manschappen verloren: ik heb beloofd de reden daar van op te geven. Dit geheim deedt zig ontwikkelen, toen de Heelmeesters, de wonden verbindende, daar uit zeer weinig loode kogels haalden, maar een groot aantal steentjes, knoopen van kleederen, en kleine stukjes zilver geld, die niet veel leed deeden, en niets meer dan eene kwetsing van de huid veroorzaakten. Wy merkten ook op, dat verscheiden der muitelingen, die gedood waren, in plaats van vuursteenen, stukken van pot-scherven hadden, waar mede zy niet veel konden uitrichten. Zie daar de reden, waarom wy van deeze zaak zoo gelukkig afkwamen. Wy hadden niettemin nog een groot getal soldaten, die gevaarlyk gewond waren, of zwaare kneuzingen bekomen hadden.