# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3

## Part 16

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-5b10dcc7/index.md

Ik zal de aandoenlykheid van den lezer door deeze treurige verhaalen niet meer afmatten, hebbende ik hem 'er reeds te lang mede bezig gehouden. Ik hoopte daar door de wreedäarts te doen bloosen, en de zaak der menschelykheid te bevorderen.

Ik heb reeds gezegd, dat ik, den 24sten Augustus, een verzoekschrift aan den Gouverneur had ingeleverd, om mynen zoon vry te maken. Mitsdien zag ik, den 8sten October, met zoo veel vreugde, als verwondering, het volgende aangeplakt. "Indien iemand gerechtigd is, om zig te verzetten tegen zeker gedaan verzoek, om de vryheid te bekomen voor een kind, behoorende tot het geslacht der Quarterons, genaamd JOHN STEDMAN, zoon van den Capitain STEDMAN, kan dezelve zig aanmelden tot den 1sten January 1777.". Zoo dra ik dit bericht gelezen had, liep ik naar den heer PALMER, om hem dit nieuws mede te deelen. Hy verzekerde my, "dat dit eene enkele plechtigheid was, gegrond op de veronderstelling, dat ik de noodige borgtocht bezorgen zoude, waar op men ongetwyffeld staat maakte, overeenkomstig de vrypostigheid, waar mede ik myn verzoekschrift aan den Gouverneur der Volkplanting had ingeleverd". Niet in staat zynde een enkel woord uit te brengen, ging ik naar JOANNA toe, die my al glimlachende antwoorde, dat ik aan de vryheid van onzen zoon niet moest wanhoopen. In deeze oogenblikken van neerslagtigheid verliet ik deeze beminnenswaardige vrouw nooit, zonder dat zy my eenigen troost gegeven had.

Byna op deezen zelfden tyd vernamen wy, dat in de Utrechtsche nieuwspapieren een zeer scherp geschrift stond tegen den Colonel FOURGEOUD, waar by men met het zenden van afgezanten, door hem aan de Oucas- en Sarameca-Negers gedaan, den spot dreef. Schoon hy van die zoogenaamde bondgenooten niets te verwagten had, en dat zyn volk op dit oogenblik byna geheel versmolten was, wilde hy echter de geenen, die nog gaan konden, niet geheel werkeloos laten. Hy kleedde derhalven zyne soldaten op nieuw, (voor de eerste maal na het jaar 1772,) en hy gaf hun nieuwe sabels, enz.; vervolgens zond hy hen om aan den mond van de Cassipory-Kreek, aan het bovenëinde van de Cottica te gaan legeren, zynde alleenlyk door Onder-Officiers vergezeld; maar de Officiers van hoogeren rang, kregen spoedig bevel om hen te volgen. Den 7den, onthaalde hy ons ter maaltyd, en liet eindelyk een gebraden ossenharst opdisschen, welke men hem van Amsterdam gezonden had, op zoodanige wyze gereed gemaakt, als ik reeds beschreven heb. Op het nagerecht zag ik eene vrucht, die men in Surinamen noemt Kaneel-appel, aan een boompjen groeit, en in de tuinen van Paramaribo, meenig-werf gevonden word. Dezelve is met een zoort van groene schubben geheel bedekt, en gelykt naar een jonge artichok.

De schil van deeze vrucht is byna een halve duim dik. Het vleesch smaakt als dikke room, waar in aangebrande suiker geroerd is. Het is zoo zoet, dat zommige lieden het al te laf oordeelen. Derzelver breede, harde en zwarte zaaden zitten in dit vleesch.

My hebbende gereed gemaakt om weder eenen dadelyken dienst te beginnen, en daarënboven eene groote meenigte wyn, sterke dranken, en allerleije zoorten van ververschingen, my door myne vrienden toegezonden, ontfangen hebbende, beval ik JOANNA, en mynen zoon, aan de zorge van de goede Mevrouw GODEFROY aan. Dit was dus de zevende veldtocht, die thans een aanvang nam: ik verlangde de onderneming, welke wy met eenen zoo standvastigen yver voortzetteden, zoo mogelyk, tot genoegen van de inwooners deezer Volkplanting te doen afloopen. Ik bevond my toen zoo wel, ik was zoo opgeruimd van geest en wel gemoed, als op den dag zelven, toen ik, met de krygsbende van den Colonel FOURGEOUD, op het vaste Land van America ontscheepte.

AGT-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

De Muitelingen trekken de Rivier Maroni over.--Derde tocht naar Gado-Saby.--De Land-Scorpioen.--Verscheiden zoorten van timmerhout.--Boom, welke een vrucht voortbrengt, de Marmelade-doos genaamd.--Het aankweeken van Ryst.--Buitengewone hitte, die alle de moerassen opdroogt.--De Oppossum van het vrouwelyk geslacht.--De Brazilsche Wezel.--De Mierëeter.--De Tamandua.--Hout-luizen en vliegende luizen.--Tafereel van ellende en sterfte.--De Vrede aan de Volkplanting bezorgd.--De Poelsnip.--De Lepelgans, en de Brazilsche Ojevaar.--Wilde Eendvogels van verschillende zoorten.

Den 10den November, begaf ik my, in een talryk gezelschap, met een vaartuig naar de legerplaats aan de Cassipory-Kreek. Des anderen daags was de geheele Volkplanting met rook overdekt, dewyl de bosschen aan het zee-strand in brand geraakt waren, zonder dat men 'er de reden van konde opsporen. Op de reize ontmoetten wy een hoop krygsvolk, onder bevel van den Colonel TEXIER, die van Vrydenburg, aan de Maroni-Kreek, te rug kwam. Deeze Officier verzekerde ons, dat de muitelingen, na den gevoeligen neep, dien wy hun door het inneemen van Gado Saby hadden toegebragt, die groote Rivier overvluchtten, en by de Franschen, in Caijenne wonende, eene schuilplaats vonden. Hy voegde 'er by, dat hy van hun eene vrouw gevangen had, en de Lieutenant KEEN twee mannen, na 'er verscheiden gedood te hebben; dat de beide nieuwe compagniën van vrywillige Negers de eer van hunne vaandels, door hun met groote staatsie van den Gouverneur ontfangen, ophielden, door het medebrengen van gevangenen, welken zy aan het strand agter Paramaribo gemaakt hadden; dat zy by deeze gelegenheid geholpen waren geworden door de Indianen, die vrywillig gestreden hadden, en meer dan eenmaal op die zelfde plaats den vyand afbreuk hadden gedaan. Alles deed zig dus aan ons voor, om onze onderneming met eenen goeden uitslag bekroond, en de rust in de geheele Volkplanting hersteld te zien.

De Plantagie Saardam, die toen aan den Colonel DES BORGNES, uit hoofde van zyn huwelyk, toebehoorde, op onzen weg liggende, hielden wy daar stil. Ik vond 'er eenen Americaanschen matroos, welke melasse, of suiker-syroop, inlaadde. De bekwaamheid van den nieuwen Planter en zynen Opzichter willende beproeven, haalde ik deezen matroos over, om twee kruiken kill-devil (by de Hollanders genoemd kelduivel,) die op deeze Plantagie gemaakt was, te kleuren, en te verzekeren, dat hy dezelve als rhum van Antigoa aanbragt. Hy deed het geen ik hem zeide. Men vond zyne zoogenaamde rhum uitmuntend; men maakte 'er punch van voor het geheele gezelschap, en men gaf hem wederkeerig zes andere kruiken van die zelfde kill-devil. De Americaan beloofde my die insgelyks te zullen kleuren; en hy hoopte zyn vaartuig boordvol geladen te hebben, voor zyn vertrek van Paramaribo. Zoo veel vermogen heeft het vooröordeel in alle Landen.

Wy verlieten de Plantagie Saardam, alwaar wy volmaakt wel ontfangen waren, en wy kwamen den 13den, zonder het ontmoeten van eenig onheil, op onze legerplaats by de Cassipory-Kreek aan de Cottica. Geene schoenen, noch koussen aan hebbende, wierd ik byna gestoken door een Land-Scorpioen, toen ik myne voeten aan den wal zette. Dit insect heeft de grootte van eene kleine kreeft. Zyn lyf, zynde van eene eyronde gedaante, en van eene roetkleur, is met beweegbaare ringen bedekt. Hy heeft agt pooten, welke in geleden verdeeld zyn. Twee armen, insgelyks in geleden verdeeld, komen uit zyn kop, en schynen een gedeelte van zyn lyf uit te maken. Zyne oogen zyn zoo klein, dat men ze naauwlyks zien kan. Zyn staart heeft zeven klootvormige verdeelingen, naar koraalen van glas gelykende, en eindigt met een dubbele ring. Het wyfje kronkelt dezelve op haaren rug in elkander, om haare jongen voor de aanvallen van andere insecten te beveiligen. De steek van den Land-Scorpioen is niet doodelyk, maar veröorzaakt eene stekende pyn en koorts. Men zegt, dat hy van huid verandert, even als de krabben van schelp veranderen. Men vindt hem meestäl op oude boomen, oud huisraad, en ook dikwils onder het vuilnis, en in het drooge gras.

Onder de ongelukken, welken ik hier zag, moet ik niet vergeten het verlies van eenen zee-soldaat, die, zig in de Rivier badende, door eenen grooten Kayman eensklaps wierd naar den grond getrokken. Zoo dra ik zyn ongeluk bemerkte, ontkleedde ik my, sprong oogenblikkelyk in het water, en droeg zorg, dat ik altyd het eene been in beweging hield. Met dit al, ik vond niet den geen, dien ik zogt, en liep zelf groot gevaar. Ik had door eenen Neger eene lange roeyriem in een lynregten stand doen houden, ten einde ik my daar aan vast hield, en hy dezelve, wanneer ik 'er op sloeg, naar zig toe zoude haalen; maar de Neger, my kwalyk begrypende, maakte met die roeyriem zulk eene geweldige beweging, dat ik naar den grond zonk. Ik kwam niet weder boven, dan omtrent in het midden van den stroom, en bereikte den oever niet dan met zeer veel moeite.

Den 20sten, bevel ontfangen hebbende om naar Gado-Saby te trekken, vertrok ik des morgens ten zes uuren, aan het hoofd van twee Lieutenants, drie Sergeanten, zeven Corporaals en vyftig soldaten, zonder een Heelmeester en den Neger, GOOSSASY, dien wy in drie of vier uuren kwyt raakten, daar by te rekenen. Wy sloegen ons neder aan de oevers van de zelfde Cassipory-Kreek, zonder meer dan zes mylen ten westen van derzelver mond te hebben kunnen voorwaarts komen.

Den 21sten, vorderden wy zeven of acht mylen noordwaarts, en wy vonden geen enkelen drop water, om den hevigen dorst te lesschen, die ons allen verslond. Wy waren te midden van het saisoen van droogte, waar van de hitte dit jaar brandender was, dan ooit.

Toen onzen weg veranderd, en denzelven noord-oost-waarts genomen hebbende, doorwaadden wy, des morgens van den 22sten, het moeras; en tegen den middag bereikten wy wederom het drooge; vervolgens, na nog één uur te zyn voorwaarts getrokken, gingen wy naar den westkant. Wy ontmoetten aldaar een groot veld, met ignames beplant, het welk wy verwoestten. Dit gedaan hebbende, trokken wy lynrecht voort, en sloegen ons neder op het oud verblyf der Negers, Cofaay genaamd. Het gebrek aan water deed ons verschrikkelyk lyden. De slaven echter vonden middel, om ons hier water te bezorgen; en hoe stinkend het ook wezen mogt, dronken wy het zelve, na het door onze hembds-mouwen te hebben laten doorloopen.

In weerwil van de onaangenaamheden van deezen tocht, onderzocht ik de volgende boomen, door my nog niet beschreven: de Carnavatepy en de Berklack, waar van het hout zeer dienstig is. Het eerste heeft heerlyke zwarte en bruine streepen: het gelykt zeer veel naar het geen men Brasilisch hout noemt; en wanneer het bewerkt wordt, verspreidt het een geur, welke voor die van den nagelbloem niet behoeft onder te doen. Het tweede heeft eene bleek ronde of violet kleur; het is insgelyks geschikt tot alle werk, waar toe men het gebruiken wil. Men bood my ook een zeer zonderling zoort van vruchten aan, genaamd de Marmelade-doos. Dezelve heeft de gedaante van een grooten appel, maar een weinig meer ey-rond, en geheel met dons bedekt. In 't begin is deeze vrucht groen, maar ryp wordende, wordt zy bruin. De schil is hard, en door eene zekere beweging scheidt zy zig in tweën, even als een noot. Het vleesch of merg koomt dan te voorschyn, gelykende naar dat van een mispel: het is eene zoete en bruin-kleurige zelfstandigheid, die aan groote pitten vast zit; de inwooners zuigen dezelve met graagte uit. Het spyt my, dat ik van den boom, die deeze vrucht voortbrengt, en van wien dezelve haaren naam ontleent, geene beschryving geven kan.

Den 23sten, trokken wy ten westen van Cofaay, in de hoop om het een of ander van den vyand te vernemen. Wy volgden een voetpad, loopende dwars door bebouwde landen, en met den weg gemeenschap hebbende: wy ontdekten verrukkelyke gezichten; maar wy ontmoetten niets anders dan een grooten hoop wilde varkens, wier geknor en geraas op den weg ons, eer wy ze gezien hadden, hen deed houden vooreen afgezonden hoop muitelingen, en wy maakten ons gereed om dezelven wel te ontfangen.

Tegen den middag kwamen wy weder te Gado-Saby, alwaar wy, naauwlyks nedergezeten zynde, om van de vermoeienis van onzen tocht een weinig uitterusten, in ons midden zagen verschynen eenen ouden Neger, hebbende een langen witten baard, en een stuk van een sabel in de hand. Ik stond dadelyk overëind, en aan een ieder, wie hy ook wezen mogt, verbiedende op hem te schieten, zeide ik hem dichter by te komen, hem verzekerende, dat niemand van de geenen, die onder myn bevel stonden, hem zoude durven mishandelen, en dat ik hem zelfs alle hulp zoude toebrengen, die hy benoodigd mogt hebben.--"Neen, neen, Massera! antwoordde hy my met zeer veel standvastigheid"; en met het hoofd schuddende, liep hy weg. Onaangezien myne beveelen, wierd door twee van myne soldaaten op hem geschoten; maar tot myn groot genoegen raakten zy hem niet. Deeze elendige omzwerver zogt een onzeker bestaan in die verlatene velden, welken wy meer dan eens verwoest hadden.--De reden, waarom de Negers zoo moeielyk met een kogel te raken zyn, bestaat hier in, dat zy nooit in eene rechte lyn, maar altyd kronkels-gewyze, loopen.

Overëenkomstig myne beveelen, verwoestte ik Cofaay, en deszelfs omtrek, op nieuw, maar het deed my echter leed, om des ouden Negers wille. Na het om ver hakken van verscheiden catoen-boomen, bananen-boomen, althaea-planten, duiven-boonen, Indisch koorn, ananassen en ryst, die grootendeels zedert de eerste aldaar door ons gedaane verwoesting waren opgeschoten, konde ik niet nalaten, om voor eene kleine hut, in welkers nabyheid heete asch en bananen-schillen lagen, een weinig scheeps-bischuit, een groot stuk gezouten ossen-vleesch, en een fles nieuwe rhum agter te laten, voor den ongelukkigen, die aldaar zyn verblyf hield. Vervolgens sloegen wy ons andermaal op de vlakten van Cofaay neder.

Zoo dikwerf gesproken hebbende van velden met ryst bezaaid, verwagt de lezer waarschynlyk eenige byzonderheden omtrent derzelver aankweking. De plant, die het graan van deezen naam voortbrengt, heeft, schoon sterker zynde, vry wat gelykheid met het koorn. Zy brengt holle gegroefde stammen voort, op zekere afstanden knoopen of knobbels hebbende, en zig tot de hoogte van vier voeten verheffende. De bladeren zyn rank, even als van het riet. De zaden zyn ten naasten by op dezelfde wyze gerangschikt, als de garst, en groeijen aan halmen, langs welken zy beurtelings geplaatst zyn. De oriza of ryst, heeft hitte en vocht noodig. De ryst-korrels zyn langwerpig rond; de beste zyn wit, doorschynend en hard. De nuttigheid van de ryst is zoo over bekend, dat ik 'er niets anders van zeggen zal, dan dat dezelve voorkwam, dat onze arme soldaten niet van honger stierven, voornamelyk in Augustus 1775, toen zy voor een geheel rantsoen daags niet meer hadden, dan een scheeps-bischuit, en drie koorn-airen van Indisch graan, voor vyf mannen.

Mynen last toen volkomentlyk ter uitvoer gebragt hebbende, hernam ik, met myne manschappen, den weg naar de Cassipory-Kreek, trekkende door de verwoeste velden van Gado-Saby die niets anders dan eene dorre woestyn vertoonden. Wy gingen vervolgens zuid-oostwaards, daar na geheel en al zuidwaarts, en hingen toen onze hangmatten in de nabyheid van onze eerste legerplaats op. Het is opmerkelyk, dat alle de moerassen door de buitengewoone hitte waren uitgedroogd; en tevens was de stank, die door eene meenigte van visschen, voornamelyk tot het zoort van de Warappa's behoorende, welke by het afloopen van het water gestorven waren, wierd opgegeven, aller ongezondst en ondraaglykst. Onze slaven echter zogten de minst bedorvene van deeze visschen uit; des avonds lieten zy ze in de pan bakken, en aten dezelven als een lekker beetjen.

Des anderen daags morgens, trokken wy verder zuidwest-waarts ten westen, en hielden omtrent vier mylen van de Cassipory-Kreek stil. Den 26sten, onzen weg zuid-zuid-westwaarts nemende, kwamen wy in het hoofd-kwartier, zeer vermoeid, zeer vermagerd, en ik had zelf de roos in het aangezicht. Ik stelde myn dagverhaal ter hand aan den Lieutenant Colonel DES BORGNES, die het bevel voerde.

Een hoop van vyftig soldaten wierd, den 27sten, naar den post van Jerusalem, en deszelfs omtrek, op kondschap uitgezonden, en den 6den December, kwam de zoo lang verwagte versterking, uit drie honderd vyftig mannen bestaande, in de Rivier Surinamen aan; zy hadden, van hun uitzeilen uit Holland af gerekend, de reize gedaan in agt-en-zestig dagen, maar 'er vyftien van te Plymouth doorgebragt.

Wy vernamen toen, dat Capitain JOACHIM MEIJER, die eene aanzienlyke somme gelds voor ons volk aan boord had, door de Mooren genomen was geworden, en met alle zyne scheepsgezellen te Marocco opgebragt, alwaar zy slaven van den Keizer wierden:--dat het Schip Paramaribo, Capitain SPRUIT, (één van de geenen, waar in men in het begin van de maand Augustus de zieken inscheepte,) in het Kanaal op de klippen van Ouessant schipbreuk had geleden; maar dat, met behulp van eenige Fransche visschers, allen, die zig aan boord bevonden, gered en naar Brest gebragt waren, van waar zy wederom naar Texel inscheepten:--dat de Prins van Orange, uit weldadigheid en menschlievenheid, onder de Officiers en soldaten, ten getale van meer dan honderd, de navolgende sommen gelds had laten uitdeelen, namelyk, omtrent veertig guldens aan elken soldaat, zes honderd aan elken Lieutenant, agt honderd aan elken Capitain, en duizend aan den Major MEDLAR, die het bevel voerde. Alle de geschenken, welken ik aan myne vrienden in Europa gezonden had, waren op dien zelfden bodem, en alzoo, tot myn groot hartzeer, verloren geraakt.

Zedert meer dan een maand had ik tot myne woonplaats niets anders, dan eene slechte hut, voor regen en wind bloot staande. Doch thans vernomen hebbende, dat, in weêrwil van de aangekomene versterking, men ons bestemd had, om ons eenigen tyd in de bosschen te blyven ophouden, het geen aan veelen van ons volk zeer leed deed, begon ik, den 1sten December, om zonder hamer, of spykers, voor my eene wooning te laten bouwen, die in zes dagen was afgemaakt, schoon twee verdiepingen, eene overdekte gaandery met een hek, en eene kleine keuken hebbende. Dicht daar by was een tuin tot myn gebruik, alwaar ik op jong plantsoen, de namen van JOANNA en JOHNNY sneed. Tot gebuur had ik mynen vriend den Capitain BOLTS, die een geyt had, waar van de melk ons van groot nut was. Anderen hielden eendvogels en hoenderen; maar de laatstgemelde hadden geene haanen; men was bevreesd voor hun gekraay, en had dezelven gedood. Alle onze Officiers eindelyk bouwden, aan den oever, eene reije van zeer zindelyke wooningen; aan de overzyde had men meer dan honderd hutten, (die toen allen groen waren,) voor het nieuwe krygsvolk opgericht, en het geheel maakte eene fraaije straat, waar van niettemin de bewooners een zeer slecht voorkomen hadden.

Het was aan myne wooning merkwaardig, dat men 'er door het dak inkwam. Door dit middel zag ik my ontheven van alle die aanloopende bezoeken, die myn voorraad uitputten, en my meenigmaalen hinderden, wanneer ik met teekenen, schryven of lezen bezig was. Onze legerplaats was daarënboven zeer aangenaam. Wy waaren op eene hoogte, alwaar wij van de schadelyke dampen, die aanhoudend uit den grond opkomen, en elders een groot getal manschappen hadden doen sneven, niets te vreezen hadden.

Geduurende de zeer korte oogenblikken, dat ik hier eenige rust had, maakte ik in het klein, op een plank van agtien duimen lengte en twaalf duimen breedte, de boeren-wooning, welke ik aan de Hoop bewoond had. Ik gebruikte daar toe insgelyks takken van Latanus-boomen, en elk beschouwde het als iets, dat zeer merkwaardig was. Ik gaf het ten geschenke aan mynen vriend den heer DE GRAAF, die het vervolgens in zyne verzameling van zeldzaamheden te Amsterdam plaatste. Dewyl ik thans van dit onder werp spreeke, zal ik aan den lezer een gezicht van beide myne wooningen aanbieden, de eene aan de Hoop, alwaar ik zulke gelukkige dagen doorbragt, de andere slechts voor een korten tyd, zoo als wy die in de bosschen bouwden, om aldaar voor het slecht weder beveiligd te zyn. De eerste kan beschouwd worden als het zinnebeeld van huisselyk geluk; de tweede als het zinnebeeld van allerleije vermoeijenissen en gevaaren.

Het regen-saisoen onverwagt zynde opgekomen, handelde het krygsvolk der Sociëteit van Surinamen, dat aan de Wana-Kreek lag, verstandig met op te breken, en trok den 26sten voor by onze legerplaats, de Cottica afzakkende, om zig naar de Plantagiën aan de Peréca-Kreek te begeven. Intusschen waaren wy verwezen, om in deeze legerplaats aan de Cassipory-Kreek gebrek te lyden, terwyl de Colonel FOURGEOUD zig zeer gerust op Paramaribo bevond. De Officiers van dit volk berigtten ons, dat eenige andere muitelingen, aan den kant van de Rivier Maroni, gevangen genomen waren. Wy behaalden zulk een voordeel niet, schoon wy van alle kanten geduurig ronden deeden.

Den 29sten, eindelyk, wierpen zes schepen, beladen met een gedeelte van het krygsvolk, het welk uit Holland was aangekomen, het anker tegen over onze legerplaats. Ik kon niet nalaten de ongelukkigen, die zig met ons vereenigden, te beklagen, en dit was niet zonder reden, dewyl verscheiden van hun reeds door de scheurbuik, en andere akelige ziekten, waaren aangetast. Intusschen bouwden wy een oven van steen, en deeden al wat wy konden, om hun hulp te verschaffen. Een zekeren voorraad van wyn ontfangen hebbende, onthaalde ik tevens alle de Officiers; maar deezen drank den Capitain P----T naar het hoofd gevlogen zynde, daagde hy my, wegens een kwalyk verstaan, tot een tweegevecht uit. Wy gingen dus een weinig ter zyden van de legerplaats; en toen wy den sabel in de hand hadden, trok deeze Officier af met een schaterenden lach, wierp zyn wapentuig weg, en zeide my: "Dat ik hem konde afrossen, zoo ik wilde; maar dat hy te veel achting voor my had, om my den minsten tegenstand te kunnen bieden", en daarop omhelsde hy my hartelyk. Ik deed hem een vriendelyk verwyt, en bragt hem weder by het gezelschap, met het welk wy het oude jaar vrolyk ten einde bragten.

Op nieuwe jaars dag van het jaar 1777, gingen wy onze gelukwenschingen by den bevelhebbenden Officier afleggen; en, onder weg, vertoonde men my de Philander, of de Oppossum van Mexico, alhier Awary genaamd. Het was een wyfje, welke men met haare jongen levendig gevangen had.

