Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3
Part 14
Voorts zal ik als nu aan den Lezer vertoonen een huisgezin van Negers, in dien staat van voorspoed en gerustheid, welken zy steeds onder eenen goeden meester genieten. De beeldtenissen, op de plaat voorkomende, worden vooröndersteld te verbeelden persoonen van het volk of den stam van Loango, uit hoofde der teekenen, die over het lichaam van den man getrokken zyn, en het cyffer op deszelfs borst, uit de letters J. G. S. zaamgesteld, door middel van het welk de eigenaar bewyzen kan, dat de slaaf hem toebehoort. Deeze man heeft op het hoofd een net en een mand vol kleine visschen; hy houdt ook een groote mand in de hand, die alle voortbrengzels van zyne visch-vangst zyn. Zyne vrouw, die zwanger is, draagt verscheiden zoorten van vruchten, draaijende catoen op een klos, en vreedzaam haare pyp rookende; zy heeft nog een kind op haaren rug, en een ander loopt al speelende naast haar. Op die wyze is de arbeid van eenen Neger, onder eenen menschlievenden meester en geschikten Opzigter, niets meer, dan eene heilzaame lichaams-oeffening, die met het ondergaan der zon ophoudt, en hem een genoegzaam overschot van tyd overlaat, om te jagen, te visschen, zynen kleinen tuin te bebouwen, of manden en netten ter verkoop te maken. Voor den prys, dien hy daar voor maakt, koopt hy één of twee varkens, eendvogels en ander gevogelte, welken hy zonder moeite en kosten voedt op eenen grond, die het noodige daar toe van zelf voortbrengt; en op die wyze heeft hy 'er zeer veel voordeel by. In zulk eene gesteldheid is hy ontheven van hartseer; hy betaalt geene lasten, en hy beschouwt zynen meester alleenlyk als den beschermer van hem en zyn huisgezin. Hy bidt hem aan, niet uit vreeze, maar om dat hy in zyn hart overtuigd is, den voorspoed, dien hy geniet, aan hem verschuldigd te zyn. De door hem bewoonde luchtstreek staat gelyk aan zynen geboorte-grond, en bevrydt hem van het dragen van kleederen, het geen hy veel gemakkelyker en gezonder vindt. Hy kan zyne wooning bouwen, zoo als hy goedvindt, en het bosch verschaft hem de noodige bouwstoffen. Zyn bed is een hangmat, of mat, papaija genaamd. Hy maakt zyne eigene potten; en de calebassen, die hem tot schotels dienen, groeijen in zynen tuin. Nooit leeft hy te zamen met eene vrouw, welke hy niet bemint, want de beide echtgenooten verlaten elkander, zoo dra de één den ander moede is; en deeze scheiding gebeurt nochtans dikwerf minder dan de echtscheiding in Europa. Behalven de levensmiddelen, welken hy 's weekelyks van zynen meester ontfangt, weet zyne vrouw hem verscheiden zeer smakelyke spyzen toe te bereiden, als daar zyn de braf, zynde een huspot van Plaintain-boom vruchten en ignames, met gezouten vleesch, drooge visch, en peper van Cajenne te zamen gekookt; de tom-tom, een zoort van pudding, of taart, van meel van Indisch koorn gemaakt, en met stukjes vleesch, gevogelte, visch, peper van Caijenne, en zagte schillen van de ocra of althéa gebakken: de peperpot, zynde een kookzel van visch met Guineesche peper, het welk men met gebraden plantain-vruchten eet: de gangotay, zaamgesteld uit drooge visch en groene plantain-vruchten: de acansa en de doguenou, die van meel van Indisch koorn gebakken worden, waar by in de laatstgemelde suiker-syroop gevoegd word. Zyn gewoone drank is schoon water, waar in nu en dan een weinig rhum gegoten wordt. Indien hy ziek of gewond wordt, geneest men hem voor niet; maar hy gebruikt zeldzaam den Heelmeester, vermits hy zelf de geneeskragtige kruiden tamelyk wel kent; bovendien verrigt hy het zetten van koppen, of het doen van doorsnydingen van het vleesch, hem voor aderlatingen dienende, aan zig zelf. Zyn hoofd houdt hy zindelyk, door zyne hairen met vochtige kley te besmeeren; hy laat die daar op droogen, en wast dezelve 'er vervolgens met zeep sop weder af. Om zyne tanden zoo wit als yvoor te houden, neemt hy een stukjen hout van een orangenboom, waar van de vezelen aan één der einden van elkander zyn gescheiden, en tot een borsteltje dienen: men ziet geen Neger, het zy man of vrouw, zonder dit klein huisraad, het welk daarënboven het vermogen heeft, om den stank van den adem te verbeteren.
Dit is het geen zyn lichaam betreft. Wat zynen geest belangt, dezelve wordt nooit ontrust door vreeze voor den dood, nog door knagingen van het geweten; want een Neger gelooft vastelyk het geen men hem geleerd heeft, en het welk eenvoudig en klaar is. Wanneer hy het leven heeft afgelegd, brengen zyne nabestaanden en vrienden hem in een boschjen van oranjeboomen, alwaar zy hem begraven, niet zonder onkosten, want doorgaans leggen zy hem in een kist, die van best hout fraay gewerkt is, en tevens doen de lykzangen, zuchtingen en geschreeuw, de lucht weergalmen. Het graf gevuld zynde, en met groene zoden bedekt, zet men twee groene calebassen op zyde, de ééne vol met water, de andere met verschillende zoorten van gekookt vleesch en cassave, het geen men doet, niet zoo als zommige lieden meenen, in het denkbeeld, als of de doode dit zoude kunnen benoodigd hebben, maar als een blyk van hoogachting, die men voor zyne nagedachtenis heeft: zomtyds zelfs brengt men 'er het weinige huisraad, door hem nagelaten, en breekt het op zyn graf aan stukken. Na het afloopen deezer plechtigheden nemen alle de omstanders afscheid van hem; zy spreken tot hem, als of hy hun verstaan konde; zy verzekeren hem van het leed, het welk zy door hunne scheiding ondervinden; zy zeggen eindelyk, dat zy hem hopen weder te zien, niet in Guinée, het geen men ongeschikt oordeelt, maar in dat gelukkig verblyf, alwaar hy thans het gezelschap zyner voorvaderen, zyner nabestaanden, zyner vrienden geniet. De plechtigheid deezer begraaffenis eindigt met jammerkreeten, en vervolgens keert men naar huis te rug. Des anderen daags slacht men een vet varken, eendvogels, ander gevogelte, enz.; en de vrienden geven aan de andere Negers een feest, het welk eerst den volgenden dag eindigt. Tot een teeken van rouwe, scheeren mannen en vrouwen zig het hoofd, en omwinden het met een blaauwen doek, dien zy het geheele jaar dragen. Wanneer dit jaar verstreken is, gaan zy weder naar het graf; zy leggen aldaar de laatste offerhanden neder; zy zeggen den overledenen als nog vaar wel; vervolgens vieren zy een ander feest, en het zelve eindigt met een vrolyken dans, en lofzangen ter eere van den nabestaanden of vriend, die hen verlaten heeft.
'Er is geen volk, waar van de byzondere persoonen, die het zelve uitmaken, meerder achting en vriendschap jegens elkander gevoelen, dan de Neger-slaven. Zy schynen verrukt te zyn, wanneer zy zig by elkander bevinden, en zy zyn nimmer van vermaken uitgeput, om elkander het gezelschap te veräangenamen. Eene zekere vrolykheid, welke zy Soesa noemen, bestaat in het springen tegen over zynen dansser of dansseresse, de handen op de heupen slaande, om de maat te houden. Zy zyn op dit zoort van oeffening zoo heet, dat dezelve dikwils met zeven of agt paaren danssers te gelyk plaats heeft, het geen, door het te groot geweld, den dood van verscheiden hunner meer dan eens veröorzaakte; waarom de Regeering van Paramaribo hetzelve verboden heeft.
De Negers zyn vlug en sterk, maar hun grootste vermaak is het zwemmen; het geen zy twee of drie malen daags doen, onder malkander en by hoopen van jongens en meisjens, even als de Indianen; en de beide kunnen onderscheiden zig door hunnen moed, kragt en werkzaamheid. Ik heb eene jonge Negerin de Commewyne zien overzwemmen, een jong sterk manspersoon voorby zwemmende, en, toen zy aan de overzyde aankwam, door haar aan hem hooren voorstellen, om een weg van twee mylen af te leggen, en hem nog voor uit te blyven.--Ik moet thans spreken van het speeltuig der Negers, en de manier, op welke zy danssen. Men herinnert zig ongetwyffeld, het geen ik van die der Loango-stam ten deezen opzigte gezegd heb; het geen nu zal volgen, is aan alle de andere stammen gemeen.
Hun speeltuig, dat zeer vernuftig is, en door hen zelven gemaakt word, heb ik op eene afzonderlyke plaat afgebeeld.
Nº. 1. De qua-qua; eene plank van een hard en geluidgevend hout, welke aan de eene zyde door een dwarshout in de hoogte wordt opgeligt, en waar op men met twee yzere staafjes, of twee beenderen, als op een trommel, slaat.
Nº. 2. De Kiemba-toetoe; een hol riet, waar op de Negers met den neus blaazen, even als de bewooners van het Eiland Taïti. Deeze fluit heeft niet meer dan twee openingen, de eene om op te blazen, de andere om 'er de vingers op te houden.
Nº. 3. De Ansokko-bania; een plank van hard hout, aan wederzyden als een voetbank verheven, en waar op kleine houtjes van verschillende gedaanten zyn vast gemaakt. Men slaat daar op met twee stokjes, als op een hakbord, het geen verschillende geluiden voortbrengt, die niet onäangenaam zyn.
Nº. 4. De groote Creoolsche trommel, gemaakt uit den stam van een hollen boom. Dezelve is aan de eene zyde open; aan de andere met een schapen-vel overdekt. Die deeze trommel slaat, zit 'er boven op, en slaat met de vlakke hand, het geen genoegzaam overëenkoomt met een basviool of qua-qua.
Nº. 5. De groote Loango trommel, die aan beide zyden gesloten is, en dezelfde uitwerking doet, als de keteltrom.
Nº. 6. De kleine trommel, genaamd papa drum, welke men op dezelfde wyze slaat als de andere.
Nº. 7. De kleine Loango trommel, die te gelyker tyd met de groote geslagen wordt.
Nº. 8. De kleine Creoolsche trommel, die mede tot het zelfde einde dient.
Nº. 9. De Coeroema, een zoort van beker, konstig gemaakt, insgelyks met een schapen-vel overdekt, waar op men met twee yzere staafjes, of twee stokjes slaat, even als op de qua-qua.
Nº. 10. De Loango-bania. Dit is een zeer merkwaardig speeltuig. Het is gemaakt van een plank van zeer droog hout, waar op twee schuinsche klampen zyn vast gemaakt. Boven dezelve zyn eenvoudig kleine houte stokjes van elastiek palmhout geplaatst, die van ongelyke lengte zynde, boven op een derde klamp schynen uit te maken.
Nº. 11. Eene groote ledige Calebas, dienende tot opblaazing van het geluid van de Loango-bania, waar van de stokjes met de vingers worden opgeligt, ten naasten by als de klauwieren van een forte piano; en dit speeltuig is dan aangegenaam en zacht.
Nº. 12. De Saka-saka; zynde een calebas, met een stok uitgehold. Dezelve is met een mouw overtrokken, en vol met kleine nooten en erweten, ten naasten by als de toover-schelp der Indianen.
Nº. 13. Een Zee-schelp, waar op de Negers blaazen, het zy uit vermaak, het zy om gerucht te maken, maar zynde by het danssen van geen gebruik.
Nº. 14. De Benta; een tak als een boog gespannen, door middel van een koord van droog riet, of Warimbo, het welk men tusschen de tanden houdt, waar op men met een kort eind hout slaat, en het welk men links en rechts weet te bewegen. Het zelve geeft een geluid, byna naar dat van een jagthoorn gelykende.
Nº. 15. De Creoolsche Bania; een speeltuig, het welk naar eene mandoline of guitaar gelykt. Het is gemaakt van een halve calebas, met een schapen-vel overdekt, en waar aan eene lange mouw is vast gemaakt. Dit speeltuig heeft vier koorden, waar van drie lang zyn, en het vierde kort en dik is, en tot een bas dient. Men speelt 'er met de vingers op; het geeft een zeer aangenaam geluid, het welk nog aangenaamer wordt, wanneer het met gezang vergezeld gaat.
Nº. 16. De oorlogs-trompet, om het laden of den aftocht te bevelen, enz. De Negers noemen dezelve tou-tou.
Nº. 17. De Jagthoorn, geschikt om de plaats van deeze trompet te vervullen, of om de slaven der Plantagiën tot den arbeid te roepen.
Nº. 18. De Loango-tou-tou, een fluit, waar op de Negers even als de Europeanen spelen. Zy heeft alleenlyk vier gaten voor de vingers, en echter brengt zy eene groote verscheidenheid van geluiden voort.
Dusdanig is het speeltuig der Negers, op welks geluid zy met meer vermaak danssen, dan men in Europa op dat van het beste orkest doet.
By het geen ik gezegd heb, moest ik nog voegen, dat zy by hun zingen en danssen, het welk zeer veel gelykt naar het geluid van een bakker, die zyn brood uit den oven haalende, aanhoudend roept touchety-touk, touchety-touk, de maat slaan op één, en op een halve maat, maar nooit op drie.
Alle Saturdag avonden eindigen de slaven, die wel behandeld worden, de week met eene vrolykheid van dien aart; en doorgaans geeft men hun alle drie maanden eene groote dans-party, waar op hunne medgezellen uit de nabuurschap genoodigd worden. Dikwils verëert hun meester het feest met zyne tegenwoordigheid, of hy zendt ten minsten nieuwe rhum aan de danssers.
De slaven zyn op deeze danspartyen zeer netjes uitgedoscht; de vrouwen verschynen aldaar met haare beste kleederen, van Indische stoffen gemaakt, en de mannen met lange broeken van het fynste Hollandsche linnen. Zy zyn zoo heet op het danssen, dat ik hun van zaturdag s' avonds ten zes uuren tot maandag 's morgens met het opkomen van de zon, zonder ophouden den trommel heb hooren slaan; hebbende zy alzoo met danssen, zingen, schreeuwen en handgeklap, zes-en-dertig uuren doorgebragt. De Negers danssen altyd paar aan paar; de mans maken de figuren en teekenen de passen af; de vrouwen draaijen, houdende haaren kleinen rok als een zonnescherm uitgespreid. Zy noemen deezen dans waey-cotto. De jonge lieden, die rusten, schenken den drank in; de meisjens moedigen de danssers aan, en droogen het zweet aan het voorhoofd van hunne onvermoeide musikanten af.
Het is verwonderlyk, om de orde en goede verstandhouding, die op deeze dans-partyen heerschen, te aanschouwen. Het vermaak in het danssen is het waare en eenige voorwerp; en de Negers, ik moet dit herhalen, zyn 'er zoo verhit op, dat ik 'er één, die kortlings ingevoerd was, en geene dansseres had, twee uuren lang heb zien staan kyken naar zyne schaduw, welke zig op den muur vertoonde.
Indien men by al het geen ik van het lot der Negers, die aan eenen goeden meester onderworpen zyn, gezegd heb, nog voegt, dat zy zig nooit van elkander afscheiden; dat de vaders hunne kinderen rondöm hun zien, zomtyds zelfs tot in het derde geslacht; dat zy voor 't overige zeker zyn, van in hun geheele leven geen gebrek te lyden; en indien men eindelyk het lot van deeze menschen vergelykt by dat der bedelaars, die in grooten getaale de straaten der steden in Europa vervullen, kan men hen zekerlyk niet ongelukkig noemen.
Thans, om in weinige woorden alles zamen te trekken, en om geene tegenstrydigheid met my zelven te doen voorkomen, na zoo dikwerf de trekken van onmenschelyke wreedheden van verscheiden meesters verhaald, en niet dan by toeval van de menschlievenheid van zommige anderen gesproken te hebben, zy het my geöorloofd, om met een woord over het ontwerp eener algemeene afschaffing der slaverny te spreken.--Indien wy onze nabuuren konden overreden, om van gelyken te doen, zoude het een ander geval zyn; maar dewyl men aan de eigenaars op de Engelsche Eilanden de wreedheden niet kan te last leggen, welken ik zoo dikwerf in Surinamen heb zien plegen, waarom zouden wy ons gedragen, als of die aldaar plaats hadden? waarom zouden wy onze Planters verjagen, en hen naar eenen grond verzenden, die veel ryker, en van natuure veel vruchtbaarer is, als mede onder een bestuur, het welk den vryen invoer der Negers toestaat, terwyl ons oogmerk alleenlyk is de willekeurige kastydingen te beletten, die deeze zelfde Planters vastgesteld hebben. [34]
Verscheiden Colonisten stellen zulk een vertrouwen in hunne slaven, dat zy dikwils hunne kinderen liever aan eene Negerin geven om te zogen, dan aan eene Europeesche vrouw; en zommige slaven zyn zoodanig aan hunnen meester verkleefd, dat ik 'er gekend heb, die hunne vrylating geweigerd hebben, en anderen, die hunne vryheid reeds genietende, vrywillig in eenen staat van afhangelykheid zyn te rug gekeerd. Niemand is volmaakt vry in deeze weereld, en wy moeten allen de één van den ander afhangen.--Ik zal derhalven dit uitgebreid hoofdstuk besluiten met deeze algemeene aanmerking, dat alle geluk op aarde enkel in verbeelding bestaat, en dat men die altyd verkrygen kan, wanneer de gezondheid des lichaams, en de vrede der ziele door eenen onderdrukkenden geweldenaar niet ontrust worden.
ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.
De muitelingen voeren verscheiden Negerinnen weg.--Aanstootelyke wyzen van straföeffening.--Onverschrokkenkeid der Negers.--Verschillende zoorten van Gier-vogels.--Gekuifde Arenden.--Beschryving van eene Indigo-Plantagie.--Kaneel-Appel.
In weêrwil van de herhaalde nederlagen der muitelingen, vernam men den 15den Augustus, op Paramaribo, dat zy eenen aanval gedaan hadden op de Plantagie Berg-en-Daal, of den blaauwen Berg, anders ook genoemd Parnassus-Berg, gelegen aan het bovenste gedeelte van de Rivier Surinamen; en dat zy, zonder eenige daad van wreedheid te plegen, het geen maar al te veel hunne gewoonte was, alle de Negerinnen van daar hadden weggevoerd, schoon op eenen korten afstand een wachtpost geplaatst was. Op deeze tyding zond men een hoop jagers af, om hen te agtervolgen; en byna ter zelfder tyd deed men door zeven honderd Negers het beruchte cordon, of den verschansten weg, maken, welke reeds zedert lang ontworpen was. Deeze weg moest verdedigd worden door leger wachten, wier post was de Plantagiën voor nieuwe overrompelingen te beveiligen, en het wegloopen der slaven te beletten.
De Plantagie Parnassus-Berg is gelegen aan de westzyde der Rivier Surinamen, die door de kronkelingen, welken zy vervolgens maakt, op deezen afstand honderd mylen van Paramaribo af ligt. Dewyl het gezicht van deeze Plantagie aller aangenaamst is, biede ik 'er den Lezer eene afteekening van aan, als mede van de Savane der Joden, een dorp of gehucht, in eene rechte lyn meer dan veertig mylen van deeze hoofdstad der Volkplanting, en meer dan zestig mylen te water af gelegen. De Joden bezitten aldaar eene zeer fraaije Synagoge, in welke zy hunne Godsdienst-plechtigheden verrigten. Zy hebben 'er ook scholen en huizen van opvoeding, want deeze plaats wordt door verscheiden aanzienlyke huisgezinnen van hunne natie bewoond. Deeze zelfde lieden genieten in Surinamen byzondere rechten en voorrechten, die hun door KAREL II. vergund wierden, toen deeze Volkplanting aan de Engelschen toebehoorde; en deeze voorrechten zyn zoo groot, als zy die ergens bezitten.
De Rivier Surinamen is, van de stad Paramaribo, of liever van het Fort Amsterdam af, even als de Cottica en Commewyne, door fraaije Suiker- en Koffy-Plantagiën omzoomd; en 'er ontspringen uit dezelve verscheide kreeken of kleine Rivieren, als de Paulus, de Para, de Cropina, en de Pararaca; maar hooger dan Parnassus-Berg, vindt men niets, het welk eene Plantagie genoemd mag worden. De Rivier is ook op deezen afstand niet meer bevaarbaar, zelfs niet voor kleine vaartuigen, uit hoofde van de vervaarlyke rotsen en watervallen, die haar verstoppen, naar maate zy tusschen zeer hooge bergen, en ondoordringbaare bosschen doorloopt. Deeze natuurlyke bolwerken, schoon zy de liggingen verrukkelyk maken, beletten echter de bezitters der Volkplanting, om ontdekkingen te doen, die hun misschien hunnen arbeid door onmeetlyke schatten vergoeden zouden,
Zoo al de muitelingen zoo veele wreedheden op de Plantagiën niet meer pleegden, zy waren in de hoofdstad tot eene aanstootelyke hoogte gestegen. Ik hoorde aldaar onöphoudelyk het geklater der zweepslagen, en het gekerm der Negers. Onder de eigenaars, die op het vervolgen hunner slaven byzonder vuurig waren, bevond zig zekere Mevrouw SP--N, wier Plantagie in de nabuurschap van die van den heer DE GRAAF gelegen was, en welke ik op zekeren tyd met schrik uit haar raam het onmenschelyk bevel hoorde geven, om eene jonge Negerin voornamelyk op den boezem te geesselen, een schouwspel, waar in zy een byzonder genoegen scheen te scheppen. Den indruk, die deeze vertooning op mynen geest gemaakt had, willende verzetten, ging ik tot vermaak een eind weegs om ryden; en het eerste voorwerp, het welk zig aan myn oog vertoonde, was eene andere Negerin, ook jong zynde, die byna naakt boven van een zolder, op een hoop gebroken flessen neder viel: 't is waar, dit was een ongeluk, maar dit ellendig schepzel had zig zoo schroomelyk bezeerd, dat zy zig in eenen even deerniswaardigen staat bevond, als de eerstgemelde.--Myn lot verwenschende, keerde ik aan de haven-kant myn rydtuig om, alwaar ik het verdriet had, om twee Engelsch-Americaansche matroosen, die op de voorplecht van hun schip met elkander vochten, in het water te zien vallen en verdrinken. Op een ander Americaansch schip ontdekte ik eenen kleinen scheepsjongen, die, met een byl gewapend zynde, zig boven uit de mast tegen een Sergeant en vier soldaten zeer lang verdedigde; deeze waren genoodzaakt hem te dreigen van op hem te zullen schieten, zoo hy zig niet overgaf, het geen hy eindelyk deed. Men bragt hem dus aan wal, door twee zyner medgezellen vergezeld, en met een wacht van twee gelederen soldaten; men geleide hen alle drie naar het Fort Zelandia, alwaar zy, volgens des Capitains eisch, en om dat zy zig geduurende hunnen dienst hadden dronken gedronken, elk de fire cant ontfingen; daar in bestaande, dat zy met twee bambous-rieten op de schouders werden afgerost, tot dat dezelve opgezwollen en geheel zwart waren. De Capitain trachte echter dit zoort van willekeurige straföeffening te wettigen, uit hoofde der noodzakelykheid, en om dat de Americaansche matroosen en scheepsjongens de onstuimigste menschen zyn, wanneer zy dronken zyn, schoon 'er geene de minste reden tot twist aanwezig is: men kan hen onder de beste zeelieden der weereld rekenen.