Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3

Part 12

Chapter 12 3,964 words Public domain Markdown

Schoon ons verblyf in Surinamen eenigen tyd verlengd wierd, konde onze dienst aldaar aan de Volkplanting van weinig nut meer zyn. Ons getal was byna tot niet versmolten, en hoe zwak het ook was, toen wy op nieuw ontscheepten, deedt men, op den 1sten Augustus, nog negen Officiers, en meer dan één honderd zestig ongeneeslyke of zieke soldaten, naar Holland vertrekken. Ik had toen de koorts, en de Colonel gaf my dienvolgende verlof om mede scheep te gaan; maar ik weigerde zulks, besloten hebbende, om, zoo mogelyk, het einde van deezen tocht te zien. Ik maakte echter van deeze gelegenheid gebruik, om eenige geschenken aan myne vrienden in Europa te zenden, bestaande in twee fraaije Papegaaijen, in twee Aapen van een zeer merkwaardig zoort, in eene voortreffelyke verzameling van fraaije Kapellen, in drie kistjens met ingelegde fruiten en vleesch, welken ik aan boord van het Schip Paramaribo deed brengen, en aan de zorge van den Sergeant FOWLER aanbeval, die ongelukkiglyk één van de zieken was, welken men naar Amsterdam zond.

De Majoor MEDLAR, die door vermoeienis ten eenemaal was uitgeput, vertrok toen ook naar Holland. Ik nam in zyne afwezigheid zynen post waar, en ik wanhoopte niet, om zelf t'eeniger tyd onze krygsbende te rug te brengen, indien het getal van onze Officiers dagelyks zoodanig verminderde. Onder de geenen, die overbleven, werden 'er egter twee gevonden, die moeds genoeg hadden een huwelyk te wagen, en ieder met eene Creoolsche weduwe trouwden.

Toen rust en stilte genietende, bekwam ik weder genoegzaame kragten, om my, den 10den, naar Mevrouw GODEFROY te begeven, aan wien ik myn verlangen te kennen gaf, om ten minsten JOHNNY STEDMAN vry te maken, en ik verzogt haar, dat zy, door zig voor de gewoone somme van drie honderd ponden sterling by den Raad tot borge te stellen, verklaaren wilde, dat hy nimmer tot last van de Volkplanting van Surinamen komen zoude. Maar zy weigerde het my stellig, schoon zy geen gevaar hoe genaamd te loopen had, en het een niets beduidende zaak was, alleenlyk om aan het voorschrift van de wet te voldoen. Ik konde niet nalaten daar over myne verwondering te betuigen, die nochtans ophield, toen ik vernam, dat deeze vrouw die zelfde gunst aan haaren eigen zoon geweigerd had.

Ik kan van de slavernye niet spreken, zonder my eene schuld te herinneren, welke ik aan den lezer nog niet heb afgedaan. Ik heb reeds eenige byzonderheden opgegeven omtrent de manier, op welke de slaven in dit Land verkogt en behandeld worden; maar ik gevoel, dat ik nopens dit onderwerp niet uitgebreid genoeg geweest ben, en ik verbeelde my voegzaam te zyn, dat ik alle de berichten, welken ik omtrent de Negers bekomen heb, mede deele. Ik vleije my zaaken te zullen vermelden, waar op men geene aandacht genoeg gevestigd heeft, of die tot hier toe slechts onvolkomen zyn verhaald geworden.

Ik begin met de kleur der Negers, en ik houde my verzekerd, zoo als ik reeds te vooren heb opgemerkt, dat zy geheel en al moet worden toegeschreven aan de brandende luchtstreek, waar in zy leven, en aan derzelver verhitten dampkring door die regelmatige winden, die over eindelooze zand-woestynen heen waaijen, alvorens zy tot eenig bewoond land komen. De Indianen van America, die onder denzelfden graad van breedte woonen, ontfangen deeze verkoelde winden in tegendeel door den Atlantischen Oceaan, en hebben eene koper-kleur; de inwooners van Abyssinië, die dezelven al mede ontfangen, na dat ze door de Indische Zee gematigd zyn, hebben geheel en al eene olyf-kleur. Zoo ook aan het noordelyk gedeelte van de groote Rivier van Senegal, verandert de kleur der huid van zwart tot bruin onder de Mooren, gelyk zy aan den zuidkant doet onder de Kaffers en Hottentotten: ik ben zelfs van gevoelen, dat de wolachtige hoedanigheid van het hair der Negers een uitwerkzel is van die zelfde oorzaak. Ik heb meer dan eens de opperhuid der Negers zien ontleden; zy is doorschynend en helder, maar tusschen dezelve en de waare huid, vindt men een dunne plaat of blad, dat volmaakt zwart is, en door strenge geesselingen of door het mes weggenomen zynde, eene kleur doet te voorschyn komen, niet minder dan die van de huid van een Europeaan.

Twee blanke Negers wierden in Surinamen, op de Plantagie Vossenberg, geboren van ouders, die volmaakt zwart waren. De eerste van dezelven was een meisjen, en wierd, in het jaar 1734, naar Parys gezonden; de tweede was een jongen, en wierd geboren in 't jaar 1738. In 't jaar 1794, heeft men in Engeland eene dergelyke vrouw gezien, genaamd EMILIA LEWSAM, wier kinderen, schoon zy met een Europeaan getrouwd was, allen Mulatten waren. De huid van diergelyke persoonen is zoo wit niet als de onze; zy gelykt naar een kryt-kleur: zoodanig is ook de kleur van hunne hairen. Hunne oogen zyn dikwils rood, [29] en zy zien naauwlyks in de heldere zonneschyn. Zy zyn tot geenerhande zoort van arbeid geschikt; en hunne verstandelyke vermogens beantwoorden doorgaans, zoo men my gezegd heeft, aan de zwakheid van hun lichaam.

De uiterlyke gedaante der Africaansche Negers is, van het hoofd tot de voeten, verschillende van die der Europeanen, schoon naar myne gedachten, en alle vooröordeel ter zyde gesteld, van geene mindere hoedanigheid. Hunne uiterlyke trekken, hunne platte neus, hunne dikke lippen, hunne bolle wangen, kunnen ons mismaakt schynen; en echter onder hen geheel anders beschouwd worden. Wy zyn genoodzaakt hunne zwarte en schitterende oogen, hunne witte reijen tanden te bewonderen. Een der voordeelen van de lichaams gesteldheid der Negers bestaat daar in, dat men onder hen nooit een kwynend en bleek persoon ziet, gelyk men zoo dikwils in Europa ontmoet. De rimpels, en andere gevolgen van den ouderdom, zyn by hen ook zoo zichtbaar niet, schoon ik echter toestemme, dat wanneer een Neger ernstig ziek is, zyne zwarte kleur eene aller onaangenaamste bleeke olyf-kleur bekoomt.

De Negers zyn zekerlyk meer dan wy geschikt tot oeffeningen, tot welken kracht van lichaam en knaphandigheid noodig is. Over het algemeen wel gespierd en sterk van romp zynde, zyn hunne uiterlyke ledematen fyner. Hunne borst is zeer schoon, maar zy hebben naauwe heupen. Hunne dyen zyn dik en sterk; zoo ook hunne armen, boven den elleboog; maar de gewrichten van hunne hand, en het onderste gedeelte van hunne beenen zyn zeer langwerpig. Derzelver krom gebogene gedaante moet men toeschryven aan de manier, op welke de moeder haar kind op den rug draagt. Zy verwydert de beenen des kinds van elkander, zo dat dezelve tegen haar midden drukken, het geen dit zoort van mismaaktheid veröorzaakt, waar mede het kind niet geboren is: bovendien leert zy aan het zelve het loopen niet, zy laat het in het zand en gras kruipen, en het staat niet over einde, dan wanneer het 'er kracht en lust toe heeft, het geen spoedig gebeurt. De houding der voeten wordt echter door deeze gewoonte zeer verwaarloosd, maar door middel van lichaams-oeffening en dagelyksche baden, verkrygt het kind die kragt en vaardigheid, welken alle de Negers in den hoogsten graad bezitten.

Zy hebben nog eene andere gewoonte, die, naar hunne gedachten, zeer veel tot bevordering van hunne sterkte en gezondheid toebrengt. In de twee eerste jaaren, dat de moeder haar kind zoogt, doet zy het zelve dikwils eene groote meenigte water inzwelgen, waar na zy het twee malen daags zeer sterk schudt: zy neemt het ook by een been of by een arm, en wascht deszelfs huid in de Rivier af. De meisjens worden op dezelfde wyze als de jongens opgevoed. Tot eenen zekeren ouderdom gekomen zynde, behoeven zy voor de mannen niet onder te doen, dan in grootte; zommige zelfs winnen het hun af, in het loopen, in het vechten met de vuist, in het danssen, in het zwemmen, en in het klauteren tot boven in de boomen. Op die wyze kan men, door eene geschikte opvoeding, een stam van Amazonen vormen.

Deeze sterk gespierde meisjens van de gezengde luchtstreek zyn merkwaardig door haare vruchtbaarheid. Ik heb eene slavin gekend, Esperanza genaamd, en tot de Plantagie van den heer DE GRAAF behoorende, die in drie jaaren en in drie kramen negen kinderen had ter weereld gebragt: de eerste keer vier; de tweede twee, en de derde drie. De Negerinnen baaren haare kinderen zonder moeite, en, even als de Indiaansche vrouwen, hernemen zy haare dagelyksche bezigheden op den dag van haare bevalling zelven. Geduurende de eerste week, zyn haare kinderen volstrekt als die van de Europeanen, uitgenomen echter, dat men in de jongetjens eene zwartächtige vlak op zeker deel van het lichaam ziet, waar na het in 't kort geheel en al van dezelfde kleur wordt. De meisjens komen vroegtydig tot jaaren van huwbaarheid, maar het is met haar, als met de vruchten van deeze luchtstreek, zy vallen schielyk af. Verscheiden Negers bereiken nogtans eenen hoogen ouderdom: ik heb 'er één of twee gezien, die meer dan honderd jaren oud waren; en de Londonsche Kronyk van den 5den October 1780 maakt melding van eene Negerin, LOUISA TRUXO genaamd, die toen te Cordua du Tucunna, in Zuid-America, leefde, en honderd vyf-en-zeventig jaaren oud was.

Vindt men in de sterf-lysten één enkelen Europeaan, die zulk een hoogen ouderdom bereikt had? En deeze vrouw had waarschynlyk, even als de andere slavinnen, haare jeugd in moeielyken arbeid doorgebragt.

Ik heb in het gestel der Negers deeze byzonderheid steeds opgemerkt, dat, daar zy geschikt zyn, om zwaaren arbeid in de heetste dagen van den zomer te volvoeren, zy niet minder koude en vochtigheid verdragen kunnen, beter dan een Europeaan, immers dan ik zelve op onze tochten doen konde. Zy slapen den geheelen nacht, naakt in het vochtig gras liggende, zonder dat 'er hunne gezondheid iets by lydt, terwyl ik zeer gelukkig was, met des morgens by myne hangmat vuur te hebben, en onze soldaten van huivering beefden, om dat zy 'er van verstoken waren. Honger of dorst, pyn of ziekte, verdragen zy met zoo veel lydzaamheid, als moed.

Ik heb hier vooren meer dan twaalf stammen van Negers genoemd, welken ik allen kenne door de verschillende teekenen, die de genen, welke tot deeze of geene stam behooren, op hun lichaam maken.--By voorbeeld, de Coromantyn-Negers, die de meest geachte zyn, hebben drie of vier sneden op elke wang.

De Loango-Negers, die het minst in aanzien zyn, onderscheiden zig, door verhevene en vierkante beeldtenissen, naar dobbelsteenen gelykende, op de armen, in de zyden, en op de dyen, te teekenen. Zy slypen ook hunne voortanden puntsgewyze, het geen hen vervaarlyk maakt. Alle hunne mannelyke kinderen zyn besneden, ten naasten by als die der Joden.

Onder de spelingen der natuur, behoort men te stellen het maakzel van een byzonder zoort van Negers, Accorys, of tweevingerige genaamd, die onder de Negers van Saraméca, aan het bovenste gedeelte der Rivier van dien naam, woonen. Zy, die dit volk uitmaken, zyn merkwaardig, uit hoofde van hunne allermismaaktste voeten en handen; de eerste hebben vier zeer lange toonen, en de andere alleenlyk twee vingeren, maar die naar de schaaren van een kreeft gelyken, of liever het voorkomen hebben, als of zy door eene branding of ander toeval, een lidteeken bekomen hadden. Deeze mismaaktheid zoude, wanneer zy zig tot een enkel persoon bepaalde, weinig verwondering baaren; maar het is ontwyffelbaar een vreemd verschynsel, wanneer men deeze byzonderheid in een geheel volk ontmoet. Ik heb twee van deeze Negers gezien, maar op eenen te verren afstand, om ze te kunnen afteekenen. Ik begeere my dus by deeze gelegenheid niet tot getuige op te werpen; ik verhaale alleen, wat my bericht is. De afteekening van een man, die voeten en handen van dit maakzel had, is aan de Maatschappy der wetenschappen te Haarlem gezonden. Ik heb daarënboven in een oud boek over de ontleed- en heel-kunde, aan my door den kundigen OWEN CAMBRIDGE van Twickenham bezorgt, een bericht gelezen, waar uit het my gegund zy het volgend uittrekzel op te geven.

"In 't jaar 1629, na de zitting van St. Michiël, bragt men van de plaats, alwaar de misdadigers ter dood gebragt worden, aan het Geneeskundig Collegie, een lyk, tot het doen van ontleedkundige vertooningen geschikt; en by toeval nam de bediende van het Collegie het lyk van eenen schelm, die den zoon van den heer SCOT, een heelmeester van goeden naam, in deeze stad, vermoord had. Zyn aangezicht had nog een woest voorkomen behouden. Zyne hairen waren zwart, gekruld, niet zeer lang, maar dik, en zwaar in één gevlochten: zyn voorhoofd was niet hooger dan een duim. Hy had groote en vooruit steekende wenkbrauwen, de oogen in hunne holte diep ingezonken, een kromme neus, met een bult of dikte aan de punt, en een weinig in de hoogte stekende. Eene zeer zwaare knevel bedekte zyne bovenste lip, maar aan de kin had hy slechts eenige harde en zwarte hairen; zyne onderste lip was drie maalen dikker dan gewoonlyk: zie daar de gedaante van zyn aangezicht. Zyne grootste mismaaktheid echter, die in de daad buitengewoon was, vertoonde zig aan zyne voeten, die beiden gespleten waren, maar niet op dezelfde manier. De rechte voet verdeelde zig in twee toonen, van vier tot vyf duimen lengte, even als die van elk ander mensch, maar zoo groot, dat de helft van dit gedeelte van den voet hem dragen konde; de nagels waren naar evenredigheid. De linke voet was insgelyks in het midden gespleten, maar deeze scheiding was ten hoogsten drie duimen lang. De helft naar de binnen-zyde had de gedaante van een grooten toon met een zeer zwaaren nagel, en gelykende naar die van dezelfde helft, aan den rechten voet; de buitenste helft bestond uit twee andere toonen, die zeer digt tegen elkander stonden. Ik heb gepast geöordeeld het gedrochtelyk maaksel van dit mensch te beschryven, na eene naauwkeurige beschouwing, in tegenwoordigheid van meer dan duizend lieden gedaan".

Ik weet weinig van de verschillende spraken der Africaansche Negers; echter zal ik eenige spreekwoorden van de Coromantyn-Negers, opteekenen, welken myn Neger QUACO, tot deeze stam behoorende, my heeft opgegeven: ik moet tevens aanmerken, dat de Negers hunne woorden zeer schielyk uitspreken, dezelven als uit de keel halende, het geen zig niet gemakkelyk op het papier laat beduiden. Zie hier deeze spreekwyzen met derzelver vertaaling: "Co fa ansyo, na baramon-bra: gaat naar de Rivier, en haal my water".--"My yery, nacomeda my: vrouw, ik heb honger".--Dit zy genoeg met opzigt tot de taal der Coromantyn-Negers, zoo als men die op de kust van Guinée spreekt.

De taal der Negers in de Volkplanting van Surinamen verstaa ik volkomen, want het is een zamenstelzel van 't Hollandsch, Fransch, Spaansch, Portugeesch, en vooral van het Engelsch, het welk 'er de grondslag van is, en waar van zy veel houden. Ik heb reeds gezegd, dat de eerste Europeanen, die deeze Volkplanting bezaten, luiden van onze natie waren; van daar koomt het waarschynlyk, dat de Negers zulk een byzonderen lust tot hunne taal hebben. In deeze gemengde taal, waar van ik reeds eene gedrukte spraakkunst gezien heb, eindigen de woorden doorgaans met een klinkletter, even als in de Italiaansche en Indiaansche taalen. Zy is zoo aangenaam, zoo welluidend, en zoo zacht, dat de Surinaamsche inwooners van den eersten smaak 'er zig meestäl van bedienen. Men kan over den aart der uitdrukkingen oordeelen door de volgende voorbeelden:--"Goed eeten, wordt uitgedrukt door de woorden swyty-mousso.--Buskruid: man sanny.--Ik zal u met al myn hart, en zoo lang ik leef, beminnen: my saloby you, lango alla my hatty, so langa me lyby.--Een aangenaam verhaal: ananassy tory.--Ik ben zeer droefgeestig: me hatty brun.--Leef lang, zoo lang, dat uwe hairen wit worden als catoen: leby langa, tay-tay, ta-y you wyry tam wity liky caton.--Klein: pyky.--zeer klein: pykinini.--Vaarwel! ik sterf, ik ga tot mynen God: adiossoo, cerroboay, my de go dede, me de go na my gado". Men kan in deeze taal verscheiden woorden van bedorven Engelsch opmerken, welker gebruik men in de hoofdstad begint agter te laten, maar die altyd op de afgelegene Plantagiën gebruikt worden: by voorbeeld, ik heb eene oude Negerin van de Plantagie Goed-Accord aan de Cottica hooren zeggen: "We lobee fo lebee togeddere", om daar mede te kennen te geven, wy houden veel van met elkander te leven; en om dit zelfde denkbeeld te Paramaribo uit te drukken, zeide men, "way louko fortanna marandera".

Het gezang der Negers is, zoo als dat der vogelen, welluidend, maar zonder maat. Dikwils voeren zy een zoort van gezang op de volgende wyze uit: één van hun geeft eerst een spreuk op, vervolgens zingt hy die, en alle de anderen herhalen zulks gezamentlyk; dit afgeloopen zynde, geeft men eene andere op, zingt en herhaalt die op dezelfde wyze.

Op die manier zingen de roeijers der vaartuigen, en zy houden 'er vooral veel van zulks by maaneschyn te doen. Dit gezang onder hun roeijen moedigt hun aan, en men hoort het op een vry verren afstand.

Het is bewezen, dat de Negers, wanneer zy eene goede opvoeding ontfangen hebben, voor eene groote kieschheid van het gehoor vatbaar zyn, en zig op de dichtkunst kunnen toeleggen. Onder de genen, die in dit zoort van letteroeffeningen uitmuntten, behoort men vooral te tellen PHILLIS WHEATLYE, een slaaf te Boston, in Nieuw-Engeland, die de Latynsche taal leerde, en agt-en-dertig dichtstukken over verschillende onderwerpen zamenstelde, die zeer cierlyk zyn, en in 't jaar 1773. in 't licht kwamen.

De sentimenteele brieven van Ignace Sancho, een Neger in dienst van den Hertog van Montagu, zyn zeer bekend, en zouden de pen van een Europeaan niet ontcieren. Wat de gave van het geheugen en van rekenen betreft, om te bewyzen, dat de Negers dezelve in den hoogsten graad bezitten, zal ik hier een brief bybrengen, door Dr. RUSH uit Philadelphia aan één van zyne vrienden te Manchester gezonden.

"Met eenige inwooners van deeze stad reizende, en Maryland doorkruissende, zegt de Doctor, hoorden wy spreken van de wonderbaarlyke gevatheid in de rekenkunst, waar mede een Neger, THOMAS FULLER genaamd, begaafd was; en wy lieten hem by ons komen. Iemand van het gezelschap vroeg hem, hoe veele maanden, weken en dagen een man van zeventig jaaren oud geleefd had? Hy beantwoordde de vraag in anderhalve minuut. Die hem de vraag had voorgesteld, nam de pen op, maakte de berekening, en zeide hem, dat hy zig zekerlyk vergist had, en dat het door hem opgegeven getal te hoog was. Neen, Massera, antwoordde de Neger hem wederom, dit koomt, dat gy vergeten hebt de schrikkel-jaaren te berekenen. Wanneer de Americaan vervolgens de minuten berekende, welke in deeze getallen begrepen waren, kwam zulks juist uit met het getal van FULLER. Die zelfde Neger vermeenigvuldigde, by eene andere gelegenheid, uit zyn hoofd, negen cyffergetallen met negen andere". Ik heb 'er één gekend, die den Alcoran van buiten kende. Welk een vermogen in menschen, die noch lezen, noch schryven geleerd hebben! Alle deeze verhaalen zyn met dit al volkomen echt.

By het geen ik omtrent de Godsdienstige gevoelens der Negers heb bygebragt, kan ik nog voegen, dat zy het aanzyn van een God vastelyk gelooven: in wiens goedheid zy hun vertrouwen stellen, wiens magt zy aanbidden, en wien zy een gedeelte van alle hunne levensmiddelen opofferen. Zy vreezen den dood niet. Aan de Rivieren Gambie en Senegal zyn zy byna allen van den Mahomedaanschen Godsdienst. Maar de Godsdienstige leere en plechtigheden der Africanen verschillen over het algemeen, even als de bygeloovige en tallooze gebruiken van alle de wilden, en zelfs van te veel Europeanen. Opgemerkt hebbende, dat zy gewoon waren aan den wilden Catoen-boom offerhanden te doen, [30] vroeg ik aan een ouden Neger, waarom men aan denzelven deeze eer bewees. "Massera, zeide hy my, zie hier de reden. Dewyl wy geen tempel hebben, om onzen Godsdienst in te oeffenen, en deeze boom de grootste en schoonste is, die op de kust van Guinée groeit, verzamelen zig onze landslieden onder zyne takken, die hen voor de hitte der zon en voor den regen beveiligen, om aldaar onzen Gadoman, of Priester te hooren prediken. Wy hebben voor dien boom zulk een eerbied, dat men dien nooit om ver hakt, om welke reden het ook zy".

'Er is geen volk, het welk meer bygeloovigheid heeft, dan de Negers. Hunne Locomen, of zoogenaamde Propheten, vinden 'er hun belang by, met dezelve aan te zetten. Zy verkoopen hun, gelyk ik reeds gezegd heb, hunne obias, of tooverbanden, en trekken 'er groot voordeel van. De Negers hebben ook een zoort van Sybillen, die Godspraken uitgeven. Deeze statige vrouwen danssen in het rond te midden van een talryk gezelschap, en met eene groote vlugheid, tot dat haar het schuim op den mond staat, en dat zy in stuiptrekkingen vervallen. Al wat zy in deezen aanval gelasten, moet door de omstaande meenigte heiliglyk worden naargekomen. Deeze magt maakt haar zeer gevaarlyk; want dikwils gelasten zy aan de slaven, om hunne meesters te vermoorden, of van de Plantagiën weg te loopen, en in de bosschen de wyk te nemen. Deeze toneelen van bygeloovigheid zyn derhalven, in de Surinaamsche Volkplanting, onder bedreiging van zwaare straffen, by de wetten verboden. Met dit al grypen zy op afgelegene plaatsen dikwils stand. Zy zyn onder de Oucas- en Saraméca-Negers zeer gemeen, en de Capitains FREDERIK en VAN GUERICK hebben my verzekerd dezelven te hebben zien uitoeffenen. Men noemt ze hier wynty-play, of Syrenen-danssen, en zy hebben van onheuchelyke tyden plaats gehad. Men weet, dat de oude Schryvers van zoortgelyke dwaasheden dikwils melding maken.

Maar het vreemdste is, dat deeze Sybillen, door de klank van haare stem, den Ammodite- of Papaw-slang [31] weten aan te lokken, en hem uit den boom te doen vallen. De Negers dooden hem niet, noch brengen hem immer eene wonde toe; zy beschouwen hem integendeel als hunnen beschermer en vriend, en zy achten zig zeer gelukkig, wanneer hy in hunne hutten koomt. Wanneer eene Sybille der Negers deezen slang bezworen heeft, of hem uit den boom naar beneden doet komen, ziet men doorgaans, dat dit dier zig om den arm, de borst, en den hals van deeze vrouw slingert, als of hy in het hooren van haare stem behagen schepte, en te gelyker tyd vleit en streelt zy hem met de hand. De heilige Schryvers spreken, op verscheiden plaatsen, van het vermogen, om de slangen en adders te betooveren, het welk ik hier alleenlyk bybrenge, om de oudheid van dit gebruik te bewyzen; en het is bekend, dat de Oost-Indische volken de meest vergiftige slangen door het geluid van eene fluit, die hen uit hunne schuilhoeken doet te voorschyn komen, uit de huizen weten te jagen. Het is nog maar weinige jaaren geleden, dat eene Italiaansche vrouw te London drie makke en gemeenzame slangen vertoonde, die zig ook om haare armen en hals slingerden; zy waren vier of vyf voeten lang, maar hadden geen vergif in zig.

Ik moet nog een ander bewys van de bygeloovigheid der Negers aanhalen. In elk huisgezin is een verbod, het welk van vader tot zoon overgaat, om het vleesch van het een of ander dier, het zy vogel, viervoetig dier, of visch, niet te eeten; het geen op die wyze verboden is, noemen zy treff, en zy proeven 'er nooit van.

Hoe belachelyk ook zommige van deeze plechtigheden mogen voorkomen, zy zyn hoogst noodzakelyk, om de Negers in onderwerping te houden. Deeze ongeletterde menschen verschillen daar in van de Europeanen, dat zy vast zyn in hun geloof, hoedanig het zelve ook zyn moge, en dat geene twyffelingen hen daar van immer te rug houden. Ik wil echter daar uit niet beslissen, of zy erger of beter zyn.

De Negers zyn omtrent elkanderen zoo welwillend, dat men hun niet behoeft te zeggen:--"Bemint uwen naasten als u zelven.". De armste, onder hen, al heeft hy maar één ey, zal het met allen, die 'er tegenwoordig zyn, verdeelen. Het zelfde zal hy doen met het kleinste glaasjen rhum; maar vooraf zal hy eenige droppels op den grond sprengen, by wyze van wyn-plenging.