# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3

## Part 11

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-5b10dcc7/index.md

De andere vogel, wiens naam ik niet weet, maar dien de Negers echter Woudo-lousso fowlo noemen, om dat hy zig met houtluizen voedt, is grooter dan de eerste, en van ongemeene schitterende vederen voorzien. Zyn kop en het bovenste gedeelte van zyn lyf zyn van eene schoone grasgroene kleur; zyn borst en buik van een karmosyn-kleur, en door eene aschgraauwe streep afgescheiden. Hy heeft een lange en ligt blaauwe staart. De slagvederen van elk zyner vlerken, waar van de plooy van het groen van het lyf door eene andere aschgraauwe en zeer breede streep schynt afgescheiden te zyn, hebben dezelfde kleur als de staart. Zyn bek is geel en gekromd, en met eene meenigte kleine zwarte vederen bedekt, even als de omtrek van het oog, welks appel eene bloedkleur heeft. Ik zag ook eenige Gallinas of Guineesche hoenderen, alhier Tokay genaamd, en die overvloedig bekend zynde, geene beschryving behoeven.

Onder de planten, welken ik op deeze zelfde plaats vond, merkte ik de Americaansche Aloë op, welkers stam een half voet dik en twintig voeten hoog was. Deeze stam, die altyd groen is, is vol met merg, en voorzien van zeer spitse bladeren, welke aan den top in grootte verminderen. Die aan den voet des booms zyn zeer talryk, lang en breed, puntig, getand, en van zeer scherpe stekels voorzien. Boven aan den stam groeit een hoop bloemen, waar van de steel het zaad, of de kiem van de aanstaande Aloë bevat, welke in den tyd van twee maanden tot den staat van volkomenheid koomt, zonder dat dit ooit faalt.

Aan de zyde der bosschen, die ons omringden, zag ik ook de Banille-Boom, eene plant, die door middel van haare kronkelende ranken, zig, even als het eiloof, aan den stam der boomen vasthecht. Deszelfs bladeren zyn ongemeen dik, en van eene donker groene kleur. Zyne vrucht bestaat in eene driehoekige peul van zes of agt duimen lengte, en vol met gladde zaadjes, Deeze peulen, welken men in één agter-middag in de zon laat droogen, worden bruin, hebben eene uitmuntende specery-reuk, en een aangenaamen smaak, het geen de reden is, dat men 'er zig van bedient, om aan de chocolaad een geur te geven. 'Er zyn verscheiden zoorten van Banille-boomen, maar de meest geachte heeft lange en dunne peulen. De Negers vertoonden my ook een klein zoetachtig zaad, het welk zy bongora noemen.

By myne te rug komst aan de Hoop, ontmoete ik COJO, den oom van JOANNA, die my een huilenden Aap bragt, door hem gedood. De Aapen van dit zoort hebben de grootte van een kleine steendogge. Zy hebben een baard, lange en roode hairen, en over 't geheel zyn zy uittermaten leelyk. Maar het geen hen voornamelyk van andere Aapen onderscheidt, is het ysselyk gehuil, het welk talryke hoopen van deeze dieren gezamentlyk doen hooren, en op zulk een hoogen toon, dat het op den afstand van een myl door de ooren klinkt. De Negers verzekerden my, dat zy doorgaans, dag en nacht, by hoog water, het welk zy door eene aangeborene neiging weten, deeze wanluidende gezangen herhalen.--Van zoodanig een verstand der dieren sprekende, kan ik niet nalaten het volgende aller zonderlingst geval te vermelden; ik zal vervolgens tot het geschiedkundig gedeelte van myn verhaal te rug keeren.

Ik ontfing, den 16den, een bezoek van één myner buuren, wien ik myn trap deed opklimmen; maar hy had nog naauwlyks den voet in myne lucht-woning gezet, of hy sprong van boven naar beneden, schreeuwende van de verschrikkelykste pynen; en hy dompelde zig dadelyk in de Rivier, met het hoofd vooruit. Boven my heen kykende, ontdekte ik wel dra, dat dit voorval veroorzaakt was door een zeer groot nest van wilde byën, of wassy-wassy, het welk zig geplaatst had in het rieten dak, recht boven myn hoofd, wanneer ik in myne kamer intrad. Ik liep dus ook op myn beurt weg, en gelastte de slaven, om dit nest onverwyld uit te roeijen. Zy gongen aan het werk, toen een oude Neger hen tegenhield, en zig onderwierp tot het ondergaan van alle straffen, die ik hem wilde aandoen, indien eene enkele van deeze byën my ooit of ooit steken zoude. "Massera, zeide hy my, deeze dieren zouden u reeds lang mishandeld hebben, indien gy hun vreemd geweest waart, maar zy zyn uwe huisgenooten; gy hebt hun stilzwygend toegestaan, om alhier hunne woonplaats te houden; zy kennen u zekerlyk, en nooit zullen zy u, nog de uwen, kwetsen". Ik stemde dadelyk in het voorstel van deezen man toe; en hem aan een boom hebbende doen vastbinden, gelastte ik QUACO de trap op te klimmen, byna naakt, het geen hy deedt, zonder gestoken te worden. Toen waagde ik het om hem te volgen; en ik verklaar op myn woord van eer, dat zelfs na aan het nest geschud te hebben, waar op de byën 'er al brommende uit vlogen, en rondom myn aangezicht heen draaiden, geene derzelver my trachte te steken. Ik stelde dus den ouden Neger weder in vryheid, en gaf hem een glas rhum, en vyf schellingen, tot zyne belooning. Ik behield vervolgens deeze kleine byënkorf, zonder eenig gevaar voor my zelf, en ik maakte 'er myne lyfwagt van. Tot myn groot vermaak deeden zy eenige Opzichters, welken ik, onder het één of ander voorwendzel, de trap deed opklimmen, wanneer ik hunne onrechtvaardigheid en wreedheid straffen wilde, verscheiden malen aartige sprongen doen.

Dezelfde Neger verzekerde my, dat 'er voorheen op de Plantagie van zynen meester een boom stond, waar op, zoo lang zyn geheugen reikte, een gezelschap van vogelen en een zwerm byën genesteld waren, die in eene volmaakte eendracht zamen leefden: maar indien eenige vreemde vogelen de byën kwamen stooren, verdreven hunne gepluimde bondgenooten dezelven aanstonds; zoo ook, wanneer vreemde byën tot in de nesten der vogelen durfden doordringen, wierp zig de zwerm, die aldaar t'huis hoorde, op de aanvallers, en doodde dezelven. De eigenaar der Plantagie en zyn geheele huisgezin, hadden zulk een eerbied voor deeze maatschappye, dat zy den boom als heilig beschouwden en niet gedoogden, dat men dien om ver hakte. Dienvolgende viel hy eindelyk van ouderdom om ver.

Den 22sten, kwamen eenige manschappen van Rietwyk aan de Peréca aan, en berigtten my, dat een gedeelte van ons krygsvolk aan de Java-Kreek was te rug gekomen, na tot by Vrydenburg aan de Maroni geweest te zyn; dat zy, gezamentlyk met de Jagers, geduurende deezen veldtocht, verscheiden bezaayde landen, aan de muitelingen toebehoorende, verwoest hadden; en dat deeze zelfde Jagers, uit hoofde van hunne byzondere diensten, van de Compagnie nieuwe wapenen ontfangen hadden, als mede eene monteering, bestaande in een groen buisje, zynde dit het eerste, het welk zy gedragen hadden. Ik vernam ook, te gelyker tyd, dat de genen, die aan de Oucas- en Sarameca-Negers gezonden waren, na eene nuttelooze reize waren te rug gekomen; want deeze beide volken wilden ons met geene hulp bystaan. Ingevolge van deeze weigering, nam de Colonel FOURGEOUD, die zig eindelyk afgemat gevoelde, en zyn volk door het vernielen van het grootste gedeelte van de bezittingen der muitelingen had uitgeput, het besluit om deezen tocht te staken; maar vooraf gaf hy van dit zyn besluit kennis aan zyne Doorluchtige Hoogheid den Prins van Orange.

Den 23sten, ontfing ik stelligen last, om my tot myn vertrek gereed te houden tegen den 15den July, met al het volk, het welk onder myn bevel stond, vervolgens de Commewyne te verlaten, en naar Paramaribo af te zakken, alwaar schepen gereed lagen, om ons naar Holland over te voeren. Ik las oogenblikkelyk dit bevel aan alle myne soldaten voor, die het met vervoering van vreugde, en driewerf herhaalde toejuichingen, aanhoorden.--Maar ik zuchtte 'er over. Myne geliefde JOANNA en myn zoon waren beiden toen zeer ziek, de eerste had de koorts, de ander was door struiptrekkingen aangetast, en men wanhoopte aan hun leven. Om myne ellende ten hoogsten top te brengen, indien men de kwaalen van het lichaam met die der ziele gelyk kan stellen, trapte ik ter zelfder tyd op een spyker, die vry diep in den voet indrong.

In deeze smartelyke gesteldheid, kwam de Nacht-uil van Guiana ons regelmatig zyn nacht-bezoek geven. Hy kwam zelfs in myne kamer, en liet aldaar zyn naar geluid hooren. Deeze vogel wordt alhier Ourou-coucou genoemd, om dat zyn geschreeuw met deeze woorden eenige overëenkomst heeft. Hy heeft ten naasten by de grootte van een duif. Zyn bek is geel en gekromd even als die van een valk; hy heeft een gespleten tong; zyne oogen zyn ook geel, en zyne ooren zeer zichtbaar. Hy heeft korte, sterke pooten met zeer puntige nagels gewapend. De algemeene kleur der vederen van deezen Nachtuil is helder bruin, uitgenomen aan den hals en aan de buik, die wit zyn, met eenige gryze vlakken daar onder gemengd. De Negers, die zeer bygeloovig zyn, stellen algemeen, dat de tegenwoordigheid van den Nachtuil een teeken van den dood is. Dit vooroordeel is echter verschoonlyk, om dat deeze vogel vermaak vindt met zig in een zieken-kamer optehouden; mogelyk wordt hy derwaarts gelokt door het licht der lampen, welken men den geheelen nacht brandt, of liever door de benaauwde lucht, die hem doet hoopen, aldaar eenigen buit aan te treffen,

Eene oude Indiane, aan welke JOANNA kennis hadt, haar te deezer tyd op de Hoop een bezoek zynde komen geven, was ik door haare bekwaamheid en zorge spoedig geneezen. Maar myn klein huisgezin bleef by aanhoudenheid in zulk een ellendigen staat, dat ik besloot haar naar Paramaribo te doen vertrekken, eer het te laat mogt zyn. Den 10den zond ik ook myne kudde vee en gevogelte naar Fauconberg: ik hield echter twee vette schapen, die ik liet slachten, en waar op, mitsgaders op wild en visch, ik geduurende twee dagen vier-en-twintig der aanzienlykste inwooners uit den omtrek deezer Rivier onthaalde. Myn waarde vriend, JACQUES GOURLEY, gaf my, by deeze gelegenheid, wit brood, Spaanschen wyn, en vruchten ten geschenke.

Den 13den, gelastte ik aan het krygsvolk, het welk op Klarenbeek geplaatst was, alwaar men voor de tweede maal een Hospitaal had opgericht, de Rivier af te zakken; en dien zelfden avond kwamen zy op de Hoop aan.

Den 14den, kwam een Officier van 's Compagnies krygsvolk my in het bevel aan de Rivier aflossen; en van dit oogenblik begonnen zyne soldaten den dienst waar te nemen.

Des avonds van dien zelfden dag, nam ik afscheid van de nabestaanden van JOANNA, die op de Plantagie Fauconberg woonden. Deeze goede lieden omringden my, en betuigden my hun innerlyk leedwezen over myn vertrek; en met de traanen in de oogen, baden zy den Hemel my te beschermen, en my eene voorspoedige reize te schenken.

Den 15den, verlieten wy eindelyk den wachtpost van de Hoop. Myne soldaten gingen des morgens ten tien uuren aan boord van de vaartuigen; op den middag deed ik een pistool-schoot, om het anker te doen ligten; wy zakten vervolgens de Commewyne af, om op de rheede van Paramaribo te komen, en ons van daar naar Europa in te schepen.

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Inscheeping van het krygsvolk.--De Zurzaca, en Sabatille.--De Papaija, en de Gember.--Het krygsvolk gelast om te ontschepen.--Muiterye.--Onbetamelyk gedrag van een Capitain der Oucas-Negers.--Een groot aantal zieken naar Europa gezonden.--Nieuwe byzonderheden betrekkelyk de Negers.

Des avonds van den dag van ons vertrek lieten wy het anker vallen by de Plantagie Berkshoven, toebehoorende aan dien zelfden heer GOURLEY, van wien ik op het einde van het voorige Hooftstuk gesproken heb, en by wien ik den nacht doorbragt. Des anderen daags morgens vervolgden wy onze reize, en ik nam afscheid van den heer PALMER. Ik bragt den avond en den nacht van den 17den met den Capiten MACNEYL door; en den 18den, liet onze kleine vloot, bestaande uit myne vaartuigen, en de genen, die van Maagdenberg en de Cottica kwamen, het anker vallen op de rheede van Paramaribo, alwaar het krygsvolk, het welk onder myn bevel stond, oogenblikkelyk aan boord ging van de Transport-schepen, die ons aldaar reeds wagtten.

Zoo dra zy aan boord waren, ging ik aan wal, om 'er aan den Colonel FOURGEOUD bericht van te geven. Vervolgens ging ik JOANNA en myn zoon zien, welken ik, tot myne groote blydschap, volmaakt hersteld vond.

Des anderen daags keerde ik naar het schip te rug, om alles tot onze reize gereed te maken.

Den 20sten, hield ik het middagmaal by den Colonel FOURGEOUD, op wiens tafel ik tot myne verwondering zag opdisschen twee visschen, van welken ik nog niets gezegd heb. De één word hier Haddok genoemd, en gelykt veel naar onze wyting, schoon een weinig grooter en witter van kleur. De andere draagt den naam van Separy, en gelykt naar de aschkleurige roch. Op het nageregt zag ik een vrucht, die in Surinamen den naam van Zurzaka draagt. Het is dezelfde, zoo ik meen, die wy in Engeland noemen Soursap. Dezelve groeit aan een boom van middelmatige grootte, waar van de schors grys is, en de bladeren gelyk zyn aan die van den oranje-boom, maar aan paaren gerangschikt. De vrucht is van eene spits toeloopende gedaante, en zwaarder, dan de grootste peer: over het geheel heeft dezelve punten, maar die niet steeken. Derzelver vleesch, het welk eene zeer harde schil rondom zig heeft, is van eene mergachtige zelfstandigheid, zoo wit als melk, van een zeer zoeten smaak met een aangenaam zuur vermengd, en zaad-korrels in zig bevattende, even als een groote appel. Men vindt ook een ander zoort van Zurzaka, [28] naar hop gelykende, maar die van geen gebruik is. Op het zelfde nageregt, hadden wy ook nog eene vrucht, Sabatille genaamd, welke aan een zeer zwaaren boom groeit, waar van de bladeren gelyk zyn aan die van den Laurier-boom. Deeze vrucht heeft de gedaante van eene zeer ronde persik; zy is van eene bruine kleur, en met een zeer zacht dons overdekt. Men zoude derzelver vleeschachtig gedeelte aanzien voor eene marmelade vol zaadkorrels; maar het is zoo zoet en laf, dat veelen het niet eeten kunnen.

Den 21sten, ontfingen wy onze soldye, maar in papieren geld, waar op wy een zeer merkelyk verlies leden. Ik ging oogenblikkelyk aan Mevrouw GODEFROY een bezoek geven; ik stelde haar al het geld ter hand, het welk ik in myn zak had, en niet meer dan veertig ponden sterling bedroeg. Deeze uitmuntende vrouw drong by my op nieuw, maar vrugteloos aan, dat ik mynen zoon en zyne moeder naar Europa zoude mede nemen. JOANNA was onverzettelyk. Zy bleef 'er by van niet te willen vertrekken, voor dat haare losprys volkomen was afbetaald. Wy hielden ons dus, als wilden wy ons lot met eene volmaakte onderwerping dragen; maar het geen wy 'er in ons eigen hart van ondervonden, laat zig gemakkelyker begrypen, dan beschryven.

Onze vaandels wierden, den 23sten, in groote plechtigheid aan boord gebracht. Het Fort Zelandia echter bewees aan dezelven geene de minste eer; men deedt geen enkelen kanon-schoot, en zelfs wierd 'er op de vestingwerken geen vlag opgeheist, het geen den Colonel FOURGEOUD een onëindigen spyt deedt. Hy moest het echter alleenlyk wyten aan zyne eigene achteloosheid; want hy had aan den Gouverneur geen behoorlyk bericht van zyn vertrek gegeven. Al het krygstuig en verdere goederen wierden ook ingescheept; en een Colonist, VAN HEYST genaamd, deedt, op zyne eigene kosten, drie honderd flessen wyn, vruchten, en onderscheidene eetbaare waaren, onder de soldaten uitdeelen.

Ik heb te meermalen van de gastvryheid en edelmoedigheid van de inwooners deezer Volkplanting gesproken. Ik ondervond 'er in dit oogenblik de blyken van, daar ik van myne talryke vrienden, versche en ingelegde vruchten tot mynen overtocht ontfing. Onder de laatstgemelden vond ik Papaijes, zynde de vruchten van den Papaijen-boom, het wyfje namelyk, want het mannetje brengt geene vruchten voort, Deeze boom groeit op tot de hoogte van byna twintig voeten. Zyne stam loopt recht, is vol merg, en door een gryzen schors omgeven; zyne bladeren maken aan den top een zoort van kroon; zy zyn uittermaten breed, getand, en bedragen slechts een getal van veertien of zestien. De vrucht groeit dicht by den top, en de bloem geeft eene aangenaame geur van zig. De Papaije, tot haare volwassenheid gekomen zynde, heeft de grootte en gedaante van een water-meloen; maar haar vleesch is harder en vaster, en in het begin groen zynde, word zy naderhand geel. Het binnenste gedeelte van dit vleesch is sponsachtig, zoet, en onëindig vol met korrels. Men snydt deeze vrucht in verscheiden stukken, wanneer zy volkomen ryp is; dan laat men ze koken, en zy heeft de zelfde smaak als Engelsche raapen; maar men bedient 'er zig voornamelyk van, om ze in suiker in te leggen, wanneer ze nog jong is, te gelyk met haare bloemen, die zeer geurig en zeer gezond zyn. Men had my ook ingelegde Gember gezonden; deeze is de wortel van een zoort van riet, het welk nooit hooger groeit, dan twee voeten, en waar van de bladen lang, smal en puntig zyn. Deeze wortels zyn knobbelachtig, plat gemaakt, klein, en van verschillende gedaanten, zeer veel gelykende naar aardäppelen, en ten naasten by van dezelfde kleur van binnen, maar vezelachtig, veel zuur in zig bevattende, en van een speceryächtigen en zeer heeten smaak. Men weet, dat deeze wortel niet alleen eene goede ingelegde fruit verschaft, maar ook in verscheiden gevallen een uitmuntend geneesmiddel.

Den 24sten July, toen wy zeilree lagen, gingen wy eindelyk gezamenlyk zyne Excellentie, den Gouverneur der Volkplanting, begroeten, die ons met de grootste beleefdheid ontfangende, aan onzen Oversten te kennen gaf, dat, indien hy dit oogenblik had afgewagt, om zyne vaandels aan boord te zenden, hy hun zekerlyk de eere bewezen zoude hebben, die hy hun ontegenspreekelyk verschuldigd was. Toen wy in het hoofdquartier waren te rug gekomen, zondt hy de gezamentlyke Officiers der Compagnie mede plechtig derwaarts; om ons eene gelukkige reize te wenschen. In alles wat plechtige wellevendheid betrof, was de Gouverneur ontwyffelbaar onzen Colonel ver voor uit; en ik had byna een hevigen twist met hem gehad, om dat hy aan zommigen zyner gunstelingen iets in het oor had gefluisterd. De Officiers vervoegden zig toen by de soldaten, die zedert den 18den waren ingescheept, en het deerniswaardig overschot deezer fraaie Zee-krygsbende bevondt zig nu eindelyk op een schip, het welk gereed lag, om des anderen daags naar Europa te stevenen. De vergenoegdheid blonk op aller aangezichten, één alleen uitgezonderd; en niets konde evenaaren aan de opgetogenheid van algemeene vreugde, toen men den volgenden morgen bevel gaf, om het anker te ligten, en in zee te steken.

Maar het lot had beschooren, dat de levendigste en meest gegronde hoop nog eenmaal vervallen zoude. Op het zelfde oogenblik van het vertrek, kwam een Schip de Rivier opzeilen. Het zelve bragt brieven mede, waar by onze krygsbende gelast wierd, zig weder in de bosschen te begeven, en in de Volkplanting te blyven, tot dat zy door nieuw krygsvolk, het welk men tot dat einde uit Holland zenden zoude, wierd afgelost. Men las vervolgens aan de soldaten, die op het dek van elk schip geschaard stonden, de oprechte dankbetuigingen voor van zyne Doorluchtige Hoogheid den Prins van Orange, voor den moed en standvastigheid, waar mede zy de grootste vermoeijenissen en schroomelykste gevaaren hadden doorgestaan. Maar dewyl hier op volgde het bevel om te ontschepen, en dien afgryzelyken dienst voort te zetten, bemerkte ik nimmer zoo veel neerslagtigheid, zoo veel misnoegen en wanhoop; terwyl ik, die tot op dit oogenblik een volmaakt ellendeling was geweest, op myn beurt de eenige was, wien de droefheid niet had ter nedergeslagen.

In het midden van dit droevig toneel, gelastte men een driewerf Hoezée, het geen de soldaten van één der schepen volstrekt weigerden. De Colonel SEYBOURG en ik (by ongeluk) kregen bevel, om hen daar toe te noodzaken. Deeze Officier, voor zoo veel hem betrof, deedt zulks met den stok in de hoogte, en het pistool in de hand. Zynen gramstoorigen en oploopenden inborst kennende, was ik thans voor de gevolgen hoogst beducht. Ik sprong oogenblikkelyk in de sloep, die op zyde van één der schepen lag; aldaar sprak ik de genen aan, die op het dek met het hoofd gebogen stonden, en ik beloofde twintig glazen brandewyn voor al het volk, indien zy dit droevig geroep wilden aanheffen. Vervolgens op het schip geklommen zynde, gaf ik aan den Colonel SEYBOURG bericht, dat alle de soldaten thans bereid waren aan zyne bevelen te gehoorzamen. Wy gingen dus weder in de sloep, en by ons heengaan, hadden wy het genoegen het driemaal herhaald geroep van Hoezée te ontfangen, het welk door de matroozen van goeder harten gedaan wierd, waar by zig eenige zee-soldaten voegden, maar op zulk een neêrslagtigen toon, dat het my onmogelyk is, zulks te beschryven.

De goedhartigheid van den Prins van Orange bleek echter op eene doorslaande manier by deeze gelegenheid, want hy gelastte, dat het geen deezen en geenen van het volk aan Artsen en Heelmeesters verschuldigd waren, uit de kas betaald zoude worden. Van hoe weinig aanbelang dit ook scheen, was dit geene kleinigheid voor verscheiden Officiers, en betoonde in zyne Doorluchtige Hoogheid eene oplettendheid, die men by de Vorsten niet altyd aantreft. Zy wisten bovendien allen, hoe veel deel hy in het leed van zyne soldaten nam; maar hy konde hen daar van niet bevryden, zonder het algemeen belang in de waagschaal te stellen.

Zoo al dit tegen-bevel ons volk met droefheid aandeedt, het gaf aan de meeste Colonisten een groot vermaak. De voornaamste derzelven hadden, eenige dagen te vooren, een verzoek-schrift aan den Colonel FOURGEOUD geteekend en aangeboden, waar by zy hem verzogten, "nog eenigen tyd met zyn volk te blyven, en het geen hy zoo roemryk begonnen had, te volvoeren, door by aanhoudenheid de muitelingen te ontrusten en te verstrooijen, het welk hun eindelyk geheel zoude t'onder brengen". Zekerlyk had onze krygsbende, gezamentlyk met het krygsvolk der Sociëteit en de Jagers, het grootste gedeelte van de bezittingen der muitelingen in de Volkplanting vernield, en hen genoodzaakt zoo ver heen te vluchten, dat de strooperyen en het wegloopen der slaven ongelyk veel zeldzaamer waren, dan by onze komst. Het was ongetwyffeld beter van dit middel gebruik te maken, dan eenen schandelyken vrede te sluiten, gelyk men met de Oucas- en Saraméca-Negers gedaan had, en waarschynlyk ook zoude plaats gehad hebben, indien men ons niet naar Guiana gezonden had.

Ik kan niet nalaten, tot bewys van het onbeschaafd character der laatstgemelden, een gesprek te verhalen, door my met één van hun gehouden, terwyl ons volk, alvorens weder te veld te gaan, zig te Paramaribo ophield. By den Capitain MACNEYL, die toen van zyne Plantagie in de Stad te rug kwam, ten eeten zynde, kwam een Capitain der Oucas-Negers, onze zoogenaamde bondgenooten, aan de vrouw van 't huis om geld vragen. Hy was zoo verveelend, dat ik in het Engelsch den raad gaf, "hem een glas wyn te geven, en hem weg te zenden". My gehoord hebbende, stelde hy my voor buiten te komen, en zyn stok met een zilvere knop oplichtende, vroeg hy my: "Of ik de heer van 't huis was; en zoo niet, waar ik my dan mede bemoeide"? "Ik ben", zeide hy, met eene donderende stem, "Capitain FORTUNE DAGO-SO; en indien ik u in myn Land by de Oucas had, ik zoude den grond met uw bloed bevochtigen". Ik antwoordde hem, myn sabel trekkende; "Dat myn naam STEDMAN was, en dat, indien hy nog eenmaal zulke onbeschaamde woorden dorst uitten, ik hem oogenblikkelyk een houw zou geven". Daar op kraakte hy met zyne vingers, en verliet ons. Ik was over dit voorval zeer te onvreden, en keurde zeer af, dat de Colonel FOURGEOUD aan zulke roovers zoo veel achting betoonde. Des avonds, ter maaltyd uitgaande, ontmoette ik den zelfden Neger, die eensklaps bleef staan, en my zeide: "Massera, gy zyt een man, een braaf man; wildt gy eenig geld aan Capitain FORTUNE geven"? Het op een barssen toon aan hem geweigerd hebbende, kustte hy my de hand, en vertoonde my zyne tanden, tot een blyk van verzoening, zoo hy my zeide; en hy beloofde my, om my pistache-nooten ten geschenke te zenden, die echter nooit gekomen zyn.

