# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Deel 3

## Part 10

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-5b10dcc7/index.md

Het Brom-vogeltje (Trochulus, of het Colorietje) is byzonder merkwaardig, zoo uit hoofde van deszelfs fraaiheid als kleinte; want hy is zoo lang niet als een derde van een menschen vinger; en wanneer zyne vederen zyn uitgeplukt, is hy niet veel grooter, dan eene groote vlieg. ('Er zyn echter verscheiden zoorten, waar van zommige twee maal zoo groot zyn.) De vederen van deezen vogel zyn gekleurd met eene sterke weërschyn: in de schaduw, hebben zy eene schitterende en donker groene kleur; in de zon, eene bruine en glinsterende purper-kleur, met hemels-blaauw gemengd. Zyn kop is verciert met een kleine kuif van groene, zwarte en goud-kleurige vederen; zyne staart en vlerken zyn van eene helder zwarte kleur; zyn bek, die lang, zwart, en aan het einde gebogen is, is niet veel grooter, dan eene spelde. Zyne gespleete tong gelykt naar een rooden zyden draad. Zy dient hem, om den nectar of het sap der bloemen uit te pompen of uit te trekken, geduurende welke verrigting hy als een bye stil staat; en dit sap schynt het eenige voedzel van dit vogeltje te zyn. Dikwils maakt hy zyn nest op een blad van wilde Ananas, of kruipende Aloë. Dit nest, het welk niet veel grooter is, dan een nooten-dop, is byna geheel van catoen gemaakt. Het wyfje legt twee eieren, die van de grootte van erweten zyn. Mejuffrouw DE MERIAN brengt dezelven tot het getal van vier; maar ik verzeker, dat ik 'er nimmer zoo veelen in eenig nest gezien, noch ook gehoord heb, dat zy 'er nu en dan in gevonden zouden worden. Ik heb getracht twee vogelen van dit zoort op het natuurlykst, en met hunne kleine wooning, af te teekenen. Het is my niet mogelyk geweest die afteekening volkomener te maken; want de beweging hunner vlerken is zoo gezwind, dat men moeite heeft de kleur 'er van te kunnen onderscheiden. Deeze beweging veröorzaakt het zoort van bromming, waar van deeze vogeltjes hunnen naam ontleenen.

'Er was ook in deezen omtrek eene eindelooze meenigte van Aapen. Ik zag 'er by de twee honderd op een veld van Suiker-riet, al waar zy groote verwoestingen aanrigtten. Deeze doorslepen dieren zetten schildwagten uit rondom de plaats, alwaar zy stroopen, om op het vernemen van onraad gerucht te maken; en ik ben getuige geweest van de oplettenheid en het verstand, waar mede zy, die met die zorge belast zyn, zig van dezelve kwyten. Wanneer deeze stroopers eenig gevaar vernemen, loopt de geheele bende al springende naar het bosch, houdende elk den geroofden buit met de poot vast.

Ik vermaakte my ook met zwemmen. Deeze oeffening gaf my kragten, en bragt veel toe tot behoud van eene goede gezondheid. De voordeelen, welken men hier door verkrygt, zyn op eene verrukkende wyze afgemaalt, door den Schryver der Jaargetyden.

"Het is de gezondste oeffening, en de zoete verkoeling der brandende hitte van den zomer. Op die wyze verkrygen de ledematen sterkte, en de arm van die Romeinen, die op het overheerde land het bevel voerden, leerde vooräf, in zyne jeugd, de water-golven te vermeesteren."

Den 14den, doodde ik een Kayman; maar van deezen tocht in een vaartuig te rug komende, viel een pak brieven, my door den Colonel FOURGEOUD toegezonden, by ongeluk in het water, en zonk. Eenige Officiers, die daags daar aan op de Hoop kwamen, berigtten my echter, welke de voorname inhoud deezer brieven was: zy gaven my kennis, dat de Overste, besloten hebbende nog eenmaal de bosschen te doorkruissen, my last gaf, dat alle manschappen, krygs- en mondbehoeften, welken ik niet volstrekt noodig had, de Rivier moesten worden opgezonden; dat het Sociëteits krygsvolk, op Oranjeboom post houdende, ook stond te vertrekken; en dat de één zig naar Maagdenberg, de ander naar de Peréca moest begeven. Ik behield dus slechts twaalf verminkte soldaten op de Hoop, en een gelyk getal op Klarenbeek, zonder Heelmeester, noch geneesmiddelen. Niettemin deed ik, met zulk een zwak getal manschappen, dagelyks de ronde, zoo te land als te water.--De zelfde Officiers gaven my ook berigt, dat de Vaandrig VAN HALM was overleden, en dat een schip vol zieken gereed lag, om onverwyld naar Holland onder zeil te gaan.

Schoon de Colonel FOURGEOUD steeds te Paramaribo bleef, hield hy niettemin, met zeer veel nauwkeurigheid, over alle krygs-verrigtingen het toezicht. Dienvolgende gelastte hy, den 23sten, aan eene bende van honderd mannen, om het land tusschen Maagdenberg, de Wana-Kreek, en de Maroni te gaan onderzoeken; maar zy kwamen wederom, zonder iets ontdekt te hebben.

Dewyl het zig liet aanzien, dat ik nog eenigen tyd op den wachtpost de Hoop zoude moeten blyven, liet ik myne schapen en gevogelte halen van de Plantagie, alwaar ik die had agtergelaten, en ik deed aan den heer GOURLY een geschenk van een ram en een schaap, die alle anderen van dat zoort in de Volkplanting overtroffen. By de aankomst van deeze myne kudde vee, zag ik met genoegen, dat zy merkelyk vermeerderd was.

Den 26sten, bragt één van myne soldaten, my een slang, dien hy gevangen had. Dit dier was niet meer dan vier voeten lang, en niet dikker, dan de loop van een snaphaan. Bemerkt hebbende, dat hy midden op zyn lyf een bult had van de grootte van myn vuist, was ik nieuwsgierig om dezelve open te maken, en ik vond een kikvorsch, levendig en in zyn geheel, maar waar aan men op den kop en hals een vlak zag, welke scheen aan te duiden, dat hy begon te bederven. Ik nam de proef, om een touw aan één zyner pooten vast te binden, en hem in het gras aan den waterkant te laten, geduurende drie dagen, na verloop van welken het arme dier nog in goeden staat scheen te zyn, en ik gaf hem zyne vryheid weder.

Den 28sten, gaf ik een bezoek aan THOMAS PALMER, Schildknaap en Raad des Konings in Massachufets-Baay, die zig op zyne Plantagie Fairfield bevond. Zyne slaven leefden aldaar volmaakt gelukkig en wel te vreden, het geen het gevolg was van het verstandig bestuur van den eigenaar. Weinige bezittingen van dit zoort, in de West-Indiën, waren in eene zoo gelukkige gesteldheid, zoo ten aanzien der bevolking, als der vruchtbaarheid. De beminnelyke wellevenheid, waar mede de eigenaar deezer Plantagie de vreemdelingen aldaar ontfing, gaf een verheven denkbeeld van zyn character, het welk in de geheele Volkplanting ten gunstigsten bekend was.

By myne te rug komst op de Hoop, ontfing ik een brief van den Bevelhebber, my meldende, dat de Jagers, onder aanvoering van VINSACK, verscheiden muitelingen gedood, en 'er elf gevangen genomen hadden: maar dat eene andere party van die zelfde Jagers door den vyand was verrast geworden, zynde verscheiden van het volk, terwyl zy in hunne hangmatten lagen te slapen, gedood.

In eene van deeze schermutselingen betoonde een Neger van de muitelingen eene zonderlinge tegenwoordigheid van geest. Een Jager op hem hebbende aangelegd, riep deeze Neger hem toe: "Wel hoe! wilt gy één van uwe medemakkers dooden?" De Jager, geloovende dat dit waar was, antwoordde hem: "Daar bewaare my God voor"! En zyn wapentuig nederzettende, kreeg hy dwars door het lyf een kogel, op hem door zynen vyand afgeschoten, die dadelyk als een blixemstraal uit het gezicht was. De al te lichtgeloovige Jager stierf 'er van. Een der gevangenen verhaalde, dat des avonds te vooren een Neger, die wel eer van de Plantagie Fauconberg was weggeloopen, op last van BONNY was nedergesabeld.

De haven van de Hoop, onderging, den 6den Mey, een zwaaren orkaan, verzeld van donder en blixem. Verscheide boomen wierden uit den grond gerukt, huizen om ver gesmeeten, en dakken afgeworpen. Myn lucht-paleis in tusschen stond, zonder eenig letzel, den storm door. JOANNA met mynen zoon den 8sten zynde aangekomen, stelde ik my het zelfde geluk voor, als ik in 1774 reeds genoten had. Myn huisgezin, myne kudde, myn gevogelte, waren in dit oogenblik verdubbeld. Ik bebouwde daarënboven een fraaien tuin; en zoo ik my al in den volsten zin geen Planter noemen kon, ik had ten minsten eenig recht, om my een kleinen tuinier te noemen.

Den 29sten, waren wy allen by den heer DE GRAAF, op zyne fraaie Plantagie Knoppemonbo, aan de Casavinica-Kreek, ter maaltyd. Ik zag aldaar planten en wortelen, welken ik nog niet had opgemerkt.--De Taijers, voortkomende uit het midden van een groen heestergewas van eene meelachtige zelfstandigheid, het welk niet meer dan drie of vier voeten hoog is, bladeren voortbrengt, die ongemeen breed zyn, en de gedaante van een hart hebben, en waar van de stam naar die van den Bananen-boom gelykt. Wanneer de uitwendige bekleedselen van deeze plant zyn afgeschild, heeft zy het voorkomen van de ignames of aard-appelen, maar is veel aangenaamer om te eeten, en veel fyner. 'Er zyn verschillende zoorten van Taijers, en men geeft den voorrang aan de kleinste, waar van men op de zelfde wyze gebruik maakt. 'Er werden ook, in groote meenigte, op deeze zelfde plaats, waare aardappelen gevonden, maar van een minder zoort dan de gemeene aard-appelen in Engeland, en alleenlyk voor de Negers dienende.

De Tabaks-plant groeide in deezen tuin. Dezelve heeft bladeren, die nederhangen, en vol vezelen zyn, en leeft tien of twaalf jaaren; maar zy is van zoo veel geringer caliber, dan de Virginische, dat 'er zig alleenlyk de Negers van bedienen. Deeze plant ontleent haaren naam van het Eiland Tabago, alwaar zy in het jaar 1560. ontdekt wierd.

Men zag hier ook nog een zoort van wilde thee, welke men als zeer gezond beschouwt; maar die, naar myn inzien, niet veel beter is dan ons kruipend eiloof. Ik vond bovendien aldaar eene groote meenigte van Goud-appelen; maar dewyl men die in verscheiden Engelsche tuinen aankweekt, behoeve ik 'er geene beschryving van te geven: ik zal alleen opmerken, dat de Joden in dit Land 'er ongemeene liefhebbers van zyn, en ze by het vleesch koken, in plaats van uijen.

De heester, waar aan de geneeskragtige noot groeit, was ook onder de planten in deezen tuin. Dezelve is rank, en tien of twaalf voeten hoog. De vrucht bevat een noot, naar een amandel gelykende. Deeze noot is zeer goed om te eeten, mits men 'er een dunne en witte schil, die 'er om zit, af doet; want zonder dat veröorzaakt zy oogenblikkelyk de geweldigste braking en buik-ontlasting. Men deedt my ook opmerken verscheide zoorten van erweten, boonen en zoortgelyke peulvruchten, en onder anderen de Cassia, welker kleine, harde, geele en helderschynende zaden besloten zyn in een houte pyp van by de zes duimen lang, maar zeer naauw, en welke een zwart vleesch bevat, zoo zoet als honig. Men houdt de Cassia voor een uitmuntend ontlastmiddel. Zy is in Guiana zeer gemeen, en word aldaar genaamd Zoete Boontjes en Cotiaan. Een ander zoort van heester-gewas in dit Land, draagt den naam van Zeven-jaars Boontjes, om dat het zeven jaaren bloeit, alvorens eenige vrucht voort te brengen. Het boompje, genaamd Snaky wiry-wiry, wierd ook op deeze zelfde plaats gevonden. Men verzekerde my, dat het een onfeilbaar middel tegen de koorts was, en ik geloof, dat het 't zelfde was met de Serpentaria Virginiana, of Virginische Slangekruid. Eindelyk zag ik een plantgewas, genaamd Zeven-bloemen, waar van de jonge Negerinnen zig dik wils bedienen, om de vrucht af te dry ven. De groene pyn-appelen hebben ook, zoo men zegt, dezelfde uitwerking.

Op deeze wyze eenen dag te Knoppemonbo hebbende doorgebragt, welke niet alleen tot myn vermaak, maar ook tot myne onderrigting diende, namen wy des avonds afscheid van onze vrienden, en keerden, wel te vreden, naar de Hoop te rug, in een vaartuig vol met allerleije zoort van geschenken, waar onder schoone Cocos-noten waren, welken één der slaven in onze tegenwoordigheid plukte, na met eene ongemeene gezwindheid den boom te zyn opgeklauterd, en aldaar een gevecht te hebben doorgestaan tegen een zwarten slang, dien hy met zyn mes overwon, en voor onze voeten dood deedt nedervallen.

De slaven van de Hoop en Fauconberg betoonden hunne achting voor JOANNA en haaren zoon, door aan haar gevogelte, wild, visch, eijeren en vruchten aan te bieden. De heer PALMER gaf ons eene groote meenigte Indisch koorn tot voedzel voor ons gevogelte. Alles scheen dus tot myn geluk mede te loopen, het welk echter merkelyk veranderde, toen ik, den 18den, de tyding ontfing van het verlies van mynen vriend, den heer WALTER KENNEDY, die korten tyd na zyne te rug komst in Holland overleedt.

Om het leed, my door deeze gebeurtenis veroorzaakt, te verzetten, gaf ik een kort bezoek aan den heer DE CACHELIEU, op zyne Plantagie Egmond. Ik vond aldaar, onder meer andere lieden, eenen Planter, een Italiaan van geboorte, die maar één arm had. Deeze man zat naast my aan de tafel; en zonder dat hy eenige de minste uitdaging van myne zyde konde bybrengen, nam hy een mes, en stak naar my van agteren, tot groote verwondering van alle de dischgenooten. Den steek gelukkiglyk hebbende afgekeerd, door hem den elleboog op te ligten, het geen maakte, dat de punt van het mes over myn schouder heen ging, stond ik oogenblikkelyk op, en ik zoude hem daar ter plaatse vermoord hebben, zoo men my niet had tegen gehouden. Ik bood hem toen aan met my te vechten, met zoodanig wapen, als hy verkiezen mogt, en met éénen arm; maar de lafhartige zulks geweigerd hebbende, wierd hy uit het gezelschap verjaagd, en naar zyne Plantagie, Hazard genaamd, te rug gezonden.

Deeze schelm was zoo geweldadig, dat hy korten tyd te voren eene Negerin, die agt maanden zwanger was, had laten geesselen, tot dat haar de darmen uit het lyf kwamen, om dat zy een glas gebroken had. Een van zyne mans slaven, die zyne gramschap poogde te ontwyken, wierd door hem op staande voet om 't leven gebragt. Hy had 'er geen één, wien het lichaam van het hoofd tot de voeten niet was van één gereten, door de meenigvuldige kastydingen, welken hy hun deedt ondergaan.

Dewyl de Colonel FOURGEOUD my eene versterking van soldaten, benevens een Heelmeester en geneesmiddelen, gezonden had, kreeg de wachtpost van de Hoop een geheel ander voorkomen: vergenoegdheid en gezondheid vertoonden zig aldaar wel dra op aller aangezichten. Ik zette vooral de soldaten aan om visch te vangen, die alhier in grooten overvloed was; en de Negers leerden hun de manier om dit te doen, het zy met den haak, het zy met de mand. De eerste bestaat daar in, dat men een buigbaaren en sterken stok in den grond steekt, en aan deszelfs einde eene dubbele lyn vast maakt, welkers kortste gedeelte aan een stokjen van tien duimen lengte gehecht is; het andere insgelyks aan een stok van dezelfde lengte, maar veel lager vallende. Aan het einde van de tweede lyn haakt men een kleinen visch aan de vinnen, latende hem de mogelykheid van te zwemmen, en zorg dragende, dat hy aan een grooter zoort van visch tot aas kan dienen; vervolgens steekt men nog twee andere stokken in den grond, maar zoodanig, dat zy boven het water uitsteken; men hecht dezelven te zamen door een anderen stok, die zoo lang niet is, en aan het geheel de gedaante van een galg geeft, boven welke de buigbaare stok door middel van deszelfs dubbele lyn en kleinere stokken wordt heen getrokken, maar echter zoo gemakkelyk, dat op de minste beweging, de geheele toestel uit elkander geraakt; en deeze buigbaare stok zig dan van zelf opheffende, hangt de visch, die met het aas gevangen is, aan een haak in de hoogte.

De tweede manier, Mansoa genaamd, gelykt veel naar de voorgaande. Men werpt eene kleine biezen mand, die als een broodsuiker gemaakt is, in het water, aan welkers punt men den buigbaaren stok vast maakt, terwyl het ander einde even als een val open blyft, wordende het geheel door een gespleten stuk hout in een rechten stand gehouden. Men doet ook een kleinen visch in deeze mand; en zoo dra dezelve door een grooter visch is ingeslokt, sluit de val of ingang van de mand zig agter hem toe. Dit zoort van vischvangst verschilt daar in van de andere, dat men geen haak noodig heeft. Deeze oordeelkundige manieren kunnen een denkbeeld geven van de slimheid der Negers. Dezelve zyn daarom te nuttiger, dewyl zy geen tyd doen verliezen, en men des anderen daags den visch gevangen vindt; zynde doorgaans de Newmara of Barracota, van welken ik reeds gesproken heb.

Onder de onderscheidene visschen, welken ik hier heb zien vangen, vind men de Siliba, die klein is, van eene eyronde gedaante, en gespikkeld als een ananas; de Sokay, die lekker en zeer dik is; de Torro-torro, en nog een genaamd de Tarpoen: de eerste is drie voeten lang, en de tweede, die wit is, omtrent twee voeten, zes duimen.

Den 26sten, zag ik eene jonge Negerin, Clardina genaamd, wier moed, kragt, en gezwindheid ik zeer bewonderde. Een hart, zig van zyne troep hebbende afgezonderd, liep den weg op; deeze vrouw greep hem aan een agterpoot, in het midden van zynen loop; maar hem niet kunnende doen stil staan, liet zy zig een zeer groot einde van den weg voortslepen, en raakte haaren buit niet kwyt, dan na het bekomen van eene zwaare wonde.

De post van de Hoop verschafte toen een aangenaam verblyf. De grond was 'er volmaakt vast, en doorsneden met canalen, waar in by hooge vloeden het water kwam. De heggen, die de tuinen en velden omheinden, waren wel onderhouden, en bragten vrugten en groenten van allerleije zoort voort, die ons tot levensmiddelen dienden. De huizen en bruggen waren weder in orde gemaakt. Ik moedigde de soldaten aan, en beval hun de grootste zindelykheid. Mitsdien had ik geen enkelen zieken, onder vyftig manschappen, waar uit myne krygsbende bestond, op een plaats, alwaar bevorens de land of zee-scheurbuik, en alle kwalen, die door luiheid, morssigheid en ellende veröorzaakt worden, de grootste verwoestingen hadden aangerecht. Van de zoo even vermelde twee zoorten van scheurbuik, bedekte de eerste het geheele lyf met puistjes, en de tweede deedt voornamelyk het tandvleesch en de tanden aan.

Ik genoot toen het volmaaktste genoegen, en de volkomenste gezondheid, terwyl de meeste myner reisgenooten of gestorven, of naar Europa vertrokken waren: 'er was toen geen enkel Officier in rang boven my, uitgenomen de geenen, die zedert lang aan het luchtgestel van Guiana gewend waren.

Maar laten wy naar mynen tuin te rug keeren.--Dezelve verschafte my thans wortelen, kool, uijen, komkommers, latouw, radys, pry, waterkers, enz. alles even goed als in Europa. 'Er was ook zuuring van tweederleije zoort, gemeene en roode; de laatste groeit aan een boompjen. Bloemen ontbraken my al mede niet; ik had verschillende zoorten van Jasmyn. De meest geächte is een klein boompje, welkers bloemen van eene bleek roode kleur zyn, maar fraay, en van eene aangenaame geur; het heeft dikke, glinsterende bladeren, die vol van een melkachtig sap zyn. Een zoort van kruidje roer my niet, Shanne-shanne genaamd, vercierde mede deezen tuin; het geleek naar de slaapende plant, aldus genoemd, om dat derzelver bladeren, by paaren geplaatst, zig by het ondergaan der zon toesluiten, en dat de twee 'er dan slechts één schynen uit te maken; maar zoo dra dit hemellicht opkoomt, scheiden zy zig van één, en vertoonen zig onder hunne dubbele gedaante. Deeze gewassen waren tusschen myne heggen verspreid, en ik kweekte bovendien granaat-boomen en Indische rozen-boomen [27] aan, die dagelyks bloeijen. Eenige roode leliën, wier bladen glad, en van eene zeer schitterende groene kleur zyn, omzoomden myne grachten: zy groeien natuurlyk in de zand-woestynen.

In deezen gelukkigen staat, ontfingen wy het bezoek van verscheiden lieden, en vooral van Mevrouw Z......, vergezeld door haaren broeder, en door nog een ander, SCHADTS genaamd, die alle drie uit Holland kwamen. Deeze vrouw wierd gehouden voor eene der schoonste vrouwen van Europa, en te gelyk allerbekwaamst. Zy sprak verscheidene talen; in de zang- en schilder-kunst muntte zy uit; zy danste met bevalligheid, en reedt volmaakt te paard; zy kon met het geweer omgaan, en ging ter jagt, enz. Haar in alle zoorten van oeffeningen willende onderricht zien, bood ik haar aan om haar te leeren zwemmen, het geen zy gepast oordeelde, om met een glimlach te weigeren.

De soldaten en Negers, die onder myn bevel stonden, en onder welken de grootste eendracht heerschte, scheenen op dit oogenblik volmaakt gelukkig. Ik zette de jonge lieden aan, om zig des avonds te vermaken, en aan de in jaaren meer gevorderden schonk ik eenige glazen rhum uit.

Te midden echter van dit vrolyk leven, gaf ik eenen geheimen last, om vuur te geven, en alarm te slaan, als of de vyand op de Plantagie was. Ik had toen het genoegen te zien, dat alle de soldaten hunne wapenen opvatteden, en met veel orde en onverschrokkenheid zig by elkander verzamelden. Ik besloot vooral van deezen list gebruik te maken, om dat men my berigt had, dat de muitelingen het oogmerk hadden aan de Commewyne een bezoek te geven.

Onäangezien al het vermelde nopens onzen voorspoed, ondervonden wy wel dra, dat 'er niets volmaakt, nog duurzaam op de weereld is. Het saisoen van droogte eensklaps hebbende opgehouden, sleepten de ziekten verscheiden van ons volk in het graf; en 'er stierven dagelyks tien of twaalf op de legerplaats te Maagdenberg en aan de Java-Kreek.

Den 3den, verloor ik mynen Vaandrig CABANUS. Zyn dood deedt my zeer leed. Hy had zyne aanstelling op myn verzoek verkregen, en bezat eenen uitmuntenden inborst.

Den 4den Juny, verbrak de hooge vloed onze sluizen, terwyl wy op de gezondheid van den Koning dronken, en de geheele wachtpost geraakte daar door onder water, het geen eene groote verwarring veröorzaakte. In deezen deerniswaardigen toestand, weigerde de Opzichter van de Hoop, genaamd BLENDERMAN, my het toebrengen van de minste hulp, en daar op volgde zulk een hevig geschil tusschen ons, dat hy tot zyn geluk het hazenpad koos, en de Plantagie verliet. Nooit kwam ik ten einde, indien ik alle de trekken van onbeschoftheid van deeze schelmen, die grootendeels het uitschot van hun Land zyn, of Duitschers, aan den Corporaals-stok gewoon, wilde opnoemen.

Den 7den, ging ik myne opwagting maken by den heer MORIN, Bestuurder van de Plantagie de Hoop, en zig bevindende op een stuk land, dat kortlings aangelegd, en aan de andere zyde der Rivier gelegen was, ten einde hem recht te vragen tegen den onbeschoften Opzigter, die by hem was. Maar de laaghartigheid van den laatstgemelden gelyk staande met zyne onbeschaamdheid en wreedheid, gaf hy alles toe, wat ik vorderde, en beloofde zelfs de sluizen te doen herstellen.

Op zekeren dag op deeze nieuwe velden, alwaar men reeds een zeer fraai huis gebouwd had, wandelende, merkte ik eenige schoone vogelen op, waar onder was de Pimpelmees. Ik had hem reeds voorlang behooren te beschryven, gelyk nog een anderen, wiens naam my onbekend is, om dat ik 'er gelegenheid toe gehad heb, toen ik myn verblyf op Maagdenberg verhaalde; maar ik heb ze toen alleenlyk afgeteekend. De Pimpelmees gelykt, wat de gedaante van zyn lyf belangt, ten naasten by naar een Lyster. Zyne vederen zyn van eene fraaie kaneel-kleur, tusschen bruin en geel gemengd; maar aan de stuit is hy geheel en al van de laatstgemelde kleur. Eene kuif van kleine vederen, van dezelfde kleur als het lyf, bedekt hem den kop, zyn staart is lang en zwart, zyn bek recht, schraal, spits, en van eene zee-groene kleur. Zyne pooten en oogäppels zyn ook van dezelfde groene kleur, en onder de laatstgemelden ziet men van wederzyden twee vlakken van eene schoone karmosyn-kleur.

