# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

## Part 66

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-3ee67462/index.md

Terwyl zy dit poogden tot stand te brengen, kwam DIEGO DE ORDAZ, die het eerst de Orenoco was opgevaaren, uit Spanjen te rug, met brieven van Keizer KAREL V, waar by deeze Vorst aan hem alleen het recht en de vryheid vergunde om de Dorado te gaan opzoeken, en de ontdekkingen van de Orenoco nader op te spooren. De geheele uitslag zyner onderneeming bepaalde zig tot het bouwen van eene Stad aan den oostelyken oever van deeze Rivier, meer dan zestig mylen van derzelver mond af, welke hy St. Thomas van Guiana noemde.

De Engelschen, over de ontdekkingen der Spanjaarden in Guiana jaloers zynde, en benydende den koophandel, welken de Franschen aldaar van toen af aan dreeven, waar van men wonderen vertelde, wilden daar in deel nemen. Een van hunne bekwaame zeelieden, de heer WALTER RALEIGH, was de eerste Engelschman, die den 6den February van 't jaar 1595 [*] vertrok, om in deeze ryke landen eenige onderneeming te beproeven: dus maakte men in Europa de Orenoco en Guiana bekend.

RALEIGH hield zig van het wezentlyk aanzyn deezer rykdommen zoo vast overtuigt, dat hy niet schroomt in het verhaal van zyne reize te zeggen: Dat hy, die Guiana veroveren zal, meer goud bezitten, en over meer volken heerschen zal, dan de Koning van Spanje en de Turksche Keizer. (Aardrykskundige Beschryving van Guiana.)

[*] Men zal opmerken dat onze Reiziger hier het volgende jaar 1596 noemt.

[6] SOMMELSDYK had het caracter van een dwingeland. Onder een godsdienstig uiterlyk, was hy oploopend, onbeschoft, een geweldenaar en wreedäart. Op zekeren tyd liet hy aan een hoofd der Indianen den kop afslaan, alleenlyk om dat dezelve aan eenig huislyk wangedrag schuldig stond.

Aant. v. d. Schryver.

[7] In den jaare 1667, zoo als ik hier boven gezegd heb, gaf Capitain ABRAHAM CRUISSEN aan deeze Stad den naam van Nieuw-Middelburg; maar zy behield altoos dien van Paramaribo, welken men voorgeeft een Indischen naam te zyn, en te beteekenen Bloem-veld. Dit is het algemeen gevoelen; maar ik vermeene, dat de punt Parham, de Para-Kreek, de Stad Paramaribo, en zelfs die groote uitgestrektheid van water, welke Golden-Parima genoemt word, hunnen naam ontleenen van Lord FRANCIS WILLOUGBY DE PARHAM, die één der eerste bezitters van deeze schoone landstreek was. De Hollanders geeven aan het grondgebied van Surinamen ook den naam van Provintie; maar men bedient zig in 't algemeen meer van den naam van Volkplanting of Bezitting.

Aant. v. d. Schryver.

[8] Men heeft naderhand by dit krygsvolk eenige jagers gevoegd.

Aant. v. d. Scryver.

[9] Men had ook een ontwerp gemaakt om jagthonden te leeren, de oproerige Negers in de bosschen op te zoeken en aan te vallen, maar zulks is nimmer aangenomen, uit hoofde van de moeielykheid om deeze dieren te geleiden.

Aant. v. d. Schryver.

[10] De kinderen volgen, in Surinamen, den staat van hunne moeder. Indien zy in slavernye is, behooren zy aan haaren meester, al was hun vader een Prins.

Aant. v. d. Schryver.

[11] Het is een plat vaartuig met vier of zes riemen, welks gedaante veel overëenkomst heeft met die van een schoen. Dan eens is het met een tent overdekt, dan eens niet.

Aant. v. d. Schryver

[12] De Kill-devill (een woord, zaamgestelt uit de woorden dooden en duivel, en het geen waarschynlyk zeggen wil: wie zou de duivel dooden,) is een zoort van rhum, die men maakt van schuim en droessem van suiker. Deeze drank is in de Volkplanting zeer gemeen, en de eenige, die men aan de Negers toestaat. De zuinigheid beweegt verscheiden Europeaanen, om daar van mede gebruik te maken; maar het is ten naasten by een langzaam vergift voor hun.

Aant. v. d. Schryver.

[13] Het schynt dat de vogel, waar van STEDMAN hier spreekt, is de Toucan van Caijenne met een witten hals, of het vrouwtje van den Toucan met een geelen hals.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[14] Verscheiden beminnaars der Natuurlyke Geschiedenis, hebben aan deeze laatste herschepping getwyffeld. Het staat aan hunne beöordeeling, of het bewys, door onzen Reiziger bygebragt, gegrond genoeg is, om hun gevoelen te bepaalen. Mejuffrouw DE MERIAN, van wien hier gesproken word, was eene jonge Duitscheresse van Frankfort aan den Main, die, in 't jaar 1699, de reize naar Hollandsch Guiana deed, om aldaar insecten en kapellen af te teekenen.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[15] De heer GREENWOOD, uit den omtrek van Leicester, heeft my verzekerd 'er één gedood te hebben van twaalf voeten lengte.

Aant. v. d. Schryver.

[16] Het schynt, dat het woord harwar is een bedorven spelling van het Engelsch en Hollandsch woord Haven. Dus zoude Devil's-Harwar beteekenen Duivels-haven.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[17] "Het Kabinet van Natuurlyke Geschiedenis bezit het beruchte hoofd, te Maastricht gevonden, en zelfs eenige wervelbeenderen van zommige deelen van het geraamte, waar toe die kop behoord heeft.... Ik had dit beruchte hoofd, het welk myne nieuwsgierigheid had gaande gemaakt, doen afteekenen: het zelve is thans in het Magazin in 't koper gesneden.

"Het is gemakkelyk te zien in deeze versteening, dat 'er verscheiden koppen van beesten van één en het zelfde zoort zyn; maar welk is het zoort, waar toe deeze behoord? dit staat nog te beslissen; men heeft derzelver classe nog met geene zekerheid kunnen bepaalen....

"Dit stuk, eenig in zyn zoort, heeft de aandacht van veele waarneemers tot zig getrokken.... Het heerschend gevoelen tegenwoordig is, dat deeze kop tot een nieuw zoort van Krokodillen behoord". (Getrokken uit een brief van L. A. MILLIN aan Dr. HERMAN, ingelascht in 't Magazin Encyclopedique, 't 1ste jaar, 6de Deel, bladz. 34., alwaar men ook eene in 't koper gesnedene afbeelding van deezen zelfden kop vind, waar van de Burger FAUJAS-SAINT-FOND, Hoogleeraar in 't Museum der Natuurlyke Geschiedenis, eene beschryving belooft.)

Aant. v.d. Franschen Vert.

[18] Het is de Passiebloem. Mejuffrouw DE MERIAN noemt dezelve Marquias.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[19] Dr. LABORDE zegt drie zoorten van Otters in Guiana te hebben waargenomen.

1º. De grootste, die van veertig tot vyftig ponden weegt, en wiens hair zwart, en byna kaal is; hy houd zig op in de Rivieren.

2º. Die geene, waar van de huid geel-achtig is, van de kleur der Gummi-gutta, en wegende twintig tot vyf-en-twintig ponden; hy bewoond insgelyks de Rivieren.

3º. De gryze, niet meer dan drie of vier ponden wegende; hy houd zig op in de gaten by de Rivieren, en is zeer gevaarlyk voor de honden.

Allen ontwyken zy het water, alwaar ebbe en vloed is, en houden zig alleenlyk op in zoete wateren, in de meiren, of boven in de Rivieren; zy gaan troepsgewyze naar de verdronken Savanen. Men maakt 'er jagt op, om hunnen buit te hebben, tot dit einde gaat men in eene hinderlaag aan den waterkant leggen. Zy zyn wild; en zoo men op hen schiet, terwyl zy zwemmen, zinken zy naar den grond, en zyn voor den jager verlooren.

De wyfjes werpen maar één jong, zelden twee; zy zyn minder vruchtbaar dan in Europa. Zy werpen haare jongen in de holen, die zy aan den waterkant graven. Op de landhuizen voed men deeze dieren op.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[20] Dusdanige kruik houd vier pinten, Parysche maat.

Aant. v. d. Franschen Vert.

[21] Volgens Mejuffrouw MERIAN en LINNAEUS is STEDMAN in dit verkeerd begrip gevallen. De eijeren van de Pipal, uit het lichaam van het wyfjen uitkomende, worden door het mannetjen vruchtbaar gemaakt; op de zelfde wyze, als die van alle andere kikvorschen of padden. Het mannetje duwt ze te gelyker tyd onder zyn buik, en spreidt ze uit op den rug van het wyfjen: de eijeren kleeven aan de huid vast, en het vruchtbaarmakend vocht van het mannetje, het geen dezelve besproeit, doet de bekleedzelen van den rug opzwellen. De eijeren intusschen worden dik, de jongen broeien uit, komen uit hunnen dop, en een waarnemer, die hen op dit oogenblik ontmoet, zou gelooven, dat zy op den rug zelven van hunne moeder zyn voortgebracht.

Aantekening v. d. Franschen Vert.

[22] Men leest in de Beschryving der Dieren van den heer PENNANT, dat deeze zelfde ARSCOTT, een Engelschman, zoo verre gekomen is, dat hy eene gemeene padde eenigermaten heeft tam gemaakt. Dezelve was van eene ongemeene grootte; het was omtrent zes-en-dertig jaaren geleden, dat deeze padde zig voor de eerste maal aan den vader van ARSSCOTT vertoond had; hy had langen tyd onder een trap gehuisvest. De zorg, die men voor zyn onderhoud droeg, maakte hem tot een huisdier, zoodanig dat hy alle avonden, wanneer hy licht in huis bemerkte, voor den dag kwam, en de oogen opsloeg, als of hy verwagtte, dat men hem zoude opvatten, om op de tafel zetten. Aldaar vond hy zyn eeten klaar gemaakt; dit bestond uit wormen, van het zoort, zoo als men op bedorven vleesch ziet te voorschyn komen: men bewaarde dezelve voor hem in zemelen. De pad ging dezelve met aandacht na; en wanneer zig één van deeze wormen onder zyn bereik bevond, bespiedde hy dien met het oog, en bleef eenige oogenblikken onbeweeglyk; vervolgens wierp hy eensklaps zyne tong van verre op den worm, die 'er aan bleef hangen, door middel van een lymig vocht, waar mede dezelve aan het einde bestreeken was; deeze beweeging van de tong was zoo gezwind, dat 'er de toekyker geen oog op houden konde.

Het is waarschynlyk, dat deeze padde zeer lang geleefd zoude hebben, zoo niet een huis-raaf hem op zekeren tyd by den ingang van zyn hol had aangepakt. De pogingen, welke ARSSCOTT deed, om de padde aan zynen vyand te ontrukken, konden niet beletten dat deeze hem een oog uitpikte; schoon hy naderhand nog een jaar geleefd heeft, wierd hy treurig en kwynende. Hy had veel moeite, om zynen buit meester te worden, dewyl het verlies van zyn oog hem het vermogen benam, om denzelven juist te mikken.

Aanteeken. v. d. Franschen Vert.

[23] Indien men zommige reizigers gelooven mag, maakt de Trompetter zig meester van de voorplaats. Des morgens jaagt hy alle de kalkoenen, eendvogelen en andere huisdieren naar buiten; en des avonds noodzaakt hy dezelve om te rug te komen: hy zelf sluit zig niet op; hy slaapt of op het dak van de voorplaats, of op een naby staande boom.

Aant. v. d. Fransschen Vert.

[24] Deeze driehoeken hebben drie punten, zynde lang en met weerhaken, gelykende naar kleine dreggen, en die uit een yzeren halsband uitkomen.

Aanteek. v. d. Schryver.

[25] De Lepelaar, of Bécharu, is de Flamant van BRISSON, of de Flamant van BELON, en de Phoenicopterus der ouden. Men zegt, dat de laatstgemelde naam, afgeleid van den naam, dien de Grieken aan deezen vogel gegeven hebben, volgens deszelfs oorsprong beteekend, een vogel met vuur-kleurige vlerken, en schildert zeer wel den Phoenicopterus, wiens vlerken in de daad van een zeer levendig roode kleur zyn. De naam van Bécharu is hem gegeven uit hoofde van de byzondere gedaante van zyn bek, die gekromd is als het kromhout van een ploeg.

Deeze vogel is eenig in zyn zoort, en maakt een geslacht op zig zelf uit. Men vind die op 't oude vaste Land; en in Europa, op de kusten van Spanjen, Italiën, Provence, en Languedoc. De Americaansche Indianen maken, van zyne fraaije vederen, halsbanden, mutsen, gordels, waar mede zy zig vercieren. Het vleesch van den jongen Phoenicopterus wierd door de ouden als eene uitgezochte spyze beschouwd.

[26] Het schynt, dat dezelve de pacobe of bacove van Cayenne is. Men noemt de vrucht van den Bananen- en Plantain-boom doorgaans bananen; maar wy hebben dezelven, met den Schryver van dit werk, onderscheiden, door aan de vrucht van den laatstgemelden, den naam van plantain te geven. Dit was noodzakeiyk, want hy verwart ze niet, en spreekt dikwils van beiden te gelyk.

Aanteek. v. d. Franschen Vert.

[27] De Schryver van deeze reize verwyst hier den lezer tot de meer uitgebreide opgaven, door Dr. BANCROFT aangaande dit vergift gegeven in zyne natuurlyke Geschiedenis van Guiana, een werk, weinig of in 't geheel niet in Frankryk bekend.

BANCROFT begint met te verhaalen, het geen DE LA CONDAMINE voor hem nopens dit vergift gezegd heeft; zie het zelve hier: "De Yamcos zyn zeer afgericht op het maken van lange pylkokers, die het gewoonste jagt-wapen der Indianen zyn. Zy doen daar in kleine pylen van palmhout passen, welke zy, in plaats van met vederen, met een kleine kloen catoen voorzien, die de buis naauwkeurig vult. Zy werpen dezelve door blaazen dertig of veertig schreden ver, en missen byna nooit te raken. Een zoo eenvoudig werktuig vervult by alle deeze volken met zeer veel voordeel het gebrek van schietgeweer. Zy doopen de punt van deeze kleine pylen, als mede die van hunne bogen, in zulk een scherp vergift, dat het zelve, wanneer het versch is, in minder dan één minuut het dier doodt, het welk door den pyl gewond is. Schoon wy snaphaanen hadden, hebben wy, aan de Rivier, nooit wildt gegeten, het welk op eene andere wyze gedood was, en dikwils hebben wy de punt van den pyl onder den tand gevonden; daar by is geen gevaar hoe genaamd; dit vergif werkt niet, dan wanneer het onder het bloed koomt. Dan is het voor den mensch niet minder doodelyk, dan voor andere dieren. Het tegengift is het zout, en nog zekerder de suiker"--Op een andere plaats:

"Dit vergift is een uittrekzel, door middel van het vuur gemaakt, uit de sappen van onderscheidene planten, en in 't byzonder van zekere heestergewassen. Men verzekert, dat het vergift, ticunas genaamd, zynde het zelfde, waar mede ik de proef genomen heb, het welk onder de verschillende zoorten, die langs de Rivier der Amazonen bekend zyn, het meest geacht is, uit meer dan dertig zoorten van kruiden is zaamgesteld". (Verkort verhaal van eene reize door de binnen-lánden van Zuid-America gedaan.)

"De ticunas (dus vervolgt Dr. BANCROFT) wordt waarschynlyk gemaakt van de zelfde kruiden, als de wourara, een vergift, het welk zynen naam ontleent van het heestergewas, het welk 'er de grondslag van uitmaakt. Het vergift der Accawaus-Indianen, het welk voor het geweldigste gehouden wordt, bestaat slechts uit vyfderley kruiden, wel verre, dat het uit dertig zoude bestaan, zoo als de heer DE LA CONDAMINE van de ticunas opgeeft. Andere volken echter, en in 't byzonder de Arrawks, voegen 'er naar goedvinden de tanden en lever van een vergiftige slang, als mede roode peper, by; het laatste, om 'er de werking van te vermeerderen. De Worrows mengen 'er een grooter getal kruiden onder, misschien uit bygeloovigheid, of om dat zy zig door onkunde verbeelden, dat zy, meerder dingen onder elkander mengende, de verlangde uitwerking des te zekerder bekomen zullen.

"Zie hier het voorschrift van het vergift der Accawaus, het welk verscheiden van hunne Peji of Geneeskundigen my op verschillende tyden gegeven hebben: allen stemden zy over één met opzigt tot het zoort en getal der planten; zy verschilden alleenlyk in de hoeveelheid of gifte.

Men neemt van alle de kruiden, waar uit dit mengzel bestaat, even veel.

Men neemt zes deelen van de schil van den wortel van wourara, twee van de schors van warra cobba courra; één van de schil van den wortel van concassapi, één van balleti, en eindelyk één van hatchybaly.

Men schraapt alles fyn, doet het in een kruik, en giet 'er water op. Men zet deeze kruik op een matig vuur, zoo dat het na verloop van een vierde van een uur begint te koken. Dit gedaan zynde, moet men het sap met de hand uitdrukken, zorg dragende, dat de huid niet ontvelle. Men werpt de bast weg, en doet vervolgens het sap op een matig vuur uitdampen, tot op de dikte van pik en teer. Dan neemt men het af, en men doopt daar in kleine platte stukken cokarito hout, (een zoort van palmhout,) waar aan het vergift, wanneer het koud is, blyft hangen, en dan de gedaante heeft van een roodachtig bruine gom. Deeze stukken hout dus bestreken zynde, steekt men dezelve in groote holle rottingen, aan beide einden met een huid toegemaakt. Wanneer men een pyl wil vergiftigen, werpt men één van deeze stukken hout in 't water, of men houdt het zelve boven den rook van 't vuur, om door dien damp week te worden; in het eerste geval doopt men de pyl in 't water, en in 't tweede wryft men die tegen dit stuk hout. De kleinste hoeveelheid van dit vergift, door eene wonde in de bloedvaten van een dier gebragt zynde, doet het zelve in minder dan één minuut sterven, zonder eene blykbaare waare pyn, schoon men zomtyds ligte stuiptrekkingen op het oogenblik van den dood bemerkt.

De heer DE LA CONDAMINE zegt, dat de Indianen misdadige vrouwlieden tot het bereiden van dit vergift gebruiken, en dat, wanneer zy den geest geven, zulks een bewys is, dat het genoeg gekookt heeft: dit gelykt zeer naar een verdichtsel. De Indianen, die in den omtrek der Volkplanting van Demerary woonen, doen, hun vergift in de vrye lucht uitdampen, tot dat het zyne volkomene dikte verkregen heeft, en zulks zonder het minste gevaar.

"De kruiden, die tot het zamenstellen van dit vergift der Accawaus gebruikt worden, zyn heestergewassen van onderscheiden zoort.

"Ik heb 'er de proef mede genomen op dieren die ziek waren, en weinig bloed hadden; ik bevond, dat het een langzaamer uitwerking deed, dan op sterke en gezonde dieren.

Men weet geen zeker tegengift tegen dit vergift. Ik twyffel, of eenig geneesmiddel, langs den weg, tot de spysverteering geschikt, ingenomen, schielyk genoeg kan werken, om deszelfs verschrikkelyke gevolgen voor te komen. Om de uitwerking van de ticunas tegen te gaan, geeft DE LA CONDAMINE het zout, en als een zekerder middel de suiker op. De blanke inwooners van Demerary schryven dezelfde kragt aan het sap van het suikerriet toe, maar de Indianen zyn het daar mede niet eens, en ik heb geene enkele keer het bewys van deszelfs kragtdadige werking kunnen ontdekken. De zelfde reiziger spreekt van eene proeve, te Caijenne in tegenwoordigheid van den Bevelhebber genomen, aan een hoen, door eene vergiftigde pyl gewond, het welk men suiker deed inneemen, zonder eenig blyk van ongesteldheid te geven. Maar deeze proef te Leiden, in tegenwoordigheid van verscheiden Hoogleeraars in de Geneeskunde aldaar, hernieuwd zynde, was zonder het verlangd gevolg, schoon de koude van den winter ontwyffelbaar de werking van het vergift verzwakt had.

Wanneer één der watervaten door één van deeze vergiftigde pylen gekwetst is, volgt 'er eene koortsachtige ontsteeking op. Ik heb 'er een voorbeeld van gezien in een Indiaan, tot zekere Plantagie behoorende, die zig den voorsten vinger van de linke hand met één van deeze pylen ligtelyk ontveld had. Dewyl 'er geen bloed uit liep, vreesde hy niets; maar wel dra wierd zyne wonde pynlyk, zyne hand zwelde verbaazend op, en dienvolgende kwam deeze man my raadplegen. De uitwerking van dit vergift toen niet kennende, deed ik een Peji uit den stam der Arrawks roepen, die in de nabyheid was, en vroeg hem door een tolk, of hy eenig geneesmiddel tegen dit toeval had. Hy antwoordde my van neen; maar hy verzekerde my, dat de Indiaan 'er niet van sterven zoude, dewyl 'er geen bloed uit de ontvelling, die naauwlyks zigtbaar was, geloopen had. De uitwerkzels van het vergift wierden intusschen steeds geweldiger; en niet alleen zyne hand, maar zelfs de geheele arm was ontstoken. De pols was hard, schielyk, afgebroken; de ademhaling moeielyk, met eene koortsige hette, een brandende dorst, en de oxel-klieren waren gezwollen. De zieke wierd in tyds adergelaten. Men wond hem den arm in linnen, het welk in oly en azyn was nat gemaakt. Verscheide middelen, de ontsteeking tegengaande, wierden inwendig toegediend; maar ik zal ze niet opnoemen, want ik weet niet, of zy van eenig nut waren. In twaalf uuren verminderde het geweld der toevallen zichtbaar; en des anderen daags morgens was 'er geen blyk meer van overig.

"Ik zal 'er byvoegen, als eene andere uitwerking van dit vergift, dat wanneer een aap door eene vergiftigde pyl gewond is, hy op den grond valt; wanneer hy door eene gewoone pyl geraakt is, klimt hy op den top van den boom, en blyft aldaar; zelfs na dat hy reeds dood is".

De proeven van Dr. BANCROFT omtrent het door hem vermelde vergift, dezelfde zynde, als die van FONTANA aangaande de ticunas, zullen wy het besluit van deezen Natuur-kenner des aangaande opgeven.

Van de ticunas, of het Americaansch vergift.

"De reuk van dit vergift, wanneer het droog is, is geheel onschadelyk; en zoodanig zyn ook deszelfs deeltjens, die door de lucht in den mond of in de neus, en vervolgens in de long komen.

"De uitwaassemende dampen van het Americaansch vergift, (het zy men het op gloeiende kooien geworpen heeft, het zy men het in een pot heeft laten koken,) zyn onschadelyk, het zy men ze ruikt, het zy men ze inademt.

"Schoon het vergift, waar van ik my bediende, door ouderdom veel verloren had, had het egter zyne wezentlyke eigenschap behouden, om in zeer korten tyd, en in zeer kleine giften, zeer sterke dieren te dooden; en het was altyd zonder gunstig gevolg, wanneer ik deszelfs werking tragte te beletten door suiker en zout, welke ondertusschen de twee eigenäartige geneesmiddelen zyn van den heer DE LA CONDAMINE, die daar in het begrip der lieden van dit Land gevolgd heeft.

"Dit vergift ontbindt zig gemakkelyk en zeer goed in water, zelfs in koud water, als mede in zuuren uit het ryk der mineraalen en planten. Echter ontbindt het zig veel langzaamer in vitriool-oly, dan in andere zuuren, en het wordt 'er zoo zwart in als inkt: het welk met geene der andere zuuren gebeurt.

"Het maakt geene opbruisching, nog met zuuren, nog met loogzouten, en doet de melk niet schiften, geevende daar aan alleenlyk deszelfs natuurlyke kleur.

"Het verandert het radys-sap niet, nog in eene roode, nog in in eene groene kleur; en wanneer men het door het vergrootglas onderzoekt, ziet men 'er niets regelmatigs en zoutachtigs in; maar het schynt grootendeels uit zeer kleine onregelmatige rondachtige lichaampjes zaamgesteld, even als sappen van planten. Het droogt zonder barsten, verschillende daar in van het slangen-vergift: en op de tong gelegd zynde heeft het eene zeer bittere smaak.

"Uit allen deezen besluit ik, dat het noch zuur, noch loogzoutig is, en dat het niet bestaat uit zouten, die zigtbaar zyn, zelfs door middel van het vergrootglas.

"Het Americaansch vergift is geen vergift, wanneer men het op de oogen legt, zelfs na dat het in water ontbonden is; en het doet op deeze deelen geene werking.

"De heer DE LA CONDAMINE, en alle Americaanen gelooven, dat dit vergift, inwendig genomen, geheel onschadelyk is.

"Volgens verscheide waarneemingen, genomen aan dieren, die 'er van gestorven zyn, besluit ik als eene waarheid, dat het Americaansch vergift, inwendig genomen, een vergift is, maar dat 'er eene wezentlyke hoeveelheid verëischt word, om zelfs een klein dier te dooden.

"Andere, naderhand genomene proeven, zoo aan vogelen, als aan viervoetige dieren, hebben my doen befluiten, dat het Americaansch vergift, op de huid gelegd zynde, schoon dezelve naauwlyks door eene krabbing ontveld is, den dood kan veroorzaaken, hoe wel niet altyd, en in alle omstandigheden. De grootste dieren wederstaan de werking van dit vergift het gemakkelykst, en wanneer zelfs de zwakste dieren 'er niet van sterven, bevinden zy zig in korten tyd zoo gezond als te vooren.

"Men behoeft omtrent een honderdste gedeelte van een grein van dit vergift, om een klein dier te dooden, en het is noodig, dat dit vergift ontbonden zy, om den dood te veroorzaken, of tot eenige verwarring van aanbelang in de dierlyke huishouding gelegenheid te geven.

"Wanneer 'er weinig bloedvaten in het aangetast deel zyn, word het kwaad niet medegedeeld, of is ten minsten niet doodelyk.

"De pylen zyn veel gevaarlyker en doodelyker, dan het vergift, het welk in water ontbonden is, en eenvoudiglyk op het gewonde deel gelegd word.

"Het vergift der pylen is krachtiger, indien men ze vooraf in warm water doopt; en dan werken zy met meer zekerheid en gezwindheid. Deszelfs werkzaamheid is nog veel grooter, indien men de pylen doopt in het vergift, het welk in water tot de dikte van een drank gekookt is.

