# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

## Part 64

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-3ee67462/index.md

Na deeze aanspraak, welke hy met zedigheid aanhoort, geeft men hem eene meenigte slagen, om hem daar door te kennen te geven, wat hy al te lyden zoude hebben, indien hy in de handen van de vyanden zyner natie viel. Geduurende de uitvoering daar van, staat hy regt over einde, met de handen kruislings op het hoofd. Elke Capitein geeft hem op het lyf drie zwaren slagen met wortels van palmboomen. Dit wordt twee malen daags geduurende zes weken herhaald. Men slaat hem op drie plaatsen van het lichaam, op de borst, op den buik, en op de dyen. Het bloed stroomt; en in de zwaarste pyn moet dit aanstaande Opperhoofd geene de minste beweging maken, noch de geringste blyk van onverduldigheid betoonen. Hy keert vervolgens naar zyne gevangenis te rug, en heeft vryheid om in zyne hangmat te gaan liggen; boven dezelve plaats men, als zegeteekenen, alle de roeden, die ter zyner kastydinge gediend hebben. De jonge lieden, tot zyne wooning behoorende, maken dezelve, ook staande dat de kastyding wordt uitgeoeffend; en vermits elke Capitain niet meer dan drie slagen geeft, heeft men zeer veele roeden noodig, wanneer het getal van die Capitains groot is.

Indien hy dit zes weken lang doorstaat, beproeft men hem nog: op eene andere wyze. Alle de Opperhoofden der natie verzamelen zig by elkander, deftig uitgedoscht, en verbergen zig, in den omtrek van zyne woonplaats, tusschen de struiken, van waar zy een afgryzelyk geschreeuw doen hooren. Met de pyl op den boog gespannen, treden zy op eene ruwe wyze in zyne woning; zy neemen hem mede, schoon door zyn vasten, en de ontfangene slagen reeds sterk verzwakt. Zy dragen hem in zyne hangmat, binden dezelve aan twee boomen vast, en doen 'er hem uitgaan. Even als de eerste keer, bereidt men hem door eene aanspraak tot het geen hy zal ondergaan; en om zynen moed op nieuw te beproeven, geeft elk hem een en geesselslag, nog veel harder dan bevorens. Hy gaat vervolgens weder liggen; en men legt rondom hem hoopen van zeer stinkende kruiden, die men in brand steekt, zoo dat hy 'er de hette met smarte van gevoelt, maar echter zoo, dat de vlam hem niet raken kan. De rook alleen, die hem van alle kanten omringt, doet hem zeer veel ongemak lyden. Hy wordt half gek in zyne hangmat, en zoo hy in dezelve blyft, vervalt hy in zulke zwaare flaauwten, dat men hem voor dood zoude houden. Men geeft hem eenigen sterken drank, om zyne kragten te herstellen; maar hy koomt zoo dra niet tot zig zelven, of men verdubbelt het vuur, en doet hem nieuwe vermaningen. Terwyl hy midden in dit lyden is, brengen alle de anderen hun tyd door met rondom hem te zitten drinken. Eindelyk, wanneer zy denken, dat hy op den hoogsten trap van zwakte is, doen zy hem een halsband en een gordel om, gemaakt van bladeren, welken zy met groote zwarte mieren vullen, wier steek uittermaten pynlyk is. Deeze beide verciersels hebben schielyk het vermogen, om hem door nieuwe pynen te doen ontwaken. Hy staat op, en, indien hy nog kragten genoeg bezit om over einde te staan, giet men hem door een zeef een geestryk vocht over het hoofd. Dadelyk gaat hy zig in de naast by zynde Rivier of Fontein wasschen, en keert naar zyne wooning te rug, alwaar hy een weinig rust kan nemen. Men doet hem zyn vasten aanhouden, maar met minder gestrengheid. Hy begint klein gevogelte te eeten, doch geene anderen, dan die door de overige Capitains gedood zyn. De mishandelingen verminderen, en het voedzel vermeerdert trapsgewyze, tot dat hy zyne voorige kragten herkregen heeft. Als dan wordt hy verklaart Capitain te zyn: men geeft hem een nieuwen boog, en al wat verder tot zyne waardigheid behoort. Intusschen dient deeze ruwe beproeving alleen om Krygs-Oversten, of Opperhoofden van minderen rang te maken. Om tot den eersten rang verheven te worden, moet hy in het bezit zyn van eene praauw, door hem zelven gemaakt, en die eenen langduurigen en moeijelyken arbeid vordert.

De manier des Lands, om Artsen, by hen Pieis of Piaies genaamd, te maken, is niet minder merkwaardig. Die deezen voornaamen eere-post begeert, brengt eerst omtrent tien jaaren door by eenen ouden Arts of Piaie, wien hy verpligt is ten dienste te staan, deszelfs onderwyzingen ontfangende. Deeze oude Arts geeft acht, of hy de noodige verëischten heeft: hy moet boven de twintig jaaren oud zyn.

Wanneer de tyd der beproevinge gekomen is, doet men den aanstaanden Arts vasten, met meerder gestrengheid zelfs, dan omtrent den Capitain plaats had. De oude Piaies af Artsen verzamelen zig by elkander, en sluiten zig met hem in eene hut op, om hem het voornaamste geheim van hunne konst, in bezweeringen bestaande, te leeren, In plaats van hem te geesselen, laat men hem danssen, doch met zoo weinig tusschenpoozing, dat, gemerkt den staat van zwakte, waar in hy zig reeds bevindt, hy spoedig in bezwyming nedervalt. Dan doet men hem ook gordels en halsbanden aan, vol met groote zwarte mieren. Om hem met de geweldigste middelen gemeenzaam te maken, steekt men hem vervolgens eene zoort van tregter in den mond, waar door men hem eene groote meenigte van tabak-sap doet doorzwelgen. Zulk een vreemd geneesmiddel veröorzaakt hem ontlastingen, die zelfs tot bloedstortingen overslaan, en verscheiden dagen duuren. Wanneer deeze laatste beproeving is afgeloopen, verklaart men hem tot Piaie of Arts, en dat hy met het vermogen, om alle zoorten van ziekten te geneezen bekleed is. Om echter die beproeving nog te doen aanhouden, moet hy drie jaaren lang vasten, daar in bestaande, dat hy het eerste jaar niets anders eet, dan gierst en cassave; het tweede jaar eenige vrugten, met deeze zelfde zoort van brood; en het derde jaar, dat hy zig vergenoegt, met daar by nog eenig klein gevogelte te voegen. Maar de meeste gestrengheid bestaat in het onthouden van sterke dranken. Geene Piaies, of Artsen, hebben het recht om hunne konst te oeffenen, dan na deezen loopbaan van beproevingen te hebben afgeloopen. Wanneer één van hun by een zieken geroepen wordt, onderzoekt hy denzelven, betast hem alle de deelen van het lichaam, drukt dezelven, blaast 'er op, en eindelyk maakt hy een klein afgeschoten vertrekje in de nabyheid van de hangmat, waar in de zieke ligt. Hy overdekt dit vertrekje met bladeren, en begeeft zig in het zelve met alle zyne geneeskundige werktuigen, die in eene zoort van weitas besloten zyn, en houdende eene groote calebas in de hand, gevuld met drooge en harde zaden, veel naar peper gelykende. Dezelve dient om den Duivel te bezweeren, dien men altyd als de oorzaak der ziekten beschouwt. De Piaie, of Arts, in zyn vertrekje opgesloten, schudt deeze calebas om, maakt een groot geraas, zingt, schreeuwt, en roept zyne Godheden aan. Hier mede houdt hy aan twee of drie uuren lang. Eindelyk, zyne stem veranderende, eenige zaadkorrels in zyn mond steekende, en met eene kleine calebas voor den mond sprekende, hoort men deeze ontzettende woorden: "De Duivel is tegen den zieken uittermaten vergramd; hy wil hem doen omkomen, na hem een geruimen tyd gemarteld te hebben." De omstanders, over deeze uitspraak ter neder geslagen, maken een akelig geschreeuw, en smeeken den Piais om den boozen geest te vrede te stellen, al moest ook alles, het geen het huisgezin bezit, daar aan worden te kost gelegd. Hy geeft gehoor aan deeze verzoeken, en bezweert den Duivel, om zig te laten bewegen. De donderende stem antwoordt, dat deeze of geene zaak daar toe noodig is, en aanstonds wordt dezelve gegeven. Vervolgens is het dienstig te weten, welke de zitplaats van de kwaal is, en welk geneesmiddel men tegen dezelve behoort te bezigen. Daar op volgen nieuwe bezweeringen, nieuwe verzoeken en nieuwe geschenken. Wanneer men aan den kwakzalver alles gegeven heeft, waar in hy lust had, zuigt hy aan het deel, in 't welk de zieke het meeste ongemak gevoelt, en kleine stukjens been, welken hy vooraf in zyn mond gestoken heeft, uitspuwende, zegt hy: zie daar de oorzaak van de kwaal; haast u dezelve te verbranden, en zyt verzekerd, dat de zieke in 't kort hersteld zal zyn.

Deeze voorzegging wordt nu en dan bewaarheid; want 'er worden dikwils wonderbaarlyke geneezingen gedaan, door de verbeelding op eene levendige wyze gaande te maken. Indien het tegendeel gebeurt, en de zieke koomt te sterven, verklaart de bedrieger, dat de geschenken aan den Duivel niet met een goed hart gegeven zyn, het geen deszelfs gramschap op nieuw heeft aangezet. Een van deeze Piaies, of Artsen, meer minziek, dan inhaalend zynde, liet de geenen, die hem raadpleegden, van gebrek vergaan, en deedt vervolgens aan hunne weduwen den voorslag tot een huwelyk. Hy wierd de man van drie vrouwen, welken hy op deeze wyze verkreeg.

Hoe helachelyk ook de voorschriften deezer Artsen zyn mogen, zy worden altyd naar de letter uitgevoerd. Van hun eerste bezoek af, schryven zy een gestreng vasten aan den zieken, en aan alle zyne nabestaanden voor. De Othomacos besproeijen de zieken aanhoudend met koud water; eene manier, die hen spoedig van kant helpt. De Quaybas en Chiricos dompelen dezelven, tot aan den hals, in geweekte kley, of water, om hun van de koorts te geneezen; en schoon men hen doorgaans dood vindt, wanneer men 'er hen wil uithalen, blyven zy niettemin by dit gebruik, hoe ongerymd en gevaarlyk het ook zyn moge.

De Indianen zyn de meesten hunner ziekten verschuldigd aan de gewoonte, om zig al te dikwils met sterke dranken, welken zy weeten te bereiden, dronken te drinken. Zy zouden zig zelven kunnen behandelen, indien zy minder vooroordeelen hadden. Een zeer groot aantal van hun leeft tot by de honderd jaaren. De kennis, welke zy van verscheiden enkelvoudige geneesmiddelen hebben, stelt hen in staat, om wonderbaarlyke geneezingen te bewerken. BIET beweert, dat zy een zekeren wortel hebben, die de vergiftigdste wonden geneest, en de kragt bezit, om gebroken pylen uit te trekken. Hy verzekert deezen wortel gehad, en op het Eiland Barbados geplant te hebben. Maar waar koomt het doch by toe, dat andere reizigers hier van niet spreken?

In weerwil van het zoo even verhaalde, ten aanzien van de Artsen der Indianen, beschuldigt men deeze volken, over 't algemeen, van eene groote verwaarloozing van alle zieken. Het is hun zeer onverschillig, of de zieke eenig voedzel gebruikt, of niet. Wanneer het uur van hunne maaltyd gekomen is, vergenoegen zy zig, met, zonder een enkel woord te spreken, een gedeelte eeten, het welk men hun heeft toegediend, onder zyne hangmat te plaatsen. Met dit al hoort men den zieken nimmer klagen, noch het minste geschreeuw maken, welke pyn hy ook lydt. Hy sterft met eene verbaazende gerustheid, niets vreezende, noch hopende na dit leven. Die geenen van deeze volken, welke de onsterflykheid der ziel gelooven, verbeelden zig, dat dezelve rondom hunne graven omdwaalt.

ZESDE HOOFTSTUK.

Behandelingen, welken de Indianen in Fransch Guiana ondergaan hebben.--Middelen om hun voor de Völkplanting nuttig te maken.

In het begin, toen de Franschen zig in Guiana nederzetteden, stelde men de Indianen in eenen staat van slavernye, en maakte hen tot een voorwerp van koophandel. De Regeering dit hatelyk misbruik verboden hebbende, zoo dra zy daar van kennis kreeg, deedt men het zelfde ten aanzien van de Indianen, die uit de Binnen-Landen kwamen, en aan andere Europeesche volken toebehoorden. Wanneer eindelyk dit laatste middel door gestrenge verbonden ontnomen wierd, veröorloofden zig de blanken, van het vertrouwelyk character der Indianen, en hunne geneigdheid tot sterke dranken, misbruik makende, om dezelven, gedeeltelyk met hunne toestemming, gedeeltelyk met geweld, tot arbeid en diensten te gebruiken, waar voor zy hun zeer slegt betaalden.

Wanneer middelen van overreding daar toe niet meer hielpen, stelde men beveelen van de Regeering of Bevelhebbers in de plaats. Door een gebruik, het welk eenigermaten tot een wet geworden was, bestond het loon, het welk deeze arme Indianen voor een maand arbeids genoten, in anderhalf el van eene grove roode stof, die men hun voor zes livres aanrekende.

De Gouverneurs noodzaakten de sterkste manspersoonen van dit merkwaardig volk tot lange en moeijelyke diensten, tot jagen en visschen, ten behoeven van de Opperhoofden der Volkplanting.

Hier van was het gevolg, dat deeze ongelukkigen, die, om van hun onderhoud zeker te zyn, geduurende het goede jaargetyde hadden behooren te arbeiden, naar hunne woonplaatsen te rug keerden op een tyd, dat zy zig tot deezen zoo hoognoodigen arbeid niet meer begeven konden. By hunne aankomst vonden zy dikwils hun huisgezin ten prooy van hongersnood, of ten minsten half vervallen. Wanhoop, ellende, slecht voedzel, het welk men zomtyds aan de beesten niet gegeeven zoude hebben, deeden hen eindelyk sneeven.

Zulk eene verkeerde handelwyze had tot haaren grondslag het vooröordeel van de meeste blanken, die verönderstelden, dat deeze Indianen een slag van menschen waren, verre beneden hun, en geschikt, om aan hun onderworpen te zyn. Dit ongerymd denkbeeld was strydig met de beveelen, welken de Regeering ten deezen opzigte altyd gegeven heeft. Dezelve had de Indianen voor vrye menschen verklaard, die met de blanken gelyk stonden; en nimmer hebben de voornaamste en gegoedste inwooners eenig vooröordeel gehad, tegen de huwelyks verbintenissen met Indiaansche vrouwen, noch tegen de kinderen, die daar uit geboren werden, en van de Europeesche in 't minst niet onderscheiden zyn.

Zy, die binnen 's Lands, uit hoofde van hunne posten, deeze buitensporigheden behoorden tegen te gaan, waren 'er dikwils zelve schuldig aan, of ten minsten zy gedoogden dezelven. Zulk een gedrag heeft ongevoelig den ondergang of de verhuizing van een groot getal Indianen veroorzaakt. Alle de landstreeken in de nabuurschap onzer bezittingen gelegen, zyn 'er thans door ontvolkt

De Burger LESCAILLIER, van wien wy deeze byzonderheden ontleenen, stelt zig zelven de vraag voor, of men het ongeluk van deeze volken niet berokkenen zoude, door hen in de zelfde maatschappye met ons te doen leven, en onze zeden en gebruiken te volgen? Hy antwoordt neen, mits men hun op eene rechtvaardige wyze behandelde. Door hen te beschaven, en in gemeenschap met de blanken te brengen, zeg hy, zal men den haat en de jaloersheid uitdooven, die de verschillende Indiaansche volken verdeelen; men zal hen allen, ten langen lesten, tot een eenig volk zamen smelten. Men zal de vooroordeelen, die hun verblinden, doen verdwynen. Zy zullen het zeker vooruitzicht hebben op een bestaan, het welk, in hunnen tegenwoordigen staat, maar al ta dikwils wisselvallig is.

By de voortbrengzels, die het Land van zelf oplevert, zullen zy die geenen voegen, welken de arbeid hun in meerder overvloed en volkomenheid bezorgt. Tegen verruiling van hunne waaren, zullen zy zig gereedschappen, gewerkte stoffen, koopwaaren aanschaffen, waar van zy nu, of in 't geheel niet, of slechts gebrekkig voorzien zyn. Men zal voor al zorge dragen, om hun vee van allerleije zoort te beschikken, waar voor zy het noodig voedzel verkrygen zullen, door, na het omhakken der bosschen, weilanden aan te leggen, Door onder dit volk werkzaame blanken te vermengen, zal men hun den landbouw, de handwerken en de noodzakelykste konsten der Europeanen leeren. Eenige weinige jaaren zullen voldoende zyn, om deeze kwalyk bestuurde, en zoo lang verachte, landstreek van gedaante te doen veranderen,

De straks genoemde Bestuurder had eenigen van deeze middelen beproefd, en daar van reeds blykbaare uitwerkingen bespeurd.

De Indianen, die onder de zendelingen van Macary waren ingelyfd, hadden levensmiddelen, catoen, tabak, voortgeteeld. Zy hadden gezouten visch, maniok meel, (couac,) tabak in carotten, op de Brazilsche manier, in de hoofdplaats aangebragt: wel is waar, in eene kleine hoeveelheid, maar genoegzaam, om daar van voor het vervolg goede gedachten te vormen. De meesten droegen kleederen en schoenen naar de manier der blanken, wier taal zy ook spraken. De vyf Hoofd-Capitains, of Opperhoofden van dit Gewest, beesten gevraagd hebbende, om aan te kweeken, deedt men 'er hun eenigen toekomen.

Die van Conani bereikten byna denzelfden trap van beschaafdheid.

De Indianen van de Rivier Aprouago, ten getale van twaalf honderd, hebben dezelfde vorderingen gemaakt. Zy hebben gebruik gemaakt van de volkomene vryheid, die hun, met opheffing van alle diensten, was te rug gegeven, en zy hadden reeds regelmatig aangelegde Catoen- en Koffy-Plantagiën tot hun eigen onderhoud. Eene aanmerkelyke verhuizing van Indianen uit de Binnen-Landen, door het zagter Regeerings-bestuur, het welk ten aanzien deezer volken meer en meer werd in acht genoomen, uitgelokt, vermeerderde het getal der inwooners in den omtrek der Rivier Aprouage.

De Indianen, by de Rivier Kaw woonende, ten getale van meer dan vyftig, hadden insgelyks zeer fraaije beplantingen. Zy hadden ook het voornemen, om beesten te weiden.

Van de Rivier Kaw, tot aan de Rivier Kourou, vindt men geen enkelen Indiaan. By de laatstgemelde waren twee bevolkingen, uit omtrent zestig persoonen bestaande, zynde het ongelukkig overschot van een zeer groot aantal, die voor de rampzalige volkplanting, in 't jaar 1763 ondernomen, in dit gedeelte gevonden werden.

Een Planter, genaamd TERRASON, en woonende te Carouabos, omtrent twee en een halve myl onder den wind van Kourou, heeft in zyne nabyheid een klein Indiaansch volk by elkander verzameld, en eenigermaten tot zyn eigen aangenomen. Hy heeft hen tot den landbouw aangemoedigd. Hun eenig denkbeeld van onze genietingen gevende, heeft hy hun geleerd zig dezelven door hunnen arbeid aan te schaffen. Hy heeft hen vooral onderwezen in de konst van beesten te weiden, eene konst, waar van hy hun alle de voordelen geleerd heeft.

De Indianen van de landstreek van Siniamary zyn, even als de anderen, van alle slaafsche diensten omtrent de blanken vry gesteld. Zy hebben beplantingen aangelegd, waar toe men hun eenige gereedschappen geschonken heeft.

Anderen van dezelfde nabuurschap hebben om beesten verzogt, Zy waren daar toe, zoo door de Regeering zelve, als door het voorbeeld der Indianen van Iracoubou, die tien koeyen en een stier ontvangen hadden, uitgenoodigd. Men bezorgde hun, twee maanden lang, iemand, die hun in het oppassen van hun vee onderrigtte. Dezelfde persoon moest zig van tyd tot tyd vervoegen by de andere Indianen, die zig op de veefokkerye toeleiden.

Men oordeelde het nuttig te zyn, om in het gedeelte, dat onder den wind gelegen is, te Mana en te Marony, twee bevolkingen aan te leggen, en daar door eene verzameling van Indianen van geregelde levens-manieren te maken. Behalven de oogmerken van burgerlyke beschaving en bebouwing der landen, stelde men een geschikt Opperhoofd aan, om deeze Indiaansche volken te bestuuren, daar mede bedoelende, om met hun in door hun bewerkte goederen handel te dryven, en hunne geduurige reizen naar Surinamen voor te komen, van waar zy de benoodigde koopwaren by verkiezing gingen halen, niet alleen om dat zy 'er digter by woonen, maar vooral, om dat zy dezelven aldaar van betere zoort vinden.

Door deeze middelen, en eene aanhoudende oplettendheid, kan men den algemeenen welvaart van eene Volkplanting bevorderen, die al den aandacht der Regeering verdient. De volkrykheid der aldaar woonende Indianen zal van zelve vermeerderen. Hun voorbeeld zal uit de Binnen-Landen, zelfs uit die streeken, welke buiten onze grenspalen gelegen zyn, verscheiden van hunne nabestaanden en bondgenooten lokken; iets, waar mede zy zig reeds beginnen bezig te houden. Een der Capitains had het ontwerp gevormd, om naar Hollandsch Guiana te gaan, en zelfs tot aan de Rivier Orenoco, van waar hy dagt verscheiden Indianen, zyne nabestaanden of vrienden zynde, mede te brengen, door hun berigt te geven van de manier, op welke zy by de Franschen werden aangemoedigd.

Het oogmerk van den meergemelden Bestuurder was bovendien, om dit volk door huwelyken met de blanken tot eene gemengde zoort te maken, en die huwelyken te bevorderen, zoo dikwils hy onder hun een vlytig en braaf man, die in eene Indiane zin had, gevonden zoude hebben. Insgelyks zoude hy Indianen hebben laten trouwen met blanke vrouwen, die van goede zeden en arbeidzaam waren. Men zoude aan de mannen landeryen, en aan de vrouwen gereedschappen, werktuigen tot den landbouw behoorende, beesten, en dingen van de eerste behoefte, tot eene huwelyks-gift gegeven hebben. "Geduurende het kort verblyf, door my in deeze Volkplanting gehouden, zegt de Burger LESCAILLIER, heb ik slechts twee van deeze huwelyks verbintenissen kunnen beproeven, die my zyn toegeschenen volmaakt gelukt te zyn." [88]

Op die wyze zoude men uitgestrekte Landen, die, tot hier toe, byna geheel aan de Natuur waren overgelaten, in gelukkige, volkryke en wel bebouwde Landstreeken, hervormd zien. Het Fransche volk, wiens bezittingen in Guiana niet meer dan groote woestenyen zyn, zoude in de daad eigenaar worden van een Land, byna zoo uitgestrekt, als Frankryk zelve. Het zoude eene talryke bevolking tot zig trekken, bestaande uit eene zoort van inboorlingen, hoedanigen men in geene van onze andere Volkplantingen ontmoet.

ZEVENDE HOOFTSTUK.

Hooge en lage Landen.--Timmer-hout.--Voortbrengzels van Fransch Guiana.--Levens-middelen, tot de tafel dienende.

Wanneer men de reize van den Capitain STEDMAN gelezen heeft, is het minder noodig, om nopens de voortbrengzels van Fransch Guiana breedvoerig te handelen.

In Guiana onderscheidt men, in 't algemeen, hooge en lage Landen. Laaten wy met de beschryving der laastgemelden beginnen.

De kusten van Guiana worden byna overal door laage en verdronkene landen omzoomd. Dezelve bestaan uit groote vlakten, door het afloopen van het zee-water gevormd wordende, waar van veelen kortlings opgekomen, anderen zedert eeuwen herwaards aanwezig zyn. Deeze zoorten van vlakten worden by elk gety tot de hoogte van één voet, agttien duimen, of twee voeten, iets meerder of minder, overstroomd, en loopen weder droog. Zy zyn overäl bewassen met Paletuvier-boomen, of eenige andere groote planten, die op een slyk-grond, waar in men ten minsten tot aan de kniën inzakt, ondoordringbaare bosschen uitmaken. Van dien aart is het Land aan alle de zeekusten, tot de diepte van drie of vier mylen, gelyk ook langs de oevers der voornaamste Rivieren.

Men ziet dikwils deeze slykbanken, door de zee aan de kust van Guiana aangespoeld, gezwinden voortgang maken, en de roode Paletuvier-boomen aldaar welig opgroeijen. Op gelyke wyze vormen zig ook Eilanden in de monden der Rivieren, en zelfs hooger, op die plaatsen, waar ebbe en vloed plaats heeft. By beurten, zonder dat men 'er eenig juist tydperk van bepalen kan, brengt de zee, in plaats van slyk aan te spoelen, zand en schelpen op de kust. Als dan vormen zig zandbanken, of eene zoort van lange niet zeer hooge duinen, en de roode Paletuvier-boomen, die niet dan in zout water groeien, zig van het zelve beroofd vindende, sterven van tyd tot tyd.

