# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

## Part 59

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-3ee67462/index.md

De Planters van Jamaica en Grenada hebben zedert lang het ontwerpen van Reglementen voor hunne Volkplantingen in den zin gehad. Een van hun laat zig in dit opzigt in deeze merkwaardige woorden uit. "Het staat in onze macht, om den welvaart van tweemaal honderd duizend menschen, wier arbeid ons het dagelyks middel van bestaan verschaft, te bevorderen; wy hebben het vermogen van, om zoo te spreken, eene nieuwe schepping te vormen. Welk edeler voorwerp kan immer onzen yver aanvuuren, en de natuurlyke neiging, die ons tot weldadigheid heen leidt, opwekken? Wanneer men de zaak uit het oogpunt van ons persoonlyk belang beschouwt, is het zeer zeker, dat hoe meerder menschelykheid iemand bezit, hoe beter staatkundige hy is: dus zullen wy door de neiging van ons hart te volgen, den welvaart van onze bezittingen, met der menschen goedkeuring, en des Hemels zegen zamen paaren.

De Planters van Grenada hebben in hunne Volksvergadering Reglementen van inwendige Politie, en wetten ten voordeele der slaven, vast gesteld, waar by zy, in hunne Acte van 4 November 1788. deeze verstandige inleiding laten voorafgaan.

"Overwegende, dat de noodzakelykheid van den invoer van Negers zal ophouden op het oogenblik, dat zy met menschlievenheid behandeld, en niet meer met onmatigen arbeid bezwaard zullen worden, en men dus op de wetten der natuur in de vereeniging der kunnen acht zal geven;

Gemerkt, dat de wetten, die tot hier toe tot handhaving der slaven zyn afgekondigd, onvoldoende bevonden zyn; en de menschelykheid, zoo wel als het belang der Volkplanting, vordert, dat men de slavernye zoo dragelyk make, als mogelyk is, om de volkrykheid der Negers te bevorderen, het eenig middel, om de noodzakelykheid hunner invoering van de Americaansche kusten door den tyd geheel te vernietigen;

En gelet, dat men zulk een heilzaam oogmerk niet kan bereiken, dan door aan de magt der meesters, en van de geenen, die met het opzicht over de slaven belast zyn, palen te stellen; het zy door hen te verpligten, om hun op eene gepaste wyze van huisvesting, voedzel en kleeding te voorzien, het zy door hun onderwys en goede zeden te beschikken, hen aan te zetten tot het aangaan van huwelyken, tevens deeze wettige verbintenissen eerbiedigende en beschermende: om alle deeze redenen", enz.

Zonder van stuk tot stuk de Reglementen op te geven, die het gevolg van deeze Acte zyn, noch ook alhier te ontvouwen, wat men van dien aart het best zoude kunnen doen, indien men, met reden en menschlievendheid, de hier boven uitgedrukte gevoelens ter uitvoer trachte te brengen, is het genoeg door deeze twee voorbeelden aan te toonen, dat de Planters zedert lang gevoeld hebben, dat hun eigen belang dergelyke wetten vorderde, dat deeze wetten noodig waren tot in stand houding en aanwas der bevolking, om den invoer der zwarten van de Africaansche kust te vernietigen, als mede tot groot voordeel der inwooners.

Het Reglement op het bestuur der Plantagie vast gesteld en in schrift gebragt zynde, zoude op de werkplaatsen gelezen en afgekondigd, en van tyd tot tyd vernieuwd worden: men zoude daar by voorziening doen omtrent het voedzel, de kleeding, en de woning der Negers: men zoude hun den eigendom van hunne tuinen, vogelaryen, en beesten-kwekeryen verzekeren: men zoude daar by melding maken van het bezorgen van oppassing aan de zieken, oude lieden en verzwakten; aan de zwangere vrouwen, aan de zoogsters en kinderen: dat de noodige voorzorgen gebruikt zouden worden tot handhaving der goede zeden, tot onderwys der jeugd, en de goede orde in de huisgezinnen, enz.

Te gelyker tyd zouden de uuren van arbeid daar by worden aangewezen, als mede het geregeld bestuur en onderwerping. De geringe misslagen zouden gestraft worden, na dat de beschuldigde in tegenwoordigheid der verstandigsten en oudsten van de Plantagie zoude zyn gehoord: de misdaden zouden aan de gewoone Rechters verwezen, en volgens de wet gestraft worden. Voor deugdryke en uitmuntende daden zouden belooningen plaats hebben.

Geene Plantagie zoude door deeze beschikkingen in wanorde geraken: integendeel zouden de Planters by deeze verbetering in het bestieren der zwarten onëindig veel winnen, uit hoofde van derzelver gehechtheid aan hunne meesters en hunne gewilligheid tot den arbeid.

Dit ontwerp tot stand gebragt zynde, zal men, van dien tyd af aan, de benaming van slaven en slavernye veranderen: het waare anders te vergeefs de zaak zelve te hervormen; zy zoude altyd een hatelyk voorkomen blyven behouden; zy zoude weder tot den vorigen stand vervallen, indien men een gehaten naam liet blyven. In de daad, in den redelyken en gematigden staat, aan de Planters voorgeschreven door verstandige Reglementen, geene willekeurige, geene wreede behandeling gedogende, zouden hunne verpligtingen, zoo wel als hunne rechten, door vaste wetten volkomen bekend, en zy geene eigentlyk gezegde slaven meer zyn.

'Er blyft dan niets meer overig, dan een enkelen stap te doen in den loopbaan der weldadigheid en goede bestiering, ten einde deeze gelukkige verandering te volmaken, de overgang namelyk van slavernye tot vryheid: gy zult my uwen aandacht nog een oogenblik niet weigeren.

Na dat men dus op eene wyze, die geen zweem van willekeurigheid meer overlaat, de werkzaamheden der arbeiders zal geregeld hebben, behoort men hun eene belooning toe te zeggen, om hen tot een goed gedrag en yverigen arbeid aan te moedigen; dit zoude moeten bestaan in een gedeelte van de inkomsten der Plantagie, in het begin een klein gedeelte, en alleenlyk een tiende van de zuivere voortbrengzels.

Het is meer dan waarschynlyk, dat deeze uiterlyke opöffering van een gedeelte der inkomsten, door den eigenaar aan zyne arbeiders overgelaten, ten minsten deeze inkomsten op dezelfde waarde zal houden; naardien het belang, het welk de zwarten zelve daar by hebben, hen zal aanzetten, om met den meesten yver te arbeiden, om met lust mede te werken tot bevordering van den welvaart der Plantagiën, en de inzameling der vruchten, tot het beletten der diefstallen, tyd verspillingen, en verscheidene misbruiken, welken de al te strenge bestiering der slaven doet vermeenigvuldigen.

Wie is 'er, hy moge nog zoo veel bezet zyn met vooröordeelen, welke thans nog eenige Colonisten, voorstanders der slavernye, verblinden, die gelooven kan, dat de Plantagiën in het byzonder, en de Volkplantingen in het algemeen, den trap van geluk, die aan haare volkrykheid geëvenredigd is, bereiken kunnen, zoo lang de arbeiders, by de vruchten van hunnen eigen arbeid, en de vermeerdering van den oogst, zelve belang hebbende, daar toe geenen yver aanwenden, die men onmogelyk verwagten kan van een zoort van beesten, die door zweepslagen geregeerd worden, en wier eenige hope bestaat in eenige uuren rust te genieten, en kastydingen te ontduiken.

Wanneer men door de ondervinding van één of twee jaren gezien zal hebben, dat de arbeiders zig onder dit nieuw ontwerp wel gedragen hebben; dat dit tiende gedeelte der vrugten, tot eene belooning aan de zwarten gegeven, de uitwerking gehad heeft, welke men 'er zig van had voorgesteld; dat deeze Plantagiën 'er niet door geleden hebben, maar veel eer door bevoordeeld zyn, zal men deeze belooning vermeerderen, en, in het volgende jaar, tot een negende gedeelte der zuivere vrugten brengen, ten einde als nog te beproeven, of, door deeze opoffering, de inkomsten op dezelfde waarde voor den eigenaar blyven zullen.

Ik twyffele ann den goeden uitslag niet, daar ik zelf in de gelegenheid geweest ben, om 'er eenige proeve van te nemen, en ik verzekere u, dat deeze belooning, of dit aandeel in de inkomsten, aan de arbeidende Negers toegestaan, van jaar tot jaar kan vermeerderd worden. Men zal het van tyd tot tyd tot een agtste, een zevende, een zesde, een vyfde, een vierde, en eindelyk tot een derde der zuivere inkomsten brengen, zonder dat daar door de eigenaar zelf eenige vermindering ondervindt. Dit derde der inkomsten, door den Planter aan de arbeiders afgestaan, zal zyne eigene inkomsten nog des te meer verzekeren; en de uitvoer van koopwaren uit de Volkplanting zal vermeerderd worden met dit derde, het welk mede onder de voorwerpen van den koophandel komen zal. De invoer van koopwaren zal in gelyke evenredigheid vermeerderen door de verteeringen, welken de Negers, thans eene zekere zoort van levens-gemak genietende, maken zullen; en deeze menschen, tot hier toe toe zoo mishandeld, zullen allengskens hun geluk beginnen te zien, en hunne meesters beminnen.

Ik begryp, dat de trapswyze voortgang in dit ontwerp, dien men noodzakelyk behoort te volgen, een tydvak ten minsten van negen jaaren noodig heeft. In het tiende jaar (of zoo dra deeze ondervinding zal gevestigd zyn, en de goede uitwerkzels van deeze huishouding zullen zyn gebleeken,) zal men deeze schikking tot eene vaste wet maken, die de rechten der eigenaars en arbeiders met billykheid zal regelen; tot eene wet der Volkplanting, waar in niet meer gesproken zal worden van slavernye, maar van een wederkeerig verdrag tusschen de arbeiders en de eigenaars van den grond.

Het is gemakkelyk te bezeffen, dat door deeze maatregelen, welken ik hier in het ruwe schetse, langzamerhand in werking te brengen, geen groote eigendom in wanorde geraken zal; maar dat de volkrykheid der Negers onder een menschlievender bestuur zal aanwassen. Deeze gelukkige verandering zal bewerkt worden, zonder eenigen schok of beweging te veroorzaken. Deeze arbeiders zullen zig, langzamerhand, en als ongevoelig, aan eene zekere gemakkelykheid en aan eene betere levens-manier gewennen, die hun goed gedrag, hunne werkzaamheid en vlyt ten grondslag hebben zal. 'Er zal in hunne denkbeelden geene overylde omwenteling plaats hebben, waar door men eenig kwaad gevolg te vreezen heeft, dewyl de eerste aanbiedingen slegts voorwaardelyke gunstbewyzen zyn zullen, welken de meesters altyd zullen kunnen intrekken, in geval de Negers zig dezelven onwaardig maken mogten.

Huisgezinnen, die zig toeleggen om hunne inkomsten een weinig te besparen, ten einde kleine afzonderlyke eigendommen te verkrygen, zullen gelegenheid vinden, om het bezit daar van te bekomen: zy zullen daar door een bewys van hunne bekwaamheid ten toon gespreid, en een waarborg voor hun toekomend goed gedrag gegeven hebben. Deeze verhuizingen van zommige huisgezinnen der arbeiders, die van tyd tot tyd groote Plantagiën verlaten zullen om kleine op te rigten, zullen op de eerstgemelden door den ontwyffelbaaren aanwas hunner volkrykheid rykelyk vervuld worden.

Naar mate de Colonisten tot deeze oogmerken van menschlievendheid en goede orde de hand zullen leenen, door voor het uiterlyke de edelste opöffering te doen, zullen zy hun eigen voordeel behartigen; men zal de Volkplantingen en den koophandel meerder zien bloeijen: men zal aldaar meerder gerustheid, meerder veiligheid, een aanhoudende aanwas der bevolking ondervinden, zonder eenig middel van geweld, of het welk met goede grondbeginzelen strydig is, te bezigen. Om hier van overtuigd te zyn, behoeft men zig slechts deeze alöm bekende waarheid voor oogen te stellen, dat de bevolking overal zigtbaar aanwast, waar voorspoed en middelen van bestaan gevonden worden.

Deeze regelmaat, op reden, rechtvaardigheid en goede Staatkunde gegrondvest, is in de Fransche Volkplantingen, die deeze omwending ondergaan hebben, niet gevolgd geworden. Alles is by deeze volken aan het gisten en in wanorde geraakt. Geene der partyen, van welke classe ook, wilde opregtelyk de vryheid, noch den algemeenen voorspoed; geene derzelven wierd door oprechte oogmerken gedreeven, maar allen wierden zy aangezet door haat, door het een of ander denkbeeld van haatlyke beschuldiging, en voor al door een lust tot plundering, die door wanorde zoo wonderbaarlyk geholpen word. De Regeering, die opzettelyk de Volkplantingen kwalyk bestierde, om 'er de omwenteling te doen vervloeken, en het Koningschap te doen beminnen, heeft de wanorde vermeerderd door een zoort van lieden, welken zy met haar gezag bekleed heeft. De Nationale Conventie, die over 't algemeen de zaken der Volkplantingen met een onverschillig oog beschouwde, heeft zig door die partye, welke de vryheid naar het hart stak, door tegenstrydige besluiten, die met de grondbeginzels niet strookten, laten wegslepen.

Vervolgens is het stelzel van ROBESPIERRE gekomen, welke zeide: Laaten de Volkplantingen verloren gaan, liever dan dat men een oogenblik de grondbeginzels zoude doen wankelen. Men heeft de vryheid in de Volkplantingen verspreid, niet als een weldaad, maar als een middel van oorlog en verdediging tegen de bestryders der omwenteling, en de vyanden van het Gemeenebest. De regeeringloosheid en ongebondenheid hebben 'er zig meester van gemaakt, en men heeft 'er alle misdaden en driften toomloos zien woeden; deerniswaardige gesteldheid, waar in de slechtste menschen de teugels van 't gezag in handen krygen, en de brave en vreedzame lieden vermoord of verjaagd worden. De wanorde is ten hoogsten top gestegen, vooral in verscheiden gedeelten van St. Domingo, tot dat een wyzer bestuur, zig op de grondslagen van deeze vryheid vestigende, maar dezelve volgens de wetten en de Constitutie regelende, eindelyk deeze schoone bezittingen weder in orde gebragt heeft.

In onze arme Volkplanting van Caijenne is de oprigting der vryheid niet vergezeld geweest van eenige afschuwelykheid, in vergelyking van die van St. Domingo; maar de landbouw heeft 'er veel geleden: laten wy de oorzaken en de omstandigheden in overweging nemen, en wy zullen zien, dat men den gepasten weg niet betreden heeft, dien ik hier boven aan de Volkplantingen heb aangeraden, die de noodzaakelyk gewordene verandering van slavernye in vryheid nog niet ondergaan hebben.

Men heeft de vryheid der Negers, te Caijenne, zonder voorzorg en zonder bepaaling afgekondigd. Deeze schielyke en onverwagte overgang van onderdrukking tot toomloosheid is minder verderffelyk geweest, dan zy natuurlyk zyn moest, niet alleen, om dat deeze bevolking zeer klein en verstrooid is, maar ook om dat, zedert verscheiden jaaren, een menschlievend bestuur, het welk alle de onheilen der slavernye gevoelde, den weg tot deeze verandering gebaand had, door de wreedheden en het onredelyk gedrag der meesters in te toomen, en door aan de Negers jegens de blanken goedhartigheid en vertrouwen in te boezemen, door het wegloopen en zwerven uit te roeijen, en door de Negers te gewennen, om van hunnen arbeid een zeker voordeel te trekken, en zig zelven als menschen te beschouwen. De onderdrukking aldaar minder zynde, is de gisting ook minder geweest, op het oogenbik dat de oude orde van zaken vernietigd wierd: maar het was onmogelyk, dat menschen, verpligt voor anderen te werken, zonder eenig nut voor hun zelven, eensklaps vry en meesters van hunne daden zyn zouden, bekwaam om van gezagvoerende posten voorzien te worden, even als de geenen, die te vooren hunne meesters waren, en voor wien men hun tot hier toe eenen Godsdienstigen eerbied had ingeboezemd; het was onmogelyk, zeg ik, dat zy zig met aan eene onbezonnen vreugde zouden overgeven, en dat de Plantagiën, en dezelver bebouwing, niet in zekeren zin verlaten zouden worden, zoodanig zelfs, dat hunne zorgeloosheid hen noodwendig in gevaar moest brengen, om van honger te vergaan.

Toen men vervolgens deeze zwarigheid wilde afwenden, en deeze menschen door gezag tot den arbeid en landbouw te rug brengen, heeft men insgelyks verkeerde maatregelen genomen; men heeft de arbeiders willekeuriglyk op geheel andere Plantagiën geplaatst, dan op welken zy gewoon waren; men heeft het herstel van de eene begunstigd, en de andere laten verloren gaan, volgens den willekeur der bestuurders; men heeft de Negers op een daggeld van drie en vier stuivers gesteld, eene belooning, die geheel onvoldoende en bespottelyk was, die deeze menschen niet kon aanzetten, om met yver te arbeiden, en die tevens, hoe klein zy ook wezen mogt, voor de eigenaars tot een' grooten last was, daar zy dikwils van het werk der arbeiders zoo veel niet trokken, als noodig was, om die onkosten op te diepen.

Te gelyker tyd heeft men een zeer overbodig aantal van deeze arbeiders gewapend, naar mate van de uitgestrektheid der Volkplanting, die nimmer is aangevallen geworden. Men heeft uitgestrekte landstreeken, maar in welken byna geene andere bewooners, dan Aapen en Papegaaijen zyn, in orde geregeld: men heeft aldaar een geheelen stoet van bedieningen en posten ingevoerd, zoo als die in de meest bevolkte Fransche Gewesten gebruikelyk zyn: men heeft rangen, geld, ampten en gezag verleend aan menschen, die nog lezen nog schryven konden, en welken men tegen alle reden aan den landbouw onttrokken heeft.

Hoe zoude, in zulke omstandigheden, eene zoo weinig gevorderde Volkplanting niet verminderd en verslimmerd zyn? Maar zoo dra een verstandig Regeerings-bestuur aldaar een goed Reglement, betreffende de bebouwing der Plantagiën, zal hebben vast gesteld, op de grondbeginzels der Staats-regeling gebouwd, en op de vryheid steunende, volgens welken de arbeidende Negers een behoorlyk aandeel trekken van de inkomsten, die hunne arbeid aanbrengt, zullen de Plantagiën haaren aanwas spoedig hernemen.

Thans schiet nog overig eene zwarigheid op te lossen, die men tegenwerpt, betrekkelyk de groote uitschotten, die 'er noodig zyn, om de bebouwing der lage landen vol te houden: maar is 'er overal niet veel noodig, om nieuwe Plantagiën aan te leggen? en zyn de kosten, die men maken moet, met één, of twee jaaren, of zelfs iets langer, de arbeiders en bewerkers van den grond te betaalen, zonder voordeelen te trekken, in vergelyking te stellen met de kosten, die het aankoopen van Negers, en de sterfte onder dezelven, noodwendig moesten veröorzaken?

De zaak koomt my zoo klaar voor, dat ik, om dezelve duidelyker te bewyzen, niet oordeele noodig te hebben eene vergelykings-rekening tusschen den koop-prys der Negers, en de dag-gelden, die men eenigen tyd verpligt is te betalen, om het land tot het voortbrengen van gewassen, en het geven van eenen goeden oogst, toe te bereiden. Het is genoeg te hebben aangemerkt, dat men voor den prys, dien men voorheen tot verkryging van den eigendom van één mensch betaalde, een vry persoon drie jaaren lang kan huuren, zonder te rekenen het gevaar van sterfte, het wegloopen, den verloren tyd, de ziekten, het onderhoud van vrouwen, kinderen, oude lieden, en gebrekkelyken, enz. enz.

Ik eindige eenen brief, die reeds vry lang geworden is, maar die door de schoonheid van het onderwerp, en myne wenschen tot bevordering van uw geluk breeder is uitgeloopen: laat ik den inhoud zakelyk by één trekken.

De slavernye is eene verkeerde en onrechtvaardige inrichting, die allen nayver en vlyt uitdooft. De Volkplantingen kunnen zeer wel zonder slaven bebouwd worden. Wy hebben het voorbeeld van veele landstreeken der Indianen en anderen, op dezelfde breedte, als wy, woonende, alwaar vrye volken aan den landbouw arbeiden, en alle zoorten van werk, waar toe vlyt verëischt wordt, bloeijen. Het is derhalven te wenschen, dat men die Volkplantingen, welke nog onder het juk der slavernye zuchten, tot den gelukkigen staat der vryheid te rug brenge; maar het is staatkundig, het is menschlievend, om deeze verandering trapsgewyze en met omzichtigheid te bewerken. Men moet aan deeze omwenteling verscheiden jaaren besteeden; het is noodig, dat de beschikkingen der Planters en eigenaars overéénstemmen, en zamenwerken met de daaden van het hoog gezag van hun moederland; en dat zy beiden, door de voorbeelden van tweedragt en wanorde, die op andere plaatsen zoo veele onheilen berokkend hebben, voorgelicht, hun goed oogmerk door redelyke en vreedzaame middelen bereiken, in plaats van een stelzel van onderdrukking en onrechtvaardigheid, het welk nooit lang duuren kan, met overyling, en verbaazende verscheuringen, om verre te werpen.

Niemand neemt meer belang, dan ik, in uwen voorspoed, en die van uwe mede Colonisten in 't algemeen, van welken ik zoo veele blyken van vriendschap en achting ontfangen heb.

Het is met deeze gevoelens, dat ik u opregtelyk groete.

AANMERKINGEN.

De bovenstaande brieven, betrekkelyk de bebouwing der lage landen in Surinamen, en andere Hollandsche Volkplantingen van Guiana, met toepassing op het Fransche gedeelte van dit Land, alwaar men zelfs aan de oevers der Rivier Aprouago, en in andere streeken, eenige gelukkige proeven van dien aart gedaan heeft, zyn gedeeltelyk het werk van een uitmuntend inwooner van Demerary, nu wylen den Heer B. VAN DEN SANTHEUVEL, en aangevuld uit het geen ik, zoo in Fransch als in Hollandsch Guiana, zelf gezien heb. Ik heb in dit opstel ook ingevlochten een groot gedeelte van verscheidene oordeelkundige aanmerkingen van den heer GUISAN, die door den Intendant MALOUET uit Surinamen ontboden, en geduurende een aantal jaaren, in Fransch Guiana, als Landbouw-kundige (Ingenieur agraire,) is gebruikt geworden. Ik heb ook gebruik gemaakt van verscheidene uitmuntende byzonderheden, vervat in eene Memorie, welke ik vermeene te zyn opgesteld door den Burger COUTURIER, inwooner van Cayenne; en die insgelyks tot den evengemelden post, onder GUISAN, gebruikt is.

Ik hope, dat de denkbeelden, begrepen in den vierden brief, tot oplossing der tegenwerpingen, en wegneming van de beduchtheid der Bataafsche en andere Planters, tegen de afschaffing der slaverneye, die echter noodzakelyk geworden is, voor het menschdom van nut zullen kunnen zyn, en dat men, door deeze of andere gelykzoortige, en op dezelfde grondbeginzels meerder uitgewerkte, doelëinden in het oog te houden, eindelyk (in de Volkplantingen van onze Bondgenooten, en zelfs in de onze, alwaar, uit hoofde van den oorlog, de Staats-regeling nog niet is ingevoerd,) een bestuur, op reden gevestigd, moge daar stellen, het welk met de gesteldheid van ons Land niet strydig is, en het ongeluk van deeze nuttige bezittingen kan voorkomen. Ik kan niet nalaten een ernstig belang te stellen in het lot van verscheiden Volkplantingen, alwaar ik de eer gehad heb den post van Gouverneur te bekleeden; een belang, het welk des te grooter wordt, om dat het de liefde tot het menschdom en myn Vaderland ten grondslag heeft.

TWEEDE AANHANGZEL, BEHELZENDE EENE BESCHRYVING DER VOLKPLANTING VAN CAYENNE.

BESCHRYVING DER VOLKPLANTING VAN CAYENNE.

EERSTE HOOFTSTUK.

Aardrykskundige Beschryving van Fransch Guiana.

De Franschen zyn langen tyd alleen bezitters en meesters van geheel Guiana [82] geweest, van de Orenoco af tot aan de Rivier der Amazonen; maar de gesteldheid der zaken in Europa, en de onderscheidene oorlogen, waar in Frankryk is ingewikkeld geworden, hebben hen genoodzaakt, om een gedeelte van dit uitgestrekte vaste Land aan de Hollanders en Portugeesen af te staan. Het gedeelte, het welk zy behouden hebben, heeft derhalven thans tot zyne grenspalen, aan de westzyde, de Rivier Marony, en aan den oostkant strekt het zig uit, volgens het Verdrag van Utrecht, tot aan de Rivier Yapoc, of die van VINCENT PINÇON, gelegen dicht by de Noord-Kaap, en welke men verkeerdelyk heeft verward met de groote Rivier Oyapoc, wier geheele loop aan Frankryk toebehoort, en waar in VINCENT PINÇON nimmer geweest is, zynde derzelver mond meer dan vyftig mylen van gemelde Noord-Kaap af gelegen.

Deeze gelykheid, of liever deeze mistasting in den naam, heeft een verschil met Portugal veroorzaakt. Het Verdrag van Utrecht, wel is waar, noemt eenmaal de Rivier Yapoc, of die van VINCENT PINÇON; maar eene andere keer bedient het zelve zig van de laatstgemelde benaming. Noch de eene, noch de andere van deeze benamingen, is die van de Rivier, waar van in dit Verdrag gesproken wordt. 'Er is tusschen de Landen aan de Noord-Kaap en het vaste Land, een arm van de Zee, die een zoort van Baay vertoont. Men beweert, dat zeker Reiziger, genaamd VINCENT PINÇON, die CHRISTOPHORUS COLOMBUS op zyne laatste reize vergezeld had, in 't jaar 1500, in deeze Baay aankwam, waarom zommige Schryvers den naam van deezen Reiziger aan dezelve gegeven hebben, een naam ondertusschen, die in het Land niet bekend is.

