# Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

## Part 55

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/reize-naar-surinamen-en-door-de-binnenste-gedeelten-van-guiana-3ee67462/index.md

Daarënboven is het zeker, dat de eerste ondernemingen van dien aart meestal zyn aangelegd door lieden van bepaalde vermogens: ook heeft men in de landen, aan de monden der Rivieren en aan de Kusten gelegen, 1º. het voordeel, dat men geene groote boomen behoeft om te hakken; 2º. een land, zeer geschikt om met gemak te worden omgespit. Ik heb met myne eigene oogen op deeze kusten, door twee, drie of vier spittende Negers, met het graven van grachten eenen verbazenden arbeid zien verrichten; en 3º. zoo dra de kleinste omheining geëindigd is, kan men aldaar catoen boomen planten, die, na verloop van negen maanden, reeds eenigen oogst opleveren.

By deeze redenen zal ik nog eene laatste voegen, die, naar myn begrip, het meest afdoet, namelyk dat men, beginnende met het zwaare hout aan den zeekant weg te nemen, aan het afgelegener gedeelte der Rivier een gezonder lucht bezorgt; het zelve wordt vruchtbaarer en aangenaamer voor den nieuwen Planter, die zig aldaar nederzet. Myne Plantagie is omtrent drie vierde van een myl van den mond der Rivier af gelegen, en ik houde my verzekerd, dat noch ik, noch myne gebuuren, zoo veel koffy als tegenwoordig niet zouden inöogsten, indien onze aanleg afgescheiden, en op zig zelfstaande, in de diepte der bosschen was gemaakt, en ik ben inwendig overtuigd, dat onze oogst merkelyk bevorderd wordt, doordien de bosschen, aan den oostkant van den mond der Rivier, byna geheel en al zyn weggehakt, en alle de Plantagiën van beneden af, tot by my, open zyn, of van het zwaare hout beroofd, ter diepte van vier honderd en vyftig, tot zes honderd vyftig roeden. [81] Bewyst de ondervinding dit niet overal? Het klein getal Plantagiën in de Berbices, aangelegd op lage landen aan de Maripaan, aan den westelyken oever der Rivier, en alzoo het genot hebbende van de passaatwinden, die door den breeden mond van die Rivier onbelemmerd heen waaijen, maakt jaarlyks voordeelige oogsten; en een oud Surinaamsch Colonist, een zeer goed Planter, schryft my, dat alleenlyk de Plantagiën, gelegen aan de Kreeken, die in de Commewyne uitloopen, en het genot der zeelucht hebben, by aanhoudendheid veel koffy opbrengen.

Ik vermeene u door alle deeze redenen overtuigd te hebben, dat het veel gezonder, veel gemakkelyker, en veel voordeeliger is, om de bebouwing der landen te beginnen aan den mond der Rivieren en aan de Zeekusten, niet alleen voor de geenen, die zig aldaar nederzetten, maar ook voor de Planters, die zig hooger op geplaatst hebben, of zulks by vervolg nog zouden kunnen doen.

Na u in 't algemeen myne denkbeelden te hebben medegedeeld, hoedanig men zig omtrent de bebouwing der lage landen in Guiana heeft te gedragen, gaa ik over tot de byzonderheden van derzelver bearbeiding, zuivering van stronken en wortels, enz. en ik zal beginnen met den aart van den grond van deeze landen.

Voor eerst zal ik toegeven, dat 'er op de hoogere en van de zee meer afgelegene landen, plaatsen zyn, wier grond zoo fraay en vruchtbaar is, als in de laagte; maar deeze plaatsen staan op zig zelven, en bestaan in kleine gedeeltens; zy genieten nooit die lucht, die voor de menschen gezond, en voor de groeizaamheid nuttig is, als de landen in de nabyheid der zee gelegen; het toemaken en bebouwen van dezelven is altyd onëindig moeijelyker, en vordert meerder werkzaamheid.

Men zal derhalven altyd aan den grond der lage landen den voorrang moeten geven, en uit dezelven moet men, zoo als ik hier boven gezegd heb, de schatten van Guiana haalen.

De teekenen, waar aan men goede landen kennen kan, bestaan daar in, dat zy, op de diepte van verscheiden voeten, een blaauwachtig, zacht, slyk hebben, het welk het water gemakkelyk laat doorzinken. In onze beide Rivieren vindt men een grond, alwaar dit slyk met zandkorrels vermengd is: dewyl dit nu den doortocht van het regenwater des te gemakkelyker maakt, schynt het zeker, dat de laatstgemelde grond den voorrang verdient boven de eerste, vooral voor het suiker-riet. Ik heb te Essequebo suiker gezien, die op dit zoort van land geöogst, en allerfraayst was, schoon de Plantagie slecht was uitgedroogd, slecht bearbeid, en slecht bebouwd: niets tog bewyst beter de goede hoedanigheid van den grond, dan wanneer men goede waaren, om zoo te spreken, van zelf ziet geboren worden.

Schoon ik het blaauwachtig slyk opgeeve als het teeken van den besten grond, wil ik wel met u toestemmen, dat het graauwachtige slyk, mits het zacht en tot het doorlaten van het water geschikt is, insgelyks goed kan zyn; echter zoude ik, met een hedendaagsch Schryver, die over den landbouw in Surïnamen gehandeld heeft, 'er voor zyn, om het zelve in den tweeden rang te plaatsen.

Beide zoorten van slyk moeten met eene zwartachtige, vette en gebondene aarde, als met eene goede wel verrotte mest, overdekt worden; deeze beweegbaare aarde vindt men van onderscheidene dikten: echter ben ik geenzints van het gevoelen van hun, die stellen, dat de rykdom van den grond geëvenredigd is aan de dikte van dit overdek van aarde. Integendeel zyn in Demerary alle de landen, alwaar die aarde ten hoogsten van 20 of 22 duimen diepte is, in verre na niet die geene, welke den voorrang verdienen: veel verkieslyker zyn die landen, alwaar men deeze aarde alleenlyk vindt ter diepte van 16 of 18 duimen, welke vervolgers tot 6 of 8 duimen vermindert door de indrooging, die na de omheining van den grond door de sterke zonnestraalen plaats heeft. Zelfs heb ik in de laagte van de Maripaan, en in het benedenste gedeelte der Rivier Canjé, in de Volkplanting de Berbices, uitmuntende landeryen gezien, alwaar de Koffy- en Cacao-boomen tot de grootste volkomenheid opgroeiden, schoon zy niet dan een zeer dun overdek van zwarte aarde hadden.

Naar mate men aan de zee, of aan den mond der Rivieren nadert, wordt het slyk minder vet en zagter: zoo is het ook langs de zee-kusten, alwaar men den naam van slyk in dien van uitgedroogde modder zoude kunnen veranderen, waar van de bagger uit de gegravene vaarten een overtuigend blyk oplevert. Deeze bewerking moet alle twee jaaren geschieden op de Plantagiën, die langs de kusten gelegen zyn. Het geen 'er uitgebaggerd wordt, werpt men aan de beide kanten dier vaarten, en twee jaaren daar na is van het zelve niets meer te vinden; het is wederom in de vaart afgezakt, welke 'er op nieuw mede bezet is.

Ik had my altyd verbeeld, dat dit zoort van landen minder vruchtbaar was, en dat de Koffy-boomen aldaar korter duurden; maar ik heb het laatste jaar twee stukken land gezien, met Koffy-boomen beplant, behoorende tot de oudste Plantagie aan de westkust, zynde in den besten staat en vol vruchten; en de eigenaar heeft my verzekerd, dat deeze stukken zedert 22 of 23 jaaren waren beplant geweest: ten duidelyken blyke, dat deeze landen zeer lang in hunne vruchtbaarheid volharden.

Voor een blyk van goed land houdt men vry algemeen een zoort van palmboom, waar aan men by u den naam van Pinot geeft. De Schryver, die den Surinaamschen landbouw behandeld heeft, zegt, dat hoe meer men van die boomen vindt, hoe vruchtbaarer de grond is. Ik stem gaarne toe, dat de landen, hier boven door my als de beste opgegeven, 'er rykelyk van voorzien zyn; maar verscheide inwooners, die de hooge landen in Demerary vruchteloos bebouwd hebben, hebben my verzekerd door dit blyk bedrogen te zyn geworden; ik zoude daarom altyd raden, zig daar op niet eeniglyk te verlaten, maar tevens te onderzoeken, of de grond ook andere blyken, welken ik ontvouwd heb, oplevert.

Behalven de verandering, die in den grond bespeurd wordt, naar mate men digter aan de zee nadert, vindt men ook, dat het hout uit minder sterke en een ander zoort van boomen begint te bestaan. Men ziet minder Manis, en van die boomen, welken de Indianen alhier noemen Warokoerie, de Creolen Schepperboom, dat is roey-riemen-hout, om dat het zig gemakkelyk laat klooven, en veel al tot het maken van roey-riemen gebruikt wordt; ter zelfder tyd vermeerdert het getal der Paletuvier-boomen. Men vindt den boom, Coeraharie genaamd, niet meer in grooten overvloed. Deeze boom, wiens Surinaamsche naam my niet bekend is, is geschikt tot timmerhout, en kan dienen tot het maken van palen of stylen; mits men dezelven op steene grondvesten plaatst; men gebruikt het ook tot ribben en balken, eindelyk tot alles wat beschut of bedekt is. Men vindt aldaar ook zeer fraaije vierkante blokken, waar van men planken zaagt, die zeer geschikt zyn om de huizen te beschieten; maar niet zeer goed zyn voor vloeren of zolders, om dat dit hout krom buigt. Men vindt deezen boom insgelyks in de diepten der Plantagiën, aan de west-kust; maar zy zyn aldaar kleiner. De Balata, die in Surinamen en de Berbices zoo gemeen is, is hier uittermaten zeldzaam.

Insgelyks zyn de banken van schulpvisschen aan de oevers van Surinamen en de Berbices zeer gemeen; maar men vindt dezelven in 't geheel niet aan die van de Rivieren Essequebo en Demerary. Men begint eenige schelpvisschen te zien, wanneer men de Coerabanne naar den oostkant voor by vaart, gaande naar den kant van de Maheyca; maar aan de oostzyde van deeze laatstgemelde Kreek, of beter gezegd, Rivier, is eene zeer groote bank, en van daar tot aan Mahicony is 'er de kust vol van.

Om zyne keuze te bepalen omtrent die plaatsen, waar de beste landen gelegen zyn, kan men, volgens de zekerste berigten, die ik heb kunnen opspooren, in Demerary alleenlyk voor behoorlyk vruchtbaare landen houden die geenen, welke aan den oostelyken oever gelegen zyn, gerekend van de Plantagie, de groote Diamant, tot omtrent twee mylen van den mond der Rivier; en aan den westelyken oever, van de Plantagie Laurentia, een halve myl hooger op, tot aan den mond der Rivier.

Te Essequebo bepalen zig de goede landen tot die van de Eilanden Legouane, Arobabiche, en Waakkename; en zelfs op dit laatstgemelde Eiland is het zuidelykst gedeelte, het welk het verste van de Zee af ligt, reeds van veel mindere waarde. Aan den oostelyken oever van deeze Rivier, kan men geene goede landen hooger op rekenen, dan de Plantagie Patrica, één myl van den mond der Rivier af, en aan den westelyken oever van de Plantagie, Adventure genaamd.

TWEEDE BRIEF.

Van de manier, om te arbeiden aan Dykagiën, uitwaterende vaarten, sluizen en ander werk, het welk noodig is, om het Land ter bebouwing gereed te maken.

In den vorigen brief heb ik u myne gedachten opgegeven, hoe uitmuntend geschikt de lage landen in Guiana ter bebouwing zyn, en welke keuze men onder de verschillende zoorten en liggingen van deeze landen te maken heeft: in deezen brief zal ik u ontvouwen de manier, om die landen toe te bereiden en bruikbaar te maken.

Dewyl deeze landen, of byna altyd onder water staan, of door de verwisseling van ebbe en vloed, aan overstroomingen onderworpen zyn, moet men dezelven droog maken, en door dyken beletten, dat het buitenwater niet kan doordringen tot het land, het welk men voornemens is tot bouwland aan te leggen.

Ik vooronderstel dus, dat de keuze van het land gedaan is. Men moet, voor alle dingen, het hout laten weghakken, en het geheele land, het welk men voorgenomen heeft te bedyken, of ten minsten het gedeelte, waar de dyken gelegd moeten worden, tot op eene zekere breedte, doen zuiveren. Vervolgens kunt gy overgaan tot het leggen van die dyken, welke een vierkant, dat evenwyd is, zullen vormen, waar van de eene kant uwe voorgevel of scheidsmuur, aan de Rivier of Zee-kust, zal uitmaken; eene andere, aan de eerste gelyk zynde, zal gelegd worden in de diepte van dit zelfde land, op den afstand, welken gy wilt toebereiden en beplanten; de twee andere zyden, die beide even groot zyn, zullen lynrecht tegen de twee eerste overstaan, en u van uwe gebuuren, ter rechter en ter linker zyde, afscheiden.

Tot dit einde moet men, in den geheelen omtrek van dit vierkant, beginnen met een kleine gracht te graven, welke gevonden moet worden onder het midden der breedte van den dyk, en daar aan als tot een grondvesting dienen. Deeze kleine gracht wordt genoemd de pit of blinde groeve: dezelve moet omtrent drie voeten breedte hebben, voor een dyk, die twaalf voeten en meer tot zynen grondslag heeft. Het is van aanbelang dezelve te graven tot de diepte van ten minsten twee goede schuppen, en aldaar geene stammen van boomen, geen hout, geene wortels over te laten, maar daar van volkomen te zuiveren.

Wanneer deeze blinde groeve gemaakt is, zult gy beginnen met de uitwaterende grachten te graven: men is gewoon 'er daar van twee te maken, de eene van buiten aan den dyk, de andere van binnen. De eerste dient, om den dyk met slyk aan te vullen, de binnen-gracht daar toe zomtyds niet voldoende zynde, wanneer deeze dyk van vry wat aanbelang moet zyn. Deeze buitenste gracht bevordert daarënboven den uitloop van een gedeelte der omringende wateren, en belet dezelven, door middel van dien uitloop, tegen den dyk aan te perssen.

Het is nutteloos deeze buitenste gracht zeer diep uit te graven; zy vordert zoo veel oplettendheid niet, als de binnenste gracht, die net en regelmatig moet bewerkt worden; terwyl men in de buitenste de stronken en wortels laten kan, mits zy aan de uitdieping niet te hinderlyk zyn. Men moet altyd eene bekwame tusschenruimte tusschen deeze gracht en den dyk houden.

In welk zoort van lage landen het ook zy, is de bagger, die men voor de eerste keer uit deeze grachten haalt, te veel met vreemde lichamen vermengt, en al te los, om tot bekwame grondslagen voor den dyk te kunnen dienen. Men moet ten minsten de twee eerste baggers, die men 'er uit haalt, aan deeze zyde werpen, dat is tusschen de gracht en den dyk; en wanneer men de slyk of grond vast en bekwaam genoeg vindt, laat men dezelve op den dyk werpen, het zy in eens, het zy in twee keeren, zoo als gewoonlyk plaats heeft, om reden, dat men tusschen den dyk en de omringende grachten een tusschenvak moet laten van 20 of zomtyds 30 voeten. Indien men deeze voorzorg verzuimde, zoude men gevaar loopen, om de kanten van den dyk, en van de grachten, door de onmatige zwaarte van de aarde, waar van de dyk gemaakt is, spoedig te zien instorten.

Men graaft de omringende grachten tot de vereischte diepte, die niet altyd dezelfde is, maar waar van de gewoone maat bedraagt zes voeten voor de binnen-gracht: men moet wel opletten, om aan deeze gracht de noodige opgaande schuinte te geven, naar mate men dezelve graaft. De evenredigheid van deeze opgaande schuinte is van 5 of 6 duimen van elke voet; en naar mate men de kanten van deeze gracht in die schuinte graaft, maakt men dezelve met het platte van de schup effen en gelyk.

Men zoude vervolgens deeze binnen-gracht kunnen eindigen, zonder andere voorzorgen in acht te nemen; maar dan zou men gevaar loopen, om door het hooge water overvallen te worden, en daar door veel tyd te verliezen; behalven dat het te vreezen is, dat het water deeze grond of slyk, welke daar door gedeeltelyk in beweging gebragt wordt, week zoude maken, en daar door verzakkingen veroorzaken.

Men keert dit ongemak af, door, van den beginne af aan, een vierkante pyp of sluis te plaatsen, die in dit land genaamd wordt coffre d'ecoulement, het zy een groote, het zy by voorraad een kleine, die ten minsten het water op de gewoone getyen kan tegen houden.

Om deeze uitwaterende sluis te plaatsen, graaft men daar toe opzettelyk een gat in den dyk, aan den kant, die aan de Rivier of de Zee gelegen is, indien men in het land geene kreek heeft, die daar toe geschikt is. Maar doorgaans vindt men verscheiden van die kreeken of vaarten, door de natuur zelve gevormd, waar door het ryzend water in overvloed in de landen inloopt, en het vallend water weder afloopt. In het begin moet men alle deeze kreeken door goede kistdammen schutten.

Zulk een kistdam is niet moeijelyk te maken; maar dit moet met oplettendheid en vastheid geschieden: men begint met het vak of de plaats, alwaar die kistdam gelegd moet worden, te zuiveren. Men neemt vervolgens twee zwaare stukken hout of ribben, van eene genoegzame lengte, om de geheele kreek en derzelver oevers te beslaan van den eenen tot den anderen kant, ter wydte van omtrent zes voeten: dit vak van zes voeten wordt tot op een goede schup diepte, beneden het bed van de kreek, weggegraven. De twee houte ribben worden mitsdien dwars op den grond van de kreek gelegd, op een zekeren afstand van elkander: vervolgens plant men eenige zwaare heypalen aan de buitenzyde, voor elk einde van deeze houte ribben, om de uitwyking voor te komen van de aarde of het slyk, waar mede men het vak tusschen de twee ribben vullen moet, om den kistdam te maken.

Wanneer deeze houte ribben wel geplaatst, en behoorlyk vast gemaakt zyn, plant men langs elk van dezelven, zoo aan de binnen- als buitenzyde, een rey heypaalen, van zwaare stukken hout, welken men naast, en zoo dicht mogelyk aan elkander, inslaat: men moet om die reden rechte stukken daar toe verkiezen. Wanneer alle deeze paalen zyn ingeheyd, vult men het tusschen-vak met slyk, welke men aldaar met kragt inwerpt, en die eindelyk een klomp wordt, waar door het water niet kan heen dringen.

Men vindt op de plaatsen zelven altyd hout, het welk geschikt is, om tot deeze ribben te dienen, vermits zy niet langer dan twee of drie jaaren behoeven te duuren, na verloop van welken tyd de kistdam stevig genoeg is, en geen steunzel meer noodig heeft.

Thans, om de sluis te kunnen plaatsen, zuivert men de kreek, waar in men die plaatsen wil, van derzelver vuiligheden, of men graaft opzettelyk eene vaart, indien men geen gebruik van eene kreek maakt. Men moet eenige duimen lager graven, dan het waterpas van het laagste gety van de Rivier of Zee kust, waar in men de uitwatering verkiest.

Wanneer de plaats, alwaar men de sluis stellen wil, is uitgegraven, brengt men die sluis voorwaarts naar één der oevers van de vaart, welke men daar voor gegraven heeft: men plaatst dezelve aldaar op eenige houte balken, die voor uit moeten steken tot byna op de helft van de opening der gegravene vaart. Die sluis aldaar geplaatst zynde, keert men de zelve op zyde, zoo dat de grond of het onderste van de sluis recht over einde staat aan de zyde van de uitgegravene plaats, en byna tegen den kant aan. Vervolgens slaat men om de twee uitëinden van de sluis twee zwaare touwen, waar van men de einden behoorlyk vast maakt. Op elk derzelven plaatst men een takel, waar van men de wederzyde op eenige stronken van boomen doet rusten, of, zoo 'er die niet zyn, op twee zware palen, daar toe opzettelyk geplant, aan de zelfde zyde, waar de sluis geplaatst is.

By elke takel zet men eenig volk, met last om gelykelyk en van langzamerhand schoot te geven, naar mate daar toe bevel gegeven wordt; vervolgens wordt door eenige arbeiders, die langs de sluis geplaatst zyn, dezelve op de balken voortgeduwd naar het gat, waar in dezelve moet inzakken. Wanneer de sluis, alzoo voortgestooten zynde, geheel van den grond af is, begint dezelve wederom in haare natuurlyke gesteldheid om te wenden, dat is, met den bodem naar beneden; als dan moet het volk, het welk de takels tegen houdt, de touwen eensklaps los laten, om de sluis in het gat te doen nederzakken. De balken, waar op men de sluis heeft laten voortglyden, dienen in dit oogenblik tot een wip, om de sluis naar beneden in de gegravene vaart te wenden, alwaar men dezelve nederzet, waterpas en plat, zoo naauwkeurig maar eenigzints mogelyk is.

Wanneer de sluis zoodanig geplaatst is, als men verlangt, trekt men de takels en andere touwen te rug: men plaatst, even als by het maken van eene gewoone en volkomene kistdam, hier boven reeds beschreven, twee houte ribben, de eene beneden, en de andere boven de sluis, vlak tegen dezelve aan. Men plant aldaar eene reije van houte staken, uitgenomen op de plaats, welke de sluis beslaat, waar van men de opening niet sluiten moet: men neemt in plaats derzelven aldaar zware planken, of, indien men wil, ronde stukken hout, met den grond gelyk en in de dwarste. Deeze kistdam vult men met slyk, zoo als hier voren reeds is opgegeven, en men overdekt daar mede de sluis.

Indien men alleenlyk by voorraad eene kleine sluis wilde plaatsen, om de eerste bewerking des te gemakkelyker te maken, zulks zoude veel eenvoudiger zyn; dezelve wordt gemaakt van vier zwaare planken aan elkander gevoegd, zoo dat elk derzelven één van de kanten uitmaakt: aan het buitenste einde plaatst men eene kleine sluisdeur of duiker, die nederhangt, om de sluiting des te gemakkelyker en zekerder te hebben.

Hier mede behooren wy over te gaan tot de ontvouwing van de manier, op welke eene groote sluis gebouwd wordt, die men veronderstelt eene opening van drie voeten te hebben.

De bouwstoffen, daartoe verëischt wordende, zyn de volgende:

1º. Zes zwaare planken van 26 voeten lengte, op 13 duimen breedte en twee duimen dikte.

2º. Vyftien zwaare planken van 12 voeten lengte, twaalf duimen breedte, en anderhalve duim dikte.

3º. Vier zwaare planken van twaalf voeten lengte, twaalf duimen breedte, en twee en een halve duim dikte.

4º. Twee stukken hout van vyf voeten lengte, op zeven duimen breedte in 't vierkant.

5º. Een paar hengzels, van twee en een halve voeten lengte, en twee en een halve duimen breedte, met twee zwaare yzere duimen, waar van de punten lang genoeg zyn, om door het stukje hout of klamp, het welk men boven de sluisdeur plaatst, heen te gaan, en voorts genoegzaam uitstekende, om met een schroef of schaar vast gemaakt te worden.

6º. Vier yzere banden, waar van de einden omgebogen zyn naar verëisch van de houte klampen, en hebbende de lengte van twee en een half voeten, om op de sluis te spykeren, tot derzelver meerdere vastheid.

7º. Eindelyk de noodige spykers, die voor een sluis van dit maakzel, en van die evenredigheid, ten naasten by zullen bedragen twaalf ponden van 5 of 6 duimen, en twintig of vier-en-twintig ponden kleiner spykers van 3 duimen.

Om deeze sluis te maken, begint men met de zwaare planken van 26 voeten lengte gelyk te maken; men zet die in elkander, drie van de eene en drie van de andere zyde, zoo dat elke kant, uit drie te zamen verëenigde planken bestaande, eene gelyke breedte maakt; men hakt het einde van deeze planken schuins, in de evenredigheid van ten minsten drie duimen op elken voet. Deeze schuinte is alleen aan die zyde, welke naar de Rivier of Zee geplaatst wordt, en alwaar ook de sluis-deur moet gemaakt worden.

De vier planken van twaalf voeten lengte, en twee en een halve duimen dikte, dienen om de vierkanten of vakken van de sluis te maken. Daarom klooft men dezelven in de breedte midden door, het geen de planken alleenlyk zes duimen breed maakt; men hakt dezelve in vier stukken, elk van drie voeten lang; men maakt deeze stukken van eene even gelyke grootte, en voegt die met rechte hoeken en een zwaluwen staart te zamen, zoo dat men van vier stukken een vierkant maakt; en dewyl elke plank agt stukken oplevert, maakt zulks twee vierkanten op elke plank, en voor de vier, agt vierkanten of vakken, die tot de vastheid van de sluis op eene lengte van 26 voeten volkomen voldoende zyn. Het vierkant, het welk aan het einde der lange planken, die schuins gehakt zyn, geplaatst is, moet insgelyks in de schuinte gehakt worden, om op de andere schuinte volmaakt te sluiten. Wanneer de vierkanten gemaakt zyn, spykert men dezelven op gelyke afstanden van elkander aan de lange planken vast: wanneer de sluis van wederzyden aan die vierkanten is vast gespykerd, gaat men over tot de twee andere zyden, die den bodem, en het boveneinde van de sluis uitmaken: men gebruikt daar toe de vyftien planken van anderhalve duim dikte: men hakt die alle aan stukken van drie voeten lengte, het geen voldoende is, om de beide zyden van de sluis aan de einden gelyk te doen dragen: na deeze stukken zoo gemaakt te hebben, dat ze volmaakt op elkander passen, spykert men ze overdwars aan de sluis vast, zoo van boven als van onderen.

