Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

Part 52

Chapter 52 3,678 words Public domain Markdown

Vier mannen tot huisselyken dienst. 4 3,200 Vier vrouwen, dito 4 3,200 Een kok voor den Planter, Opzichter, enz. 1 800 Een jager 1 800 Een visscher 1 800 Een tuinman voor de bloem- en moestuin 1 800 Een Neger, die belast is met het weiden van paarden en ossen 1 800 Een om de geiten te weiden 1 800 Een tot het weiden van de varkens 1 800 Een Neger, wiens post is aan het gevogelte eeten te geven 1 800 Timmerlieden, om wooningen, vaartuigen, enz. te bouwen 6 4,800 Kuipers, om het vaatwerk te maken en te herstellen 2 1,600 Een metzelaar, om de steene grondvesten te bouwen en te herstellen. 1 800 Negers, die eenig handwerk oeffenen, en andere, die alleen tot pronk dienen, wonende op Paramaribo 15 12,000 Een Neger, den post van Heelmeester waarnemende 1 800 Zieken en ongeneeslyken 10 8,000 Eene minne voor de kinderen, die door hunne moeders niet gezoogd kunnen worden 1 800 Zeer jonge kinderen, die nog geen arbeid kunnen doen 16 12,800 Negers, die te oud zyn om te werken 7 5,600 Negers, alleenlyk geschikt om op het Land te arbeiden 25 20,000 --- ------- Het geheele getal der slaven 100 80,000

Uit deezen Staat kan men zien, dat het getal der slaven, die verwezen zyn om den geheelen last van den arbeid op het veld te dragen, slechts een vierde bedraagt van de gezamentlyke Negers der Volkplanting; en deeze zyn het voornamelyk, die vroegtydig sterven. Is het dus niet klaar, dat indien men tot den zelfden arbeid, met zoo veel gestrengheid, de vyftig duizend slaven gebruikte, die daar toe bruikbaar zyn, het getal der dooden, jaarlyks op vyf van 't honderd beloopende, ten minsten tot twaalf vermeerderen zoude, en deeze bevolking, in een weinig meer dan agt jaaren tyds, volkomen vernielen zoude.

Na getoond te hebben, hoe de slaven verdeeld worden, moet ik kortelyk opmerken, dat zoo al dertig duizend van dezelven met meerder gemak leven, dan het gemeene volk in Engeland; en andere dertig duizend een ledig leven leiden, of ten minsten een leven, het welk tot in standhouding der Plantagiën van geen nut is; de twintig duizend, die dan nog overig zyn, over 't algemeen onder de ellendigste schepzels, die op aarde woonen, gerangschikt kunnen worden. Men geeft hun naauwlyks te eeten, men put hen uit door vermoeijing, men mishandelt hen, men ryt hen door wreede straffen van één, zonder te gedogen, dat zy hunne vorderingen en klachten laten hooren, zonder dat men naar hunne verdediging begeert te luisteren, zonder dat men hun by eenige gelegenheid het minste recht laat wedervaren; en op die wyze kan men hen als levendig dood beschouwen, dewyl zy geene der voorrechten van de menschelyke maatschappy genieten.

Ik moet aan ieder mensch van gezond verstand vragen, of eene dusdanige verdeeling niet strydig is met het waar belang der eigenaars, terwyl dezelve door een verstandiger bestuur hunne rykdommen zouden vermeerderen, en het leven van hunne slaven zoo zeer niet verkorten?

Indien de onbedachtzaame inwooners deezer Volkplanting hunne weelde, ik zal niet zeggen 'er van afzien, maar matigen wilden, zouden ten minsten twintig duizend Negers by het getal der arbeidende gevoegd worden, het geen door aan de lediggangers werk te verschaffen, de anderen onëindig ontlasten zoude, en (mits zy allen met minder wreedheid behandeld werden,) het zoort van sterfte zoude doen ophouden, die zoo algemeen het lot der eerstgemelden is.

Maar de hervorming moet begonnen worden met menschen, wier gedrag ten voorbeelde strekken kan. Het is noodig, dat zy, wien het uitvoerend gedeelte van het bestuur wordt toebetrouwd, geen belang hebben, om de oogen te sluiten voor buitensporigheden, die by de wetten verboden zyn: het is noodig, dat nimmer de Gouverneur, en Regeeringen der Volkplanting, eigenaars zyn van een grooter getal slaven, dan, overëenkomstig hunnen rang, tot den huisselyken dienst by hun noodzakelyk is; want ik heb meer dan eens gezien, dat zy, die de wetten maakten, of met derzelver uitvoering belast wierden, de eerste waren, die dezelven overtraden, het zy door de Negers te dwingen, om des zondags te werken, het zy door zig aan alle de geweldadigheid hunner driften over te geven.

Het is derhalven van aanbelang, dat de Gouverneur en de voornaamste lieden der Regeering uit Europa gezonden worden; dat zy met de gaven der fortuin, en de voordeelen van eene goede opvoeding begunstigd zyn, maar bovendien, dat zy eenen edelmoedigen en standvastigen geest hebben; dat zy onvatbaar zyn voor omkooping, en zig door den glans van het goud niet laten verblinden; dat zy eindelyk met gevoelens van eer en menschelykheid bezield zyn; dat het volk, aan het welk zy eenen zoo wezentlyken dienst doen, dat de Volkplanting, welke zy zoo kragtdadig beschermen, hun op eene edelmoedige wyze beloone; maar dat hunne bezoldingen vast bepaald zyn, en niet van het zweet en bloed dier ongelukkige Africaanen afhangen; dat deeze zelfde Regeeringen wetten maken, waar by de arbeid der Negers bepaald wordt; dat deeze door andere beschermende wetten gevolgd worden, die niet gedogen, dat deeze ongelukkige slaven gefolterd, van één gereten, vermoord worden, of dat men hun al het geen den mensch lief is, hunne kinderen en vrouwen, onbeschaamdelyk ontroove; dat men hun behoorlyk voedzel geeft, en hun in hunne ziekten laat oppassen; maar voornamelyk, dat men hun recht laat wedervaren, dat men hen hoort, en hun toestaat, om de buitensporigheden, waar over zy zig beklagen, door getuigen te bewyzen, van welke kleur dezelve ook zyn mogen; dat men hun zelfs een voorrecht laat genieten, het geen voor ons zoo dierbaar is, om gevonnisd te worden door onäfhangelyke en onpartydige Rechters, uit hunne landgenooten gekozen. Indien gy eindelyk wilt, dat zy als menschen handelen en arbeiden, behandel hen dan op dien voet.

Wanneer dusdanige wetten aangenomen en ter uitvoer gebragt werden, durve ik verzekeren, dat de Europeesche volken onëindige voordeelen van hunne Volkplantingen trekken zouden.--De Planters zouden ryk, en hunne Opzichters ordentelyke lieden worden; de slavernye zoude dan meer in naam, dan in de daad zyn; de Negers zouden hunne taak met vermaak afwerken; de bevolking zoude vermeerderen, en de vervloekte handel op de kust van Guinée zoude vernietigd worden. De eigenaars zouden hunne slaven als hunne kinderen beschouwen, en als de zoodanigen, van welken de vergrooting van hun fortuin afhangt; de slaven zouden van hunnen kant den dag zegenen, dat hunne vooröuders in America zyn aangeland.

Den 16den, by zyne Excellentie den Gouverneur ter maaltyd genoodigd zynde, liet ik hem zien de verzameling van myne teekeningen en aanmerkingen, die ik rakende de Volkplanting van Surinamen gemaakt had; hy wilde dezelvcn wel met zyne goedkeuring verëeren. Ik betuigde hem myne dank-erkentenis, niet alleen voor alle de geschikte gelegenheden, welken hy my bezorgd had, om dien arbeid aan te vullen, maar ook voor het allervriendelykst onthaal, het welk ik, geduurende myn verblyf in Guiana, van hem genoten had.

Door de herhaalde betuigingen van zyne vriendschap aangemoedigd, dorst ik, twee dagen daar na, hem een zeer buitengewoon verzoekschrift aanbieden, het welk ik hem verzogt aan den Raad voor te dragen, zoo als hy my ook al glimlagchende, en my de hand drukkende, beloofde. Zie hier het zelve:

Ik verbinde myn woord van eer, het eenigste goed, het welk ik, behalven myne soldye, bezit, tot borge, dat, indien de Raad myn voorig verzoek tot vrymaking van mynen geliefden zoon JOHNNY STEDMAN toestaat, dit kind nooit ten lasten der Volkplanting van Surinamen komen zal.

(Getekend)

Paramaribo, den 18. February J. G. STEDMAN. 1777.

Daar mede alles, wat van my af hing, gedaan hebbende, wagte ik eenige dagen met angst, maar zonder hoop, het antwoord op myn verzoek af; en ingevalle hetzelve ongunstig uitviel, zag ik my genoodzaakt mynen zoon voor altyd te verlaten, of hem naar Europa mede te nemen, waar door ik den dolk in het hart van zyne moeder gestoken zoude hebben.

Terwyl ik aan deeze zorgelyke onzekerheid ten prooije stond, wierden de Transport-schepen tot ons vertrek gereed gemaakt, en ik was onder het getal der geenen, die belast waren dezelven van eenen genoegzamen voorraad van hout te doen voorzien. De Officiers ontfingen de agterstallige soldye, die men hun verschuldigd was; en dertien soldaten verkregen hun pasport, van oogmerk zynde te Paramaribo te blyven. De bekwaame Colonel betaalde ons andermaal in papier. De Regeering had ons bovendien eenige honderde guldens toegestaan, om ons schadeloos te stellen wegens de betaling van onderscheiden lasten, maar men deed 'er nooit rekening van, of liever het was ons verboden om 'er van te spreken.

Den eersten Maart, bragt een Sergeant, uit het leger aan de Cassipory-Kreek, alwaar het nieuwe krygsvolk geposteerd lag, aangekomen, bericht, dat de soldaten aldaar in grooten getale stierven, en verhaalde, dat zeker soldaat, die den 10den February verdwaald was geraakt, na verloop van zes-en-twintig dagen was te regt gekomen; dat hy de eerste negen dagen van eenige ponden scheeps-bisschuit geleefd had, en dat hy de zeventien andere dagen het leven alleen met water behouden had; dat hy zyne stem geheel en al had verloren, en dat hy, in de volste kragt van 't woord, slechts een geraamte vertoonde; maar dat de zorge, voor hem genomen, hoop gaf, dat hy het leven behouden zoude. Indien iemand weigert de mogelykheid van zulk een buitengewoon geval te gelooven, laat hy dan lezen een echten brief van den heer GODIN aan den heer DE LA CONDAMINE, waar in hy het tafereel schetst van het verschrikkelyk lyden, het welk zyne vrouw onderging, by het doortrekken der bosschen van Zuid-America, om zig van Rio-hamba naar Laguna te begeven, in de maand October 1769. Hy zal daar uit kunnen zien, hoe eene vrouw van een teeder gestel, na door de Indiaanen, die haar tot leidslieden dienden, verlaten te zyn geworden; na haare beide broeders, die onder den last van zoo veele vermoeyingen en ellende bezweken, verloren te hebben; tien dagen lang het leven behield, in een wild bosch, zonder eeten of drinken, onbewust, waar zy zig bevond, en door tygers, slangen en allerleije zoorten van gevaaren omringd. Laat men het omstandig verhaal van al het lyden deezer vrouw lezen, en men zal aan het verhaal omtrent deezen soldaat niet meer twyffelen.

Ik heb in de daad nu en dan gebeurtenissen overgeslagen, die men, om haare vreemdheid, zoude hebben kunnen denken aan het wonderdadige zeer naby te komen; maar wanneer men van de bosschcn van dit gedeelte van America spreekt, is het nutteloos zyne toevlucht tot verdichtsels, of zelfs tot de minste vergrooting te nemen, om den lezer te verbaazen.

Zoude men by voorbeeld gelooven, dat tachtig soldaten een zwaar bosch doortrekkende, de een na den ander een zoort van hoogte beklommen, welke zy op hunnen weg ontmoetten, en voor een grooten ter nedergevallen boom aanzagen, maar vervolgens onder hunne voeten voelden beweegen, en die niet minder was, dan eene zeer groote Aboma-Slang, welken de Colonel FOURGEOUD bevond dertig of veertig voeten lang te zyn? en met dit al, het gebeurde is met de waarheid overeenkomstig.

Ik beroep my op een ander geval van gelyken aart; van eenen achtenswaardigen grysaart, FRANCIS ROWE van Philadelphia, die my verhaalde, dat hy aan één van zyne vrienden een bezoek zynde gaan geven, zyn paard eensklaps stil stond, verschrikt zynde door een zeer grooten ratelslang, die het voorbygaan belette. ROWE, die van het gewaand vermogen, aan dit zoort van dieren toegeschreven, had hooren spreken, en daar aan geloofde, steeg van zyn paard af, om het zelve te doen omkeeren; maar de slang, zig intusschen in malkander gekronkeld hebbende, liet het verschrikkelyk geluid van zyne staart hooren, en keek hem met zulke vuurige oogen aan, dat deeze onbeweeglyk op den grond bleef staan, en een koud zweet hem van het hoofd tot de voeten afliep; "met dit al, dus vervolgde ROWE, myne tegenwoordigheid van geest niet verloren hebde, wierd de vrees door mynen moed spoedig overwonnen; ik naderde het monster, en met eenen slag sloeg ik het de herssens in".

Den 3den Maart, ging myn vriend DE GRAAF naar het Eyland St. Eustatius, alwaar zyn broeder Gouverneur was, te scheep, om zig van daar naar Holland te begeven. Tot myn groot genoegen nam hy HENDRIK, den jongsten broeder van JOANNA, met zig, en bezorgde hem vervolgens zyne vryheid. Ik zakte met hun de Rivier af, tot aan Kaap Braam, alwaar ik hun eene goede reize wenschte. My vervolgens in een visschers vaartuig naar 't strand begevende, bekroop my de lust, om in den Atlantischen Oceaan te gaan zwemmen.

In dit zelfde vaartuig zag ik eene groote meenigte visschen, waar onder de zulken gevonden wierden, van welken ik nog niet gesproken heb, als daar zyn de Geel-rug, de Wipi en de Waracou. De eerste ontleent zyn naam naar zyne kleur, volmaakt gelykende naar die van een limoen, maar zyn buik is wit. Hy is twee of drie voeten lang. Zyn kop is zeer breed, en van twee lange knevels voorzien. Zyn lyf is dun en zonder schubben. Het vleesch van deezen visch is smakeloos en droog. De twee andere zyn zeer klein: de één gelykt naar een zweep; de ander, die lekker om te eeten is, heeft voor 't overige niets, het welk eene byzondere beschryving verdient.

Den 8sten Maart vierden wy in het hoofd-kwartier den verjaardag van den Prins van Orange. Na den maaltyd vernemende, dat de Capitain VAN GUERICK, Adjudant van den Colonel FOURGEOUD, den Capitain BOLTS te onrecht laakte, uit hoofde zyner aanbeveeling van een jong vrywilliger, een mensch van een uitmuntend character, maar die weinige vrienden tot zyne voorspraak had, ging ik in den kring, die hen omringde, en deed vry ernstige verwytingen aan den Adjudant, zelfs in tegenwoordigheid van den Colonel, het geen een geschil veröorzaakte, waar van het gevolg was eene uitdaging tegen des anderen daags morgens by het opkomen van de zon. Wy bevonden 'er ons beiden op den bepaalden tyd, en gingen zonder medehelpers ter zyde af in de Savane, alwaar wy, met den degen in de vuist, eenige vrugtelooze aanvallen deeden, waar na, den degen van den Capitain in tweën gebroken zynde tegen het gevest van den mynen, die byna door en door was gestoken, hy geheel in myne macht was. Ik wilde van dit voordeel geen gebruik maken, en bood hem aan, om het gevecht op nieuw te beginnen, met nieuwe wapenen: maar hy vond dit voorstel zoo edelmoedig, dat hy, my by de hand vattende, my verzocht hem myne vriendschap wederom te geven. Wy erkenden toen, dat wy beiden al te driftig geweest waren, en gingen oogenblikkelyk een bezoek geven aan den Capitain BOLTS, die niets van onze wandeling van des morgens wist. Hy verzoende zig, schoon met moeite, met den Adjudant, en de geheele zaak wierd op die manier bygelegd.

Den 10den, bragt ik het grootste gedeelte van den dag by den Gouverneur door; des avonds ging ik aan boord, om de toebereidzels onzer reize te bezichtigen. Ik vond onze goederen zoodanig door muizen en rotten beschadigd, dat ik wel zes katten noodig had, om die dieren uit te roeijen. De katten zyn, uit hoofde van de warmte der luchtstreek, zoo levendig en zoo talryk niet in Surinamen, als in Europa; ik merkte ook op, dat zy kleiner en magerer zyn, en dat zy zeer spitse ooren en bek hebben.

Den 11den, zag ik met de grootste smart en verwondering de jonge Juffrouw JETTY DELAMARE, dochter van wylen den heer DELAMARRE, een fraai Mulatten meisjen, ten hoogsten veertien jaaren oud, die in den Christelyken Godsdienst onderwezen was, en eene volmaakte opvoeding genoten had, in ketenen geboeid, gelyk ook haare moeder, en eenigen van derzelver naastbestaanden, en door een wacht van soldaten voor den Raad gebragt wordende. Dit jong ongelukkig meisjen my herkend hebbende, riep my, en zeide my, bitterlyk schreiende: "dat de eigenaar, aan wien haare moeder toebehoorde, SCHOUTEN genaamd, haar voor de Rechtbank deed brengen, om dat zy weigerde het werk van eene gewoone slavin te verrigten, vermits zy buiten staat was zulks te doen, en ook, volgens de opvoeding, welke zy ontfangen had, tot op dit akelig oogenblik daar op nimmer had gerekend".

De wetten van dit Land noodzaakten haar, niet alleen om zig aan dit ellendig lot te onderwerpen, maar zy veröordeelden haar bovendien, als mede haare moeder, en die geenen van haare naastbestaanden, welken men verdagt hield, dat haar in de vordering van haare vryheid zouden begunstigen, om in het geheim de straf te ontfangen, die voor de slaven geschikt was; en zonder de menschlievendheid van den Fiskaal WICHERS zoude dit verschrikkelyk vonnis zekerlyk ter uitvoer gebragt zyn geworden.

Zie daar, welke de gevolgen waren van de weinige zorge, die DELAMARE had aangewend, om aan zyne dogter en derzelver moeder haare vryheid te doen erlangen. De smartelyke vertooning, waar van ik oog-getuige was, deed my voor mynen zoon beven; maar myne vrees was niet van langen duur; want dien zelfden dag, op het oogenblik, dat ik zulks het minst verwagtte, ontfing ik eene zeer beleefde boodschap van Gouverneur en Raaden, medebrengende: "Dat de Raad, overwogen hebbende myne diensten, myne menschlievendheid, en de oprechtheid, waar mede ik myn woord van eer tot borg voor mynen zoon aanbood, ten einde hem, alvorens hem te verlaten, een vry burger der weereld te zien; eenparig besloten had, my by eenen brief plechtiglyk kennisse te geven, dat zonder verderen omslag of kosten, myn verzoek was toegestaan; en dat, uit kragte van dien, myn zoon voor altyd vry was".

Niemand gaat schielyker van overmaat van smarte tot die van vreugde over, dan ik zelf op dit oogenblik. De gevoelige JOANNA stortte tranen van teederheid en erkentenis. Wy gevoelden ons geluk des te sterker, om dat wy alle hoop verloren hadden, en byna veertig kinderen van beiderleije kunne thans aan eene altoosduurende slavernye door hunne vaders waren overgelaten, waar van zommige zelfs zig niet eens verwaardigden, om eenige tyding van hun te vernemen.

Eene omstandigheid, die my in de daad zeer buitengewoon toescheen, bestond hier in, dat, schoon zommige fatsoenlyke lieden myne gevoeligheid ten hoogsten prezen, het grootste getal echter myne vaderlyke teederheid afkeurde, en dezelve als zwakheid of dwaasheid beschouwde. In de eerste vervoering van myne vreugde, schoon ik weinige goederen bezat om over te beschikken, maakte ik een uitersten wil ten voordeele van dit geliefde kind. Ik benoemde de heeren GORDON en GOURLAY tot uitvoerders van denzelven, en tot voogden over mynen zoon, geduurende myne afwezigheid. Ik stelde hun vervolgens alle myne papieren verzegeld ter hand, met verzoek dezelven te bewaren, tot dat ik ze weder zoude opëisschen, of tot mynen dood; en dit gedaan zynde, ging ik een bezoek geven aan den heer SNYDERHANS, Predikant te Paramaribo, om hem te verzoeken tot het bepalen van eenen dag, op welken JOHNNY STEDMAN zoude kunnen gedoopt worden. [75]

Den 18den, kwam het overschietend krygsvolk van den Colonel FOURGEOUD uit het leger aan de Cassipory-Kreek, en wy zetteden alle de toebereidzels tot ons vertrek met yver voort. De vreugde, die het klein getal zee-soldaten, welke hunne medgezellen overleefden, wegens het te rug keeren naar hun vaderland gevoelde, was oorzaak, dat zy hunne agterstallige soldye, welke zy ontfingen, aan overdadige verteeringen besteedden, die gelegenheid gaven tot twisten, zoo onder elkander, als met de soldaten van 's Compagnies krysvolk. Verscheiden wierden gewond, anderen afgeklopt; en de rust herstelde zig niet dan met veel moeite.

Het oogenblik van ons vertrek steeds meer en meer naderende, verliet ik myne wooning; en, op de uitdrukkelyke uitnoodiging van Mevrouw GODEFROY, bragt ik eenige dagen door in het huis, het welk zy in het midden van haaren fraaijen tuyn, en onder de schaduwe van tamarinde- en oranje-boomen, had laten bouwen, om JOANNA en haaren zoon daar in te ontfangen, aan wien zy bovendien twee Negerinnen gaf, om haar te dienen. Deeze aangenaame wooning was wel voorzien van huisraad, het welk fraaiheid en gemak zamenpaarde. Hoe gelukkig zoude ik geweest zyn met myn leven aldaar door te brengen.--Maar het noodlot had dit anders bepaald.

Den 22sten, vervoegde ik my met den Capitain SMALL, (die voor twee maanden verlof had gekregen,) by den Predikant SNYDERHANS, welke, tot myne groote verwondering, weigerde mynen zoon te doopen, onder voorwendzel, dat ik, naar Holland vertrekkende, geene zorge konde dragen, dat hy eene Christelyke opvoeding ontfing. Ik gaf hem ten antwoord, dat ik mynen zoon aan voogden toevertrouwde; maar alle vertogen waren vrugteloos; en aan dit styfhoofdig mensch geene reden kunnende doen verstaan, ging ik heen, onder betuiging, dat al wilde hy nu zelfs in het verzogte toestemmen, ik het niet begeeren zoude.

Vermaken en vreugde heerschten toen te Paramaribo, even als by onze aankomst. In alle wyken gaf men middag- en avond-maaltyden en dans-partyen; maar ik was by geene, dan by die van myne beste vrienden, tegenwoordig, waar onder ik steeds den Gouverneur NEPVEU rekende. Hy besloot alle deeze festynen, waar in de inwooners der Surinaamsche Volkplanting zoo verkwistend zyn, met één der treffelykste en kostbaarste maaltyden.

Den 25sten, wierd al het goed aan boord van het schip gebragt.

Ik ontfing eindeloos veel geschenken van alle de lieden, met welken ik eenige vriendschap gehad had. Myn voorraad van allerleije zoort zoude voldoende voor my geweest zyn, om 'er den aardbol mede rond te reizen. In een klein kistjen met sterken drank, vond ik een fles oprechte oranje-oly, en nog één, welke men hier noemt oly van tonca boonen. De eerste wordt gemaakt van oranje-schillen, welken men tusschen den duim en voorsten vinger drukt; een langwyligen en verdrietigen arbeid. Eenige droppels van deeze oly met suiker zyn uitmuntend tot versterking van de maag, herstelling van eetlust, en bevordering der verteering. Men heeft slechts één droppel noodig, om de geur door eene geheele kamer te verspreiden. De tonca-boonen groeijen, zoo men zegt, in eene dikke vleesachtige vrucht, en op een zeer grooten boom. Ik heb geene andere dan drooge gezien, en dan gelyken zy veel op pruimen. Zy dienen om aan de tabak, zoo in bladen, als om te snuiven, een aangenaamen geur mede te deelen.

Den 26sten, gingen wy gezamentlyk van zyne Excellentie den Gouverneur afscheid nemen. Eenige oogenblikken daar na, kwamen de Officiers van het krygsvolk der Sociëteit in het hoofdkwartier, om ons eene behoudene reize toe te wenschen.