Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet
Part 50
Het regen-saisoen onverwagt zynde opgekomen, handelde het krygsvolk der Sociëteit van Surinamen, dat aan de Wana-Kreek lag, verstandig met op te breken, en trok den 26sten voor by onze legerplaats, de Cottica afzakkende, om zig naar de Plantagiën aan de Peréca-Kreek te begeven. Intusschen waaren wy verwezen, om in deeze legerplaats aan de Cassipory-Kreek gebrek te lyden, terwyl de Colonel FOURGEOUD zig zeer gerust op Paramaribo bevond. De Officiers van dit volk berigtten ons, dat eenige andere muitelingen, aan den kant van de Rivier Maroni, gevangen genomen waren. Wy behaalden zulk een voordeel niet, schoon wy van alle kanten geduurig ronden deeden.
Den 29sten, eindelyk, wierpen zes schepen, beladen met een gedeelte van het krygsvolk, het welk uit Holland was aangekomen, het anker tegen over onze legerplaats. Ik kon niet nalaten de ongelukkigen, die zig met ons vereenigden, te beklagen, en dit was niet zonder reden, dewyl verscheiden van hun reeds door de scheurbuik, en andere akelige ziekten, waaren aangetast. Intusschen bouwden wy een oven van steen, en deeden al wat wy konden, om hun hulp te verschaffen. Een zekeren voorraad van wyn ontfangen hebbende, onthaalde ik tevens alle de Officiers; maar deezen drank den Capitain P----T naar het hoofd gevlogen zynde, daagde hy my, wegens een kwalyk verstaan, tot een tweegevecht uit. Wy gingen dus een weinig ter zyden van de legerplaats; en toen wy den sabel in de hand hadden, trok deeze Officier af met een schaterenden lach, wierp zyn wapentuig weg, en zeide my: "Dat ik hem konde afrossen, zoo ik wilde; maar dat hy te veel achting voor my had, om my den minsten tegenstand te kunnen bieden", en daarop omhelsde hy my hartelyk. Ik deed hem een vriendelyk verwyt, en bragt hem weder by het gezelschap, met het welk wy het oude jaar vrolyk ten einde bragten.
Op nieuwe jaars dag van het jaar 1777, gingen wy onze gelukwenschingen by den bevelhebbenden Officier afleggen; en, onder weg, vertoonde men my de Philander, of de Oppossum van Mexico, alhier Awary genaamd. Het was een wyfje, welke men met haare jongen levendig gevangen had.
Ik heb reeds van de Oppossum gesproken; ik zal my dus hier alleenlyk met die byzonderheden bezig houden, welke ik in het thans aan my vertoonde dier opmerkte; zy zullen zelfs zeer weinige in getal zyn, want het dier bevond zig op den bodem van eene ledige kist; en vreezende door het zelve gebeten te worden, dorst ik het 'er niet uit haalen. Zoo groot zynde als een Noorweegsche rot, was deeze Oppossum mitsdien veel grooter, dan die ik bevorens in dit werk beschreven heb. Derzelver hair had eene geelachtige gryze kleur op den rug, en eene vuile witte kleur onder aan den buik en aan de pooten. Haare bek was voorzien van lange knevels en minder puntig, dan de andere Oppossum. Een zwarte kring liep rondom haaren oogbol; de oogen waaren wel niet zwart, maar stonden zeer levendig. Haare staart was uittermaten lang, dik, van zwaar hair voorzien, vooral ter plaatse waar dezelve aan het lyf vast is, en diende haar tot een aanvallend wapentuig. Deeze Oppossum had onder den buik een zak, van een plooy of kreuk in de huid gemaakt, en van buiten zoo wel als van binnen hairachtig. Haare jongen, ten getaale van vyf of zes, kwamen 'er nu en dan uit, wanneer de moeder zig stil hield; maar op de minste beweging of het minste gerucht, begaven zy 'er zig weder schielyk in. Met dit arme dier, het welk men reeds lang gekweld had, medelyden hebbende, deed ik de kist op zyde tuimelen. Toen ontsnapte de gevangene met haare jongen, en klauterden allen gezwindelyk op den top van eenen hoogen boom, staande in het gezicht der wooning van den Colonel SEYBOURG. De moeder maakte zig vervolgens met haare staart aan één van de takken vast; maar dewyl dit zoort van dieren het gevogelte vernielt, deed de Colonel, voor zyne hoenderen bang zynde, op haar en haare jongen schieten. By het geen ik gezegd heb, moet ik nog voegen, dat de gezwindheid van deeze Oppossum my des te meer verwonderde, om dat verscheiden Schryvers die hoedanigheid in dezelve ontkennen.
Onder de vernielers van het gevogelte, vindt men ook een ander dier, in dit Land bekend onder den naam van Quacy-Quacy, door zommige persoonen genoemd het Indisch Konyn, maar zynde in de daad de Coati-moudi, of het Brazielsche wezeltje. Men vergelykt hem zeer voegzaam met de Vos; want zoo wel als hy genoegzaame kragten heeft, om een kalkoen of een gans weg te nemen, is hy ongemeen behendig. Dit dier is zomtyds by de twee voeten lang. De gedaante van zyn lichaam is als die van een hond. Deszelfs hair is gewoonlyk zwart, of liever donker bruin; maar verscheiden van dat zoort hebben het zelve van eene blinkende roode kleur. Hy heeft eene lange dik gehairde staart, met zwarte streepen als ringen, en van eene donkere buffels kleur: hy houdt dezelve doorgaans in de hoogte. Het hair van de borst en van de buik van den Coati is van eene vuile witte kleur. Zyn kop, van eene helder bruine kleur, heeft lange kakebeenen, en een zwarte varkensmuil, die by de twee duimen overhangt, zig in de hoogte opstroopt, de vertooning maakt van een krom gebogen en opgeheven bek, en beweegbaar is even als die van den Tapira. Zyne oogen zyn klein; zyne ooren kort, rond, en van wederzyden door een diep bindzel aan den bek vast zittende. Zyne pooten zyn kort, en vooräl de voorpooten; dezelve eindigen met zeer langwerpige voeten, verdeeld in vyf klauwen, met sterke nagels gewapend. Schoon de Coati, even als de beer, altyd op de hiel loopt, en zig op de agterpooten staande houdt, is 'er geen dier, (den aap uitgezonderd,) dat met meer gezwindheid de boomen opklimt. De vogelnesten, met al wat 'er in is, zyn aan zyne vernielingen bloot gesteld. Hy plundert voornaamlyk de hoender-hokken; en dienvolgende stelt men alles te werk om hem uit te roeijen.
Alvoorens de Surinaamsche bosschen te verlaten, moet ik nog een ander dier beschryven, het welk dezelven bewoont, en voornamelyk van mieren leeft; het is de groote Mier-eeter, de mier-eetende Beer, of de Mieren-Leeuw; Ofa Palmera by de Spanjaarden genoemd. Het lyf van dit dier (twee maalen grooter zynde, dan dat van den Coati-moudi,) is overdekt met lange en dikke hairen, zwart op den rug en aan den buik, grys of witachtig geel aan den hals en in de zyden. Zyn kop is niet zeer dik, maar uittermaten langwerpig, en eindigende met een grooten bek van eene helder roode kleur. Zyne oogen zyn zeer klein; zyne ooren kort en rond; en zyn mond, die geene tanden heeft, is niet grooter dan noodig is, om zyne tong te kunnen bevatten. Zyne staart is van eene verbaazende grootte, en van zeer lange hairen voorzien, welke dezelven naar die van een paard doen gelyken. Het dier bedient zig van deeze buitengewoone staart, om zyn lyf te dekken, wanneer hy slapen wil; het geen hy doorgaans over dag doet, wanneer hy zig voor den regen wil beveiligen. Anderzints sleept hem dezelve agter aan, en hy veegt 'er den grond mede. Hy heeft dunne pooten, maar met zeer lange hairen overdekt; de agterpooten zyn zwart, korter, en eindigen met vyf klaauwen; de voorpooten hebben eene vuile witte kleur, maar eindigen alleen met vier klaauwen, waar van de twee middelste langer zyn, dan de andere; allen zyn ze met zeer scherpe nagels gewapend.
De groote Mier-eeter is, een slecht looper. Hy zet zig altyd op het achterste van de langste zyner pooten, even als de Coati, of de Beer; maar hy klautert beter; en hy is zoo sterk in het vechten, dat geen hond zig aan hem durft wagen; want geen dier, dat onder zyne voor-klauwen koomt, en zelfs de Jaguar, of de Guiaansche Tyger, wordt door hem los gelaten, dan wanneer hy hem dood gemaakt heeft. Zyn voedzel, zoo als if gezegd heb, bestaat, voornamelyk in mieren, welken hy op de volgende wyze vangt:--Wanneer hy by een mieren-nest koomt, steekt hy zyne tong uit, die by de twintig duimen lang is, en zeer veel gelykheid op een worm heeft; door eene slymige stoffe, of speekzel, bevochtigd zynde, blyven de mieren 'er in een groot aantal aan hangen; de mier-eeter haalt vervolgens zyne tong in zynen bek te rug; en hy herhaalt deeze bewerking, zoo lang nog eenige van deeze insecten in hunnen schuilhoek overig zyn; daar na gaat hy elders zoeken, om het zelfde zoort van voedzel op gelyke wyze naar zig te nemen. Hy klautert ook op de boomen, om aldaar houtluizen en wilden honig te eeten; maar indien hy het noodige voedzel voor zig niet vindt, kan hy een langen tyd vasten, zonder daar van het geringste ongemak te ondervinden. Men zegt, dat men dit dier kan tam maken, en dat hy, in dien huishoudelyken staat, kruimels brood, en zeer kleine stukjens vleesch doorslikt; men beweert bovendien, dat zyn vleesch aan de Indianen en Negers een goed voedzel verschaft; ik heb de laatstgemelden ten minsten het zelve met smaak zien eeten. Eenige mier-eeters zyn niet minder dan agt voeten lang, van den kop tot de staart gerekend.
In Surinamen vindt men ook een dier van het zelfde zoort, Tamandua genaamd: maar hy is kleiner en zeldzamer. Hy verschilt van den bovengenoemden daar in, dat hy twintig klaauwen heeft, den kop naar evenredigheid grooter, de staart kleiner, en afgedeeld door zwarte streepen, en van eene bleek geele kleur. 'Er is ook nog een derde zoort, welk dier insgelyks den naam van Mier-eeter draagt; maar ik heb hem nooit gezien.
Den 3den kwamen zes andere vaartuigen van Paramaribo aan; zy waren geladen met soldaten, die het getal van drie honderd vyftig mannen, uit Holland gezonden, volkomen uitmaakten. Vernomen hebbende, dat onder deeze nieuw aangekomenen zig bevond een Capitain, CHARLES SMALL genaamd, die onder de Schotsche Brigade gediend, en met den Vaandrig MACDONALD geruild had, zakte ik dadelyk in een kano de Rivier af, om deezen Officier op te zoeken, en hem mynen dienst aan te bieden. Ik was naauwlyks op zyn vaartuig gekomen, of ik zag hem aan eene heete koorts in zyne hangmat ziek leggen. My niet herkennende, uit hoofde van myn plunje, die niet veel beter was, dan van den gemeensten matroos, vroeg hy, wat ik begeerde; maar wanneer hy in my zynen ouden vriend STEDMAN herkende, in eenen zoo verschillenden staat, als hy hem voor deezen gekend had, drukte hy my de hand, en smolt in tranen weg, zonder een enkel woord uit te brengen. Deeze aandoenlyke beweging, waar door zyne ziekte verërgerde, gaf my een sterker bewys van zyne vriendschap voor my, dan eenig gesprek zoude hebben kunnen doen. Ik nam hem derhalven in myne kano, en bragt hem in myne hut, alwaar men veel moeite had, om hem door een gat, het welk men opzettelyk maakte, te doen binnen treden, want het gat in het dak konde alleenlyk voor my tot een ingang dienen. Zyne hangmat dicht by de myne hebbende doen ophangen, liet ik water koken, waar in ik rhum, suiker en een weinig bischuit deed; de zieke nam deeze soup, en van dit oogenblik aan wierd hy beter. Hy verhaalde my, dat één van zyne soldaten in den overtocht verdronken was, en dat wanneer de Colonel FOURGEOUD aan de nieuwlings ontscheepte Officiers een dans-party gegeven had, op welke één van zyne koks en twee soldaten de plaats van Musikanten vervulden, hy aldaar, door te veel te danssen, zig zyne ziekte had op den hals gehaald.
Korten tyd daar na, verscheen de Colonel zelf in de legerplaats, en kondigde ons aan, dat door de aankomst van nieuwe Officiers, verscheiden onder ons hunnen rang in het Regiment en in het leger verloren: dit was de belooning voor allerleije zoorten van vermoeijenissen, gevaaren, en onäangenaamheden, geduurende vier jaaren lang in eene verzengde luchtstreek. Om de maat van ellende vol te meten, gelastte men ons, in plaats van ons naar Europa te rug te roepen, om in de bosschen van Surinamen te blyven, en aldaar de geenen, die ons moesten vervangen, in den dienst te onderrigten.
De post van Majoor wierd my toen opgedragen. Dezelve was zeer onäangenaam: men moest dagelyks soldaten kastyden, die om hunnen honger te stillen, het magazyn beroofden; want hun ontbrak brood eene geheele week lang, dewyl de oven reeds was afgebroken. Een van deeze arme keerels wierd byna tot den dood toe gegeesseld, om dat hy een gerookte worst ontvreemd had van den Colonel, die nooit vergat, om ten minsten zes sterke Negers te beladen met allerleije zoorten van gezouten kost, thee, koffy, suiker, Madéra-wyn, brandewyn, genever, enz.
Den 8sten, kwam eindelyk een vaartuig aan, niet alleen gezouten vleesch en bischuit in hebbende, maar ook een levendige os en twee varkens.
Deeze dieren waren een geschenk van zekeren Colonist, FELMAN genaamd, die door zyne vrouw en eenige vrienden vergezeld zynde, den Colonel een bezoek kwam geven. De varkens en de os wierden dadelyk geslagt, en onder vier honderd menschen verdeeld, zoo dat men gemakkelyk kan naargaan, dat ieders rantsoen niet zeer groot geweest kan zyn. Na deeze uitdeeling, bezichtigde het geheele gezelschap onze onderscheidene woningen. Aan de myne gekomen zynde, wandelde de Colonel dezelve rond; maar geen deur ziende, riep hy uit: "Is hier niemand in?" Ik stak oogenblikkelyk myn hoofd door het gat in het dak, en bood de vrouwen aan, om door het zelve by my in te komen; maar zy bedankten 'er beleefdelyk voor. Ik heb den Colonel nooit zoo hartelyk zien lachen. Zoo dra hy spreken kon, riep hy uit: Men moet STEDMAN zyn!--Men moet zoo origineel zyn, als hy. Hy bragt vervolgens het gezelschap weder in zyne woning; maar vooraf noodigde hy my, om hem aldaar te volgen.--Toen de Capitain SMALL en ik van daar heen gingen, deeden wy eene wandeling in eene fraaije Savane, alwaar wy eene hut van takken van boomen hadden opgericht, waar aan wy den naam gaven van Ranelagh, en wy namen aldaar van tyd tot tyd eenige ververschingen van koud eeten, waar door myn voorraad schielyk op geraakte. Wy moesten dus by vervolg van ons rantsoen leven; maar SMALL had toen het genoegen te zien, dat zyne medgezellen van gelyken deeden. Deeze, niet gewoon zynde aan het zuinig leven, het welk in onze bosschen zoo noodzakelyk was, hadden van hun meel puddings gemaakt, en zagen zig toen gedwongen, om scheeps-bischuit te eeten.
Den 12den, kregen honderd vyftig mannen van het nieuwe krygsvolk bevel, om op te trekken. Elk hunner was, behalven met zwaare kleederen, met een hangmat en een zeer zwaar randsel beladen. Myn vriend SMALL was onder dit getal; hy was zeer dik, en zoo verzwakt, dat hy naauwlyks gaan konde. Ik deed dit aan den Colonel opmerken, die hem veroorloofde, om zig voor een gedeelte van dien toestel te ontlasten.
Alles op die wyze in gereedheid zynde, nam deeze hoop krygsvolk haaren weg rechts af, en, vertrok met den Colonel FOURGEOUD aan het hoofd, om zig naar de Rivier Maroni te begeven.
De Colonel was in dit oogenblik ten mynen opzigte wel zoo beleefd, als ik hem verlangen konde, maar de rechtvaardigheid dwingt my te verklaaren, dat hy in alle andere opzigten zoo heerschzuchtig en onmeedogend was, als ik hem immer gezien heb. Hy scheen in het begrip te staan, dat zyn rang die handelwyze van hem vorderde.
In zyne afwezigheid voer ik de Rivier over, en hieuw aan de andere zyde van de Cottica eenen palmboom om, het geen ik deed, niet alleen om de kool, maar om dat ik wist, dat de worm in veertien dagen goed zoude zyn om te eeten.
Het bosch van dien kant met mynen Neger QUACO doorwandelende, viel myn oog op den cederboom, het bruine hart, en de kogel-boom. De eerste verschilt, in weêrwil van deszelfs naam, van den cederboom op den berg Libanon, die eene spits toeloopende gedaante heeft. Die van Surinamen groeit mede tot eene groote hoogte op; maar men stelt zyne waarde voornamentlyk daar in, dat deszelfs hout nooit door wormen, noch andere insecten geknaagd wordt, en een ongemeen bitteren smaak heeft. Het heeft ook een aangenaame geur, en men verkiest het daarom boven alle ander hout, om koffers, kisten, kassen, en allerleije zoort van schryn-werk te maken. Het dient ook tot het bouwen van tent-jachten en andere vaartuigen. De kleur van het spint van dit hout is bleek oranje. Het is hard en te gelyk ligt; en uit den stam druipt een gom, veel gelykende naar Arabische gom: dezelve is doorschynende en zeer welriekende.
De boom met het bruin hart is van dezelfde dikte en hardheid, als de boom met het purper hart, en die met het groen hart, waar van ik melding gemaakt heb. Hy dient tot groote werken, en voornamelyk tot het bouwen van molens. De kleur, die zeer fraay is, is met deszelfs benaming overeenkomstig.
De Kogelboom groeit zomtyds hooger dan zestig voeten; maar naar mate van zyne hoogte is hy niet dik. Zyne schors is gryskleurig en glad; zyne spint bruin, over 't geheel wit gevlakt. Geen boom is hem in zwaarte gelyk; de zyne gaat die van het zeewater te boven. Hy is zoo in één gedrongen, dat zonneschyn en regen geene uitwerking op hem doen. Dienvolgende maakt men 'er latten van, om 'er de daken mede te dekken, in plaats van met leijen of pannen, die in dit Land te zwaar en te heet zouden zyn. Men verkoopt deeze latten voor meer dan veertig guldens de honderd te Paramaribo, en men behoeft ze niet te vernieuwen, dan na verloop van vyf en twintig jaaren.
Ik moet ook nog spreken van een anderen boom, Ducolla-bolla genaamd, die men insgelyks in de bosschen van Guiana vindt. Hy heeft eene zeer donkere roode kleur, en een zeer gelyk en fyn erf. Zyne hardheid en zwaarte maken hem voor den schitterendsten glans vatbaar.
Omtrent op deezen zelfden tyd, wierd het geheele leger gekweld door insecten, in Surinamen genoemd hout-luizen, maar welken men met meerder gepastheid witte mieren zoude kunnen noemen, want zy hebben zeer veel gelykheid op mieren. Het grootste onderscheid tusschen deeze beiden bestaat daar in, dat de mieren in den grond woonen, en deeze houtluizen hunne nesten op stammen van boomen maken. Deeze nesten, die zwart, rond, onregelmatig zyn, veel gelykende naar den wolligen kop van eenen Neger, maar zomtyds zoo groot als een half vat, zyn gemaakt van eene roodachtige aarde, zoo in één gedrongen als mastik, en ondoordringbaar voor het water. In dezen hoop, bestaande in een eindeloos getal gemeenschappelyke wegen of loopgraven, die de gedaante hebben van de schacht van een ganzen-veder, leven deeze dieren in talryke zwermen; en wanneer zy 'er uitkomen, richten zy de verschrikkelykste verwoestingen aan, meer dan eenige andere insecten in Guiana. Zy doorknagen het hardste hout, het leder, het linnen, en alles wat zy ontmoeten. Zy komen dikwils in de huizen door een bedekten weg, van eene halve cirkelswyze gedaante, welken zy in de beschotten maaken, en die door deszelfs omwegen zomtyds verscheide honderde voeten lang is. Dewyl zy alles tot stof vermalen, indien men, dezelven bespeurende, geene zorge draagt om ze uit te roeijen, het geen door middel van rottekruid en terpentyn-olie geschiedt, zyn deze insecten in staat om het geheele huis met eene volkomene instorting te bedreigen. De houtluizen verschaffen, in weerwil van hunne walgelyke en stinkende reuk, een goed voedzel aan het gevogelte, het welk, zoo men zegt, 'er veel gretiger op is, dan op het graan van Indisch koorn. Ik moet niet met stilzwygen voorbygaan, noch hun ongemeen vernuft in het herstellen van hunne woning, wanneer die beschadigd is, noch hun voortteelend vermogen, het welk zoo groot is, dat men, welke verwoesting men ook onder hen maakt, hen spoedig weder ziet te voorschyn komen, in een zoo aanzienlyk getal als bevoorens.
Wy wierden bovendien dikwils gekweld door geheele wolken van vliegende luizen, die zomtyds onze kleederen zoodanig overdekten, dat ze het voorkomen van eene gryze kleur hadden. Dit ongemak sproot voort uit de uitspreiding van haare vlerken, (vier in getal zynde) die aan de stoffe van het kleed blyven vast zitten, en zig van het lichaam van het insect afscheiden, wanneer het in de hoogte vliegt. Eenige Natuurkundigen beweeren, dat de vliegende luizen geene andere zyn, dan de bovengemelde houtluizen, en die, tot zekeren ouderdom gekomen zynde, vlerken krygen, hun nest verlaten en rond vliegen, even als zommige andere mieren, zoo in Europa, als in America.
De krygstucht was toen zoo gestreng in het leger, dat ieder, die het minste gerucht maakte, zwaar gestraft wierd, en zelfs gedreigd, om te worden doodgeschoten. De schildwachten hadden last, om van de aankomst van rondes alleenlyk door fluiten bericht te geven, en men beantwoordde hun op gelyke wyze.
Een van onze soldaten, den 18den, veroordeeld zynde geworden, om door de spitsroeden te loopen, vermits hy hard gesproken had, vond ik middel, by afwezigheid van den Colonel FOURGEOUD, om hem vergiffenis te doen verkrygen, op het zelfde oogenblik, dat hy reeds uitgekleed was, om zyne straf te ontfangen.
Den 23sten, ontfing ik verschen voorraad en wyn, my van Paramaribo gezonden; alles kwam zeer ter sneede. Den zelfden dag kwam de Colonel FOURGEOUD met zyne manschappen van zynen tocht naar de Rivier Maroni te rug. Hy had negen en vyftig huizen verwoest, en drie bebouwde velden vernield. Op die wyze wierd zekerlyk aan de muitelingen de doodsteek toegebragt, daar zy, geen middel meer hebbende, om aan deeze zyde der Rivier te kunnen bestaan, genoodzaakt waren dezelve over te trekken, en zig in de Fransche Volkplanting van Cayenne te gaan nederzetten. Op deezen moeijelyken, doch noodzakelyken tocht, hadden de soldaten, en vooral de nieuwlings ontscheepten, verbazend veel geleden. Men was verplicht een groot aantal derzelver in hunne hangmatten te dragen; men liet meer dan dertig zieken op den wachtpost aan de Maroni, en myn vriend SMALL kwam 'er vry wat vermagerd van daan.
'Er waren toen meer dan honderd mannen, die in het hospitaal van onze legerplaats gevaarlyk ziek lagen. Men hoorde niets, dan zuchten en kermen, en daar by alle nachten het geschreeuw der Guiaansche steen-uilen. De kramp, een ongemak, in Surinamen zeer gemeen, kwelde de geenen, die anderzints nog in staat waren om dienst te doen. Elk was in de grootste droefheid gedompeld. Hier zag men iemand, van het hoofd tot de voeten, met bloedende zweeren bedekt; daar weder een ander, die door twee van zyne medgezellen gedragen wierd, en in eenen diepen slaap bedolven, den eeuwigen slaap ingong, in weerwil van alle de schuddingen en bewegingen, die men te werk stelde om hem te doen ontwaken. Een derde, door de waterzucht opgezwollen, stierf, door het water verstikkende, na den Heelmeester, (die doorgaands antwoordde, dat het te laat was,) vrugteloos gebeden te hebben, om hem het zelve af te tappen. Zommigen, zig in het Hospitaal bevindende, baden God met gevouwen handen, om hun te hulpe te komen. Verscheiden, door eene heete koorts aangetast, trokken zig de hairen uit, braakten lasteringen uit tegen de Voorzienigheid, en vervloekten den dag hunner geboorte. Om kort te gaan, onze gesteldheid was zoodanig, dat men de pen van eenen MILTON zoude noodig hebben, om ze te beschryven; en terwyl de dood dagelyks nieuwe verwoestingen aanrechtede, geraakte een gedeelte der legerplaats, door zeker toeval, geheel in brand; maar de Negers bluschten den brand spoedig, zonder dat 'er eenige wezentlyke schade uit voortkwam.
Den 26sten, echter, begon myne ellende ten einde te loopen. De Colonel bood my, tot myne groote verwondering, aan, om hem naar Paramaribo te vergezellen, het geen ik zonder bedenking, en met genoegen aannam. Ik gaf derhalven myn huis, de hut in de Savane, en myn voorraad van levensmiddelen aan mynen vriend, den Capitein SMALL, ten geschenke. Ik onthaalde hem, benevens eenige andere Officiers, ter middagmaal, en gaf hun een kookzel van kool en palmboom-wormen, die nu volkomen goed geworden waren. Wy besproeiden dit eeten met eenige glazen wyn, die van goeder harter wierden ingeschonken, en ik nam myn afscheid. Te middernacht ging ik met den Colonel en twee andere Officiers, in een fraay vaartuig van zes roey-riemen. Ik verliet derhalven nog eenmaal deeze sombere bosschen, alwaar men zoo veele wonderen ziet, maar tevens onheilen ondervindt, die naar de gedachten van hun, die dezelven moeten doorstaan, de tien plagen van Egypten te boven gaan.