Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

Part 5

Chapter 5 3,683 words Public domain Markdown

In den jaare 1665, wierd de Volkplanting van Surinamen met voordeel bebouwd, en grootendeels met Tabak beplant. Derzelver eigenaars hadden aldaar ook meer dan veertig schoone Plantagiën van Suiker-riet opgericht, en eene sterke Vesting van gehouwen steen ter hunner verdediging gebouwd. Het verdient egter opmerking, dat volgens zommige Schryvers zulks gedaan wierd door de Portugeezen, schoon de tyd 'er van onzeker is. De Franschen, wel is waar, betwisten dit stuk hevig, en beweeren dat deeze Vesting het werk was van den heer PONSERT DE BRETIGNY, toen zy in het bezit van deeze landstreek waaren. Wat daar van zyn moge, de Vesting is gelegen zestien of agtien mylen van den mond der Rivier van Surinamen, en de nyvere Colonisten bevonden zig zeer gelukkig in een Steedjen, het welk zy onder de muuren deezer Vesting bouwden. Hun geluk was niet van langen duur; want, staande de oorlogen tusschen KAREL II. en de Vereenigde Nederlanden, ontnamen de Hollanders, die in 't jaar 1661, door de Portugeesen uit Brasiliën verjaagt waaren, in 't jaar 1667. de Volkplanting van Surinamen aan de Engelschen, onder het bevel van Capitain ABRAHAM KRYNSZOON, die tot dit einde door de Provintie van Zeeland, met drie oorlogschepen en drie honderd zee-soldaaten wierd afgezonden. De Engelsche Bevelhebber WILLIAM BYAM verloor deeze Volkplanting, uit hoofde van eene overrompeling, op het oogenblik, dat zes honderd van zyne beste manschappen bezig waaren met het planten van suiker-riet. Zyne onagtzaamheid was zigtbaar door het gering verlies der Hollanders, die by het bestormen der Vesting, slechts één man, verloren hadden. Zy plantten oogenblikkelyk het vaandel van den Prins van Orange op de wallen, en gaaven aan deze Vesting den naam van Zelandia. De Stad Paramaribo ontfing den naam van Nieuw Middelburg. De overwinnaars deeden, onder andere schattingen, door de inwoonders honderd-duizend ponden suiker opbrengen, en zy zonden een zeker getal uit hun midden naar het eiland Tabago. Deeze gebeurtenis viel in February voor, en in de maand July daaraanvolgende wierd de Vrede te Breda gesloten. Maar ongelukkig voor de nieuwe bezitters der Volkplanting, wist de Engelsche Bevelhebber JOHN HERMAN 'er niets van. Eerst Cayenne aan de Franschen ontnomen hebbende, liep hy in de Rivier van Surinamen met eene vloot binnen, bestaande uit zeven oorlog-schepen, en twee bombardeer-galjooten, ontnam deeze bezitting aan de Hollanders, doodde meer dan vyftig van hunne manschappen, en vernagelde negen stukken geschut op het Fort Zelandia. De nieuwe inwoonders betaalden op hun beurt eene schatting; de Hollandsche bezetting wierd krygsgevangen gemaakt, en naar het eiland Barbados overgevoerd.

Toen men te Surinamen vernam, dat de Vrede tusschen de oorlogende Mogendheden in Europa gesloten was, eer dat de Bevelhebber HERMAN deeze Volkplanting van de Hollanders hernomen had, ontstond 'er een geweldige opstand, gevolgd van groote wanorden onder de Colonisten, die niet meer wisten, wie hunne wettige Overheid was. Eindelyk wierd, op bevel van Koning KAREL, de bezitting, in 't jaar 1669, aan de Hollanders te rug gegeven; en toen verlieten twaalfhonderd van derzelver oude inwoonders, Engelschen en Negers, dit Land, en zetteden zig op het Eiland Jamaica neder. Na dat de oorlog, die vervolgens plaats had, geëindigd was, bepaalde men by het Verdrag van Westmunster, dat Surinamen voor altoos geheel in eigendom aan de Hollanders blyven zoude, in ruiling tegen het Gewest van New-Yorck, het geen dienvolgende ook in 't jaar 1674 geschiedde. Zedert dit tydperk is Groot-Brittanniën niet meer in het bezit der Volkplanting Surinamen geweest. In het jaar 1678, was een Hollander, genaamt HEYNSIUS, en de Capitain LIGHTENBORG, de één Gouverneur, en de ander Bevelhebber over het krygsvolk aldaar.

De Hollanders hadden, geduurende de eerste jaaren van hun genot, weinig genoegen in hunne nieuwe bezittingen, en wierden door de invallen der Karaïben, welken zy minder wel behandelden, dan de Engelschen gedaan hadden, dagelyks ontrust. Deeze Indiaanen strekten hunne wraak zoo verre uit, dat zy verscheiden Colonisten van kant hielpen. De Provintie van Zeeland, aan wien deeze Volkplanting in eigendom toebehoorde, met de Verëenigde Gewesten over het opperbestuur deezer bezitting in geduurigen tweespalt zynde, en daarenboven de zwaare kosten, die tot derzelver verdediging en behoud noodig waaren, niet kunnende opdiepen, besloot om dezelve geheel en al aan de Hollandsche West-Indische Compagnie te verkoopen. Dit geschiedde met al den oorlogs-voorraad en krygsbehoeften, waar onder vyftig stukken geschut waaren, voor de somme van 23,636 ponden sterlings. Deeze Compagnie verkreeg te gelyker tyd van hun Hoog Mogenden, de Staaten Generaal, een vrydom van alle belastingen geduurende tien jaaren. Echter eenige maanden daar na, onaangezien dit voordeel, bevindende, dat de noodzakelyke kosten tot onderhoud deezer Volkplanting voor haar te hoog liepen, stond zy 'er twee derden van af, het eene aan de Stad Amsterdam, het andere aan het huis van SOMMELSDYK, op den voet van den prys, door haar daar voor betaald; en deeze drie maakten te zaamen eene Societeit uit, die onder bekragtiging van hun Hoog Mogenden, het bestuur der zaaken van dit Land alleen en geheel in handen had.

Dusdanig was de gesteltenis van Surinamen; en alles was op die wyze geheel en al in orde gebragt, toen CORNELIUS VAN AARSSEN VAN SOMMELSDYK, als één der mede-eigenaars, met driehonderd mannen, en eenige ongelukkigen, die tot ballingschap verwezen waaren, aldaar aankwam. Hy rigtte een Kamer van Politie op, om hem in 't bestier der Justitie behulpzaam te zyn, en leefde met de leden van dien en met de inwoonders in een aanhoudend misverstand. Dienvolgende zond men verscheide klagten tegen hem naar Europa, schoon hy een voordeeligen vrede gesloten had met de Karaïben, de Indianen, genaamt Warowa en Arawakka, als mede met eenige weggeloopen Negers, die zig, na dat de Engelschen de Volkplanting verlaten hadden, by de Rivier Copenama hadden nedergezet.

De regeering van deezen ongelukkigen Edelman duurde korten tyd; want in den jaare 1688, wierden de afgezonden Gouverneur, de heer VERBOOM, en hy zelf, [6] op één en den zelfden dag door hunne eigene soldaaten vermoord. Dezelven gingen tot deeze daad van wanhoop over, dewyl zy gedwongen waaren geworden, om, even als Negers, Kanaalen te graven, en een zeer onvoldoend en ongezond levens-onderhoud ontfingen. Ik moet erkennen, dat dusdanige behandeling maar al te dikwils alhier voorvalt; en ik zal by vervolg gelegenheid hebben zulks te bewyzen. De moordenaars hadden zulk een vertrouwen op de wettigheid van deeze wreede daad, dat zy aanboden dezelve in rechten te verdedigen, en de redenen, die hen daar toe bewogen hadden, open te leggen.

Dewyl de byzonderheden van deeze moord nimmer opzettelyk ontvouwd zyn, zal de lezer het my ten goede houden, dat ik 'er hem een kort verhaal van geeve.

De Gouverneur wandelde op zekeren dag met den heer VERBOOM, in een bosjen van orangeboomen, in de nabyheid van zyn eigen huis, wanneer eensklaps tien of twaalf gewapende soldaaten, die het voorkomen hadden van dronken te zyn, hen hebbende aangeklampt, hun dadelyk vroegen om hunnen arbeid te verminderen, en hun betere levensmiddelen te bezorgen. De Gouverneur, zyn degen trekkende, om hen tot wyken te noodzaaken, wierd dadelyk met eenige steeken afgemaakt, en liet op de plaats het leven. Zyn medgezel kreeg slechts één wond; maar dezelve was doodelyk, en hy stierf negen dagen daar na. Deeze misdaad volvoerd zynde, trokken de moordenaars, gevolgd door verscheiden anderen van hunne medepligtigen, in zegepraal naar het Fort Zelandia, het welk zy zonder tegenstand innaamen; en zy maakten zig dadelyk meester van de oorlogs- en mondbehoeften. De bezetting zig by hun gevoegd hebbende, stelden zy zig in een linie, en verkoozen zig een Opper-Bevelhebber en verscheiden Officiers: zy deeden den eed van hun getrouw te zyn, en nimmer, nog de één nog de ander, hunne eigene zaak te verraden of te laten vaaren. Het was in deeze omstandigheid zeer aanmerkelyk, dat de nieuwe Bevelhebber den zelfden agter middag last gaf, om het lyk van den vermoorden Gouverneur, met krygsëer en statie, op het Fort Zelandia te begraven. Het geschut ging op de wallen af, en de muitelingen deeden drie herhaalde musket-schooten.

De Regeering en de inwooners van Surinamen zagen zig toen in eene zeer akelige omstandigheid, en wierden genoodzaakt om met de muitelingen van het Fort in onderhandeling te treden. De voornaamste artikelen der Capitulatie bestonden hier in: dat zy tegen betaaling van eene kleine somme gelds het Fort ontruimen zouden; dat men, hun zou toestaan op het Schip de Salamander aan boord te gaan, de Volkplanting te verlaaten zonder eenige hinder te ontmoeten, en zig te begeven naar zoodanig werelddeel, als hun gelieven zoude. Dienvolgende zond men 'er meer dan honderd aan boord; maar zy maakten zig niet eerder gereed, om het anker tot hun vertrek te ligten, voor dat hun Schip door kleine gewapende vaartuigen, in stilte tot dit oogmerk geschikt, omringd was. De muitelingen, genoodzaakt om zig op genade en ongenade over te geven, wierden korte dagen daar na ter zaake van moord en opstand gevonnisd. Elf van hunne hoofden ontfingen in 't openbaar hunne straf; drie verlooren het leven op het rad; agt wierden opgehangen: de anderen kreegen vergiffenis; maar dewyl men zig niet meer op hun vertrouwen konde, wierden zy uit den dienst der Volkplanting weggezonden, zoo dra men soldaaten gevonden had om hunne plaats te vervullen.

Het volgend jaar deed de weduwe SOMMELSDYK, maar zonder gevolg, een aanbod, om haar aandeel aan Koning WILLEM III. over te dragen. Te gelyker tyd wierd de heer SCHERPENHUYZEN, met krygsvolk en oorlogs-behoeften, uit Holland naar Surinamen gezonden, om als Gouverneur der Volkplanting de opvolger van den heer VAN SOMMELSDYK te zyn. By zyne aankomst vond hy alles in de grootste verwarring. Op het spoedigst de wanorde willende te keer gaan, rigtte hy een Hof van Justitie op, daar in verschillende van het geen zyn voorzaat had opgericht, dat hy het zelve in twee deelen verdeelde. Het eerste wierd geschikt voor alles wat de lyfstraffelyke en krygs-zaaken betrof. De inrichting van het laatste was betrekkelyk tot de burgerlyke twistgedingen, en alle zaaken raakende der ingezetenen byzondere belangen. Het zelve bestaat alzoo nog tegenwoordig, en de Gouverneur is Voorzitter in beide kamers.

De heer SCHERPENHUYZEN beyverde zig om ook goede Wetten en Reglementen te maaken: hy kwam ter juisten tyd, om de Volkplanting in een bekwaamen staat van verdediging te stellen tegen derzelver binnen- en buitenlandsche vyanden, het geen dezelve zeer noodig had, toen de oorlog tusschen de Vereenigde Gewesten en Frankryk verklaard wierd. Dit zelfde jaar wierd de bezitting van Surinamen door den Admiraal DUCASSE met een sterke vloot aangetast; maar de Gouverneur deed met nadruk dezelve te rug deinzen, op het oogenblik dat men het Fort Zelandia begon te beschieten.

In 't jaar 1692, wierd een Engelschman, genaamt HIEROME CLIFFORT, veroordeeld om opgehangen te worden, eene straffe, die in eene zevenjaarige gevangenis in het Fort van Sommelsdyk veranderd wierd. Zyne misdaad, het zy waar of verdicht, bestond in het hoonen van eene Regeering, die hem voor schulden gevangen zette. Het Hof van Groot-Brittanniën zig in deeze zaak gemengd hebbende, wierd hy, in den jaare 1695, overëenkomstig des Konings verlangen, in vryheid gesteld. Toen deed hy, ten lasten der Volkplanting, een eisch van 20,000 guinies tot schaâvergoeding voor eene onrechtvaardige gevangenis; maar dezelve wierd hem niet toegestaan. Zyne erfgenaamen hebben zyne vordering levendig gehouden, zedert den jaare 1700 tot in 't jaar 1762, zonder eenige voldoening te erlangen.

Geduurende den oorlog, die in 't jaar 1712 gevoerd wierd, wierd de Fransche Admiraal JACQUES CASSARD, door den Gouverneur DE GOIJER op gelyke wyze ontfangen, als aan DUCASSE door SCHERPENHUYSEN voor het Fort Zelandia bejegend was geworden; maar vier maanden daar na was hy gelukkiger, en stelde de Volkplanting onder eene schatting ter somme van 56,618 ponden sterlings. Den 10den October liep hy in de Rivier van Surinamen binnen met zes of acht oorlogschepen, en een zeker getal mindere Schepen, te zamen drie duizend mannen voerende.

De eersten waaren:

De Neptunus, van vier-en-zeventig stukken, aan welks boord de Admiraal was.

De Temeraire, van zestig stukken.

De Rubis, van zes-en-vyftig slukken.

De Vestale, van agt-en-veertig stukken.

De Medusa, van zes-en-dertig stukken.

Daags na zyne aankomst liet de Admiraal CASSARD één van zyne Capitains met een sloep, een witte vlag voerende, aan land gaan, om met de inwoonders over de betaaling eener brandschatting te handelen, hen bedreigende de Stad Paramaribo [7] te zullen beschieten, indien zy weigerden te betaalen. De sloep was egter genoodzaakt, zonder eenig voldoende antwoord te rug te keeren. Dewyl de Rivier van Surinamen, voor het Fort Zelandia, juist meer dan een myl breed is, vonden de Medufa, en verscheide kleine platte Scheepen, met Fransch krygsvolk geladen, door een zeer donkeren nacht begunstigd, middel om tot boven Paramaribo te naderen, zonder door de Hollanders bemerkt te worden, met oogmerk, om de Suiker- en Koffy-Plantagiën, die boven deeze Stad gelegen zyn, af te loopen; maar de belegerden maakten den 15den twee groote platte vaartuigen gereed, vol brandbaare stoffen, als drooge biezen, vaatjes met pik, enz. en gingen aan de andere zyde der Rivier, recht in 't gezicht der Stad, ten anker leggen. Men stak dezelve in brand, en het licht van de vlam deed de kleine vyandelyke Schepen ontdekken, die hun best deeden, om onder begunstiging van den donker de Rivier op te zeilen. Alzoo in het gezicht zynde, ontsnapten 'er weinigen van hun, zonder door het geschut van het Fort schade te lyden, en die Koopvaardy-schepen, welke zig op de reede bevonden, boorden eenige van die kleine platte Schepen in den grond, waar van een groot gedeelte van het scheepsvolk verdronk. Deeze krygslist belette egter de Franschen niet, die hooger op gezeild waaren, om de Plantagiën te plonderen en in brand te steeken. CASSARD zelf aan de Stad Paramaribo genadert zynde, wierp 'er meer dan dertig vuurkogels in, en beschoot dezelve, zoo als ook het Fort Zelandia, tot den 20sten October, wanneer hy een tweede boodschap aan de Hollanders zond, om hun af te vragen, of zy eindelyk tot een verdrag wilden komen, en eene brandschatting betaalen: hy dreigde hen, indien zy zyne voorslagen nog durfden afwyzen, om de geheele Volkplanting te vernielen en te verbranden.

De Hollanders, ziende dat hun verderf niet te ontwyken was, indien zy by hun eerste besluit bleeven, verzogten een wapen-stilstand van drie dagen om zig te beraden, het geen hun wierd toegestaan; en eindelyk namen zy de voorwaarden van den Admiraal CASSARD aan. Dienvolgende teekende men, den 24sten October, van wederzyden een Verdrag van vier-en-twintig Artikelen. De schatting van 56,618 ponden sterlings, door de Franschen gevorderd, wierd hun voornamelyk in Suiker, en Neger-slaaven, enz. betaald, vermits 'er weinig goud en zilver in de Volkplanting was. Zoo dra de betaaling geschied was, ligtte de Admiraal het anker; en den 6den December 1712, verliet hy Surinamen met zyne geheele vloot.

DERDE HOOFTSTUK.

Eerste opstand der Negers en deszelfs oorzaaken.--Elendige staat der Volkplanting.--Gedwongen vrede met de Muitelingen. --Muitery der Zee-Soldaaten, Matroozen, enz.

Deeze ongelukkige Volkplanting was slechts even van haare buitenlandsche en openbaare vyanden verlost, of zy ontmoette nog veel geduchter vyanden in haaren eigen boezem.

De Karaïben, en andere Indiaansche volken hadden, in de eerste tyden, wel is waar, deeze bezitting ontrust; maar, gelyk ik reeds gezegd heb, de Gouverneur SOMMELSDYK had, korten tyd na zyne aankomst in de Volkplanting, den Vrede met hun gesloten. De Wilden hadden denzelven gehouden, en vervolgens hadden zy met de Europeaanen, even als met goede buuren en vrienden, in de beste verstandhouding geleeft.

De Neger-Slaaven, in opstand gekomen zynde, zyn die vyanden, waar van ik thans voornemens ben te spreken. Geduurende eenigen tyd, verspreidden zy een algemeenen schrik in de Volkplanting, en dreigden om dezelve aan de Staaten van Holland te ontneemen.

Eenige weggeloopen Negers hadden reeds lang eene schuilplaats in de bosschen van Surinamen gezogt; maar hun getal was klein, tot omtrent het jaar 1726 en 1728, wanneer zy sterk vermeerderden. Toen plonderden zy Plantagiën, en bezorgden zig snaphaanen en spiessen. Deeze nieuwe wapenen, gevoegd by de geenen, waar van zy zig gewoonlyk bedienden, de boog en pylen, stelden hen in staat, om geduurige verwoestingen op de Suiker- en Koffy-Plantagiën aan te regten. Zy wierden daar toe aangezet, zoo door een geest van wraakzucht over de onmenschelyke mishandelingen, die zy van hunne meesters verduurt hadden, als door de zucht tot plondering, en voornamelyk om kruid, kogels, en bylen weg te neemen, ten einde in hunne verdediging voor het toekomende te voorzien.

Deeze Negers hadden zig over 't algemeen nedergezet aan de oevers van het bovenste gedeelte der Rivieren Copenama en Saraméca. Men gaf hun, naar de laatstgemelde, den naam van muitelingen van Saraméca, om hen van de andere benden, die vervolgens in opstand kwamen, te onderscheiden. Verscheidene hoopen krygsvolk en veele inwoonders wierden tegen hen afgezonden; maar zy bragten hen zeer weinig tot onderwerping, en konden schier niets dan beloften verwerven.

In 't jaar 1730, deed men eene wreede straf-oeffening aan elf ongelukkige gevangene Negers, om daar door hunne medgezellen schrik aan te jagen, en hen tot onderwerping te bewegen. Zeker manspersoon wierd levend aan een galg opgehangen door middel van een yzere haak, die hem door de ribben gestoken wierd; twee anderen wierden aan paalen vast geketend, en door een langzaam vuur verbrand; zes vrouwen wierden levendig gerabraakt, en twee meisjes wierden onthoofd. In het midden der folteringen betoonden zy zulk een moed, dat zy dezelve doorstonden, zonder een enkele zucht te loozen. Deeze wreedheid bragt eene andere uitwerking te weeg, dan men 'er van verwagt had. De muitelingen van Saraméca waaren 'er zoo woedend over, dat zy verscheiden jaaren lang voor de Colonisten zeer geducht wierden. De laatstgemelde, de onkosten van deezen oorlog, en de vermoeijenissen, die zy met het vervolgen van hunne vyanden in de bosschen moesten doorstaan, niet langer kunnende opdiepen; daarenboven door de verbaazende verliezen, welke de geduurige invallen der Negers aan hun veroorzaakten, en door de aanhoudende schrik, die 'er het gevolg van was, ter neder geslagen, beslooten zy eindelyk om met hun over vrede te handelen.

De Gouverneur MAURITIUS, die, in 't jaar 1749, zig aan het hoofd der Volkplanting bevond, zond eene aanzienlyke krygsbende naar hunne bezittingen aan de Rivier Saraméca, om, zoo het mogelyk was, deezen zoo vuuriglyk gewenschten vrede te bewerken. Deeze bezending kwam, na eenige schermutzelingen met verscheidene afgelegene partyen der muitelingen, eindelyk in hunne hoofd-kwartieren aan, alwaar zy een mondgesprek verzogten en verkreegen. Men stelde aldaar de voorloopige voorwaarden van een Vredes-verdrag vast, bestaande uit tien of twaalf Artikelen, en gelykvormig aan het geen, in 't jaar 1739, tusschen de Engelschen en de muitelingen van het Eiland Jamaica gesloten was.--Het hoofd der oproerigen van Saraméca was een Mulat, genaamt Capitain ADOE, die, by deeze gelegenheid, tot een blyk van onafhangelykheid, eene fraaije rotting met een zilveren knop, waar op het wapen van Surinamen gesneden was, van den Gouverneur ontfing. By het zelfde Verdrag beloofde men hem andere geschenken, waar onder voornamelyk wapenen en krygsbehoeften waaren: zy moesten hem eerst het volgende jaar gezonden worden; waar na de volkomene vrede zoude gesloten worden. ADOE bood tot een weder-geschenk een fraaije boog aan, met een koker vol pylen, door hem zelf gemaakt, tot een teeken, dat, in dien tusschentyd, alle vyandelykheid van zyn kant zoude ophouden.

Deeze vrede verwekte een groot genoegen by het voornaamste gedeelte der inwoonders van Surinamen, die zig vleiden, dat hunne goederen en persoonen nu in zekerheid zyn zouden: anderen beschouwden dit Verdrag als een zeer gevaarlyke bron, en zelfs als eene voltooijing van den onvermydelyken ondergang der Volkplanting.

Ik moet, wel is waar, erkennen, dat men niets als gevaarlyker moet achten, dan zig op de vriendschap van menschen te vertrouwen, wier gestrenge slaverny hen genoodzaakt heeft om hunne keetens te verbreken, en die door dit vertrouwen nog geduchter worden kunnen. De oproerigheid, eenmaal tot de hoogte geklommen, waar in zy zig tans bevond, hadden de Colonisten dezelve, zoo veel in hun vermogen was, behooren te bestryden, niet uit een beginzel van wreedheid, maar ten voordeele van eene zoo schoone Bezitting.

Indien de mishandelingen deeze ongelukkige schepzels tot zulke uitersten gedreven hebben, had de staatkunde, zoo wel als de menschelykheid, aan de Colonisten voor het vervolg een ander gedrag behooren voor te schryven. Men zal misschien vragen, of 'er eenig middel is om Negers tot onderwerping te houden, en hen tot den arbeid te noodzaaken, zonder de stiptste en zelfs de gestrengste Reglementen? Ongetwyffeld neen; maar ik mag op myn beurt vragen, of het noodig is verschrikkelyke folteringen aan hun te werk te leggen, volgens de eigenzinnigheid en wrevel van eenen wreeden meester, of, het geen nog erger is, van eenen verdwaasden Bevelhebber? Waarom worden de Negers omtrent redelyke klagten nooit gehoord door eene Overheid, die de magt heeft om daaromtrent herstel te bezorgen? Is het, om dat deeze Regeerings-persoon zelf een Planter is, en dat hy belang heeft by de handhaving van een willekeurig bestuur, waar door dit ongelukkig geslacht gedrukt word?--Dit is maar al te duidelyk.--Ik zou egter onrechtvaardig zyn, indien ik niet verklaarde, op verscheide Plantagiën de slaaven met de grootste menschlievenheid te hebben zien behandelen, dat des meesters hand niet wierd opgeheven, dan om hen te streelen, en dat hunne dankbaarheid en liefde ook uit hun gezicht te leezen was.

Laaten wy voortgaan, en de gevolgen van deezen vrede met de muitelingen van Saraméca beschouwen.

In den jaare 1750, dat is, een jaar daar na, wierden de geschenken, die men aan Capitain ADOE had toegezegd, aan denzelven gezonden; maar die 'er mede belast waaren, wierden op hunnen weg aangevallen, en alle de afgezondene manschappen lieten aldaar het leven; wordende zylieden door een party Negers, vereenigd onder een wanhoopig hoofd, genaamd ZAM-ZAM, die omtrent het Vredes-verdrag niet geraadpleegd was geworden, vermoord. Hy maakte zig meester van alles, wat deeze afgezondene manschappen met zig voerden, bestaande in wapenen, krygsbehoeften, linnens en andere stoffen, zaagen, bylen, en ander timmer-gereedschap, behalven gezouten ossen- en varkens-vleesch, en geestryke dranken. ADOE van zyn kant, op den bepaalden tyd, de aan hem gedaane belofte niet vervult ziende, en zig verbeeldende, dat men in den zin had hem op te houden, tot dat men nieuwe versterkingen uit Europa ontfangen zoude hebben, hernam de vyandelykheden. De vrede wierd dus door dit ongelukkig toeval onmiddelyk verbroken: de wreedheden en verwoestingen begonnen wederom met meerder ernst dan ooit, en de dood en vernieling verspreidden zig op nieuw over de Volkplanting.