Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

Part 40

Chapter 40 3,901 words Public domain Markdown

De Colonel FOURGEOUD bevondt zig den 14den zoo ziek, dat hy zig genoodzaakt zag het bevel aan een ander over te laten, en zig tot zyne herstelling naar Paramaribo te begeven. Na al zyn volk op deeze manier te hebben opgeöfferd, wierd hy het slachtöffer van zyne heerschzucht, die geene palen kende, en van zyne hardnekkige volharding, terwyl, zoo hy zig, zyne soldaten zoo wel als zig zelf, minder vermoeid en beter gevoed had, hy een even grooten, zoo geen grooteren dienst aan de Volkplanting bewezen zoude hebben.--Men zondt te gelyker tyd een vaartuig vol met zieken en stervenden naar Devil's Harwar.

Het bevel was toen in handen van den Lieutenant Colonel, die des avonds door de zelfde ziekte als de Colonel wierd aangetast. Dezelve richte toen groote verwoestingen aan ouder het krygsvolk van allerleijen rang, wier bloed door de hitte van eene brandende zon als kookte, terwyl wy, in dit saisoen van droogte, in plaats van ons op den post van Jerusalem te bevinden, de bosschen hadden moeten doorkruissen. Maar, zoo als ik reeds heb opgemerkt, de Colonel verkoos ongelukkiglyk dit ongeschikt saisoen voor deeze tochten. Verscheiden Officiers zouden toen hunne posten wel hebben willen nederleggen, indien de betamelykheid zulks gedoogd had op een oogenblik, dat zy werkelyk in dienst waren. Ik zelf zoude wel verlangd hebben eenigen tyd te Paramaribo te gaan doorbrengen; maar dewyl men my dit niet aanboodt, schoon men aan alle de anderen, tot de slaven toe, verlof gegeven hadt, achte ik het beneden my 'er om te verzoeken, dewyl ik het nog op gaande been konde houden.

Den 19den echter verërgerde myn voet zoodanig, dat de Heelmeester my buiten staat verklaarde, om dienst te kunnen doen: met dit al bleef ik steeds op de legerplaats.

Den 20sten, ontfingen wy eene versterking van krygsvolk, in slaven bestaande, en van krygsbehoeften; dienvolgende zondt men den Major MEDLAR met honderd vyftig mannen, om op kondschap uit te gaan.

Onder meerdere onheilen, waar mede het leger in dit oogenblik te kampen hadt, moet men vooral rekenen eene ontzachelyke meenigte sprinkhaanen, die alles, wat zy ontmoetten, verslonden. Het scheen waarlyk, of de vloek des hemels ons op alle manieren bezogt: allerleije zoort van ongedierte hadt zig dermaten vermeenigvuldigd, dat men, in weerwil van de grootste zorgvuldigheid, 'er zig niet geheel en al van bevryden konde. Deeze sprinkhanen waren van eene bruine kleur, en van gedaante als de anderen. Zy vlogen niet, maar sprongen by hoopen op de tafel en stoelen, terwyl wy aten. Des nachts kwelden zy ons, door over ons aangezicht te kuiëren.

Echter vonden wy op den post van Jerusalem eene groote meenigte visschen, en vooral de Newmara, de Warrappa, de Pataky en de Vieille. Allen waren uitmuntend. De Pataky was byna twee voeten lang, en hadt de gedaante van een schelvisch; de laatste geleek naar een groote baars. Men vong ook een zoort van Aal, die alhier Naay-naay-fisy genoemd wordt, zeer fyn, en omtrent een voet lang is. 'Er was ook nog een zoort van visch, genaamd Dung-fish, hebbende ten naasten by de gedaante van één kleinen haring. De Negers alleen aten de twee laatstgemelden.

Den 3den December, kwamen de afgezondene manschappen van den Major MEDLAR, na eene afwezigheid van veertien dagen, te rug, met zig brengende eene vrouw van de muitelingen, met haaren zoon, omtrent agt jaaren oud zynde, welken men op een klein veld, met bittere maniok beplant, gevangen genomen hadt. Dit ongelukkig schepzel was zwanger en zeer verschrikt; maar de Major, die een menschlievend en gevoelig mensch was, behandelde haar met goedäartigheid. Hy had echter op eene ongelukkige manier een Corporaal verloren, SCHOELAR genaamd, en een Zee-soldaat, genaamd PHILIP VAN DEN BOSCH, die onvoorzigtiglyk maniok-wortels gegeten hebbende, vergiftigd waren geworden, en den zelfden nacht in verschrikkelyke stuiptrekkingen en pynen stierven. Het geneesmiddel tegen dit vergift, is, zoo men zegt, peper van Caijenne in eenig geestryk water; maar de Major konde toen noch het een, noch het ander bekomen.

Onze gevangene verhaalde ons, dat die arme uitgehongerde Neger, dien wy gevonden hadden, ISAAC genaamd was, en dat men hem voor dood had laten leggen; zy verklaarde daarënboven, dat Capitain ARICO eene nieuwe verblyfplaats aan de zee-kusten had opgericht, waar aan hy den naam van Fissy-Hollo gegeven had; dat BONNY de gestrengste krygstucht onder zyn volk onderhieldt; dat hy eene zoo onbepaalde oppermacht oeffende, dat hy aan twee persoonen van zyn volk het hoofd hadt laten afhouwen, drie dagen voor het inneemen van Gado-Saby, namelyk in den nacht van den 17den Augustus, toen wy het geschreeuw der muitelingen, en het afschieten hunner snaphaanen hoorden, en zulks alleenlyk op de verdenking, dat deeze ongelukkigen ten voordeele der Europeanen gesproken hadden, en dat zy die geenen waren, wier hoofden wy op pieken gevonden hadden; dat deeze BONNY aan geenen Neger, onder zyn bevel staande, wapenen toevertrouwde, of hy moest hem eerst eenige jaaren als slaaf gediend, en ontwyffelbaare bewyzen van moed en trouwe gegeven hebben; dat zyne talryke onderhoorigen verpligt waren zig zonder tegenspreken te onderwerpen aan alles, wat hy goedvondt te beveelen; dat men hem intusschen meer beminde, dan vreesde, uit hoofde van zyne onkreukbaare rechtvaardigheid en zynen mannelyken moed: zy bevestigde ons ook het bericht, dat hy gewond was geworden.

Deeze vrouw en haar zoon wierden, den 4den December, met den Vaandrig CABANUS, die hen had gevangen genomen, naar Paramaribo gezonden. Men had byna te gelyker tyd een jong meisjen van omtrent veertien jaaren aangehouden, doch deeze geheel naakt, en buitengemeen gezwind zynde, had het geluk gehad te ontsnappen.

Voor het Hof van Justitie wierd bewezen, dat de eerstgemelde door de muitelingen met geweld was weggevoerd; dienvolgende kreeg zy vergiffenis, en keerde, benevens haaren zoon, met blydschap naar de Plantagie van haaren meester te rug. Het is opmerkelyk, dat, toen dit kind voor de eerste keer een paard of een koe zag, hy daar voor zoo beängst was, dat hy in zwaare stuiptrekkingen viel; bovendien konde hy niet veelen, dat hem een blanke aanraakte; want tot hier toe had hy geene menschen van die kleur gezien, en hy noemde hen altyd Yorica, het welk, in de taal der Negers, den Duivel beteekent.

Omtrent op deezen zelfden tyd, dreef het ligchaam van eene Zee-koe, of Manati, in het water, dicht by den wachtpost van Jerusalem. De slaven zwommen 'er dadelyk naar toe, de één met snoeimessen, de ander met gewoone messen, en allen bragten zy 'er stukken van mede voor hun middagmaal. Eindelyk trokken zy het dier, het welk reeds aan het rotten was, op 't land. Het was zestien voeten lang; en bestondt uit eene zeer groote en ongeschikte klomp vet, waar van het agterste gedeelte puntsgewyze liep naar eene vleeschachtige, breede en rechte staart. Deeze Zee-koe had een dikken en ronden kop, een platten bek, breede neusgaten, met zeer harde hairen aan den neus, en boven den mond, kleine oogen en drie gehoor-gaten, in plaats van ooren. In plaats van pooten, had dit dier twee uitwassen, of vleeschachtige vinnen, even als die van de Land-Schildpad, die een weinig beneden den kop te voorschyn kwamen. Het dier bedient 'er zig van om te zwemmen, en zig, schoon traaglyk, te bewegen, wanneer hy het kruid wil eeten, het welk aan den oever der rivieren groeit, want het is een halfslachtig dier. Hy had eene groenachtige zwarte kleur, eene ruwe ongelyke huid, met groote verhevenheden en rimpels, die een kring maken, en met eenige weinige stekelige hairen bedekt. Hy had kiezen, maar geene voor-tanden, en eene zeer korte tong. De Zee-koe werpt, even als de Walvisch, levende jongen, en zoogt dezelven aan twee borsten. De dieren van dit zoort zyn in de Rivier der Amazonen zeer gemeen. Men zegt, dat hun vleesch den smaak van kalfs-vleesch heeft, en goed is om te eeten. Die ik tans zag, was reeds te veel verrot, om 'er van te proeven. Men zag op zynen rug twee gaten van kogels, welken de muitelingen waarschynlyk op den 27sten, wanneer wy twee snaphaan-schoten gehoord hadden, op hem hadden laten afgaan.

Ik oordeele het niet ongepast te zyn, om alhier eene beschryving te geven van een ander halfslachtig dier, Tapira genaamd, het welk veel gelykheid heeft met het Zee-paard van het oude vaste Land, maar minder groot is. Zyn lyf heeft ten naasten by de gedaante van dat van een ezel, schoon echter minder lomp zynde. Zyn kop verschilt niet veel van den kop van een paard, maar zyne onderste lip staat meer voor uit, en eindigt met eene beweegbaare snuit, [49] als die van een Olyphant, maar niet lang genoeg, om hem van eenig nut te wezen. Zyne ooren zyn rondachtig; zyne voortanden zyn zeer sterk, en zomtyds zichtbaar. Hy heeft ruwe en rechte maanen, korte en dikke pooten met een zoort van paards-hoef, verdeeld in vier klauwen met nagels gewapend. Zyne staart heeft niet meer dan twee of drie duimen lengte. De huid van dit dier is uittermaten dik, en van eene bruine kleur; wanneer hy jong is, heeft deeze huid kleine vlakken, even als die van de harten in Guiana, of de Paca, en dezelve maken langwerpige streepen. Hy voedt zig met kruiden en planten, die op moerassige plaatsen groeijen. Hy is zoo vreesachtig, dat hy, bang zynde, zyn behoud zoekt door zig in het water te dompelen, waar in hy een zeer langen tyd verblyft. Het vleesch van het Zee-paard is zeer lekker; men geeft 'er den voorkeur aan boven het beste ossen-vleesch.

De heer SELEFELDER, Officier van 's Compagnies krygsvolk, verzekerde my, op deezen zelfden tyd, dat hy een Zeepaard, van een geheel onderscheiden aart, in de Rivier Maroni gezien had. De Majoor ABERCOMBIE, die in den zelfden dienst was, zeide my onlangs, in de Rivier van Surinamen een Meermin te hebben aangetroffen. Lord MONBODDO houdt ook zeer stellig staande het aanwezen van Zee-mannen en Zee-vrouwen, [50] en verzekert, dat men ze in 't jaar 1720. gezien heeft. Maar hoe achtenswaardig op andere punten het oordeel en gezag van deezen Lord moge voorkomen, is het my niet mogelyk, om met hem in te stemmen, dat 'er mannen en vrouwen met vinnen en schubben, laat staan met staarten, zyn zouden.

Ik geloof, zoo het my geöorloofd is myne gedachten op dit stuk te zeggen, dat men nu en dan in de Rivieren, onder den zonne-keerkring gelegen, zoo op de kust van Africa, als van Zuid-America, een zoort van visch ziet, die met het halve lyf boven het water uitsteekt, zeer veel gelykheid heeft met een menschelyk schepzel, maar veel kleiner is, en ten naasten by als die geen, welke men in 't jaar 1794 te London zag. Deszelfs kleur is zwartachtig groen; de kop is rond, met een zoort van mismaakt aangezicht. Eene zwaare vinne vertoont zig by de oogen van het dier, loopt tot het midden van den rug, en gelykt veel naar hoofdhair. Zyne twee armen en handen zyn twee vleesachtige en gevingerde vinnen. Het wyfje, als zynde een dier, dat haare jongen levendig werpt, heeft borsten, even eens gemaakt, als die van eene vrouw. De staart is volmaakt die van een visch. In veele opzigten gelykt hy naar het Zee-kalf; behalven dat de laatstgemelde geene vinnen op den rug heeft. Dezelve is ook veel dikker, en verheft zig nooit boven het water, zoo als het dier zoo even door my beschreven. Ik heb deeze berichten ontfangen van verscheiden bejaarde Negers, en van verscheiden Indianen, die alle in hunne beschryvingen overëenstemden. Zommigen voegden 'er by, dat deeze dieren zingen, maar ik denke, dat het is een klagend geschrey, zoo als men wel van andere visschen of halfslachtige dieren onder den zonne-keerkring hoort. Zy verzekerden my, dat zy, schoon zeldzaam voorkomende, ten hoogsten gevreesd zyn by hunne vrouwen en kinderen, die hen watra-mama, of moeder der wateren noemen; en, het geen vreemd is, met dien naam bestempelen zy ook hunne Profetessen. Maar laaten wy van dit stuk afstappen, en het verhaal onzer krygs-verrigtingen weder vervolgen.

Ik heb reeds gezegd, dat zeker Heelmeester, den 19den November, verklaard had, dat myn voet my buiten staat stelde, om dienst te doen; en heden, den 5den December, werden een ander Heelmeester, twee Capitains en een Adjudant gezonden om my te bezigtigen, gelyk ook den Capitain PERRET, die ziek was. De laatstgemelde Heelmeester verklaarde al mede onder eede, dat wy zonder gevaar niet gaan konden, en nog minder zwaare vermoeijing uitstaan; maar de Colonel SEYBOURG, wien de heete koorts steeds bybleef, vond goed, dat wy oogenblikkelyk de bosschen zouden intrekken, al zag hy, dat men ons op kruiwagens moest voortkruien. De arme Capitain PERRET, die 'er als een stervend mensch uitzag, en zig niet bewegen konde, besloot echter om deezen uitzinnigen last ter uitvoer te brengen; maar ik kwam 'er stellig voor uit, dat ik den geen, die bestaan zoude durven my aan te raken, de herssens zoude inschieten; en ingevolge van deeze verklaring, stelde men my onder de bewaring van een schildwacht. Het geheele leger scheen toen niet dan uit zotten te bestaan.

Den 11den, ontfingen wy bericht, dat men een zeker getal muitelingen aan de overzyde van Devil's Harwar gezien had, en wy vernamen vervolgens, dat zy de Commewyne verlaten hadden, aan welker oevers zy, den 5den, het huis van den eigenaar van Killesting-Nova, waar in de Opzichter SLICHTER was opgesloten, verbrand hadden, dat zy de geheele Plantagie verwoest hadden, drie-en-dertig vrouwen mede gevoerd, en het zoontje van eenen Mulat verminkt, om zig over zynen vader te wreeken; en dat eindelyk de Neger-Jagers hen vervolgden. Capitain FREDERIK kwam ook den zelfden dag aan. Hy had het krygsvolk der Sociëteit verlaten, om onder die van den Colonel FOURGEOUD te gaan, en hy bevestigde ons deeze ongelukkige nieuwstydingen.

Byna op deezen zelfden tyd, na vier maanden lang aan alles gebrek gehad te hebben, ontfing ik het overschot van mynen voorraad, welken men my van de Plantagie Mocha zondt; maar voor drie vierde door de kakkerlakken vernield: ik deelde het beste onder de zieken uit, maar het geen my het grootste genoegen deedt, was te vernemen, dat JOANNA en myn zoon JOHNNY buiten gevaar waren, en te Paramaribo herstelden. Deeze tyding beurde my zoodanig op, dat ik des anderen daags morgens te kennen gaf, dat ik my in staat bevond, om dienst te doen, maar ik twyffel, of dit wel zoo was. De noodzakelykheid om van lucht te veranderen, bragt 'er ook veel aan toe, want in de zoort van gevangenis, die ik hield, had ik 'er volstrekt gebrek aan, en zy was my echter ongemeen noodig. Den zelfden avond, voer een vaartuig, vol met Caraibische Indianen, de Cormoetibo-Kreek op, om, door middel van de Wana-Kreek, in de Rivier Maroni in te loopen.

Den 20sten December, was ik van myne kwetsuur aan den voet hersteld; de Colonel SEYBOURG insgelyks van zyne heete koorts.

Den 21sten, kwamen 'er beveelen van den Colonel FOURGEOUD, die zig op dit oogenblik beter bevondt: dezelve bragten mede, dat wy onze legerplaats te Jerusalem zouden opbreken, en ons andermaal naar de Wana-Kreek begeven. Dienvolgende wierden de zieken in vaartuigen naar het hospitaal te Devil's Harwar, het welk reeds byna vol was, gezonden. Veelen waren door eene ziekte aangetast, vry veel gelykende naar trommelzucht, en alhier de Kouk genaamd. Dezelve bestaat in eene verbaazende opspanning van den buik, die te gelyker tyd zeer hard is. Men krygt die ziekte, zoo men zegt, door het drinken van modderig water, zonder het met eenig geestryk vocht te vermengen; en dit was onze gewoone en algemeene drank.

Den 22sten, des morgens om zes uuren, braken wy het leger op, en volgden de oevers van de Cormoetibo-Kreek, die niet meer dan een moeras was. Men liet één van onze ongelukkige Negers, die een gat in het hoofd had, aan zyn lot over; men wierp een anderen van één der vaartuigen in het water, en hy verdronk.

Wy zagen deezen dag een groot aantal Pingos, of wilde varkens, die, als naar gewoonte, onze linie braken. Verscheiden wierden door sabelhouwen gedood, en zommigen ontkwamen het, nemende de bajonnetten, waar mede zy geraakt waren, met zig.

Deeze tocht was vooral onäangenaam uit hoofde van de zwaare regenbuien, die strooms-gewyze nedervielen, en de Rivieren deeden overloopen. De vroege ochtend-stonden waren vochtig en koud, en zoo strydig met de ongemeene hitte van den dag, dat wy zeer dikwils in onze hangmatten lagen te beven, vooral wanneer wy 'er met natte kleederen in gegaan waren. Intusschen kwam ik dit ongemak voor, door een gedeelte van den dag, even als de Jagers, half naakt te loopen, en myn hembd, geduurende den regen, onder eene omgekeerde ketel te leggen. Wanneer de regen ophieldt, kleedde ik my, en leed dus veel minder dan myne medgezellen, die zeer bleek en verkleumd waren.

Des avonds van den 23sten, sloegen wy ons neder by eene kleine beek, de Caymans-Kreek genaamd. Zekere boom, den naam van Monbiara dragende, boodt ter deezer plaats eenige uitmuntende vruchten aan, maar die allen door de slaven wierden weggenomen, eer ik 'er van konde proeven, of zelfs één van te zien krygen.

De regen viel by aanhoudenheid zoo sterk, als of wy een zondvloed te vreezen hadden. Den 24sten vervolgden wy onzen weg, en des avonds sloegen wy onze hangmatten neder by eene beek, Yorica of de Duivels-Zeef genaamd. Wy bouwden aldaar schuilplaatsen of hutten, en maakten 'er vlotten, om 'er de krygs- en mond-behoeften op te plaatsen.

Den 25sten, trokken wy door slyk en water, wy kregen de zwaarste stortregens op het lyf, en sloegen ons des avonds neder by eene kleine beek, genaamd de Java-Kreek, en loopende drie mylen beneden de Wana-Kreek.

Den 26sten, wierd ik met eenige weinige manschappen afgezonden, om onze oude legerplaatsen, by de laatstgemelde Kreek, te gaan opneemen. Des avonds kwamen wy te rug, half zwemmende door slyk en water, en zonder iets, dan eenige vogelen en merkwaardige boomen gezien te hebben, welken ik niet met stilzwygen kan voorby gaan. Men noemde deeze vogelen Crombach, Camawarry en Crocro. De eerste heeft de gedaante van eene groote houtsnip, en heeft een krommen bek. De tweede is een waterhoen, maar driemaal grooter dan de voorgaande. Zy zyn zeer ligt, en vlogen in een oogenblik weg, waarom ik 'er geene omstandiger beschryving van geven kan. De derde of de Crocro, is een weinig minder groot, dan onze kraaijen, en ik geloof, dat hy tot het zelfde zoort behoort, want hy is één der verslindendste van alle vleesch-etende vogelen. Deeze vogel heeft eene donker blaauwe kleur. Zyn bek en pooten zyn uittermaten sterk: hy maakt een allerönaangenaamst en scherpst gekras, voornamelyk in den nacht. De boomen wierden door de Negers genoemd Mataky en Markoury. De eerste is merkwaardig uit hoofde van zyne wortels, die zoodanig boven den grond uitsteken, dat een groot aantal menschen zig daar onder zouden kunnen verschuilen, zonder elkander te zien; zomtyds zelfs staan zy zoo wyd van één, dat men te paard tusschen beiden zoude kunnen doorryden; en derzelver dikte is zoo groot, dat men niet meer dan één plank of deel noodig heeft, om 'er een tafel voor twaalf menschen van te maken.

Ik verwyze den lezer naar de afteekening, die ik van deezen verbaazenden boom gemaakt heb, en geplaatst tegen over dien kant, alwaar onze legerplaats te Jerusalem was nedergeslagen. Ik heb in dezelfde plaat gebracht het gezicht van onze legerplaats aan de Java-Kreek by mooy weder.

De andere boom, Markoury genaamd, is waarlyk geducht, uit hoofde van zynen vergiftigen aart, welke zoo doordringend is, dat de rook van dit hout doodelyk is voor de dieren, wanneer het in de longen koomt. Hy groeit altyd alleen, en doet ontwyffelbaar sterven al wat 'er dicht by koomt. De slaven zelve zyn zoo beschroomd om hem aan te raken, dat zy op de Plantagiën het omhakken 'er van weigeren. Hy is niet zeer hoog, ongelyk, en van eene leelyke gedaante; hy heeft slechts eenige takken, en zyne bladeren zyn van eene bleek groene kleur. Men heeft my gezegd, dat de Indianen zommigen van hunne pylen vergiftigen, door ze in het sap van deezen boom te doopen.

Den 27sten, begaf zig eene andere ronde in aantocht, maar ontdekte even weinig, als de eerste.

Ik heb reeds gezegd, dat de zweer, die ik aan den linker voet had, geneezen was, en dit was waar; maar op dit oogenblik haalde ik uit myn regter arm twee groote insecten, die my andere zeer diepe zweeren veröorzaakten. In Surinamen noemt men deeze insecten Struik-wormen. Zy zyn zoo groot als de rups van gewoone kapellen; zy hebben een zwarten kop, en eene puntige staart; zy dringen ongemeen diep in het vleesch door, en men heeft een lancet noodig, om ze 'er uit te haalen; zy leven doorgaans in stilstaande wateren, en met geduurig door dezelven te loopen, was ik aan hunne aanvallen blootgesteld.

Myn moed begon my door de opëenstapeling van alle deeze onheilen te ontzinken. Zoo veele onderscheidene en herhaalde folteringen, waar aan ik geen einde zag, ontroerden mynen geest, en maakten my het leven verdrietig. In deeze elendige gesteldheid nam ik het stelligst en welberaden besluit om by de eerste gelegenheid, die zig zoude aanbieden om dit met eere te doen, zulke opperhoofden en zulk een dienst vaarwel te zeggen. Men zal by het vervolg van myn verhaal zien, of ik dit voornemen heb toegebragt.

Onze tegenwoordige legerplaats was zoo ondraaglyk, dat 'er geene beschryving van te geven is. Eene aanhoudende overstrooming overdekte den grond, zoodanig, dat men vlotten moest maken, om 'er onzen voorraad op te plaatsen. Wy konden uit onze hangmatten niet komen, zonder tot de kniën in slyk of water te stappen; en op plaatsen, waar het lager was, aten de insecten ons levendig op. Eene zoo ongezonde gesteldheid vermeerderde het getal van onze zieken, en men was genoodzaakt een ander vaartuig, vol met dood-kranken, de Cormoetibo-Kreek te doen afzakken, en naar het hospitaal van Devil's Harwar te zenden. Onder dit getal was die arme oude Negers, wiens herssenen byna verbryzeld waren, en die ons eerst des avonds te voor ren in eenen deerniswaardigen staat had kunnen inhalen.

Dit vaartuig, het welk veel naar een dryvend kerkhof geleek, vertrok den laatsten dag van 't jaar 1775.

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Aanwerving van twee Compagniën Vrywilligers, bestaande uit Negers en vrye Mulatten.--Verscheidene zoorten van Visschen. --Arrowoukas. Indianen.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt bevel, om naar Holland in te schepen. --De Ratel-slang.--De blaauwe Dypsas.--De Amphisboena of tweehoofdige slang.--Eene fraaije Kapel.--De Colonel ontfangt naderen last.--Het krygsyolk trekt weder in de bosschen.--Koophandel in de Volkplanting van Surinamen. --Beschryving van eene Cacao-Plantagie.--Heldendaad van eenen Neger.--De Ananas.--De Muscaat- en Water-Meloen.

Op nieuwe jaars dag deedt de Colonel SEYBOURG my zyne groete doen, met verzoek om myne aanhoudende vriendschap. Ik ging hem oogenblikkelyk van de myne verzekeren, en hy verklaarde my een oprecht leedwezen te hebben over de kwade bejegeningen, waar aan hy zig ten mynen opzigte schuldig had gemaakt. Hy verzekerde my, dat zyn Adjudant en spion GIBHART, 'er de voornaame oorzaak van was; vervolgens my by de hand vattende, stondt hy my toe, om tans naar Paramaribo te gaan, of werwaarts ik goedvond, tot dat ik anderen last ontfangen zoude hebben. Deeze behandeling deedt my een innerlyk genoegen, en wy dronken al het overschot onzer vyandschap af, niet met wyn, maar in rhum met water gemengd. Dien zelfden avond derhalven afscheid genomen hebbende, zoo van mynen nieuwen vriend, als van de legerplaats aan de Java-Kreek, zakte ik, zeer wel te vreden zynde, de Rivier af, om my naar de hoofdstad der Volkplanting te begeven.